04_03_08_Bijlage 7 - Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Terborgseweg in Doetinchem In opdracht van WBC Bouwgroep
Colofon Quickscan natuurtoets Terborgseweg in Doetinchem
Opdrachtgever Contactpersoon
WBC Bouwgroep Dhr. H. Hegeman
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2497 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 07 oktober 2022 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande activiteiten ............................................................................................ 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 8 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 8
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 8
3.3
Natura 2000 ........................................................................................................ 10
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 12
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 13 4.1
Methode ............................................................................................................. 13
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 14
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 24
6
Conclusie ................................................................................................................... 28
Bijlagen ............................................................................................................................. 29 Bijlage 1 Impressie plangebied ......................................................................................... 30 Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 31
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 39
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling, bestaande uit het realiseren van 57 appartementen verdeeld over 5 gebouwen op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem, aanvullend onderzoek naar wezel en teunisbloempijlstaart noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Bij werkzaamheden en activiteiten moet altijd rekening worden gehouden met broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor Natura 2000-gebieden is niet aan de orde. Saldering, herbegrenzing of het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen binnen het Natuurnetwerk Nederland is niet aan de orde. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is eveneens niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, te realiseren.
Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van WBC Bouwgroep. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, te realiseren. De heer Hegeman van WBC Bouwgroep is betrokken bij het plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om deze quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna en hoe deze schade beperkt of gecompenseerd kan worden. Tijdens de uitvoering van het verkennende natuuronderzoek is het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten planten en dieren op de locatie nagegaan. Op basis van dit onderzoek is bepaald of de geplande activiteiten leiden tot een negatief effect op beschermde natuurgebieden of plant- en diersoorten. Hierbij wordt ook bepaald of nadere toetsing of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde is.
Pagina 4
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Terborgseweg Doetinchem Doetinchem Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Doetinchem (zie figuur 1). Het plangebied bestaat deels uit (verruigd) grasland en deels uit ruderaal terrein met onder andere braamruigte en spontane opslag van jonge bomen met verspreid daartussen een enkele oudere boom. In de oosthoek van het plangebied, langs de Frans Halsweg, is een bosschage aanwezig. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Terborgseweg, de Oostelijke Randweg en de Frans Halsweg (zie figuur 1 en 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen. Dit onderzoeksgebied wordt bepaald door woonhuizen met tuinen, verharding en bermen van de Oostelijke Randweg en de Terborgseweg (zie figuur 2).
2.4 Geplande activiteiten Op de locatie aan de Terborgseweg worden 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, gerealiseerd (zie figuur 3). Voor deze ontwikkeling wordt het aanwezig groen, met uitzondering van een enkele monumentale boom, verwijderd. De verstoringen gerelateerd aan de kap- en bouwfase zullen vooral gelinkt zijn aan het gebruik van zwaar materieel (lawaai, trillingen e.d.) en eventueel kunstlicht, en de blijvende veranderde factoren zijn een afname van bosschages en bomen en andere schuilmogelijkheden, en daarmee het mogelijke verdwijnen van habitat voor soorten.
Pagina 5
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rode cirkel). Bron: Provincie Gelderland (2022).
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (gele lijn). Bron: Provincie Gelderland (2022).
Pagina 6
Figuur 3. Structuurontwerp Appartementen Terborgseweg. Bron: WBC Bouwgroep (29 juni 2021, gewijzigd: 1803-2022 en 11-07-2022).
Pagina 7
3
Beschermde status plangebied
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het GNN/NNN. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats in het GNN/NNN. De kernkwaliteiten van het GNN/NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het
Pagina 8
type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of GO (zie figuur 4) en ligt buiten overige, op basis van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid aangewezen gebieden met natuurwaarde, zoals “Belangrijke weidevogelgebieden”. Ten oosten van het plangebied bevinden zich diverse bosschages, graslanden en recent ingerichte natuurontwikkelingsterreinen (Groenendaal en Ruige Horst) welke zijn aangewezen als GNN-gebied. Deze deelgebieden maken onderdeel uit van het gebied De Zumpe. Verspreid in dit gebied bevinden zich ook enkele agrarische percelen welke zijn aangewezen als GO-gebied. Op ruimere afstand van het plangebied bevinden zich ook diverse GNN en GO-gebieden in het bosgebied De Wrange en in het natuurpark Koekendaal. Ten westen van het plangebied is de Oude IJssel ook aangewezen als GNN-gebied.
