04_02_02_Bijlage 2 onderbouwing - Versterkingsplan.pdf
Tekst van het document
Versterkingsplan IJzevoordseweg 7 Doetinchem
Versterkingsplan IJzevoordseweg 7 Doetinchem
Colofon
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever:
Ad Fontem
Projectnummer en versie: 5502A versie 1.0 Ligging plangebied: IJzevoordseweg 7 te Doetinchem Auteur: Ing. P. Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 11-12-2023
1
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 3
1.1 Aanleiding................................................................................................................................................. 3 1.2 Toetsing aan provinciaal beleid voor gebiedsbescherming ..................................................................... 3 1.3 Doel en reikwijdte .................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2 Plangebied .................................................................................................................................... 5 2.1 Situering van het plangebied ................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 2.3 Landschap................................................................................................................................................. 7 Hoofdstuk 3
Het ontwerp .......................................................................................................................... 8
3.1 Doelstelling ............................................................................................................................................... 8 3.2 Uitgangspunten ........................................................................................................................................ 8 Hoofdstuk 4
Kernkwaliteiten ..................................................................................................................... 9
4.1 Inleiding .................................................................................................................................................... 9 4.2 Vastgestelde kernkwaliteiten ................................................................................................................... 9 4.3 Ontwikkelingsdoelen ................................................................................................................................ 9 4.4 Toepasbare ontwikkelingsdoelen............................................................................................................. 9 Hoofdstuk 5
Het versterkingsplan ........................................................................................................... 10
5.1 Uitgangspunten ...................................................................................................................................... 10 5.2 Bepalen verliespunten............................................................................................................................ 10 5.3 Bepalen impactpunten ........................................................................................................................... 10 5.4 Resultaat................................................................................................................................................. 15 Hoofdstuk 6
Inrichting en beheer ............................................................................................................... 16
6.1 Inrichtingsmaatregelen .......................................................................................................................... 16 6.2 Beheer .................................................................................................................................................... 16 6.3 Inboet ..................................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 7
Monitoring en evaluatie ......................................................................................................... 17
2
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
1.1 Aanleiding Er zijn plannen voor de realisatie van een extra woning op een bestaand woonerf op het adres IJzevoordseweg 7 te Doetinchem. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven. de nieuwe woning wordt aangeduid met ‘C’.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld, inclusief ontwerp voor landschappelijke inpassing.
1.2 Toetsing aan provinciaal beleid voor gebiedsbescherming Het volledige erf behoort tot de Groene ontwikkelingszone. Onder voorwaarde zijn voorgenoemde ontwikkelingen mogelijk, mits voldaan wordt aan de in de Omgevingsverordening Gelderland (versie januari 2023) gestelde eisen voor ontwikkelingen in de Groene ontwikkelingszone. Eén van de voorwaarden is het opstellen van een versterkingsplan.
1.3 Doel en reikwijdte Voorliggend rapport toetst de voorgestelde maatregelen aan de minimale eisen die de provincie Gelderland stelt aan dergelijke ontwikkelingen in de Groene ontwikkelingszone. Uitgangspunt voor de beoordeling is een erfinpassingsplan, opgesteld door Ad Fontem. De woning wordt gebouwd op een bestaand woonerf.
3
Uitsnede van de plankaart met daarop de ligging van het erf in de rode cirkel.
4
HOOFDSTUK 2 PLANGEBIED 2.1 Situering van het plangebied Het plangebied is gesitueerd op het adres IJzevoordseweg 7 te Doetinchem. Het ligt in het buitengebied en wordt omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied op de topografische kaart. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een woonerf, omgeven door agrarische cultuurgrond. Op het erf staan een woonboerderij en drie bijgebouwen, waaronder twee schuren. Op het erf is erfbeplanting aanwezig in de vorm van Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
Luchtfoto van het plangebied. De begrenzing wordt met de gele lijn aangeduid. De bouwplaats van de nieuwe woning wordt aangeduid met het gele kader (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
5
Aanzicht op het erf, vanaf de IJzevoordseweg, in westelijke richting. De nieuwe woning wordt gebouwd op de plek van de schuur op de voorgrond.
Detail van de aanwezige bebouwing en erfbeplanting aan de voorzijde van het erf.
