CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

04_02_05_Bijlage 5 onderbouwing - Quickscan natuurwaarden.pdf

beeldvormende raad 10 oktober 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 2: Wijzigingsbesluit omgevingsplan Doetinchem9.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek IJzevoordseweg 7 Doetinchem

Effectbeoordeling in het kader van soortbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek IJzevoordseweg 7 Doetinchem

Effectbeoordeling in het kader van soortbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever: Ad Fontem

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 5502 versie 1.0 Ligging plangebied: IJzevoordseweg 7 Doetinchem Auteur: H. van Gijn

Status: definitief Rapportdatum: 03-01-2024 Veldwerk uitgevoerd door: J. Tamminga

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving

1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding .................................................................................................................................... 5

Hoofdstuk 2

Het plangebied ......................................................................................................................... 6

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3

Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten ............................................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9

4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 10 4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ......................................................................... 10 Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ......................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 13 5.4 Slotconclusie ......................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 15

6.1 Methode ................................................................................................................................................. 15 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 15 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 15 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 16 6.1.4 Methode per soortgroep ................................................................................................................. 16 6.2 Resultaten .............................................................................................................................................. 17 6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 21 6.4 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 24 6.5 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 24 Hoofdstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 25

2

SAMENVATTING Er zijn plannen om een extra woning met bijgebouw te realiseren op een erf gelegen aan de Ijzevoordseweg 7 te Doetinchem. Het westelijke deel van de meest westelijk gelegen schuur op het erf en de overige twee aanwezige schuren worden gesloopt. Aangenomen wordt dat de aanwezige beplanting wordt verwijderd en dat een deel van de bestaande erfverhading wordt verwijderd en vervangen. Tevens wordt aangenomen dat er nieuwe erfverhading wordt aangelegd en dat de spullen/materialen, welke in de buitenruimte verspreid liggen, verwijderd worden. Het plangebied wordt nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van erfbeplanting, hagen, hoogstam fruitbomen, knotbomen en loofbomen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Het plangebied is op 22 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Omdat sprake is van een ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone, dient een versterkingsplan opgesteld te worden. Dit plan geeft aan, op welke wijze de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone versterkt worden. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksen ontwikkelfase is niet noodzakelijk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied, maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt en de beplanting en nestkast verwijderd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden.

3

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen); • Opstellen versterkingsplan;

4

HOOFDSTUK 1

INLEIDING Er zijn plannen om een extra woning met bijgebouw te realiseren op een erf gelegen aan de IJzevoordseweg 7 te Doetinchem. Het westelijke deel van de meest westelijk gelegen schuur op het erf en de overige twee aanwezige schuren worden gesloopt. Aangenomen wordt dat de aanwezige beplanting wordt verwijderd en dat een deel van de bestaande erfverhading wordt verwijderd en vervangen. Tevens wordt aangenomen dat er nieuwe erfverhading wordt aangelegd en dat de spullen/materialen, welke in de buitenruimte verspreid liggen, verwijderd worden. Het plangebied wordt nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van erfbeplanting, hagen, hoogstam fruitbomen, knotbomen en loofbomen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland . Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering.

Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

5

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de IJzevoordseweg 7 te Doetinchem. Het plangebied ligt op circa 1,9 kilometer ten oosten van de woonkern Doetinchem en wordt omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, gazon, erfverharding en spullen/materialen. De bebouwing bestaat uit twee en een halve schuur. Het westelijke deel, van de meest westelijk gelegen schuur op het erf, en de meest oostelijk gelegen schuur beschikken over gemetselde buitengevels, maar niet over een spouwmuur. De centraal gelegen schuur (de kleinste schuur) beschikt over buitenwanden van betonelementen. De centraal gelegen schuur beschikt over een dakpannen gedekt zadeldak en de overige twee schuren zijn gedekt met golfplaten. De schuren beschikken niet over dakbeschot/dakisolatie. De beplanting bestaat uit enkele struiken en sierplanten. De spullen/materialen (o.a. pallets, emmers, plastic en oud ijzer) liggen verspreid in de buitenruimte. Het plangebied grenst aan agrarisch cultuurland, een schuur, gazon en erfverharding. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 6

HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN

3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om een extra woning met bijgebouw op het erf te realiseren. Het westelijke deel, van de meest westelijk gelegen schuur op het erf, en de overige twee aanwezige schuren worden gesloopt. Aangenomen wordt dat de aanwezige beplanting wordt verwijderd en dat een deel van de bestaande erfverhading wordt verwijderd en vervangen. Tevens wordt aangenomen dat er nieuwe erfverhading wordt aangelegd en dat de spullen/materialen, welke in de buitenruimte verspreid liggen, verwijderd worden. Het plangebied wordt nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van erfbeplanting, hagen, hoogstam fruitbomen, knotbomen en loofbomen. Op onderstaande afbeelding is een verbeelding van het wenselijk eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van het wenselijk eindbeeld (bron: Ad Fontem).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Verwijderen beplanting en spullen/materialen in buitenruimte; • Slopen bebouwing; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen extra woning met bijgebouw; • Aanleggen erfverharding; • Aanleggen erfbeplanting, hagen, hoogstam fruitbomen, knotbomen en loofbomen;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; 7

Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden, het rooien van beplanting en het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, een schuur, gazon en erfverharding. Het oostelijke deel, van de meest westelijk gelegen schuur, is open. De golfplaten dakbedekking sluit strak aan op de houten balken onder het dakvlak. Hierdoor vormt dit gedeelte van de schuur geen geschikte nestplaats voor vogels. Voor overige beschermde diersoorten wordt dit gedeelte van de schuur ook niet als een geschikte rust- en voortplantingsplaats beschouwd.

Als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens deze werkzaamheden in het aangrenzende agrarisch cultuurland. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende een periode van enkele weken. Tevens ligt het aangrenzende agrarisch cultuurland nabij de Ijzevoordseweg waar dagelijks verkeer overheen rijdt, waardoor de beschermde soorten en/of- waarden in het aangrenzende agrarisch cultuurland al enige gewenning hebben aan verstoring door geluid. Het aangrenzende agrarisch cultuurland vormt tevens ook geen geschikte nestplaats voor weidevogels. Er is geen sprake van andere verstoringseffecten tijdens de bouwfase, zoals optische verstoring, kunstlicht of trillingen. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden buiten het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De invloedsfeer is lokaal. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

8

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

9

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. • De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); • De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. 4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.

10

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk (voorheen EHS genoemd). 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt volledig binnen de begrenzing van de Groene Ontwikkelingszone (deelgebied 24, Steenderen-Zelhem). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

GO

GNN

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren worden aangeduid met de donkergroene kleur. Gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren, worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone –Provincie Gelderland). 11

Kernkwaliteiten deelgebied 24 Steenderen-Zelhem Voor dit deel van de Groene Ontwikkelingszone zijn de volgende kernkwaliteiten voor natuur en landschap vastgesteld: • • •

• • • •

Overgangslandschap van het heideontginnings- kampen- en essenlandschap via de nattere broekontginningen naar het hoevenlandschap dicht bij de IJssel; dicht en kleinschalig in het oosten, steeds opener naar het westen noordelijk deel onderdeel van Nationaal Landschap Graafschap agrarisch gebied met enkele verbindingszones: Heidenhoekse Vloed en Wittenbrinkse en Zelhemse beek verbinden de Zumpe, Slangenburg en de Heidehoek met de landgoederen ten westen van Doetinchem (modellen das, kamsalamander, ijsvogelvlinder); Grote en Kleine beek verbinden de landgoederen bij Keppel met de IJssel (model winde) bijzondere natte schraallanden langs de Grote en Wittenbrinksbeek leefgebied steenuil cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir

Toetsing aan beleid Voor de bescherming van de Groene Ontwikkelingszone heeft de provincie Gelderland beleidsregels vastgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. Deze beleidsregels zijn als volgt: Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. De genomen maatregelen voor de versterking van de Groene Ontwikkelingszone worden gepresenteerd in een versterkingsplan. Dit plan gaat in op de volgende aspecten: a. b. c. d.

hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd; hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden; hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en e. de locatie waarop de versterking plaatsvindt. Conclusie Er is in het plangebied sprake van een nieuwe ontwikkeling. Er dient een versterkingsplan opgesteld te worden. Daarvoor dient de systematiek van de provincie gehanteerd te worden, welke kwantitatief inzichtelijk maakt hoe groot de versterking van de Groene Ontwikkelingszone moet zijn.

12

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 13,52 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabije Natura 2000-gebied, is het Duitse Natura 2000-gebied Hetter-Millinger Bruch.

Het plangebied ligt op minimaal 14,22 kilometer afstand van het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied: Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

13

14,22 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de groene, gele, paarse en lichtblauwe kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt mogelijk toe als gevolg van de bewoning van de extra woning.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk.

5.4 Slotconclusie Het plangebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Omdat sprake is van een ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone, dient een versterkingsplan opgesteld te worden. Dit plan geeft aan, op welke wijze de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone versterkt worden. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksen ontwikkelfase is niet noodzakelijk.

