CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

04_02_00_Onderbouwing IJzevoordseweg 7 Doetinchem.pdf

gemeenteraad 24 oktober 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.2: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024 - 1G15.753 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

32

Met voorliggend project wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied van de gemeente Doetinchem. Er wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en een nieuwe woning gebouwd, waarbij de nieuwe woning landschappelijk wordt ingepast. Daarbij wordt de nieuwe woning op een andere VAB-locatie gebouwd dan de slooplocatie. De realisatie van de woning leidt niet tot aantasting van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit.

Voorwaarden kwaliteit woningen 8. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. 9. De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Toets De beoogde compensatiewoning zal gebouwd worden conform de laatste duurzaamheidseisen en de normen van de BENG. Ook zal er gekeken worden om de bestaande woning verder te verduurzamen. Voorwaarde bijbehorende bouwwerken 10. Per woning (zowel bestaande als nieuw te bouwen) is maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. Toets Hier kan aan voldaan worden. Bij de compensatiewoning zal een bijgebouw van 100 m² ontwikkeld worden.

Voorwaarde landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing 11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf- en landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden.

33

Toets Er is een erfinrichtingsplan opgesteld waarin is aangetoond dat het plan aansluit bij de geldende gebiedskenmerken en een bijdrage levert aan de instandhouding en versterking van de gebiedskenmerken ter plaatse. Kortom Al met al kan gesteld worden dat de ontwikkeling van het perceel IJzevoordseweg 7 in Doetinchem door middel van ‘functieverandering voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (vab) naar wonen’ invulling geeft aan het door de gemeente gestelde ruimtelijk beleid. Er wordt gebruik gemaakt van de beleidsnotitie ‘Notitie wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’. Dit betreft een combinatie van het verplaatsen van een bouwrecht én het slopen van landschapsontsierende bebouwing. Er wordt een bestaand bouwrecht (van 531,5 m³ en bijgebouw van 100 m²) elders in de gemeente Doetinchem verplaatst naar de locatie aan de IJzevoordseweg. Daarnaast wordt er nog 437 m² aan landschapontsierende bebouwing aan de IJzevoordseweg 7 gesloopt. Hiermee wordt de realisatie van één compensatiewoning van 750 m³ en een bijgebouw van 100 m² op het perceel aan de IJzevoordseweg 7 in Doetinchem mogelijk gemaakt. Het voornemen geeft op die manier invulling aan een herontwikkeling van de locatie; draagt het bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied en zorgt ervoor dat landschap ontsierende bebouwing wordt gesaneerd.

5.5.3

Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036

De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: •

groeien in kwaliteit

•

kwalitatief goed wonen

•

een passende woning voor iedereen

•

wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven

Groeien in kwaliteit Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe 34

woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken.

Kwalitatief goed wonen Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen.

Een passende woning voor iedereen Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: •

28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000,-.

•

8% middenhuur tot € 1.000,-, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000,-.

•

14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000,-, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,-).

•

17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000,-eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,-);

•

33% dure koopwoningen (boven € 355.000,-) of dure huur (boven € 1.000,-).

Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode.

Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de 35

gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Toets Met voorliggende ontwikkeling wordt een aansluiting gezocht bij de ‘Notitie wonen landelijk gebied van de gemeente Doetinchem’. Er wordt een bestaand bouwrecht (van 531,5 m³ en bijgebouw van 100 m²) elders in de gemeente Doetinchem (Broekstraat 20 Wehl) verplaatst én worden er sloopmeters (437 m²) ingebracht op de locatie IJzevoordseweg 7. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de beleidsambitie van de gemeente Doetinchem om tot en met 2030 minimaal 2.470 woningen toe te voegen. Voorliggend initiatief is in lijn met ‘Woonvisie gemeente Doetinchem 2023 – 2036’.

5.5.4

Groenstructuurplan Doetinchem 2017

In de zomer van 2017 heeft het college van B&W het vernieuwde Groenstructuurplan 2017 vastgesteld. Het Groenstructuurplan beschrijft de belangrijkste groene kwaliteiten en ambities van gemeente Doetinchem. Ook geeft het plan aan waar en hoe Doetinchem nóg groener gemaakt kan worden. Want een groene gemeente is een prettige, duurzame en gezonde gemeente. Het Groenstructuurplan heeft de volgende doelen: •

Vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren.