Detail van de aanwezige bebouwing en erfbeplanting aan de voorzijde van het erf. 6
Aanzicht op het erf, vanaf de IJzevoordseweg, in oostelijke richting.
2.3 Landschap Het erf ligt in het heideontginningslandschap, dat ten zuiden van de IJzevoordseweg overgaat in het kampenlandschap. Op onderstaande historische topografische kaart, wordt de ligging van het plangebied weergegeven.
Ligging van het plangebied op de historische topografische kaart anno 1925 (bron: Kadaster).
Het heideontginningslandschap is een jong ontginningslandschap, ontstaan na het ontginnen van de ‘woeste gronden’. Dat vond plaats vanaf eind 19e eeuw, begin 20e eeuw. Het landschap kenmerkt zich door een rationele, blokvormige verkaveling waarbij de ontginningsboerderijen langs de ontginningswegen lagen. De erven zijn vaak rechthoekig begrensd met beplanting langs de rand. Passende beplantingsvormen zijn solitaire bomen, scheerhagen, hoogstamfruitboomgaarden en ‘windsingels’.
7
HOOFDSTUK 3
HET ONTWERP
3.1 Doelstelling Het doel van een plan voor landschappelijke inpassing is het in harmonie met het omringende landschap inpassen van het erf. Dat wil niet zeggen dat alle bebouwing verstopt moet worden achter een ‘groene muur’ van beplanting. Bebouwing mag juist zichtbaar en beleefbaar zijn, maar beplanting kan wel bijdragen aan het wegnemen van zicht op minder fraaie elementen, zoals mestsilo’s, betonnen keerwanden van kuilvoerplaten of grote, eentonige stallen voor de intensieve veehouderij.
3.2 Uitgangspunten Behoud bestaande beplanting Uitgangspunt voor het opstellen van een erfinpassingsplan is behoud van zo veel mogelijk bestaande beplanting. Voorwaarde is wel dat het streekeigen beplantingsvormen zijn, passend in het landschap, en bestaat uit inheemse beplanting (geen conifeer, laurier, duindoorn, naaldbomen). Streekeigen beplanting Er wordt streekeigen beplanting gebruikt, zowel met betrekking tot de soorten en beplantingsvormen. Inheemse, streekeigen boomvormers in de drogere delen van het heideontginningslandschap bestaan uit zomereik, ruwe berk, lijsterbes, vuilboom en veldesdoorn. Kenmerkende boomvormers op nattere plekken bestaan uit es, zwarte els, ‘wilg’, boswilg en populier. Iepen ontbreken grotendeels in het buitengebied van Zieuwent. Streekeigen beplantingsvormen zijn hakhoutbosjes, struweelhagen, solitaire bomen, hakhoutsingels, knotbomen, hoogstam fruitboomgaarden en erfbosjes. Autochtoon plantmateriaal Er wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van autochtoon plantmateriaal. De leverancier kan dit aantonen d.m.v. een certificaat. Gebruik inheems plantmateriaal is van belang om bestaande beplanting zo zuiver mogelijk te houden (voorkomen hybridisatie).
