CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Was wordt lijst

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente DoesburgBij agendapunt: Wijziging Gemeenschappelijke Regeling ODRA8.096 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingen GR-tekst ODRA Was wordt lijst per oktober 2023 Onderwerp

Reden

Algemeen

Actualisatie

Oud Artikel

Voorstel

Toelichting

De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem is gewijzigd in 2024 door de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in verband met de vergroting van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen:

Nieuw.

De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem sinds 2019 de handhaving voor complexe bedrijven namens het bevoegd gezag Provinciale Staten programmatisch uitvoert.

Algemeen

Actualisatie

Uitvoeringsdienst

Overwegingen

Omgevingswet

Begripsomschrijvingen

Actualisatie

De deelnemers bevoegdheden uit oefenen op grond van onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften. Artikel 1 lid 1 sub a: actualisatie van de begroting: hiervan is sprake als het Algemeen Bestuur de begroting budgetneutraal vaststelt. Er mag wel sprake zijn van aanpassingen in de programma’s of andere aanpassingen mits er niet sprake is van wijziging in de bijdrage van de deelnemers of van nieuwe uitgangspunten die nog niet eerder onder de aandacht zijn gebracht van Raden en Staten;

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden die onder andere de Wabo heeft vervangen. Omgevingsdienst

Is de nu de algemene term geworden.

De deelnemers bevoegdheden uitoefenen op grond van onder andere de Omgevingswet, waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.

Beleidsneutraal technisch omgezet rekening houdende met de Omgevingswet

Artikel 1 sub a: actualisatie van de begroting: hiervan is sprake als het Algemeen Bestuur de begroting van de ODRA wijzigt zonder gevolgen voor de bijdrage per deelnemer. Er mag wel sprake zijn van aanpassingen in de programma’s of andere aanpassingen mits er geen sprake is van nieuwe uitgangspunten die nog niet eerder onder de aandacht zijn gebracht van Raden en Staten;

Ter verduidelijking het begrip “budgetneutraal” vervangen door een omschrijving van budgetneutraal.

Omgevingswet

Artikel 1 lid 1 sub b: basistaken: taken bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 1. lid 1 sub b: basistaken: taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit

Beleidsneutraal technisch omgezet naar de Omgevingswet

Omgevingswet

Artikel 1 lid 1 sub e: complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe bedrijven zijnde:

Artikel 1 lid 1 sub e: complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe bedrijven zijnde

Beleidsneutraal technisch omgezet naar de Omgevingswet

• vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009 of

• vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009; of

• inrichtingen waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of

• milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is; • overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd gezag;

• overige inrichtingen onder provinciaal bevoegd gezag; Actualisatie

Omgevingswet

Artikel 1 lid 1 sub j: de minister: de minister van Infrastructuur en Waterstaat

Artikel 1 lid 1 sub j: de minister: minister Koninkrijksrelaties

Artikel 1 lid 1 onder o: o. wijziging van de begroting: er is sprake van een wijziging van de begroting op het moment dat het Algemeen Bestuur wijzigingen door voert die niet budgetneutraal zijn en dit in de begroting opneemt. Het moet gaan om items die niet eerder aan de orde zijn geweest in de begroting en om die reden ook nog niet onder de aandacht zijn gebracht bij de gemeenteraden en Provinciale Staten. Artikel 1 lid 4:

Artikel 1 lid 1 onder o: o. wijziging van de begroting: er is sprake van een wijziging van de begroting op het moment dat het Algemeen Bestuur wijzigingen doorvoert waardoor de bijdrage van de deelnemers wijzigt. Het moet gaan om items die niet eerder aan de orde zijn geweest in de begroting en om die reden ook nog niet onder de aandacht zijn gebracht bij de gemeenteraden en Provinciale Staten. Artikel 1 lid 4:

van

Binnenlandse

Zaken

en

Er stond minister van Infrastructuur en Waterstaat. In de begrotingscyclus en jaarrekening is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrokken waar zienswijzen ingediend kunnen worden. In de regeling wordt ook maar één minister bedoeld en dat is die van BZK. In het verlengde van de wijziging in artikel 1 a ook hier het begrip budgetneutraal vervangen door een omschrijving ten behoeve van de duidelijkheid.

Dit artikel is aangepast aan de omgevings wettelijke termen

Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige inrichtingen die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009:

4. Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009: •

het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6;

• inrichtingen bestemd voor cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931. 1t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299);

•

activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299);

• rangeerterreinen (SBI 491,492.2);

•

• trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 kV hoogspanningsnet;

het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2);

•

• agrarische inrichtingen die mest verwerken als nevenactiviteit, waarbij de mest uitsluitend afkomstig van de eigen inrichting;

activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet;

•

agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten;

•

activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B);

•

activiteiten met betrekking tot betonmortel en waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie;

•

activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie

• inrichtingen, die uitsluitend onder de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6 vallen;

• inrichtingen met een helikopterlandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B); • betonmortel en –waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365, en 2369) de vergunningplichtige niet IPPC‐ inrichtingen;

Taken, bevoegdheden en bijdragen

Omgevingswet

Artikel 4: 1. Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met

Artikel 4: 1. Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam, met dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 13.12, eerste lid,

Beleidsneutraal technisch omgezet naar de Omgevingswet. De vermelding van het onderbrengen van een bepaalde taak bij ODRN door de provincie Gelderland betreft die van de

Omgevingswet

Incidentele taken

Actualisatie naar praktijk

Bovenregionale taken en complexe taken

Actualisatie

Bijdragen

Actualisatie van overgang naar outputsturing

dien verstande dat provincie Gelderland de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onder a en b van het Besluit omgevingsrecht onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.

onder a, b en c van het Omgevingsbesluit onderbrengt bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.