•

Verwoorden van groene ambities en deze uit te werken naar concrete projecten en acties.

•

Bieden van richtlijnen voor belangenafwegingen bij ruimtelijke ontwikkelingen en claims en bij het afstoten van openbaar groen.

•

Fungeren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening.

•

Richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Het plan is modulair opgebouwd en bestaat uit een basismodule met de algemene informatie, een aantal beleidsmodules en een realisatiemodule. De onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de groenstructuurkaart. Het groen op deze kaart is een combinatie van bestaande groenstructuren, gemeentelijk en provinciaal beleid en actuele kennis van deskundigen. Vanuit het gemeentelijk groenbeleid is de wens om dit groen te behouden, beschermen en waar mogelijk uit te breiden. Deze kaarten dienen als toetsingsinstrument bij de beoordeling van kapaanvragen en verzoeken voor aankoop van gemeentelijk groen. 36

Toets Het projectgebied aan de IJzevoordseweg 7 in Doetinchem ligt binnen het gebied ‘Uitbreiding groenstructuur – gewenst (zoekgebied). Voor voorliggende ontwikkeling is een erfinrichtingsplan én een versterkingsplan opgesteld. Hierin is beschreven hoe het erf landschappelijk wordt ingepast en hoe de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de Groene Ontwikkelingszone van de provincie Gelderland. Het plan voldoet aan de vereisten van het ‘Groenstructuurplan Doetinchem 2017’. Daarbij blijft de bestaande bijzondere boom (zoals in onderstaande figuur met rode stip aangeduid) behouden. In het erfinrichtingsplan is dit weergegeven en is onder andere de bijzondere boom aangemerkt als bestaand landschapselement.

Figuur 5.1: groenstructuurkaart ter hoogte van het projectgebied (bron: gemeente Doetinchem)

5.5.5

Bomenverordening Gemeente Doetinchem 2015

De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid

37

is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Toets Het plan gaat uit van het behoud van alle aanwezige houtopstanden. Er is geen sprake van herplantplicht.

5.5.6

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

In het GRP geeft de gemeente Doetinchem een integrale visie op stedelijk water en riolering. Samen met het waterplan 2003 is het GRP leidend voor de manier waarop Doetinchem met water en riolering omgaat. Het GRP beschrijft de keuzes en te verwachten maatregelen en kosten Om een goede rioleringszorg te bieden, moeten we aan drie hoofddoelen voldoen: •

Duurzame bescherming volksgezondheid: de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater zorgt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd;

•

Handhaving goede leefomgeving: riolering en drainage zorgen voor de ontwatering van de bebouwde omgeving en het voorkomen van overlast. Dat gebeurt door het afvoeren van (A) het afvalwater van huishoudens en bedrijven, (B) het hemelwater van daken, pleinen, wegen en dergelijke en door (C) het teveel aan grondwater in te zamelen en af te voeren;

•

Duurzame bescherming van natuur en milieu: door de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen wordt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem of oppervlaktewater voorkomen.

Toets Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De ontwikkeling is in lijn met het GRP van de gemeente Doetinchem. 38

5.5.7

Maatschappelijke behoefte

Met voorliggend plan wordt er één woning toegevoegd bij een bestaand woonerf. De woning zal worden bewoond door familie van de huidige bewoners van de IJzevoordseweg 7. Daarmee wordt voldaan aan een maatschappelijke behoefte van het plan, namelijk zorgen voor voldoende woonruimte voor inwoners van de gemeente Doetinchem.

5.5.8

Conclusie gemeentelijk beleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.10.4.

39

6.

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

•

Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

•

Het bevorderen van bronmaatregelen;

•

Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;

•

Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

40

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2

Onderzoek

Een woning is een geluidgevoelig gebouw, waardoor met het voorliggende plan het aspect geluid behandeld moet worden. De bestaande en beoogde nieuwe woning liggen aan de IJzevoordseweg. Dit betreft een rustige weg in het buitengebied en wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. Uit het raadplegen van de geluidskaart van wegverkeer van ‘Atlas leefomgeving’ blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande en nieuwe woning lager dan 45 dB bedraagt. Hiermee worden de geluidsnormen niet overschreden. Een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Figuur 6.1 toont een uitsnede van de geluidskaart van wegverkeer.