8
HOOFDSTUK 4
KERNKWALITEITEN
4.1 Inleiding in dit hoofdstuk worden de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone weergegeven.
4.2 Vastgestelde kernkwaliteiten Het plangebied ligt in deelgebied 24 (Steenderen-Zelhem)
Kernkwaliteiten deelgebied 24 Steenderen-Zelhem Voor dit deel van de Groene ontwikkelingszone zijn de volgende kernkwaliteiten voor natuur en landschap vastgesteld: • Overgangslandschap van het heideontginnings- kampen- en essenlandschap via de nattere broekontginningen naar het hoevenlandschap dicht bij de IJssel; dicht en kleinschalig in het oosten, steeds opener naar het westen • Noordelijk deel onderdeel van Nationaal Landschap Graafschap • Agrarisch gebied met enkele verbindingszones: Heidenhoekse Vloed en Wittenbrinkse en Zelhemse beek verbinden de Zumpe, Slangenburg en de Heidehoek met de landgoederen ten westen van Doetinchem (modellen das, kamsalamander, ijsvogelvlinder); Grote en Kleine beek verbinden de landgoederen bij Keppel met de IJssel (model winde) • Bijzondere natte schraallanden langs de Grote en Wittenbrinksbeek • Leefgebied steenuil • Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen • Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir
4.3 Ontwikkelingsdoelen Voor het gebied zijn tevens ontwikkelingsdoelen vastgesteld. Er zijn ontwikkelingsdoelen vastgesteld voor natuur en landschap in de Groene ontwikkelingszone. Deze zijn: • • • • • •
Ontwikkeling ecologische verbinding Grote Beek met natuurlijkere oevers, stapstenen en vispassage Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking N315, N316, N314 en N330 Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden, heide en schrale graslanden Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën, poelen Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, grafheuvels, hessenweg, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen
4.4 Toepasbare ontwikkelingsdoelen Niet alle ontwikkelingsdoelen zijn overal toepasbaar. Het plangebied bestaat volledig uit intensief beheerd agrarisch cultuurland en wordt volledig omsloten door agrarisch cultuurland. Wanneer we kijken naar de voor dit plangebied vastgestelde ontwikkelingsdoelen, dan zijn de volgende ontwikkelingsdoelen toepasbaar in het ontwerp. •
Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden
Bovenstaande ontwikkelingsdoelen zijn onder andere te realiseren door het aanplanten van erfbeplanting in de vorm van solitaire bomen, scheerhagen, struweelhagen en hoogstam fruitbomen. 9
HOOFDSTUK 5
HET VERSTERKINGSPLAN
5.1 Uitgangspunten Indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden, is het een nieuwe ontwikkeling of activiteit mogelijk te maken in de GO. Ter compensatie voor de realisatie van het nieuwe erf, eist de provincie versterking van natuur en landschapswaarden. Zij heeft daarvoor een systematiek ontwikkeld waarbij een verliesfactor en impactfactor bepaald worden en de voorgestelde versterking van natuur en landschap kwantitatief getoetst kan worden aan de hand van versterkingsmaatregelen. Hiervoor is een rekenmodule ontwikkeld in een excel-tabel. Voor het berekenen van de verlies-, impact- en versterkingsfactoren, wordt gewerkt met de online rekenmodule d.d. 11-12-2023
5.2 Bepalen verliespunten Er worden geen landschapselementen verwijderd. Er is geen sprake van verliespunten.
5.3 Bepalen impactpunten Het aantal woningen neemt toe op het erf. De gebruiksruimte ‘erf’ blijft gelijk. De woning wordt gebouwd op de plek waar nu nog een schuur staat. De bestemming van agrarische cultuurgrond omgezet wordt niet gewijzigd. De toename van één woning op het erf leidt tot 25 impactpunten.
Impactverzwarende aspecten Het plangebied ligt in een ecologische verbindingszone. Deze verbindingszone dient ontwikkeld te worden volgens model Das, Kamsalamander en IJsvogelvlinder. Dit is een na-droge verbindingszone.
10
Ligging van de ecologische verbindingszone in de buurt van het plangebied (bron: Atlas kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone).
Toelichting van de verschillende modellen: • Model kamsalamander (amfibie) Dit model bestaat uit een corridor met stapstenen, ingebed in een landschapszone.”Natte” elementen, m.n. poelen, zijn essentieel. Behalve de kamsalamander kunnen ook andere zeldzame amfibieën - heikikker, boomkikker, knoflookpad - en ringslang doelsoort zijn. Dit model mikt op een herstel van een kleinschalig landschap met ook natte elementen. Daarmee is het toepasbaar zowel in het Rivierengebied als op de lage zandgronden. De kwaliteit van de natte elementen is van groot belang, terwijl de “droge” elementen zeer verschillend kunnen zijn. Het model biedt plaats aan een zeer grote verscheidenheid aan organismen: van
11
spitsmuis tot steenuil en van libel tot vleermuis. De poelen in de zone dienen echter vrij van vis te zijn en te blijven. Landschapszone Kleinschalig landschap met een samenhangend netwerk van landschapselementen in een agrarisch cultuurlandschap. Daarnaast liggen in deze landschapszone kleine poelen: 500 m2, opgenomen in het netwerk van landschapselementen. De breedte van de landschapszone is 250 m. De zone heeft per strekkende km, naast de stapstenen, ten minste 5 poelen, goed verspreid, als kleine stapstenen. Corridor Begroeiing corridor: ruigte, struweel, (vochtig) schraalland, kleine loofbosjes, greppels, houtwal, oevers van sloten of beken, en dergelijke. Minimale breedte corridor: 10-15 meter Maximale lengte corridor: 500 meter Maximale onderbreking corridor: 50-100 meter Landschap in onderbreking: verkeerswegen, spoorwegen en bebouwing vormen een barrière voor dispersie. Dat geldt in mindere mate voor akkers. Barrières: mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk. Gebruik van tunnels is voor verschillende soorten amfibieën bekend. Grote tunnels (doorsnede > 1 meter) verhogen de effectiviteit. Ecoducten voldoen het best. Stapsteen Begroeiing stapsteen: poel met goed ontwikkelde water- en oevervegetatie waarin open ruimten aanwezig zijn; landhabitat bestaande uit struweel, heggen of houtwallen, met voldoende schuilmogelijkheden in de vorm van dood hout en dergelijke.