Artikel 5:

Artikel 5:

2. Overige taken zijn in ieder geval de Wabo-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 genoemde basistaken, taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving. Artikel 6 lid 2: Over de uitvoering van de taken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de deelnemer en het openbaar lichaam.

2. Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswet-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 genoemde basistaken, taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving.

Beleidsneutraal technisch omgezet naar de Omgevingswet. Een aantal overige wetten blijft vooralsnog bestaan en daarom zijn deze ook blijven staan naast de Omgevingswet.

Artikel 6 lid2 : Over de uitvoering van de incidentele taken worden afzonderlijke opdrachten verstrekt door de deelnemer aan het openbaar lichaam.

Dit lid is in lijn gebracht met de uitvoering waardoor overeenkomsten is vervangen door opdrachten.

Artikel 7 lid 1: Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam in overeenstemming met de KPMG Kwaliteitscriteria, versie 2.1 dan wel de daarvoor in de plaats getreden nieuwe versie of andere wet- en regelgeving, te laten uitvoeren door andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland die de taken aan zich hebben getrokken. Artikel 10: 1. De deelnemers dragen bij aan de kosten van het openbaar lichaam naar rato van de bij het openbaar lichaam ondergebrachte taken als bedoeld in artikel 4 en artikel 5. In de eerste vier jaren, te rekenen vanaf 2013, is de bijdrage van een deelnemer gerelateerd aan de omvang in 2012 van de door hem bij de omgevingsdienst ondergebrachte taken, gecorrigeerd voor de decentralisatie per 1 januari 2014 (vvgb-decentralisatie).

Artikel 7 lid 1: Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam in overeenstemming met de VTH Kwaliteitscriteria, versie 2.2 dan wel de daarvoor in de plaats getreden nieuwe versie of andere wet- en regelgeving, te laten uitvoeren door andere omgevingsdiensten in Gelderland die de taken aan zich hebben getrokken.

KPMG Kwaliteitscriteria 2.1. zijn de oude kwaliteitscriteria en is vervangen door de VTH kwaliteitscriteria. Ook is een toevoeging gedaan van dan wel de daarvoor in de plaats getreden versie, zodat de regeling niet achterloopt als een andere versie in werking treedt.

Artikel 10 1. Het algemeen bestuur stelt tegelijk met de begroting de producten en diensten catalogus (afgekort: pdc) voor dat jaar vast inclusief de tarieven betreffende dat jaar.

Brzo-inrichtingen (Onder de Omgevingswet Seveso te noemen). ODRN is door de Rijksoverheid aangewezen als 1 van de 6 Brzodiensten in Nederland.

Dit artikel is herschreven naar de situatie van outputsturing. Het voorstel is getoetst met de praktijk. Toelichting op lid 4 is dat het hier gaat over alle taken/activiteiten die niet in het werkprogramma staan. Soms gaat het over levering van producten en diensten die wel in de PDC staan, maar niet in het werkprogramma. Het kan ook gaan om taken/activiteiten die niet in het werkprogramma staan en

Algemeen Bestuur Stemverhouding

Actualisatie naar huidige situatie

2. Daarenboven vergoedt elke deelnemer de kosten voor het uitvoeren van taken als bedoeld in artikel 6.

2. In de begroting staat een overzicht met de begrote bijdrage voor elke deelnemer, gebaseerd op het concept werkprogramma waarin het aantal af te nemen producten en diensten en tarieven voor dat betreffende jaar staan opgenomen.

3. De deelnemers dragen er steeds zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen. Een eventuele noodzakelijke bijdrage vindt plaats naar rato van de stemverhouding.

3. De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in lid 2 bedoelde bijdrage. Jaarlijks, in januari na afloop van het betreffende jaar, worden de voorschotten afgerekend op basis van de werkelijk afgenomen producten en diensten.

4. De deelnemers betalen de bijdragen als bedoeld in het eerste lid per kwartaal vooruit, te weten vijfentwintig procent van de verschuldigde bijdrage.

4. Betaling van taken die aanvullend op de begroting worden overeengekomen tussen het openbaar lichaam en een deelnemer geschiedt naar algemeen gehanteerde betaaltermijnen van dertig dagen na factuur.