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, bron: Provincie Gelderland 2022).
Pagina 9
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Er zijn plannen om op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, te realiseren. Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ bevindt zich in Duitsland en ligt op grote afstand van het plangebied, vanaf 11,8 kilometer (zie figuur 5). Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op ruim 13,8 kilometer afstand. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder de Duitse Natura 2000gebieden ‘NSG Hetter-Millinger Bruch’ en ‘NSG Emmericher Ward’ liggen op ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 12,0 km. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht. Er is daardoor geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, geluidsverstoring etc. Hooguit kan er sprake zijn van stikstofdepositie.
Stikstofdepositie Er is tijdens de kap- en bouwfase door in te zetten materieel en in de gebruiksfase door de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie. Door de fysieke afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen en de beperkte omvang van de uitstoot, worden geen meetbare depositiewaarden in omliggende Natura 2000-
Pagina 10
gebieden verwacht, waardoor negatieve effecten door stikstofuitstoot op voorhand uit te sluiten zijn. Daarnaast staat in de wet Stikstofreductie en natuurverbetering, welke op 1 juli 2021 in werking is getreden, een vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor bouwactiviteiten. Deze vrijstelling maakt vergunningverlening makkelijker voor de aanleg en bouw van onder andere woningen, utiliteitsbouw, energieprojecten en activiteiten in de grond-, weg- en waterbouw. Vanaf 1 juli 2021 geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen en bouwactiviteiten (bouwfase) en is het uitvoeren van een AERIUS-berekening voor werkzaamheden in de bouwfase (kap en bouw) niet noodzakelijk. Een AERIUS-berekening wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Rijntakken
NSG Emmericher Ward
NSG HetterMillinger Bruch
Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach’ en overige Natura 2000-gebieden (blauw gearceerd). Bron: Natura 2000 Network Viewer (2022).
Pagina 11
3.4
Houtopstanden
3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom (zie figuur 1). Van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is binnen het plangebied geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.
Pagina 12
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S.J.J. Wamelink
03-09-2022
13:50 uur
Onbewolkt, droog, 25 °C, wind 1-2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 13
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde plantensoort: •
Nationaal beschermde soorten: kartuizer anjer.
Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw zijn de vaste rusten verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Van de waargenomen soorten slechtvalk, wespendief en zwarte wouw zijn echter uitsluitend overvliegende exemplaren waargenomen zonder binding met de omgeving. Deze worden daarom niet verder behandeld. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
•
Nationaal beschermde soorten: boommarter, bosmuis, bunzing, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos, en wezel1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander1. Internationaal beschermde soorten: kamsalamander en poelkikker.
1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de boommarter, bunzing, eekhoorn, steenmarter en wezel, in de
provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 14
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van enkele beschermde ongewervelde diersoorten. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: grote vos en grote weerschijnvlinder. Internationaal beschermde soorten: gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart.
Pagina 15
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het bosje aan de Frans Halsweg bestaat uit diverse soorten bomen en struiken, waaronder Amerikaanse vogelkers, beuk, boswilg, gewone vlier, hondsroos, hulst, linde species, ruwe berk, sleedoorn, sneeuwbes en witte paardenkastanje. De ondergroei is verstoord met, naast braam als dominerende soort, algemene plantensoorten van voedselrijke omstandigheden als grote brandnetel, hop en klimop. De vegetatie in het (verruigde) grasland wordt bepaald door soorten van matig voedselarme omstandigheden als boerenwormkruid, duizendblad, haagwinde, hazenpootje, heermoes, jacobskruidkruid, grijskruid, smalle weegbree, teunisbloem species en zeepkruid. De overige delen van het plangebied worden ingenomen door dicht braamstruweel en opslag van diverse soorten bomen en struiken als eenstijlige meidoorn, grauwe wilg en ruwe berk. Verspreid in het plangebied staan ook enkele verwilderde tuinplanten als dwergmispel species, mahonie en vlinderstruik. Daarnaast zijn er enkele invasieve exoten, waaronder azijnboom, Japanse duizendknoop en late guldenroede in het perceel aanwezig. Er zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen.