Figuur 6.1: Geluidskaart van wegverkeer (bron: Atlas leefomgeving) 41

6.1.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling, waarbij één extra woning op het perceel aan de IJzevoordseweg 7 te Doetinchem wordt gerealiseerd.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 42

2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

6.2.2

Onderzoek

Met het realiseren van slechts één extra woning vindt geen ontwikkeling plaats die van (grote) invloed is op de luchtkwaliteit. Het betreft hier een NIBM-project. Een detailberekening is niet noodzakelijk. Uit het raadplegen van de kaarten voor wat betreft luchtkwaliteit van ‘Atlas leefomgeving’ blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 11,2 µg/m³, 14,6 µg/m³ en 8,2 µg/m³ bedragen. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden van 40 µg/m³ voor NO2, 40 µg/m³ voor PM10 en 25 µg/m³ voor PM2,5 niet overschreden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

6.2.3

Conclusie

Het initiatief maakt een ontwikkeling nodig die niet in betekenende mate bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast worden de grenswaarden niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 43

6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

6.3.2

Onderzoek

Het projectgebied aan de IJzevoordseweg in Doetinchem is omgeven door woningen, agrarische bedrijven- en gronden. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de IJzevoordseweg 5. Hier is een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd. Dit agrarische bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 105 m van de beoogde nieuwe woning. Voor woningen buiten de bebouwingscontour geldt een richtafstand van 50 m tot het agrarische bedrijf. Aan deze afstand wordt voldaan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

6.3.3

Conclusie

De beoogde nieuwe woning wordt op voldoende afstand van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur niet voor belemmeringen zorgt.

6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

44

6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

6.4.2

Onderzoek

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Om die reden is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 2 (voormalige) tanklocaties, 2 (voormalige) asbestverdachte druppelzones en een puinverharding aanwezig zijn. De tanklocaties, druppelzones en puinverharding worden beschouwd als verdachte deellocaties. De bovengrond van de onderzoekslocatie wordt, vanwege de ligging op een voormalig agrarisch erf, als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Verder wordt de onderzoekslocatie beschouwd als onverdacht voor chemische componenten uit het NEN5740-standaardpakket. Uit het veldonderzoek en de analyses is gebleken dat er in de bovengrond (BG I) en in het grondwater (PB 1) enkele (zeer) licht verhoogde concentraties zijn aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 45

4.3 en 4.4 van het onderzoek. In de boven- en ondergrond (BG II, OG, A - BG en A OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen gehalten boven de achtergrond- en streefwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MMM FF - 02 en FF - Gat 15 is geen asbest aangetoond. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - B en MM FF - Puin is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten liggen ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek (50 mg/kg droge stof). In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - C is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg droge stof). In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke asbestverontreiniging noodzakelijk. De omvang van de sterk met asbest verontreinigde bodem is circa 1 m2 x 0.5 meter diepte = circa 0.5 m3 per deellocatie, ofwel circa 1 m3 in totaal. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Gelderland).

Voorafgaande aan de sanering dient een grondsaneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.

6.4.3

Conclusie

Uit het bodemonderzoek is gebleken dat (een gedeelte van) de bodem verontreinigd is. Sanering van deze verontreinigde grond is noodzakelijk. Nadat de verontreinigde grond gesaneerd is zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect bodemkwaliteit die de beoogde ontwikkeling in de weg staan.

6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

46

6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

6.5.2

Onderzoek

Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen kan gebruik gemaakt worden van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Hierbij kan uitgegaan worden van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en ‘buitengebied’. Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de twee woningen (bestaande en nieuwe) komt dit uit op 16,4 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de geringe hoeveelheid aan verkeersbewegingen en de ligging aan een relatief rustige weg in het buitengebied, kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. De gemeente Doetinchem heeft op 8 juni 2017 de ‘Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem’ vastgesteld. In deze nota zijn de parkeernormen die gelden in de gemeente opgenomen. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In de nieuwe situatie bevinden zich twee vrijstaande woningen op het perceel. In totaal zijn er afgerond 5 parkeerplaatsen benodigd. Voor beide woningen geldt dat er ruim voldoende ruimte is op het eigen terrein om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

6.5.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspecten mobiliteit en parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

47

6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

48

6.6.2

Onderzoek

Uit het raadplegen van de risicokaart Nederland blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen risicobronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron is de rijksweg A18 en bevindt zich op een ruime afstand van ca. 2,5 km van het projectgebied. Figuur 6.2 toont een uitsnede van de Risicokaart Nederland, met de planlocatie zwart omcirkeld.