Artikel 11 lid 4 en 5: De leden van het Algemeen Bestuur hebben het volgende aantal stemmen:

Deelnemer Arnhem Prov. Gelderland

Aantal stemmen 22 16

Doesburg Duiven Lingewaard Overbetuwe Renkum Rheden

3 3 16 8 12 8

5. Deelnemers dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende liquide middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Inhoudende dat de deelnemers gezamenlijk garant staan voor de juiste betaling van investeringen en de daaruit voortvloeiende rente, aflossing, boeten en kosten. Artikel 11 leden 4 en 5 4. Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan diens bijdrage in de begroting van de omgevingsdienst voor de taken genoemd in artikel 4 en 5 van de regeling. Bijdrage in euro’s: >5 miljoen 2 tot 5 miljoen 1 tot 2 miljoen 0,5 tot 1 miljoen < 0,5 miljoen

Aantal stemmen: 22 16 12 8 3

5. Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks vastgesteld in de vergadering waarin ook de begroting voor het navolgende jaar definitief wordt vastgesteld. De stemverhouding gaat in, op 1 januari van het nieuwe begrotingsjaar voor het eerst op 1 januari 2024. Bij grote

ook niet in de PDC (dan is het voor ODRA zelfs iets nieuws). Beide soorten taken vallen onder lid 4.

De bepalingen in het vierde en vijfde lid weerspiegelen de bestuurlijke afspraken die ter zake zijn gemaakt. Er is afgesproken bij de stemverhoudingen te werken met staffels, om een evenwichtige verdeling in stemmen te bereiken. We willen dit voor het eerst op 1 januari 2024 laten ingaan op basis van de begroting 2024. Voor de duidelijkheid en de verandering dat de aantal stemmen niet meer in de regeling staan is het belangrijk een moment te bepalen wanneer de nieuwe stemmen worden vastgesteld. De stemverhouding wordt

Rozendaal Westervoort Zevenaar

3 3 8

Lid 5 Besluiten worden genomen met minimaal 52 stemmen, uitgebracht door minimaal 5 leden, tenzij de wet of de regeling anders bepalen.

wijzigingen in de bijdragen van deelnemers kan eerder tot herziening worden besloten door het Algemeen Bestuur. 6. Besluiten worden genomen met minimaal de helft van de stemmen plus 1, uitgebracht door minimaal 5 leden van het Algemeen Bestuur, tenzij de wet of de regeling anders bepalen.

Lid 6 niet opgenomen

Bevoegdheden

Wetswijziging GR: zienswijzen bij besluiten

Artikel 14 Nieuwe leden die ingevoegd worden als lid 3 en 4 en daarmee komt het artikel uit 7 leden te bestaan.

Artikel 14 3. Besluiten van het Algemeen Bestuur worden voor zienswijze aan de raden en staten van de deelnemers voorgelegd als het Algemeen Bestuur dit nodig acht, tenzij wet of regeling anders voorschrijft. 4. Ingezetenen van de deelnemende provincies en gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken op een bij de deelnemende provincie en gemeenten gebruikelijke wijze. In dat geval is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, niet meer van toepassing op de participatie. Het Algemeen Bestuur kan een andere procedure op de participatie voorschijven.

bij de vaststelling van de begroting vastgesteld voor het jaar daarop (vijfde lid). In het zesde lid van het artikel is een ondergrens opgenomen van benodigde stemmen, uitgebracht door minimaal 5 deelnemers, tenzij in de wet of de regeling hierover anders is opgenomen. Dit om te voorkomen dat een voorstel door te weinig deelnemers wordt gedragen.

De huidige werkwijze wordt in stand gelaten door geen extra zienswijze procedures toe te voegen. Wel wordt de optie open gehouden dit te kunnen doen, afhankelijk van het besluit en de wenselijkheid daarvan. Dit voorstel is getoetst bij de gemeenteraden en de provinciale staten. De toepassing van afd. 3.4 Awb zal voor de meeste ABbesluiten wel een erg formele en zware procedure zijn, zodat het beter is om de afwijkingsbevoegdheid te creëren.

Artikel 16 lid 1 1. Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de andere leden van het Dagelijks Bestuur als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan.

Artikel 16 lid 1 1. Het Algemeen Bestuur wijst in beginsel uit zijn midden de andere leden van het Dagelijks Bestuur als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan. De aard van deze regeling geeft in voorkomende gevallen ook aanleiding tot het aanwijzen van leden buiten de kring van het Algemeen bestuur.

Werkwijze

Wet Open Overheid

Artikel 17 6. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar.

Artikel 17 6. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, tenzij de vigerende wet- en regelgeving openbaarmaking verplicht stelt.

Dagelijks Bestuur

Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren

Art. 18 lid 4: Het dagelijks bestuur benoemt en ontslaat het personeel, waaronder begrepen de directeur. Onder benoeming van personeel wordt tevens verstaan de tewerkstelling op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Art. 18 lid 4: Het Dagelijks Bestuur is belast met het aangaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur.

Art. 18 lid 5: Het Dagelijks Bestuur stelt een regeling vast omtrent de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, alsmede de rechtspositieregelingen voor de directeur en het overige personeel.

Art. 18 lid 5: De arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur alsmede het overige personeel van het openbaar lichaam worden door het Dagelijks Bestuur vastgesteld.