Kartuizer anjer In een berm langs de Bedrijvenweg, ten zuidwesten van het plangebied, is een waarneming van kartuizer anjer bekend (bron: NDFF). Kartuizer anjer is een soort van zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Er zijn geen natuurlijke groeiplaatsen meer bekend uit Nederland. De soort kwam vroeger onder andere voor aan de oostrand van het IJsseldal, waar de soort voor het laatst in 1972 is vastgesteld. Kartuizer anjer is waarschijnlijk zeer sterk achteruit gegaan door bemesting. De recente waarnemingen van deze soort hebben allemaal betrekking op ingezaaide exemplaren. Dit geldt ook voor de in de NDFF vermelde waarneming aan de Bedrijvenweg. Natuurlijke groeiplaatsen van de kartuizer anjer worden in het plangebied niet verwacht, door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt verder geen melding van het voorkomen van overige beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Deze worden in het plangebied ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen.
Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de
Pagina 16
directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: boerenzwaluw, houtduif, koolmees, merel, putter en vink. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied enkele huismussen vastgesteld. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde boombewonende soorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen. In het bosje en in een enkele solitaire boom zijn geen (oude) kraaien- en eksternesten en gebruikssporen van jaarrond beschermde boombewonende soorten als (recent) gebruikte roofvogelnesten of andere gebruikssporen (veren, uitwerpselen, plukplaatsen, prooiresten, braakballen, etc.) aangetroffen. Gierzwaluw en huismus Tijdens het veldbezoek zijn bij enkele woonhuizen in de omgeving van het plangebied huismussen waargenomen. Ten tijde van het veldbezoek is de gierzwaluw weggetrokken voor overwintering in Afrika, waardoor geen exemplaren zijn waargenomen. Gierzwaluwen en huismussen broeden bijna uitsluitend in bebouwing, zoals onder dakpannen of in andere holtes in gevels van woonhuizen.
In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. Een vaste verblijfplaats (nestlocatie) van gierzwaluw en huismus is hier uit te sluiten. Sporadisch kan een enkel foeragerend exemplaar van gierzwaluw boven het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. De dichte braamstruwelen zijn geschikt als gezamenlijke slaapplaats en schuilplaats voor de huismus. De grazige delen kunnen fungeren als foerageerplaats. Lokaal is er ook een enkele zandige plek aanwezig welke mogelijkheden bieden voor het nemen van stofbaden. De omgeving biedt ruim voldoende geschikt (alternatief) leefgebied aan, in de vorm van beuken- en coniferenhagen om te slapen/rusten en te schuilen en grazige bermen en gazons om te foerageren. Het plangebied maakt geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van de in de omgeving aanwezige huismussen. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart.
Pagina 17
Kerkuil en steenuil Vanuit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de kerk- en steenuil bekend (bron: NDFF). Gebouwen en speciale nestkasten voor de kerk- en/of steenuil zijn niet in het plangebied aanwezig. Een vaste verblijfplaats (nestlocatie) van kerk- en steenuil is hier uit te sluiten. Incidenteel kan een foeragerende kerk- en steenuil in het plangebied worden aangetroffen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie en incidenteel gebruik van het plangebied door een rustende of foeragerende ooievaar is eveneens uit te sluiten. Roek Vanuit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de roek bekend (bron: NDFF). In het bosje en in een enkele solitaire boom binnen het plangebied zijn geen (recent) gebruikte roekennesten aangetroffen. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) beschermde zoogdieren aangetroffen in het plangebied. Het plangebied kan dienen als leefgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals eekhoorn, egel, konijn, steenmarter, wezel en algemene (spits-)muizensoorten.
