CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

04_01_00_Onderbouwing Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl.pdf

gemeenteraad 24 oktober 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.2: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024 - 1G12.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

30

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2

Onderzoek

Het project omvat een melkrundveehouderij met als neventak Agrarisch loonwerk. Voor het bedrijf geldt een omgevingsvergunning waarin geluid een belangrijk aspect is. Ten opzichte van de omgevingsvergunning verschuift een kleine activiteit van de straatzijde van het bedrijf naar het achtererf. De invloed van deze verschuiving op geluid is zeer beperkt. Hierdoor zullen de geluidsaspecten uitsluitend positief wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. 6.1.3

Conclusie

Het project heeft vanwege de geringe verschuiving van activiteiten geen gevolgen voor de geluidsaspecten.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, 31

maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Het project voorziet in de ruimtelijke mogelijkheden om een beperkt aantal dieren op de bedrijfslocatie te verschuiven. Het aantal te houden dieren, en ook de overige activiteiten blijven van gelijke omvang. Er is geen sprake van een wijziging die van invloed is op de luchtkwaliteit. De wijziging is NIBM. 6.2.3

Conclusie

Omdat het project voorziet in gelijkblijvende activiteiten zijn er geen gevolgen voor de luchtkwaliteit.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 32

6.3.2

Onderzoek

Voor wat betreft geur van veehouderijen zoals in dit project, wordt aangesloten bij de standaardnormen en minimumafstanden uit het Bkl. Voor een veehouderij geldt een minimale afstand van 100 meter tussen de gevel van het dierenverblijf en de dichtstbijzijnde woning binnen de bebouwde kom. Doordat in het project wordt vastgelegd dat er in een deel van de gebouwen geen vee gehouden mag worden, voorziet het project in een afstand van 100 meter tot de beoogde nieuwbouw in plan Fokkenkamp. De afstand van de veehouderij tot woningen buiten de bebouwde kom (minimaal 50 meter tot dierenverblijf) blijft ongewijzigd. 6.3.3

Conclusie

Het project voldoet aan de minimumafstanden voor geur van veehouderijen.

6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. Gelet de aard en omvang van het project zijn trillingen niet relevant.

6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.5.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; 33

• •

6.5.2

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Onderzoek

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. In het project is het bouwen van een veestal voorzien, en de aanleg van een voeropslag. Deze activiteiten worden niet als bodemgevoelige gebouwen aangemerkt, mede omdat de verblijftijd van personen minder dan een uur per dag is. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve niet benodigd. Voor het bouwen van de staluitbreiding is de kwaliteit van de (onder)grond wel van belang; voor het bepalen van de stabiliteit zullen handsonderingen nodig zijn tijdens de graafwerkzaamheden.

6.5.3

Conclusie

Het project voorziet in mogelijkheden die bodemgevoelig zijn; de geschiktheid van de bodemkwaliteit is van belang voor het aanleggen van een nieuwe fundering van de staluitbreiding. Voor zover bekend zijn geen puinverhardingen, ondergrondse tanks, asbest of andere materialen aanwezig die de chemische bodemkwaliteit negatief beïnvloeden. De draagkracht van de bodem voor het plaatsen van een bouwwerk wordt tijdens het graafwerk getoetst middels handsondering.

6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

34

6.6.2

Onderzoek

De vergroting van het bouwvlak voorziet in het intern verplaatsen van vee, en de aanleg van een opslag van ruwvoer. Beide onderdelen hebben geen invloed op het aantal parkeerplekken dat benodigd is voor het bedrijf. Overigens kenmerkt dit bedrijf zich, net als andere agrarische bedrijven, als een bedrijf waar een zeer beperkte parkeervoorziening op het eigen erf volstaat. 6.6.3

Conclusie

Het project heeft geen effect voor de aspecten verkeer en parkeren

6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

35

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2

Onderzoek

Het project heeft betrekking op een agrarisch bedrijf met een neventak agrarisch loonwerk. Beide activiteiten worden als niet risicovol ingedeeld, en er zijn ook geen risicobronnen aanwezig die gevaar of schade kunnen opleveren. 6.7.3

Conclusie

Het project voorziet in omgevingsveilige bedrijfsactiviteiten; de veiligheid is niet in het geding.

