01_Vast te stellen wijzigingsbesluit omgevingsplan 2024-1G.pdf
Tekst van het document
Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-1G De raad van de gemeente Doetinchem; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 oktober 2024 over wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024 - 1G; overwegende dat, • gelet op het bepaalde in artikel 2.4 Omgevingswet de gemeenteraad bevoegd is het omgevingsplan gemeente Doetinchem te wijzigen; • het ontwerpwijzigingsbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van donderdag 2 mei 2024 zes weken ter inzage hebben gelegen; • met betrekking tot dit ontwerpwijzigingsbesluit één zienswijze buiten de termijn is ontvangen en daarmee niet inhoudelijk in behandeling is genomen; • er aanleiding is het wijzigingsbesluit ambtshalve aan te passen; • de aanpassingen zijn vermeld in de bijgevoegde Nota van Aanpassingen; • de onderliggende bestemmingsplannen en andere oude ruimtelijke besluiten niet meer van toepassing zijn op de locaties van het wijzigingsbesluit; • de beeldvormende raadsvergadering d.d. 9 oktober 2024 kennis heeft genomen van het wijzigingsbesluit;
besluit:
Artikel I Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-1G', zoals opgenomen in 'Bijlage A' (bijlage 1 raadsvoorstel), gewijzigd vast te stellen
Artikel II De Nota van aanpassingen vast te stellen
Artikel III Het ‘Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-1G’ de dag na afloop van de beroepstermijn in werking te laten treden. U kunt in beroep tegen het besluit. Dit kan van vrijdag 15 november 2024 tot en met donderdag 26 december 2024. U doet dit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoe u dit kunt doen leest u op de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk daarvoor op deze pagina: https://www.raadvanstate.nl/overrvs/bestuursrechtspraak/hoger-beroep/. Dit kan alleen bij één van de volgende situaties: - Als u belang heeft bij het wijzigingsbesluit. - Als u eerder en op tijd een zienswijze heeft gegeven op het ontwerpwijzigingsbesluit. - Als u kan bewijzen dat u redelijkerwijs geen zienswijze kon geven op het ontwerpwijzigingsbesluit. - Als u het niet eens bent met de aanpassingen in het vastgestelde wijzigingsbesluit vergeleken met het ontwerpwijzigingsbesluit. Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
1
Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem in zijn vergadering van 24 oktober 2024. ,Voorzitter ,Griffier
Bijlage A Bijlage bij artikel I A Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
3.
Binnen het gebied algemene regels gelden naast het eerste en tweede lid de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in bijlage III.
Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1.
Binnen het gebied algemene regels geldt dat de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 1 tot en met 21 voorgaan op de regels op Hoofdstuk 22 als ze daarmee in strijd zijn.
2.
Binnen het gebied algemene regels zijn de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing.
3.
De indieningsvereisten en beoordelingsregels zoals genoemd in afdeling 22.5 zijn van toepassing op de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 tot en met 21.
Artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen activiteiten waarvoor meet- en rekenregels staan in de Omgevingsregeling
voor zover in het omgevingsplan activiteiten worden gereguleerd waarvoor in de Omgevingsregeling meet- en rekenregels zijn opgenomen, gelden voor die activiteiten de meet- en rekenregels zoals opgenomen in de Omgevingsregeling;
afstand van een bouwwerk tot een perceelsgrens
de kortste afstand tussen enig punt van een bouwwerk en een perceelsgrens, de overdekte gebouwgebonden buitenruimten (dakoverstekken) tot 0,75 m niet meegerekend;
bebouwde oppervlakte van een perceel de som van de oppervlakten van alle op een perceel of of ander terrein een ander terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 1 m boven peil neerwaarts geprojecteerd en buitenwerks gemeten;
2
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
breedte van een bouwwerk
van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte;
bruto-vloeroppervlakte (b.v.o.)
de som van de horizontale vloeroppervlakten van de bouwlagen, met inbegrip van de daarbij behorende kan-
toren, magazijnen, werkplaatsen en overige dienstruimten, buitenwerks gemeten; dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;bij een 'half-ronde' of anderszins gebogen kapvorm, wordt de dakhelling berekend als de hoek tussen de lijn die de goothoogte en het hoogste punt van het bouwwerk verbindt ten opzichte van het horizontale vlak;
diepte van een ondergronds bouwwerk vanaf het peil tot aan het laagste punt van het ondergrondse bouwwerk binnenwerks gemeten; goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen; bij afgeknotte schilddaken is de onderste goothoogte maatgevend, onder de voorwaarde dat de dakhelling van alle dakvlakken maximaal 60° is;
hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de as van de windturbine;
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de inhoud van een eventueel ondergronds bouwwerk niet meegerekend;
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
oppervlakte van een overkapping
tussen de rand van het dakvlak, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
verkoopvloeroppervlakte (v.v.o.)