De aanwezigheid van een deel van deze soorten in de omgeving van het plangebied wordt bevestigd door de NDFF. Voor bovenstaande soorten geldt, met uitzondering van de eekhoorn, steenmarter en wezel, in Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor overige beschermde soorten, waaronder de in de NDFF vermelde boommarter en bunzing. De NDFF bevestigt de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Boommarter Overdag gebruiken boommarters verschillende type slaapplaatsen: boomholtes, roofvogelnesten, heksenbezems, (brede) takken en holen onder de grond van vos, das of konijn. De boomholtes die gebruikt worden zijn uitgehakt door de zwarte of groene specht of door inrotting ontstaan. Soms zitten boommarters ook in gebouwen in of in de directe omgeving van bos. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Op basis van de inspectie zijn in het plangebied en direct hieraan grenzend geen geschikte bomen als oude, forse beuken en eiken met (oude zwarte spechten-)holen aangetroffen.
Gezien het ontbreken van sporen, de afwezigheid van bomen met holten, de ligging in bebouwd gebied en door de geïsoleerde ligging van het plangebied ten opzichte van grotere bosgebieden als het bosgebied De Wrange kan
Pagina 18
worden gesteld dat het plangebied niet in gebruik is door de boommarter. Incidenteel gebruik van het plangebied door een rondzwervend exemplaar is ook uit te sluiten. Bunzing en wezel In de NDFF zijn enkele waarnemingen van de bunzing en wezel bekend voor de omgeving van het plangebied. Door hun verborgen levenswijze blijven kleine marterachtigen vaak onopgemerkt. De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging). Dit type habitat ontbreekt in het plangebied. Aanwezigheid van een functioneel leefgebied voor de bunzing is hier uit te sluiten. De wezel komt in vergelijkbare landschapstypen voor. Ten opzichte van de bunzing neemt de wezel vaak genoegen met een relatief klein leefgebied. De grootte van de leefgebieden kan variëren van 1 tot 25 hectare afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar voedsel. Daarnaast wordt de wezel ook, ten opzichte van de bunzing, ook vaker in stedelijk gebied aangetroffen.
Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) kleine marterachtigen aangetroffen in het plangebied. Verspreid in het plangebied bevinden zich geschikte schuilgelegenheden voor wezel in de vorm van een takkenhoop, dicht braamstruweel en diverse muizenholletjes in het grasland (zie foto 1 en 2). Vaste rust- of verblijfplaatsen zijn hier niet uit te sluiten.
Foto 1. Een takkenhoop in de oosthoek van het plangebied.
Foto 2. Dicht braamstruweel in de noordrand van het plangebied.
Eekhoorn Er zijn uit de omgeving van het plangebied enkele waarnemingen van eekhoorns bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen. Diverse bomen in het plangebied zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn deze bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van boomnesten. Deze zijn hier niet aangetroffen. Vaste rust- of verblijfplaatsen van de eekhoorn zijn hier uit te sluiten.
Pagina 19
Steenmarter Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreide waarnemingen van de steenmarter bekend (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. In het plangebied zijn echter geen geschikte vaste schuilplaatsen aanwezig, in de vorm van een schuurtje of iets dergelijks. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen (sporen van) steenmarters aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Misschien dat de houtstapel of het dichte braamstruweel kan functioneren als dagrustplaats, maar van een vaste verblijfplaats zal geen sprake zijn. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied meerdere schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Een vaste rust- en verblijfplaats (voortplantingsplek) kan hier dus uitgesloten worden. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, waaronder de in de wijde omgeving vastgestelde otter, worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Het bronnenonderzoek bevestigt daarnaast de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de omgeving van het plangebied.
Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen geschikte gebouwen aanwezig voor gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Daarmee zijn potentiële verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen met geschikte holten aangetroffen die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten als de rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Een verblijfplaats van een boombewonende soort is hier dan ook uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor een weinig kritische soort als de gewone dwergvleermuis. Er is echter geen sprake van essentieel foerageergebied, omdat er in de omgeving genoeg andere geschikte foerageergebieden (tuinen, spoorzone en het voormalig Esbroterrein / belevingspark Doetebol) te vinden zijn.