Minimum oppervlakte stapsteen: 1-3 ha landhabitat met daarbinnen enkele forse poelen, bijv. van 2000 m2 elk. Onderlinge afstand stapstenen: 1 kilometer Nodig per kilometer: stapsteen: 3 ha; corridor: 1 ha; landschapszone: 1,2 ha, namelijk: 250 m breed, waarin 5% van de oppervlakte landschapselementen. Daarin ten minste 5 poelen van 500 m2 elk • Model ijsvogelvlinder Dit model bestaat uit grote en kleine stapstenen bestaande uit bos met veel variatie in de structuur, in een landschapszone. Het is met name bedoeld voor organismen die niet zozeer uitgestrekte bossen nodig hebben, als wel bos met een hoge kwaliteit: vochtig, met gevarieerde samenstelling en structuurrijke randen en open plekken. Bijvoorbeeld de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder profiteren van dit model. Tevens dient het model om kleine, geïsoleerde maar waardevolle bosjes uit hun isolement te halen. Landschapszone Een zone van 250 m breed van kleinschalig landschap of open bos. In een agrarisch landschap bevorderen houtwallen de dispersie. Stapsteen Begroeiing stapsteen: vochtig loofbos met open plekken en structuurrijke randen. Minimum oppervlakte stapstenen: groot 10 ha, klein 1 ha Onderlinge afstand stapstenen: groot 5 km, klein 1,5 km Nodig per kilometer grote stapsteen: 2 ha kleine stapsteen: 0,4 ha
12
• Model das Dit model bestaat uit een brede landschapszone. De zone is opgebouwd uit kleinschalig landschap waarin houtwallen, singels en bosjes dekking bieden en geleiding geven en waarin voldoende geschikte voedselgebieden aanwezig zijn. “Natte” elementen zijn niet noodzakelijk in deze zone. Dit model is, behalve voor das en boommarter, functioneel voor allerlei dieren van bossen, bosranden en kleinschalig landschap. Landschapszone Begroeiing: kleinschalig agrarisch gebied met vochtige weilanden, houtwallen, singels, lanen, bosjes en dergelijke. Minimale breedte corridor: minimaal 500 meter, over korte afstand mag corridor smaller zijn (tot 100 meter breed). Maximale lengte: 7,5 km Maximale onderbreking: 1 kilometer; voor boommarter echter hooguit 100 m. Landschap in onderbreking: geen water, infrastructuur en dichte bebouwing. Barrières: drukke wegen vormen geen absolute barrière. Wel bemoeilijken drukke wegen de dispersie en eisen zulke wegen veel slachtoffers. Daarom zijn op plaatsen waar een verbindingszone een drukke weg kruist mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dassen maken gebruik van tunnels en ecoducten. Nodig per kilometer: een corridor van 500 meter breed bestaande uit kleinschalig landschap. In de corridor bestaat ten minste 5% van de oppervlakte uit bos en houtwal/singel. Per km is dit 2,5 ha
Bruikbare elementen uit de modellen Wanneer we kijken naar de verschillende elementen, dan wordt het aanbrengen van erfbeplanting als een waardevolle maatregel beschouwd.