Nieuw.

Artikel 18 lid 8: Besluiten van het Dagelijks Bestuur worden voor zienswijze aan de raden en staten van de deelnemers voorgelegd als het Dagelijks Bestuur dit nodig acht, tenzij wet of regeling anders voorschrijft.

Wetswijziging gr. zienswijze

In de praktijk was onduidelijk of ook externe leden konden worden benoemd. Dit stond wel expliciet in de toelichting, maar niet in de regeling. De wet geeft aan dat het benoemen van externe leden kan als de aard van de regeling daartoe aanleiding geeft. Om misverstanden te voorkomen wordt expliciet bepaald dat de aard van de regeling daartoe aanleiding geeft. Dit betekent niet dat de huidige praktijk wordt veranderd. In beginsel zijn de leden van het DB lid van het AB. Rekening houden met inwerkingtreding van artikel 3.3. 2e lid onder d, Wet open overheid (mogelijk 2024) waarbij agenda's en besluitenlijsten van DB uit eigen beweging openbaar gemaakt dienen te worden. Door deze aanpassing wordt voldaan aan de Woo. Noodzakelijke aanpassing, zodat de gemeenschappelijke regeling in lijn met de Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren is. Het personeel wordt immers niet meer benoemd, maar treedt in dienst met een arbeidsovereenkomst. Idem.

De huidige werkwijze wordt in stand gehouden door geen extra zienswijze procedures toe te voegen. Wel wordt de optie open gehouden dit te kunnen doen, afhankelijk van het besluit en de wenselijkheid daarvan. Dit voorstel is

Voorzitter

Wetswijziging gr. zienswijze

Nieuw artikellid wordt aan artikel 20 toegevoegd

Artikel 20 lid 4 Besluiten van de voorzitter worden voor zienswijze aan de raden en staten van de deelnemers voorgelegd als de voorzitter dit nodig acht, tenzij wet of regeling anders voorschrijft.

Voorzitter

Actualisatie

Artikel 21: 1. De voorzitter voert geregeld overleg met de voorzitters van de dagelijkse besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de uitvoeringsdiensten. 2. De voorzitters wijzen uit hun midden een voorzitter van het overleg aan. 3. Het overleg doet zo nodig voorstellen aan de deelnemers voor de programmering van bovenregionale taken.

Vervalt

getoetst bij de gemeenteraden en de provinciale staten. Noodzakelijke aanpassing, zodat de gemeenschappelijke regeling in lijn met de Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren is. Het personeel wordt immers niet meer benoemd, maar treedt in dienst met een arbeidsovereenkomst. De huidige werkwijze wordt in stand gehouden door geen extra zienswijze procedures toe te voegen. Wel wordt de optie open gehouden dit te kunnen doen, afhankelijk van het besluit en de wenselijkheid daarvan. Dit voorstel is getoetst bij de gemeenteraden en de provinciale staten. De oude artikelen 21 en 26 zijn opgenomen met hetzelfde doel om de samenwerking tussen de omgevingsdiensten te bevorderen. Vanwege de samenloop is dit artikel samengevoegd in één artikel in een apart hoofdstuk, te weten: samenwerking omgevingsdiensten (art. 26). Ook inhoudelijk zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het artikel. In de oorspronkelijke tekst werd bepaald hoe het voorzittersoverleg en het directeurenoverleg vorm moest worden gegeven (de voorzitters/directeuren wijzen uit hun midden een voorzitter aan). Dit is echter juridisch gezien niet mogelijk, aangezien deze overleggen niet onder het openbaar lichaam vallen. Het is dan ook niet mogelijk om in de regeling te bepalen hoe dit overleg dient te worden georganiseerd. In de vernieuwde tekst is deze bepaling dan

ook niet meer opgenomen in de regeling.

Informatie en verantwoording

Wetswijziging GR: actieve informatieplicht

Wetswijziging GR: actieve informatieplicht

Artikel 22 1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is .

Artikel 22 1.Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd digitaal alle en dezelfde inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

2. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het Algemeen Bestuur alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

2. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het Algemeen Bestuur digitaal alle en dezelfde inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft alle inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen, respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 23. 1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de gemeenteraden en Provinciale Staten alle inlichtingen die door een of meer leden van die gemeenteraden of Provinciale Staten worden verlangd.

3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft digitaal alle inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen, respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 23 1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd digitaal alle en dezelfde inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de gemeenteraden en Provinciale Staten digitaal alle en dezelfde inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van die gemeenteraden of Provinciale Staten. 3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft digitaal alle inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen,

Het bovenstaande betekent niet dat deze wijze waarop het voorzittersoverleg wordt georganiseerd niet is geformaliseerd. Het woord digitaal wordt toegevoegd om te voldoen aan de vigerende weten regelgeving nu en in de toekomst. Ook is het belangrijk om altijd aan alle raden en staten dezelfde inlichtingen te geven.