Pagina 20
Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water ontbreekt in het plangebied. Een voortplantingsbiotoop voor amfibieën is niet aanwezig. Het plangebied is geschikt als landbiotoop en sporadisch kan een individu van een enkele algemene amfibieënsoort als de bruine kikker en gewone pad aangetroffen worden in het plangebied. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kamsalamander en poelkikker Het plangebied is door het ontbreken van geschikt leefgebied niet van belang voor deze beschermde amfibieën. In het plangebied ontbreekt het aan geschikt voortplantingswater of landhabitat voor de kamsalamander en poelkikker. Bekende voortplantingswateren bevinden zich op ruime afstand van het plangebied (bron: NDFF). Incidenteel gebruik van het plangebied door een rondzwervende kamsalamander en/of poelkikker is dan ook uit te sluiten. Overige beschermde amfibieën worden niet verwacht, omdat het plangebied ongeschikt is als leefgebied door het ontbreken van geschikte voortplantingswateren en/of landhabitat. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen.
Uit de omgeving van het plangebied zijn ook geen waarnemingen van reptielen bekend geworden (zie paragraaf 4.2.1). Door het ontbreken van warme, beschutte, halfopen (heide)terreinen is de aanwezigheid van, de in wijde omgeving van het plangebied aanwezige, hazelworm en levendbarende hagedis uit te sluiten. Vissen Permanent open water ontbreekt in het plangebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. De NDFF vermeldt het voorkomen van de nationaal beschermde grote vos en grote weerschijnvlinder en de internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn) gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Grote vos en grote weerschijnvlinder Voortplanting is in het plangebied uit te sluiten door afwezigheid van geschikt leefgebied in de vorm van bosschages met iepen en wilgen. Er is wel één solitaire boswilg aanwezig.
Pagina 21
Gezien de beperkte grootte en de locatie (in de beschaduwde rand van het bosje) is deze boom niet geschikt als voortplantingsbiotoop voor de grote vos en eventueel grote weerschijnvlinder. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar van de grote vos en grote weerschijnvlinder in het plangebied aangetroffen worden. Gevlekte witsnuitlibel Uit de omgeving van het plangebied is een enkele waarneming van deze beschermde libellensoort bekend (bron: NDFF). Voortplanting is in het plangebied uit te sluiten door afwezigheid van geschikt leefgebied in de vorm van laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Incidenteel gebruik van het plangebied door een rondzwervend exemplaar is ook uit te sluiten. Teunisbloempijlstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze nachtvlindersoort bekend (bron: NDFF). De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd via de Habitatrichtlijn. Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter ook gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terrein in en rond het stedelijk gebied. Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen.
De vlinders vliegen in mei-juni, de rups leeft van juni tot september op de waardplant en van september tot mei verblijft de soort als pop in de strooisellaag (bron: Vlinderstichting). Verspreid over het plangebied zijn diverse rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem aangetroffen (zie foto 3 en 4). Het plangebied is hierdoor potentieel geschikt als leefgebied van de teunisbloempijlstaart en voortplanting van deze soort kan hier verwacht worden.
Pagina 22
Foto 3. Uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem in bosrand: waardplant van de teunisbloempijlstaart.
Foto 4. Uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem in grasland: waardplant van de teunisbloempijlstaart.
Pagina 23
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd (zie bijlage 3). In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten, als de in de NDFF vermelde kartuizer anjer, zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van overige beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de kartuizer anjer en overige beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk.
Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Omdat niet alle vogelsoorten op hetzelfde moment broeden en omdat dit mede afhankelijk is van de weersomstandigheden is er geen vaste broedperiode vastgesteld. Er zijn voorbeelden van vroege broeders zoals de
Pagina 24
blauwe reiger en de bosuil. Deze broeden vaak al in februari. Daarnaast broeden soorten als houtduif en meerkoet vaak nog tot in augustus. Activiteiten mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels, verstoord worden. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Indien de werkzaamheden niet geheel buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden, moet vestiging van broedvogels voorkomen worden, bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten voor aanvang van het broedseizoen of door het kort maaien van vegetaties, snoeien/afzetten van groenstructuren e.d. Deze maatregelen worden bij voorkeur onder ecologische begeleiding uitgevoerd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Het plangebied is ongeschikt als nestlocatie voor soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil, vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties. Het plangebied behoort ook niet tot het essentieel leefgebied van deze of overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Incidenteel gebruik van het plangebied door één van de soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn is mogelijk.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) beschermde zoogdieren aangetroffen in het plangebied. Het plangebied kan dienen als leefgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals eekhoorn, egel, konijn, steenmarter, wezel en algemene (spits-)muizensoorten. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van eekhoorn, steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Wezel Verspreid in het plangebied bevinden zich geschikte schuilgelegenheden en verblijfplaatsen voor de wezel in de vorm van een takkenhoop, dicht braamstruweel en diverse muizenholletjes in het grasland. Vaste rust- of verblijfplaatsen van de wezel zijn hier niet uit te sluiten. De geplande ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot aantasting van (de functionaliteit van) een vaste rust- en verblijfplaats van de wezel. Om de aan- of afwezigheid van de wezel vast te stellen moet een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel). Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken.
De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren.
Pagina 25
Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is daarom niet afhankelijk van de omvang van het plangebied, maar moet worden bepaald aan de hand van de aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen moeten gedurende de looptijd van het onderzoek (maart tot en met augustus) ingezet worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij de takkenhoop en het braamstruweel. Eekhoorn en steenmarter Van de eekhoorn en steenmarter zijn de vaste verblijfplaatsen en het essentieel leefgebied beschermd. Er zijn geen boomnesten van eekhoorns en gebouwen voor steenmarter aanwezig. Een vaste verblijfplaats van de eekhoorn en steenmarter wordt niet verwacht in de het plangebied. Incidenteel kan een enkel rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1.
Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee→ Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk. 3. Zijn de struiken, gewassen, boom (bomen) mogelijk een essentieel onderdeel van een mogelijke route/verbinding of essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar foerageergebieden en routes van vleermuizen is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, (essentieel) foerageergebied en vliegroute is niet noodzakelijk, aangezien er geen sprake is van aantasting van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen, foerageergebieden of vliegroutes door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor deze soortgroep.
Pagina 26
Amfibieën Amfibieën zijn niet aangetroffen. Gezien het ontbreken van voortplantingswater en geschikt leefgebied in de vorm van landhabitat en overwinteringsplek zijn strikt beschermde amfibieën, als de in de NDFF vermelde kamsalamander en poelkikker, niet te verwachten in het plangebied. Het plangebied is wel geschikt als landbiotoop voor enkele algemene amfibieënsoort als de bruine kikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor de vrijgestelde soorten. Reptielen en vissen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde reptielen en vissen niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen. Ongewervelde dieren Het voorkomen van de Europees beschermde teunisbloempijlstaart is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Teunisbloempijlstaart Delen van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de teunisbloempijlstaart.
Het betreft de locaties waar diverse rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem zijn aangetroffen. Naar verwachting zal het potentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart, door de ruimtelijke ontwikkeling, verloren kunnen gaan. De aanwezigheid van deze beschermde nachtvlindersoort is het beste vast te stellen door in de periode juni – september, met de nadruk op de periode half juli – 1 augustus, naar volgroeide rupsen te zoeken. Hiervoor dienen twee veldbezoeken in de periode 1 juli – 1 augustus uitgevoerd te worden.
Pagina 27
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt buiten het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast. Er hoeft derhalve geen verdere toetsing uitgevoerd worden. Natura 2000 Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven zijn op voorhand uit te sluiten. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde soorten Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soorten: • •
Wezel Teunisbloempijlstaart
Broedvogels Er moet rekening worden gehouden met broedvogels. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden.
Pagina 28
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 29
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 30
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 31
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 32
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 33
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 34
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;