Figuur 6.2: uitsnede Risicokaart Nederland (bron: Atlas Leefomgeving)

6.6.3

Conclusie

Gelet op de zeer ruime afstand tussen de projectlocatie en de omliggende risicobronnen kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief om één extra woning mogelijk te maken.

6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

49

6.7.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.7.2

Onderzoek

Doordat er met het voorliggende initiatief sloop van bebouwing is beoogd is er een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit deze quickscan zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Het projectgebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone maar ligt op grote afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Korenburgerveen’ en ‘Rijntakken’ en zijn gelegen buiten de grenzen van het grondgebied van de gemeente Doetinchem op een afstand van respectievelijk 19 kilometer en 14 kilometer. Omdat sprake is van een ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone, dient een versterkingsplan opgesteld te worden. Dit plan geeft aan, op welke wijze de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone versterkt worden. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiks- en ontwikkelfase is niet noodzakelijk. De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het projectgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het projectgebied, maar benutten het wel als foerageergebied.

50

Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt en de beplanting en nestkast verwijderd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rusten/of voortplantingslocatie in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het projectgebied als foerageergebied voor vleermuizen af.

Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: •

Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;

•

Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen);

•

6.7.3

Opstellen versterkingsplan

Conclusie

Uit het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. Wel dient een versterkingsplan in het kader van de ontwikkeling binnen de Groene ontwikkelingszone opgesteld te worden. Deze is opgenomen in figuur 3.2 en de bijlage. Hieruit blijkt dat de Groene ontwikkelingszone voldoende wordt beschermd en versterkt. Het aspect natuur vormt verder geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

6.8 Cultureel erfgoed 51

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.8.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

Verplaatsing van beschermde monumenten;

•

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

6.8.2

Onderzoek

Cultuurhistorie Binnen het projectgebied zijn geen gemeentelijke- en/of rijksmonumenten aanwezig. Ook andere cultuurhistorische elementen zijn niet aanwezig. Gelet op de kleinschaligheid van het initiatief kan gesteld worden dat de cultuurhistorische waarden in de omgeving niet worden aangetast.

Archeologie Volgens het geldende bestemmingsplan liggen er drie verschillende dubbelhoofdfuncties voor archeologie op het projectgebied, te weten: ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’, ‘Waarde – Archeologische verwachting 4’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’. De beoogde nieuwe woning is voorzien op de locatie van de oostelijk gelegen schuur. Hier geldt voor het overgrote gedeelte de dubbelhoofdfunctie ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’. Hiervoor geldt dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden bij bouwwerken groter dan 1.000 m² met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m. Deze oppervlakte wordt met de realisatie van slechts één woning niet overschreden. Daarnaast zal de bodem reeds verstoord zijn door de huidige schuur. Bij de archeologische verwachtingswaarden 3 en 4 geldt een oppervlakte ondergrens van 250m2. Omdat de oppervlaktematen en locatie van de nieuwe woning niet ingetekend staan is het niet volledig uitgesloten dat een deel van de woning ook in één van deze verwachtingszones 3 en 4 ligt. Vanwege 52

verstoorde grond op het perceel wordt het uitvoeren van archeologisch onderzoek desondanks niet noodzakelijk geacht.

6.8.3

Conclusie

Uit het vorenstaande blijkt dat er geen cultuurhistorisch waardevolle panden en/of andere elementen worden geschaad. Tevens worden de normen voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet overschreden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.9.1

(Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). 53

De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

6.9.2

Onderzoek energietransitie

Met voorliggend plan worden bestaande schuren gesloopt en een bestaand woonrecht verplaatst. Hiervoor wordt een compensatiewoning gebouwd aan de IJzevoordseweg 7. De woning wordt geheel gasloos gebouwd conform de actuele duurzaamheidseisen van de BENG. Daarmee wordt voldaan aan de vereisten van energietransitie.