de som van de horizontale vloeroppervlakten van ruimten die rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteiten en voor publiek toegankelijk zijn (kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen), binnenwerks gemeten;
vloeroppervlakte van een woning
de som van de horizontale vloeroppervlakten van de voor bewoning bestemde vertrekken van een woning, waaronder mede moeten worden verstaan keukens, slaapvertrekken, gangen, toiletten, bad- en doucheruimten, zolders en vlieringen welke gebruikt worden als berging, maar ook inpandige of aangebouwde bergingen die op grond van het bestemmingsplan verbouwd mogen worden tot woonruimte, binnenwerks gemeten.
Artikel 1.4 Overgangsrecht ruimtelijke regels over bouwwerken
3
1.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2.
Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in
strijd met eerder geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan. 4.
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.
Artikel 1.5 Overgangsrecht regels over het gebruik van gronden en bouwwerken 1.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, mag worden voortgezet.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan en in strijd met eerder geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
3.
Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
4.
Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
B Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 2 DOELEN REGELS OMGEVINGSPLAN [Gereserveerd]
Afdeling 2.1 Gemeentebrede doelen Artikel 2.1 Algemene doelen van het omgevingsplan 1.
In dit omgevingsplan zijn regels opgenomen die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
2.
Om te voldoen aan het eerste lid en met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, zijn en kunnen in dit omgevingsplan regels zijn opgenomen die gaan over: a. het gebruik van gronden; b. het gebruik van bouwwerken; c. het waarborgen van veiligheid; d. het beschermen van gezondheid, natuur en milieu; e. het beheer van ondergrondse en bovengrondse infrastructuur; f. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; g. het beheer van watersystemen en natuurgebieden; h. het behoud van cultureel erfgoed, waaronder tevens begrepen het beschermen van archeologische waarden en monumenten; i. het aanpassen van de fysieke leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering.
C Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 3 GERESERVEERD D
4
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 4 REGELS OVER BIJZONDERE GEBIEDEN [Gereserveerd]
Titel 4.1 Toepassing bijzondere gebieden Artikel 4.1 Aanvullende beoordelingsregels, indieningsvereisten regels over activiteiten en/of verboden Als voor gronden één of meerdere bijzondere gebieden gelden, die in hoofdstuk 4 staan, moeten bij de beoordeling van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten ook de bijbehorende aanvullende beoordelingsregels, aanvullende indieningsvereisten, regels over activiteiten en/of verboden in acht worden genomen.
Titel 4.2 Beperkingengebieden Afdeling 4.2.1 Leiding - Gas [Gereserveerd]
Afdeling 4.2.2 Leiding - Hoogspanningsverbinding bovengronds [Gereserveerd]
Afdeling 4.2.3 Leiding - Hoogspanningsverbinding ondergronds [Gereserveerd]
Afdeling 4.2.4 Leiding - Riool [Gereserveerd]
Afdeling 4.2.5 Externe veiligheid - Nieuwe risicobronnen Paragraaf 4.2.5.1 Algemeen Artikel 4.2 Waarom gelden deze regels? Deze regels in afdeling 4.2.5 gelden met als doel risico's voor mens en milieu te beperken.
Artikel 4.3 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.5 gelden binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten.
Paragraaf 4.2.5.2 Verboden Artikel 4.4 Nieuwe risicobronnen Het is verboden om nieuwe activiteiten uit te voeren met een extern veiligheidsrisico als genoemd in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 4.2.6 Waterstaat - Waterkering [Gereserveerd]
Titel 4.3 Waardegebieden Afdeling 4.3.1 Bijzondere boom Paragraaf 4.3.1.1 Algemeen
5
Artikel 4.5 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.1 gelden met als doel bijzondere bomen te behouden, beschermen en herstellen.
Artikel 4.6 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.1 gelden binnen het gebied bijzondere boom.
Paragraaf 4.3.1.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.7 Omgevingsvergunning Het is binnen het gebied bijzondere boom niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.8.