Het woord digitaal wordt toegevoegd om te voldoen aan de vigerende weten regelgeving nu en in de toekomst. De essentie van de nieuwe informatieplicht is dat alle informatie niet alleen passief maar ook actief aan de deelnemers wordt verstrekt, zodat zij in een gelijke informatiepositie komen te verkeren. In de praktijk betekent dat, dat niet aan één deelnemer informatie wordt verstrekt, maar aan alle deelnemers dezelfde

3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft alle inlichtingen waarom is verzocht door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen, respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. 4. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter stellen, ieder voor zover bevoegd, in gezamenlijkheid een informatieprotocol vast omtrent de in de vorige leden genoemde te verstrekken informatie.

4. NIEUW

Samenwerking Omgevingsdiensten

Wetswijziging gr: actieve informatieplicht

Artikel 24 1. Een lid van het Algemeen Bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer worden verlangd.

Artikel 24 1. Een lid van het Algemeen Bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen digitaal alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer zijn gevraagd.

Actualisatie

Artikel 26: Samenwerking tussen uitvoeringsdiensten 1. De directeur voert geregeld overleg met de directeuren van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten. 2. De directeuren wijzen uit hun midden een voorzitter van het overleg aan.

Artikel 26 : Samenwerking omgevingsdiensten 1. De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland. 2. De directeur heeft regelmatig overleg met de directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland. 3. De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.

informatie. Ook als er maar een deelnemer om vraagt.

Om te voldoen aan de actieve informatieplicht die voortvloeit uit de wet gemeenschappelijke regelingen is afgesproken dat een informatieprotocol nadere afspraken bevat over de te verstrekking informatie. Het woord digitaal wordt toegevoegd om te voldoen aan de vigerende weten regelgeving nu en in de toekomst.

De oude artikelen 21 en 26 zijn opgenomen met hetzelfde doel om de samenwerking tussen omgevingsdiensten te bevorderen. Vanwege de samenloop is dit artikel samengevoegd in één artikel in een apart hoofdstuk, te weten: samenwerking omgevingsdiensten (art. 26). Ook inhoudelijk zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het artikel. In de oorspronkelijke tekst werd bepaald hoe het voorzittersoverleg en het directeurenoverleg vorm moest worden gegeven (de voorzitters/directeuren wijzen uit hun midden een voorzitter aan). Dit is echter juridisch gezien niet mogelijk, aangezien deze overleggen niet onder het openbaar lichaam vallen. Het is dan ook niet mogelijk om in de regeling te bepalen hoe dit overleg dient te worden georganiseerd. In de

vernieuwde tekst is deze bepaling dan ook niet meer opgenomen in de regeling.

Gemeenschappelijke adviescommissie

Wetswijziging gr. adviescommissie

Nieuw: Artikel 27 was vervallen, maar wordt nu opnieuw ingevoegd

Artikel 27. Gemeenschappelijke adviescommissie Het Algemeen Bestuur stelt, als de raden en Staten dit overeenkomstig artikel 24a van de wet gezamenlijk voorstellen, een gemeenschappelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 24a van de wet in.

Westwijziging gr. adviescommissie

Nieuw: wordt nieuw ingevoegd

Het bovenstaande betekent niet dat deze wijze waarop het voorzittersoverleg wordt georganiseerd niet is geformaliseerd. De gemeenschappelijke adviescommissie is een nieuwe wettelijke mogelijkheid. Door deze bepalingen hier op te nemen wordt de mogelijkheid gecreëerd om deze adviescommissie in te stellen als de raden en staten daartoe besluiten.

Artikel 27a Werkwijze Het Algemeen Bestuur regelt in ieder geval de samenstelling, de bevoegdheden, de thema’s, taken en werkwijze van de in dit hoofdstuk genoemde commissies en overleggen.

Begroting

Wetswijziging gr: begrotingscyclus

Artikel 28. Begrotingsprocedure 1. De vaststelling van de begroting door het Algemeen Bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 8 weken nadat deze aan de raden en staten van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

Artikel 28. Begrotingsprocedure 1.Het Dagelijks Bestuur zendt twaalf weken vóór vaststelling door het Algemeen Bestuur de ontwerpbegroting vergezeld van een toelichting voor zienswijze rechtstreeks aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het Dagelijks Bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting.

2.Het Algemeen Bestuur stelt de ontwerpbegroting vast op een jaarlijks vast te stellen vergadermoment met inachtneming van de wettelijke doorlooptijden.

3. In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verschuldigde bedrag opgenomen.

3. Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling en in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze ziet aan de minister.

De wet gemeenschappelijke regelingen wijzigt de termijnen van de begrotingscyclus en noopt daarmee een aanpassing in de regeling van ODRA. Uitgangspunt bij de begrotingscyclus zijn de wettelijke termijnen waarbinnen jaarlijks uniforme afspraken gemaakt worden tussen ODRA en partners. In het vijfde lid is aangesloten bij het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) in plaats van bij door provinciale staten en gemeenteraden opgestelde begrotingsrichtlijnen. Deze wijziging is doorgevoerd, omdat het BBV landelijke wetgeving is, waar ook de deelnemers zich aan dienen te houden. In de praktijk zal die wetgeving overeenkomen met de gemeentelijke en provinciale begrotingsrichtlijnen.