14

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Methode 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 21 augustus 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn 13 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.

Verspreiding van alle bekende records in het plangebied (bron: NDFF).

Er zijn waarnemingen ingevoerd van vogels (12) en vaatplanten (1). Uit de databank kwamen de volgende bruikbare gegevens: De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben in hoofdzaak betrekking op vogels. In 2013 en 2014 zijn enkele losse waarnemingen van steenuilen met gedragingen ‘roepen’ en ‘ter plaatse’ in het plangebied vastgesteld (NDFF, 2023). Tevens zijn er in 2019 en 2021 territorium van steenuil in het plangebied en nabije omgeving vastgesteld (NDFF, 2023). Er zijn geen waarnemingen van nestelende steenuilen in het plangebied en directe omgeving in de NDFF opgenomen (NDFF, 2023). Deze waarnemingen worden verder besproken bij resultaten (hoofdstuk 6.2 vogels). Tevens is in 2020 is een groene specht ‘roepend’ vastgesteld in de directe omgeving van het plangebied. Verder betroffen de vogelwaarnemingen niet relevante waarnemingen (zoals overvliegende vogels of losse waarnemingen) of waarnemingen buiten het plangebied. Er zijn geen nestelende vogels in het plangebied en directe omgeving opgenomen in de NDFF. Verder zijn er geen waarnemingen opgenomen die relevant zijn voor deze studie, anders dan dat het een bevestiging is van het voorkomen van bepaalde soorten in en rond het plangebied. 15

6.1.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 22 juni 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, gazon, erfverharding en spullen/materialen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten.

Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.1.4 Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Vogels die een territorium bezetten of een bezet nest hebben, vertonen territorium-indicerend gedrag en hebben in veel gevallen een bezet nest in deze tijd van het jaar of hebben al uitgevlogen jongen.

In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Veel grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- of kraamverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar.

16

Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

6.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de struiken, in de nestkast en de bebouwing. De bebouwing is voor vogels toegankelijk en vormt een geschikte nestplaats. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, holenduif, houtduif, winterkoning, tjiftjaf, vink, roodborst, zwartkop, pimpelmees en koolmees. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen visueel en auditief waargenomen. De te slopen bebouwing beschikt niet over dakbeschot en zijn aan de binnenzijde goed onderzocht. Huismussen nestelen soms in de balklaag tussen de golfplaten en gevel. Deze plekken konden goed onderzocht worden, maar er zijn geen (oude) nesten waargenomen. Nestelende huismussen in bebouwing zijn duidelijk te herkennen door uitwerpselen op de grond.

Tevens vormt de afwezigheid van huismussen op het erf een sterke aanduiding dat er geen huismussen nestelen in de bebouwing. In 2013 en 2014 zijn enkele losse waarnemingen van steenuilen met gedragingen ‘roepen’ en ‘ter plaatse’ in het plangebied vastgesteld (NDFF, 2023). Tevens zijn er in 2019 en 2021 territorium van steenuil in het plangebied en nabije omgeving vastgesteld (NDFF, 2023). Er zijn geen waarnemingen van nestelende steenuilen in het plangebied en directe omgeving in de NDFF opgenomen (NDFF, 2023). In de oostelijke schuur zijn schijtsporen van steenuil vastgesteld. Deze schijtsporen zijn echter niet recent en er zijn verder geen aanwijzingen gevonden dat steenuilen in deze schuur nestelen (zoals braakballen en ruiveren). De schuren zijn grondig onderzocht op aanwijzingen die duiden op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen. Deze zijn, m.u.v. de niet recente schijtsporen in de oostelijke schuur, niet aangetroffen in de schuren. Aanwijzingen van steen- en kerkuil zijn doorgaans gemakkelijk te vinden in dergelijke schuren zoals schijtsporen, braakballen en ruiveren. Het plangebied wordt tevens niet beschouwd als essentieel foerageergebied voor steenuil. Er is geen agrarisch cultuurland aanwezig in het plangebied en het plangebied wordt omgeven door grote oppervlakten agrarisch cultuurland.

Het leefgebied van steenuil wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Verder zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels, boeren- en huiszwaluwen een vaste rust- of nestplaats in het plangebied bezetten.

17

Deze nestkast is geschikt voor koolmees en pimpelmees om een nestplaats in te bezetten (gele cirkel).