Artikel 4.8 Activiteiten met omgevingsvergunning Alleen met een omgevingsvergunning zoals genoemd 4.7 zijn de volgende werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden toegestaan: a. de aanleg van leidingen; b. het bouwen van bouwwerken; c. het egaliseren van gronden; d. het ophogen van gronden; e. het verharden van gronden; f. het afgraven van gronden.
Artikel 4.9 Aanvullende indieningsvereisten Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom.
Artikel 4.10 Aanvullende beoordelingsregels 1.
In geval van bouwactiviteiten mogen deze bouwactiviteiten geen wezenlijke negatieve gevolgen hebben voor de bijzondere boom.
2.
In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden: a. de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden aangetast; of b. de mogelijkheid voor herstel van de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden verkleind.
3.
Er is sprake van een advies van een bomendeskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid en/of het tweede lid.
Artikel 4.67 Uitzondering vergunningplicht In afwijking van artikel 4.7 is geen omgevingsvergunning nodig als het gaat om: a. het uitvoeren van werken of werkzaamheden die van kleine omvang zijn; of b. normale onderhoud en beheer wanneer dit, blijkens een advies van een deskundige op het gebied van landschap, geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom.
Afdeling 4.3.2 Archeologie Paragraaf 4.3.2.1 Algemeen Artikel 4.11 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.2 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen.
6
Artikel 4.12 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.3.2 voor alleen het onderdeel bouwen maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden.
Paragraaf 4.3.2.2 Archeologische waarde Subparagraaf 4.3.2.2.1 Algemeen Artikel 4.13 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.2 gelden binnen het gebied archeologische waarde.
Subparagraaf 4.3.2.2.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.14 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.15.
Artikel 4.15 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 50 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.16 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
7
1.
Werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
3.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
4.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.
5.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
6.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.2.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.17 Aanvullende indieningsvereisten 1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of d. als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
Subparagraaf 4.3.2.2.4 Beoordelingsregels Artikel 4.18 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 50 m2 en er is ook een bodemverstoring van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.2 verder niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.19 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.2.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.20 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals genoemd in 4.14: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden,
8
b. c.
d.
zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.21 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Paragraaf 4.3.2.3 Archeologische verwachtingswaarde 1 Subparagraaf 4.3.2.3.1 Algemeen [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.3.2.3.2 Omgevingsplanactiviteiten [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.3.2.3.3 Aanvullende indieningsvereisten [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.3.2.3.4 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Subparagraaf 4.3.2.3.5 Vergunningvoorschriften [Gereserveerd]
Paragraaf 4.3.2.4 Archeologische verwachtingswaarde 2 Subparagraaf 4.3.2.4.1 Algemeen Artikel 4.22 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.4 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 2.
Subparagraaf 4.3.2.4.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.23 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.24.
Artikel 4.24 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.
9
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 100 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 100 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.25 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
3.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
4.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
5.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.4.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.26 Aanvullende indieningsvereisten 1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Subparagraaf 4.3.2.4.4 Beoordelingsregels
10
Artikel 4.27 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 100 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.4 niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.28 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.4.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.29 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.23: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.30 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Paragraaf 4.3.2.5 Archeologische verwachtingswaarde 3 Subparagraaf 4.3.2.5.1 Algemeen Artikel 4.31 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.5 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 3.
11
Subparagraaf 4.3.2.5.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.32 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.33.
Artikel 4.33 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.34 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
3.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
4.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
5.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.5.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.35 Aanvullende indieningsvereisten
12
1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
b.
c.
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Subparagraaf 4.3.2.5.4 Beoordelingsregels Artikel 4.36 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 40 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.5 niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.37 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.5.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.38 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.32: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.39 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
13
Paragraaf 4.3.2.6 Archeologische verwachtingswaarde 4 Subparagraaf 4.3.2.6.1 Algemeen Artikel 4.40 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.6 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 4.
Subparagraaf 4.3.2.6.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.41 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.42.
Artikel 4.42 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.43 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
3.
voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
4.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
5.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.6.3 Aanvullende indieningsvereisten
14
Artikel 4.44 Aanvullende indieningsvereisten 1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Subparagraaf 4.3.2.6.4 Beoordelingsregels Artikel 4.45 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.6 niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.46 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.6.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.47 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.41: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.48 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden,
15
b. c.
d.
zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Paragraaf 4.3.2.7 Archeologische verwachtingswaarde 5 Subparagraaf 4.3.2.7.1 Algemeen Artikel 4.49 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.7 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 5.