4. Het Dagelijks Bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door Provinciale Staten en de gemeenteraden opgestelde begrotingsrichtlijnen.

4. In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verwachte verschuldigde bedrag opgenomen.

5. De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 6. Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

5. Het Dagelijks Bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

7. Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het Algemeen Bestuur de begroting aan Provinciale Staten en de gemeenteraden, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

7. Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

8. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister.

8. Het Dagelijks Bestuur reageert schriftelijk en gemotiveerd aan de gemeenteraden en Provinciale Staten op de zienswijze en welke conclusie zij daaraan verbindt, voordat het Algemeen Bestuur de begroting vaststelt.

9. Bij een actualisatie van de begroting wordt de begroting door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Actualisaties worden ter informatie verstuurd naar de gemeenteraden en Provinciale Staten.

9. Indien aanpassing van de begroting gedurende het jaar nodig is, stelt het Algemeen Bestuur vast of er sprake is van een wijziging of actualisering.

10. Het Algemeen Bestuur stelt vast of er sprake is van een wijziging of actualisering.

10. Een actualisatie van de begroting wordt door het Algemeen Bestuur vastgesteld en ter informatie verstuurd naar de gemeenteraden en Provinciale Staten.

11. De leden 1 tot en met 8 zijn, met uitzondering van de daarin genoemde data, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

11. Bij wijzigingen van de begroting wordt de procedure voor vaststelling van de begroting gevolgd.

6. De ontwerpbegroting wordt door het dagelijks bestuur en de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Jaarrekening

Verdeling saldo

Actualisatie

Voldoen aan eisen robuuste omgevingsdienst en De formulering van het artikel in lijn gebracht met artikel 11 lid 4.

Artikel 29 1. De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

Artikel 29 1.Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast, als bedoeld in artikel 58 derde lid van de Wet, vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

2. Artikel 28 leden 2 en7 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten.

3.Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee na de vaststelling doch in ieder geval voor 15 juli aan de minister van Binnenlandse Zaken.

3.Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee na de vaststelling doch in ieder geval voor 15 juli aan de minister.

6. Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening. Artikel 30 1.Een batig saldo van de begroting of jaarrekening wordt toegevoegd aan de Algemene reserve tot een maximum van 5% van de jaarlijkse exploitatielasten of € 500.000 en wel de laagste van deze twee. 2.Voor specifieke doeleinden kan het Algemeen Bestuur besluiten tot het instellen van een bestemmingsreserve. 3.Een uit te keren batig saldo wordt verdeeld naar rato van de stemverhouding. 4.Het Algemeen Bestuur beslist of een nadelig saldo in de jaarrekening: a. geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht; of b. geheel of gedeeltelijk ten laste van de deelnemers zal worden gebracht naar rato van hun stemverhouding.

6. Verrekening van het verschil tussen de begrote bijdrage, als bedoeld in artikel 10 van deze regeling, en het werkelijk verschuldigde bedrag volgens de jaarrekening gebeurt zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening. Artikel 30 1. Het maximum van het totaal aan (bestemmings)reserves wordt bepaald door de weerstandscapaciteit. De weerstandscapaciteit moet minimaal 0,8 % zijn. De weerstandscapaciteit is de ratio tussen de optelsom van de reserves en de post onvoorzien in de begroting, gedeeld door het totaal aan operationele gekwantificeerde risico’s voor de reguliere bedrijfsvoering. 2. De weerstandscapaciteit wordt jaarlijks vastgesteld in de begroting en in de jaarrekening. 3. Batige saldi worden toegevoegd aan het eigen vermogen tot aan de grens van de weerstandscapaciteit. Indien het batig saldo de grens overschrijdt beslist het Algemeen bestuur of: a. het batig saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve, of b. een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor specifieke doeleinden, of c. het batig saldo wordt uitgekeerd naar rato van de

Dit artikel is in lijn met de wetswijziging gemeenschappelijke regeling duidelijker opgeschreven ten opzichte van de vorige bepalingen.

Dit lid is geformuleerd in lijn met het nieuwe artikel 10 en het begrip begrote bijdrage is uitgeschreven in het artikel. In het oude artikel werd een bedrag genoemd dat toegevoegd diende te worden aan de Algemene reserve. Dit sluit minder goed aan bij de Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en het traject dat nu is ingezet vanuit het Het Interbestuurlijk overleg (IBP). In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) wordt gesproken over weerstandsvermogen en weerstandsratio. Het Interbestuurlijk overleg (IBP) heeft met haar criteria de aansluiting hierop gezocht, en een criterium ‘weerstandscapaciteit ’ met een norm van 0,8 % als ondergrens

Zorg en beheer Archief

Actualisatie

5.Het besluit, zoals bedoeld in het vierde lid, sub b, van dit artikel, behoeft 68 stemmen.

stemverhouding, of d. een combinatie van de genoemde mogelijkheden. 4. Als er sprake is van een nadelig saldo, beslist het Algemeen bestuur of: a. dit geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht; of b. dit geheel of gedeeltelijk ten laste van de deelnemers zal worden gebracht naar rato van hun stemverhouding. 5. Het besluit, zoals bedoeld in het vierde lid, sub b, van dit artikel, behoeft twee derde van het totaal aantal stemmen.