Het plangebied behoort niet tot waardevol open gebied
Ligging van waardevol open gebied in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas leefomgeving.nl).
13
Het plangebied heeft geen aardkundige waarden (zie afbeelding onder).
Ligging terrein met aardkundige waarden in de omgeving van het plangebied (cirkel) (bron: Aardkundig waardevolle gebieden).
5.4 Versterkingspunten Het erfinpassingsplan en maatregelen ter versterking van het landschap bestaan uit de volgende elementen: 1. Aanleg struweelhaag. Deze struweelhaag heeft een breedte van 3 meter en een totale lengte van 15 meter lang. De totale oppervlakte bedraagt 45m2 2. Hoogstambooomgaard. Er worden drie fruitbomen geplant. De totale oppervlakte bedraagt 60m2. 3. Knotwilgen. Er worden zeven knotwilgen aangeplant. Deze hebben een totale oppervlakte van 70m2. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.
14
Erfinpassingsplan en plan voor versterking van het landschap (bron: Ad Fontem).
5.4 Resultaat De voorgenomen activiteit leidt tot een positief saldo van 34 punten. 15
HOOFDSTUK 6
INRICHTING EN BEHEER
6.1 Inrichtingsmaatregelen Om tot het wenselijke eindbeeld te komen worden de volgende inrichtingsmaatregelen genomen. Aanleg struweelhaag Er wordt een dubbele rij struweelbeplanting aangelegd. Er worden 7 stuks plantsoen per (dubbele) meter haag geplant. De haag bestaat uit een gelijk gemengde haag van meidoorn, haagbeuk, veldesdoorn en sleedoorn (bron: Ad Fontem). Er wordt gebruik gemaakt van 2-jarig plantsoen in de maat 90-120 cm. Aanleg boomgaard Er worden zes hoogstamfruitbomen geplant. De bomen worden voorzien van twee boompalen en boomband. Er worden appel-, peer- en pruimenbomen geplant in de maat 10-12 cm. Aanplant knotwilg Er worden zeven stuks knotwilgen geplant. Er worden bij voorkeur staken gebruikt welke beschikbaar komen tijdens het knotten van wilgen in de regio. Staken worden 0,75-1 meter diep geplant en hoeven niet voorzien te worden van boompalen indien de staan ca 15 cm omtrek heeft. Indien een gekweekte knotboom geplant wordt (10-12 cm), dient de knotboom voorzien te worden van boompalen en boomband.
6.2 Beheer Struweelhaag De struweelhaag wordt beheerd als hakhout. Dat wil zeggen dat de beplanting iedere 5-7 jaar afgezet wordt waarbij tak- en tophout in een ril in het element gelegd wordt of afgevoerd wordt. Indien tak- en tophout versnipperd wordt, worden de snippers niet op bulten gestort, maar afgevoerd of gelijk verspreid in het element. Hoogstam fruitbomen De fruitbomen hoeven niet beheerd te worden. Indien wenselijk kunnen ze periodiek gesnoeid worden. Knotwilg De knotwilgen worden periodiek geknot. Dat gebeurt doorgaans iedere 5-8 jaar.
6.3 Inboet Beplanting welke afsterft na aanleg, dient vervangen te worden totdat het wenselijke eindbeeld gerealiseerd is. Tot 20% van de totale beplanting mag afsterven zonder inboet. Hierdoor ontstaat een meer structuurrijke haag.
16
HOOFDSTUK 7
MONITORING EN EVALUATIE
7.1 Monitoring Om tot het wenselijke eindbeeld te komen, dient de aangelegde beplanting periodiek gemonitord te worden. De aanplant wordt aan het einde van het eerste groeiseizoen onderzocht op de mate waarin de aanplant is aangeslagen. De bevindingen worden schriftelijk gerapporteerd aan de opdrachtgever en de gemeente. Naar aanleiding van de beoordeling wordt, indien daar aanleiding voor is, een inboetplan opgesteld. De monitoring wordt herhaald in het 2e en 4e jaar na oorspronkelijke aanleg. Na iedere monitoring wordt een evaluatieverslag gemaakt en gerapporteerd aan de opdrachtgever en de gemeente.
17
Bijlage 1. Puntentelling
18
19
20
Bijlage 2. Inrichtingsplan