Subparagraaf 4.3.2.7.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.50 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.51.
Artikel 4.51 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.52 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
16
1.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
3.
voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
4.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
5.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.7.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.53 Aanvullende indieningsvereisten 1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Subparagraaf 4.3.2.7.4 Beoordelingsregels Artikel 4.54 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 1.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.7 niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.55 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.7.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.56 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.50: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
17
d.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.57 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Paragraaf 4.3.2.8 Archeologische verwachtingswaarde 6 Subparagraaf 4.3.2.8.1 Algemeen Artikel 4.58 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.8 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 6.
Subparagraaf 4.3.2.8.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.59 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.60.
Artikel 4.60 Activiteiten met omgevingsvergunning
18
1.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 opgehoogd.
2.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
3.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
4.
Het verlagen van het waterpeil.
5.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
6.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
7.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
8.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
9.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 4.61 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
2.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
3.
voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
4.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
5.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Subparagraaf 4.3.2.8.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.62 Aanvullende indieningsvereisten 1.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Subparagraaf 4.3.2.8.4 Beoordelingsregels Artikel 4.63 Beoordelingsregels voor bouwen 1.
Het bouwwerk is groter dan 5.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.8 niet meer.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Artikel 4.64 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
2.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Subparagraaf 4.3.2.8.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.65 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde
19
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.59: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 4.66 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. E Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 5 ALGEMENE REGELS OVER GEBRUIK EN/OF BOUWEN [Gereserveerd]
Afdeling 5.1 Indieningsvereisten Paragraaf 5.1.1 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 5.1 Aanvullende indieningsvereisten Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 gegevens en bescheiden worden gevraagd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gelden die aanvullend op hoofdstuk 22.
Afdeling 5.2 Beoordelingsregels Paragraaf 5.2.1 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 5.2 Aanvullende beoordelingsregels Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 beoordelingsregels zijn opgenomen ter beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, gelden die voor de betreffende omgevingsvergunning aanvullend op hoofdstuk 22.
Paragraaf 5.2.2 Algemene beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten
20
Artikel 5.3 Algemene beoordelingsregels - Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen 2024, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 2024, waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota.
Artikel 5.4 Algemene beoordelingsregels - Ruimtelijke uitwerking De ruimtelijke uitwerking van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet aanvaardbaar zijn.
Artikel 5.5 Algemene beoordelingsregels - Aangrenzende gronden De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende functies, gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast door nieuwe activiteiten of nieuwe ontwikkelingen.
Afdeling 5.3 Algemene bouw- en gebruiksregels Paragraaf 5.3.1 Anti-dubbeltelregel Artikel 5.6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Paragraaf 5.3.2 Bouwen in relatie tot toegestaan gebruik Artikel 5.7 Bouwwerk en voorziening uitsluitend voor gebruik dat is toegestaan Een bouwwerk en voorziening moet nodig zijn voor het gebruik dat op de locatie van het bouwwerk op grond van regels in dit omgevingsplan is toegestaan, tenzij anders in dit omgevingsplan is bepaald.
Paragraaf 5.3.3 Verboden gebruik Artikel 5.8 Verboden gebruik 1.
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. staan- en/of ligplaats voor wagens en/of onderkomens; b. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en/of vaartuigen en/of onderdelen daarvan; c. opslagplaats voor gerede en/of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines en/of onderdelen daarvan; d. stortplaats voor puin, mest- en/of afvalstoffen; e. voorziening voor een 24 uurs begeleidwonenvoorziening met zorgplekken voor dak- of thuislozen met een verslavingsproblematiek of justitieel verleden; f. het gebruiken van één of meer bouwwerken in een volkstuin ten behoeve van permanente bewoning; g. seksinrichting, tenzij het 'thuisprostitutie' betreft; h. verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie; i. het omschakelen van een grondgebonden veehouderij naar een niet-grondgebonden veehouderij; j. het racen en/of crossen met gemotoriseerde voertuigen of fietsen; k. het gebruik of laten gebruiken van een recreatief woonverblijf voor permanente bewoning; l. het gebruiken of het laten gebruiken van een bijbehorend bouwwerken als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte; m. het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk, vrij in het gebouw staande plateau's en vergelijkbare constructies inbegrepen, voor het bedrijfsmatig houden van dieren.