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2

Onderzoek

De verplaatsing van de dieren uit gebouw C (zie bedrijfsplattegrond bijlage 2) naar gebouw B en de vergroting van stal A kan mogelijk gevolgen hebben voor de stikstofdepositie ondanks het dat het aantal dieren gelijk blijft. In het kader van de natuurbeschermingswet zijn berekeningen opgesteld met behulp van het Aerius programma. Uit deze berekeningen blijkt dat de verplaatsing van het vee niet leidt tot een toename van depositie. Hiermee is de gebiedsbescherming gedekt. 36

De activiteiten vinden op een locatie plaats die intensief in gebruik is, en in gebruik blijft. De voorgenomen wijzigingen leiden niet tot verstoring van te beschermen planten en diersoorten. 6.8.3

Conclusie

In het project leiden de wijzigingen niet tot negatieve gevolgen voor de (beschermde) natuur.

6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2

Onderzoek

Voor het in kaart brengen van het archeologische erfgoed zijn een bureau- en booronderzoek verricht ter plaatse van de projectlocatie. Het noordelijk deel van het plangebied is al tijdens een eerdere fase onderzocht en gekarteerd. Het onderzoek dat in maart 2023 heeft plaatsgevonden (zie bijgevoegd rapport van Hamaland advies) beslaat de resterende oppervlakte van 1,3430 ha. Tijdens het booronderzoek zijn relevante archeologische lagen aangetroffen in de vorm van een intacte eerdlaag, een plaggendek en een begraven met dekzand overstoven bodem (cultuurlaag/akkerlaag) en een intacte top van het onderliggende dekzandpakket. In twee boringen is vondstmateriaal aangetroffen in de eerdlaag en in één boring is vondstmateriaal aangetroffen in het plaggendek. Vervolgonderzoek is noodzakelijk indien in het plangebied nieuwe bodemingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan de subrecente bouwvoor. Ter plaatse van de te slopen stal is de bodem diep verstoord als gevolg van de aanleg van een mestkelder (verstoring tot minimaal 220 cm-mv) en wordt vervolgonderzoek niet zinvol geacht. Ter plaatse van de huidige werktuigberging is de verstoring beperkt tot een diepte van 50 cm-mv 37

. Daarom adviseren wij om voor de nieuwe werktuigberging vervolgonderzoek te laten uitvoeren door middel van een proefsleuf indien de bodemverstoring ter plaatse van de te slopen werktuigenberging dieper reikt dan 50 cm-mv (zie paarse kader in Bijlage 3). Voor het overige deel van het plangebied adviseren wij om toekomstige bodemingrepen te beperken tot 30 cm-mv, met uitzondering van de locaties van boring 2, waar bodemingrepen toegestaan zijn tot 120 cm-mv (150 cm-mv + een bufferzone van 30 cm). Indien diepere bodemingrepen voorzien zijn, dan adviseren wij om een karterend en waarderend onderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Voorafgaand aan gravend onderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden dat getoetst wordt door het bevoegd gezag. Monumenten zijn niet aanwezig op de projectlocatie. 6.9.3

Conclusie

De aanwezigheid van Archeologisch erfgoed dient voorafgaand aan bouwwerkzaamheden middels een proefsleuvenonderzoek nauwkeuriger in kaart gebracht worden. Monumenten komen niet voor op de projectlocatie.

6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

38

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

6.10.2 Onderzoek energietransitie Het project voorziet niet in het mogelijk maken van wijzigingen die gevolgen hebben voor de energiebehoefte of voor het opwekken van energie. Momenteel worden al zonnepanelen toegepast om zelfvoorzienend te zijn in de energiebehoefte. 6.10.3 Onderzoek circulariteit De uitkomst van de berekening milieuprestatie is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Circulariteit is sowieso een belangrijk item voor de landbouw, zeker wanneer dit het gebruik van voedermiddelen en het telen van gewassen betreft. Ook voor het realiseren van de uitbreiding van de ligboxenstal en de voeropslag wordt gekozen voor circulaire producten, oftewel: er zal gebruik gemaakt worden van gebruikte constructies en plaatmaterialen voor zover deze voorhanden zijn. 6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water