gedefinieerd. Wij willen daarbij aansluiten. De weerstandscapaciteit houdt het volgende in: de middelen en mogelijkheden waarover de organisatie beschikt of kan beschikken om geïdentificeerde risico’s en/of niet begrote kosten te dekken. Er wordt vanuit het interbestuurlijk programma VTH aangegeven dat de weerstandscapaciteit (risico’s gedeeld door vermogen) minimaal 0,8 % dient te bedragen om te komen tot een robuuste omgevingsdienst. Dit zal in 2024 door de minister worden aangegeven. Wij vinden het belangrijk om daar aan te voldoen. Mocht de ODRA nog niet voldoen aan het criterium dan zal een plan van aanpak worden opgesteld met de deelnemers om daarnaartoe te werken. Het uitgangspunt is dat de weerstandscapaciteit 0,8 % bedraagt. In dit artikel is beschreven welke keuzemogelijkheden het algemeen bestuur heeft wanneer de weerstandscapaciteit hoger is dan 0,8 %. Een combinatie van mogelijkheden is uiteraard ook toegestaan. Vervolgens wordt uitgewerkt welke mogelijkheden het algemeen bestuur heeft als er sprake is van een weerstandscapaciteit die lager is dan 0,8 %. Er is gekozen voor een verdeling naar rato van de stemverhouding en niet op basis van exploitatie, omdat de exploitatie in de tijd gezien te veel kan fluctueren. Stemverhouding geeft een meer stabiele situatie

Artikel 31. 1.Ten aanzien van de zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam,

Artikel 31. 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam

Het huidige artikel was niet toereikend voor de archiefwetbepalingen. Gezamenlijk met het Gelders Archief is

Toetreding

Actualisatie

Uittreding

Wetswijziging gr. uittreding

alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer stelt het Algemeen Bestuur een archiefverordening vast. 2.De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het Algemeen Bestuur een archiefbewaarplaats aan. 4.Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg als bedoeld in het eerste lid.

overeenkomstig een door het algemeen bestuur, vast te stellen regeling. De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende overheidsorganisaties gemandateerde taken berust bij deze overheden. 2. De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam. 3. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan en voor het beheer daarvan een archivaris. 4. De archivaris van het in het vorige lid aangewezen archiefbewaarplaats oefent overeenkomstig de regeling als bedoeld in het eerste lid toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende deelnemer. 6. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen zoals in de wet bepaald.

dit artikel in lijn met de Archiefwet opgeschreven. Daarbij is rekening gehouden met de wijziging die mogelijk in 2024 definitief wordt.

Artikel 32 lid 1 De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling. Het Algemeen Bestuur wordt in de gelegenheid gesteld hierover zijn zienswijze bekend te maken. Artikel 33 Uittreding 1.Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer, doch niet eerder dan na vijf jaar na de eerste inwerkingtreding van de regeling.

Artikel 32 lid 1 De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling.

Het Algemeen Bestuur bestaat uit de deelnemers, dus het is niet nodig om de zienswijze op te nemen.

Artikel 33. Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer. 2. Voor uittreding geldt een opzeggingstermijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar na de genoemde opzeggingstermijn. 3. Het algemeen bestuur inventariseert binnen zes maanden na de opzegging de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren: a. de gevolgen voor het personeel zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers;

De wetswijziging noopt om in de regeling op te nemen wat de gevolgen zijn van uittreding. Wettelijk is bepaald dat uittreden in principe niet kan (18.21 OW). Daarom is de uittreding kort gehouden met alleen het hoognodige erin. Essentie is dat in de GR het geregeld moet zijn door de deelnemers en niet door het AB. Daarom gekozen voor 'inventarisatie' door het AB. Uittreding is een eenzijdig besluit en kan niet onder voorwaarde. Afspraken

2.Het besluit tot uittreding wordt niet later genomen dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari. 3.Uittreding is slechts mogelijk onder de voorwaarde dat tussen het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer voor de resterende financiële

verplichtingen van de uittredende deelnemer een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. 4.De vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid behoeft 68 stemmen. 5. Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen. 6-9 nieuw

b. de financiële gevolgen, waaronder de betaling ineens of de afbouw van de bijdrage; c. de juridische en organisatorische consequenties en de kosten daarvan die direct het gevolg zijn van de uittreding. 4. Bij de bepaling van de financiële gevolgen worden zowel variabele, vaste kosten alsmede het aan de uittredende deelnemer toe te rekenen aandeel in reserves en voorzieningen in aanmerking genomen. Bij de bepaling van de vergoeding voor vaste kosten wordt een termijn van vijf jaar vanaf datum uittreding in acht genomen 5. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die gelden op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 6. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om (direct nadat de opzegbrief is ontvangen) de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 7.

Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 8. De onafhankelijke externe deskundige stelt de uittreedsom vast. Het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer komen tot een akkoord op basis van dit vastgestelde bedrag. 9. Kunnen het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer niet tot een akkoord komen op basis van het in lid 8 vastgestelde bedrag, dan zal een andere onafhankelijke deskundige (aangewezen op de in lid 6 van dit artikel bedoelde wijze) een voor betrokkenen bindend besluit nemen. 10. De financiële gevolgen die het gevolg zijn van de uittreding worden door de uittredende deelnemer gedragen.

over de uittreding worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Bij uittreden gaat het om terugnemen van de basistaken. Omdat de deelnemers wettelijk verplicht zijn die taken over te dragen aan een OD, zal dat niet snel voorkomen. Wel kan het bij een herindeling aan de orde zijn als een deelnemer hierdoor een andere OD toegewezen krijgt. De financiële gevolgen voor een OD kunnen ook groot zijn als een deelnemer taken (niet zijnde basistaken) terugneemt. Ook dan geldt eenzelfde procedure. Die wordt echter opgenomen in de overeenkomst tussen de deelnemer en de OD

11. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen een half jaar nadat de definitieve uittreedsom is vastgesteld. 12. Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen. Wijziging en opheffing

Actualisatie

Artikel 34. Wijziging en opheffing 1.De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven. Een besluit hiertoe behoeft 68 stemmen. 2.Deelnemers en het Algemeen Bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het Dagelijks Bestuur zendt het voorstel van het Algemeen Bestuur toe aan de deelnemers. 3.Onder wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een wijziging van inbreng van een deelnemer, tenzij het Dagelijks Bestuur dit als een wijziging bestempelt of als sprake is van een of meer van de volgende situaties: • invloed op de continuïteit van de bedrijfsvoering of • invloed op het algemene bedrijfsbelang of • bij consequenties voor de stemverhouding van meer dan 1 staffel. Het Dagelijks Bestuur stelt voor de situaties als bedoeld in dit artikellid nadere spelregels op, welke ter kennisgeving aan het Algemeen Bestuur worden voorgelegd. 4.Het Dagelijks Bestuur stelt het Algemeen Bestuur in kennis van de situaties die niet als wijziging worden beschouwd als bedoeld in het derde lid.

5.Ingeval van opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld. 6.Het Dagelijks Bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen.

Artikel 34. Wijziging en opheffing 1. De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven als ten minste 9 deelnemers hiertoe besluiten. 2. Deelnemers en het Algemeen Bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het Dagelijks Bestuur zendt het voorstel van het Algemeen Bestuur toe aan de deelnemers. 3. Het Dagelijks Bestuur stelt het Algemeen Bestuur in kennis van de situaties die niet als wijziging worden beschouwd. 4. Ingeval van opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld. 5. Het Dagelijks Bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen. 6. De organen van de regeling blijven in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Het wijzigen van de regeling behoeft de instemming van ten minste 9 deelnemers. 9 deelnemers van de 11, vier vijfde deel, is de ruime meerderheid. In de werkgroep was er unanimiteit om het artikel te wijzigen en niet meer de huidige formulering te hanteren van het vermelden van benodigde stemmen. In de nieuwe formulering is aansluiting gezocht bij de wet en wordt er gesproken over een toestemming per deelnemer. In het aantal toestemming dat nodig is is getracht aansluiting te zoeken bij de huidige stemverdeling waardoor wij uit zijn gekomen op 9 van de 11 deelnemers.

Het geschrapte lid 3 regelt niets extra’s en heeft juridisch geen toegevoegde waarde dit op te nemen in de gemeenschappelijke regeling. Twee van de drie situaties wijzigen de regeling niet. De laatste situatie is ook niet meer relevant, nu het artikel over de stemverhoudingen anders is omschreven.

Evaluatie

Wetswijziging gr: evaluatieplicht

Inwerkingtreding

Actualisatie

7.De organen van de regeling blijven in functie totdat de liquidatie is voltooid. Nieuw ingevoegd artikel 36

Artikel 38 1. De regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2018. 2. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de in artikel 53 van de Wet bedoelde toezending en publicatie.

Artikel 36 1. Het Algemeen Bestuur draagt zorg voor de evaluatie van in ieder geval het algemeen functioneren en de werkwijze van de Omgevingsdienst Regio Arnhem. 2. De evaluatie vindt eenmaal in de vier jaar plaats en is afgerond twaalf maanden voorafgaand aan de reguliere gemeenteraadsverkiezingen. Artikel 38 1. De regeling treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. 2. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de bekendmaking van de geconsolideerde versie in het Provinciaal blad van Gelderland. 3. Het tweede lid is van toepassing op besluiten tot wijziging, of opheffing van de regeling

De wet gemeenschappelijke verplicht iets op te nemen over evaluatie. Het belang om te evalueren werd gezien ten behoeve van de samenwerking en de periode is in overleg tussen de ambtstermijnen tot stand gekomen. Conform de wetswijziging van de wet elektronische bekendmakingen dit artikel aangepast. Elk besluit kent zijn eigen moment van inwerkingtreding. Voorstel om in het derde lid de verwijzing naar het eerste lid eruit te houden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=47ee02b4-b4ff-4f76-b258-53b74dbe7484