Door het slopen van bebouwing, het verwijderen van de nestkast en het verwijderen van de struiken tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een jonge vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; - Verwijderen nestkast tijdens de voortplantingsperiode; - Verwijderen struiken tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, huisspitsmuis, egel en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in de oostelijke schuur, onder strooisel en bladeren en onder verspreide spullen/materialen in de buitenruimte. De oostelijke schuur is voor grondgebonden zoogdieren toegankelijk en vormt een geschikte rust- en voortplantingsplaats.

De overige bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en vormt daardoor geen geschikte rust- en voortplantingsplaats. De oostelijk gelegen schuur beschikt niet over dakisolatie waardoor er geen ruimtes onder het dakvlak kunnen ontstaan welke een geschikte rust- en voortplantingsplaats voor steenmarter kunnen vormen. Verder zijn in de oostelijke schuur enkel materialen opgeslagen en er ontbreekt bijv. een hooizolder (met hooi), holle ruimte onder golfplaten of andere holle ruimtes waar steenmarters een rust- en voortplantingsplaats in kunnen bezetten. De bebouwing en buitenruimte in het plangebied zijn onderzocht en er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van steenmarter zoals prooiresten en uitwerpselen. De aanwezige struiken zijn te open aan de onderzijde en er ontbreekt een dikke strooisellaag waardoor deze struiken niet geschikt zijn als rust- en voortplantingsplaats voor egel en steenmarter. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer, de afstand tot bos en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, holenbomen en takkenbossen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd.

Door het slopen van de oostelijke schuur, het verwijderen van strooisel en bladeren en het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen oostelijke schuur; - Verwijderen strooisel en bladeren; - Verwijderen spullen/materialen in buitenruimte; 18

Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De aanwezige bebouwing beschikt niet over een spouwmuur, maar in de meest oostelijk gelegen schuur zijn scheuren in de buitengevels vastgesteld. Deze scheuren vormen echter geen geschikte verblijfplaats omdat deze scheuren te ondiep zijn, blootgesteld staan aan predatie en te tochtig zijn voor vleermuizen. Tevens beschikken de schuren niet over een spouwmuur, dus de scheuren in de buitengevels vormen geen toegang tot een spouwmuur. In de buitengevels van de te slopen bebouwing zijn op verschillen plekken ventilatieopeningen vastgesteld. Omdat de schuren niet beschikken over een spouwmuur vormen deze ventilatieopeningen ook geen toegang tot een spouwmuur. Tevens sluit de houtbetimmering van de meest westelijk gelegen schuur strak aan tegen de buitengevels en sluit de betimmering van het dakoverstek naadloos aan op de buitengevels. De daklijsten van de oostelijk gelegen schuur sluiten ook strak aan tegen de buitengevels. Op de grond langs de buitenzijde van de gevels van de schuren zijn tevens ook geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van vleermuizen, zoals uitwerpselen.

Alle schuren zijn voor vleermuizen weliswaar toegankelijk, maar ook in de bebouwing zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten, zoals uitwerpselen en restanten van insecten (vleugels van vlinders of motten of dekschilden van kevers). Dergelijke aanwijzingen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen in bebouwing en worden aangetroffen onder de hangplek. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. In de Nationale Databank flora- en fauna zijn tevens geen waarnemingen van vleermuizen in het plangebied en nabij omgeving opgenomen (NDFF, 2023).

Foto links; aanwezigheid scheuren in gevel en de daklijsten sluiten strak aan op de buitengevels (gele pijlen). Foto rechts; de betimmering van het dakoverstek sluit naadloos aan op de buitengevels (gele pijlen).

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;

19

• Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in de oostelijke schuur, onder strooisel en bladeren en onder verspreide spullen/materialen in de buitenruimte. De oostelijke schuur is voor amfibieën toegankelijk en vormt een geschikte (winter)rustplaats. De overige bebouwing is voor amfibieën niet toegankelijk en vormt daardoor geen geschikte (winter)rustplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.

Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder spullen/materialen in de buitenruimte.

20

Door het slopen van de oostelijke schuur, het verwijderen van strooisel en bladeren en het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen oostelijke schuur; - Verwijderen strooisel en bladeren; - Verwijderen spullen/materialen in buitenruimte; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van bebouwing en het verwijderen van beplanting en de nestkast tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); - Verwijderen beplanting buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); - Verwijderen nestkast buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast.

21

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 19-12-2018). 1

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 22

Mits geen beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen beschermde dieren (opzettelijk) doden; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor de beschermde amfibieën, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’. Om te voorkomen dat er beschermde amfibieën (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel boven voor toepasbare vangmiddelen). Mits geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8101/documents/47974