6.9.3

Onderzoek circulariteit

Met voorliggend plan worden bestaande schuren gesloopt en een bestaand bouwrecht verplaatst. Hiervoor wordt een compensatiewoning gebouwd aan de IJzevoordseweg 7. De woning wordt gebouwd conform de actuele duurzaamheidseisen van de BENG. Indien mogelijk worden materialen zoveel mogelijk hergebruikt. Daarmee wordt voldaan aan de vereisten van circulariteit.

6.9.4

Onderzoek klimaatadaptatie en water

Op Rijksniveau is de ‘Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ opgesteld. Die geeft uitvoering aan het landelijke, provinciale en gemeentelijk beleid. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. De maatlat is in onderstaand figuur opgenomen.

54

Figuur 6.3: Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving (bron: Kennisportaal Klimaatadaptatie) Klimaatadaptatie richt zich op het aanpassen aan het veranderd klimaat. De maatlat richt zich op de voorbereiding van de gebouwde omgeving op het verwachte klimaat in 2050 en werpt een blik verder vooruit. De gebouwde omgeving bestaat uit alle steden en dorpen in Nederland en de gebouwen, infrastructuur en openbare ruimte binnen deze steden en dorpen. Op het buitengebied is de maatlat minder van toepassing aangezien er meer ruimte is om water te laten infiltreren, meer groen aanwezig is om hittestress te voorkomen en er over het algemeen sprake is van een hogere biodiversiteit. Daarnaast heeft voorliggende ontwikkeling, de bouw van een woning, geen gevolgen voor het toenemen van droogte, bodemdaling en/of overstromingen. Voor wat betreft de afvoer van het vuilwater kan er voor de woningen gebruik gemaakt worden van de reeds aanwezige ‘uitlegger’ van de drukriolering. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de hoogte van de bestaande uitlegger. Het opvangen en afvoeren van het hemelwater zal op het eigen terrein opgelost worden.

6.9.5

Conclusie

Voorliggende ontwikkeling voldoet aan de vereisten van het aspect ‘duurzaamheid’. 55

6.10 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of projectm.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;

•

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.10.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling sluit het meest aan op de categorie ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbreiding van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterrein’, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Echter gaat het hier slechts om de realisatie van één extra woning in het buitengebied, waarbij een 56

grotere oppervlakte aan bebouwing wordt gesloopt. Gelet daarop is er feitelijk gezien geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. In hoofdstuk 6 van deze toelichting wordt voldoende aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en de andere functies in de omgeving worden niet beperkt. De ontwikkeling is zeer kleinschalig en heeft geen aanzienlijke milieueffecten. Er hoeft geen plan-m.e.r(-beoordeling) uitgevoerd te worden.

6.10.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden 57

aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

6.11.2 Onderzoek Het voorliggende plan maakt slechts één extra woning mogelijk op een bestaand woonperceel. Daarmee kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

6.11.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

6.12 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

6.12.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

58

6.12.2 Onderzoek Wonen is geen milieubelastende functie. Deze functie heeft dan ook nauwelijks invloed op de (gezonde) fysieke leefomgeving. In voorgaande paragrafen zijn de omgevingsaspecten behandeld. Hieruit is gebleken dat de functie wonen passend is in de omgeving en dat omliggende functies op geen enkele manier worden belemmerd.

6.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect gezondheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

59

7.

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. De locatie aan de IJzevoordseweg 7 te Doetinchem ligt niet binnen een beperkingen gebied. Voor dit gebied gelden dan ook geen specifieke regels.

60

8.

Uitvoerbaarheid

De gemeente hoeft onder de Omgevingswet niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. In de onderbouwing moet worden aangegeven dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. Onder de Wro moeten veel mogelijkheden worden onderzocht die feitelijk nooit gerealiseerd zullen worden. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat dit onderzoek gefaseerd kan worden. Er moet wel worden onderzocht of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal de omgevingsplanwijziging een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Volgens de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij de omgevingsplanwijziging passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal.

8.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een particulier. De gemeente en de particulier hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

61

8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. In onderhavig geval maakt de nadeelcompensatie onderdeel uit van de anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1

Participatie

De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. Wanneer gedurende de inzagetermijn zienswijzen binnenkomen, worden deze samengevat en beantwoord in een separate notitie.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8094/documents/48132