39

De uitvoering van het project hangt samen met het nemen van maatregelen om inhoud te geven aan de “Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” Hiermee wordt invulling gegeven aan het provinciaal en regionaal beleid; alsmede wordt aangesloten op de uitkomst van de watertoets. Biodiversiteit en natuurinclusiviteit: Door het aanbrengen van nieuwe elementen zoals aangegeven bij de landschappelijke inpassing wordt de directe omgeving van het project aantrekkelijker voor soorten door het vergroten van de biodiversiteit. Droogte: Hemelwater van gebouwen en erf wordt zoveel mogelijk vastgehouden door het te infiltreren in de bodem. Het overtollige water wordt afgevoerd naar kleinere perceelssloten (bestaande voorziening) Bodemdaling: De draagkracht van de bodem is ter plaatse van het project dermate groot dat hier geen extra voorzieningen voor benodigd zijn. Hitte: Er vindt geen directe of indirecte opwarming plaats van verblijfsplekken in de private of openbare buitenruimte plaats door de verbreding van de ligboxenstal. Gevolgbeperking overstromingen: Gelet de hoogteligging van de projectlocatie en de (verre) omgeving is het veiligheidsniveau dermate hoog, dat er op projectniveau geen maatregelen benodigd zijn voor dit aspect. 40

Wateroverlast: in het plangebied is een natuurlijke, bovengrondse afwatering aanwezig waardoor geen waterschade te verwachten valt, ook niet bij een bui die 1 keer in de 100 jaar voorkomt. Voor afwatering van het projectgebied is buffercapaciteit voldoende in de omliggende (eigen) landbouwgronden.

6.10.5 Conclusie In het plangebied zijn klimaatadaptieve maatregelen slechts beperkt van toepassing vanwege de ligging van de locatie. Door het uitvoeren van een landschappelijke inpassing wordt verbetering aangebracht in de biodiversiteit en natuurinclusiviteit.

6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieu-effecten en heeft geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Een plan-m.e.r. of een planm.e.r.-beooordeling is niet van toepassing. 41

6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek In het project is geen sprake van ‘substantiële’ stedelijke ontwikkeling omdat de functie niet past binnen stedelijk gebied. De instructieregel voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing is. 6.12.3 Conclusie Van nieuwe stedelijke ontwikkeling is geen sprake. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

42

6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bklregels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.13.2 Onderzoek Op de projectlocatie vinden geen (nieuwe) mba’s plaats. Alle activiteiten die mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken zijn middels de geldende milieuvergunning voldoende geregeld. 6.13.3 Conclusie Het project voorziet niet in mba’s. Er vinden geen (nieuwe) milieubelastende activiteiten plaats.

43

6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Onderzoek Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen gemotiveerd.

Het project voorziet enerzijds in een vergroting van de bouwkavel, anderzijds wordt op een deel van de bouwkavel de beperking opgelegd dat daar geen dieren meer gehouden mogen worden. Door deze combinatie kan de rundveehouderij in de huidige omvang blijven functioneren, terwijl gelijktijdig ruimte geboden wordt voor het ontwikkelen van woningbouw (plan Fokkenkamp). Door deze verschuiving zal geen wijziging optreden in de (nu al) gezonde fysieke leefomgeving. 6.14.3 Conclusie De wijziging van het omgevingsplan voorziet in een ‘win-win’ situatie waarbij de gezonde fysieke leefomgeving in stand gehouden wordt.

44

7. Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Op de projectlocatie spelen beperkingengebieden geen rol.

45

8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De financiële en economische uitvoerbaarheid komt volledig voor rekening van aanvrager. Er zijn geen voorwaardelijke voorinvesteringen die ten laste van de gemeente komen. Er zijn geen regels in het plan opgenomen die onuitvoerbaar zijn. Daarmee is de financieel economische haalbaarheid geborgd. 8.1.2

Kostenverhaal

Er zijn geen kosten verbonden aan de exploitatie van locaties die door de gemeente moeten worden verhaald. 8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Uit een quick scan nadeelcompensatie blijkt dat er geen sprake zal zijn van voor tegemoetkoming in aanmerking komende nadeelcompensatie. Ter zake van de in voornoemde quick scan heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1

Participatie

Het overleg met de ketenpartners en het participatieproces met omwonenden en belanghebbenden is al besproken in het hoofdstuk ‘voorbereiding en participatie’. Onder deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt behandeld. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. 46

8.2.2

Advies en instemming

Adviesrecht is in deze situatie niet van toepassing omdat deze alleen voor BOPA’s geldt. Hier betreft het een omgevingsplanwijziging.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8094/documents/48121