CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bijlage 9 - Vooronderzoek conventionele explosieven

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Bedrijventerrein Verhuellweg - vaststelling bestemmingsplan27.567 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg’.

165-017-VO-02

Pagina 2 van 100

ONDERZOEKSGEBIED:

Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg

OPDRACHTGEVER:

Sweco Nederland BV

DATUM:

12-09-2017

TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:

Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group

…………………………………………………………...

DOCUMENTCODE:

165-017-VO-02

VERSIE:

Definitief

DISTRIBUTIELIJST:

Explosive Clearance Group BV Sweco Nederland BV

Copyright Explosive Clearance Group BV 2017. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 165-017-VO-02

Pagina 3 van 100

Samenvatting In opdracht van Sweco Nederland heeft ECG een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE uitgevoerd voor het onderzoeksgebied ‘Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg’. De aanleiding voor deze bureaustudie vormt de beoogde uitbreiding van een vaarwatergebonden bedrijventerrein aan de Verhuellweg te Doesburg. Het onderzoeksgebied beslaat een gebied van circa 63ha waarbinnen delen van de Fraterwaard, IJssel en het bestaande industrieterrein aan de Verhuellweg zijn opgenomen. Op basis van het uitgevoerde indicatieonderzoek, waarbij een literatuur-, archief- en luchtfotoonderzoek zijn uitgevoerd en gegevens betreffende gemelde en geruimde explosieven zijn geanalyseerd, is er vastgesteld dat er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven ofwel verdacht gebied. Binnen bepaalde delen van het onderzoeksgebied is een gerede kans vastgesteld op het aantreffen van afgeworpen munitie van Geallieerde komaf, gedumpte munitie van Duitse en Oud-Hollandse soort en tenslotte het aantreffen van verschoten geschutsmunitie van Geallieerde artillerie. Tevens is er aan de hand van het uitgevoerde contra-indicatieonderzoek vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de grondroerende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Maatvoering hieromtrent is hierbij echter beperkt achterhaald.

Derhalve kan enkel worden gesteld dat de geroerde bodemlagen als onverdacht worden aangemerkt in de naoorlogs geroerde bodem. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten wordt door ECG geadviseerd, wanneer er bodemroerende werkzaamheden binnen het in de “CE Bodembelastingkaart” (zie 165-017-TE-13 Bijlage 14) als verdacht aangemerkte gebied gaan plaatsvinden, het proces van explosievenopsporing voor deze locaties voort te zetten middels een projectgebonden risicoanalyse (PRA). Doelstelling van de PRA is om vast te stellen hoe de geplande civieltechnische werkzaamheden zich verhouden tot de in dit vooronderzoek achterhaalde risico’s op explosieven uit WOII. In de PRA worden tevens de maatregelen opgenomen om de gestelde risico’s te kunnen beheersen, teneinde de PRA met een gedegen conclusie en advies te kunnen voorzien.

165-017-VO-02

Pagina 4 van 100

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

AANLEIDING ..................................................................................................................................... 7 ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................................................... 7 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 8 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................... 9 BRONNEN....................................................................................................................................... 11 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 12

2

HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................13

2.1 INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK............................................................................... 13 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 13 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 13 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES.................................................................................................... 14 2.5 INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................... 17 2.6 INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN ...................................... 17 2.6.1 STREEKARCHIVARIAAT DE LIEMERS EN DOESBURG ................................................................................. 17 2.6.2 GELDERS ARCHIEF ............................................................................................................................ 18 2.7 LANDELIJKE ARCHIEVEN..................................................................................................................... 18 2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................

18 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM .............................. 19 2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 19 2.8 INTERNATIONALE ARCHIEVEN ............................................................................................................. 20 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ..................................................................................................... 20 2.8.1.1 The National Archives: omgang en uitgangspunt ontlenen gegevens aan Daily Logs. 20 2.8.1.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 20 2.8.2 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 21 2.9 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 22 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 22 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ............................. 25 2.9.3 MIJNENVELDREGISTER ......................................................................................................................

25 2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................................... 28 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................ 28 2.10.2 METHODIEK.................................................................................................................................... 28 2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................... 28 2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL.............................. 29 2.11 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S............... 30 2.12 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK .................................................................................... 42

3

HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................44

3.1 3.2 3.3

BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK .......................................................... 44 REEDS UITGEVOERDE OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN ............................................................................ 44 SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 46

4

AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................47

165-017-VO-02

Pagina 5 van 100

4.1 4.2 4.3 4.4

HORIZONTALE AFBAKENING ............................................................................................................... 47 MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN..................................................................... 50 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 51 EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ...................................................................... 52

5 6 7 8

LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................53 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................54 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................56 BIJLAGEN .....................................................................................................................59

BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK................................................ 59 BIJLAGE 2: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .................................................... 63 BIJLAGE 3: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 64 BIJLAGE 4: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE................................................... 66 BIJLAGE 5: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ....................................................................................................... 69 BIJLAGE 6: GERAADPLEEGDE LUCHTOPNAMEN................................................................................................ 76 BIJLAGE 7: OVERZICHT ONDERZOEKSGEBIED (TEKENING 165-017-TE-01).......................................................... 77 BIJLAGE 8: OVERZICHT SITUATIE 1944 (TEKENING 165-017-TE-02) ................................................................. 79 BIJLAGE 9: OVERZICHT NORD DE GUERRE COÖRDINATEN (TEKENING 165-017-TE-03) ........................................ 81 BIJLAGE 10: OVERZICHTSTEKENINGEN PARAGRAAF 2.11 (TEKENING 165-017-TE-04 T/M 165-017-TE-09).......... 83 BIJLAGE 11: HISTORISCHE RESULTATENKAART (TEKENING 165-017-TE-10) .......................................................

90 BIJLAGE 12: BEELDVERGELIJKING ONDERZOEKSGEBIED (TEKENING 165-017-TE-11)............................................ 92 BIJLAGE 13: OVERZICHTSTEKENING OPSPORINGSGEBIED, PVO ROTRA TERREIN DOESBURG .................................... 94 BIJLAGE 14: OVERZICHT ACHTERHAALDE CONTRA-INDICATIES (TEKENING 165-017-TE-12) .................................. 96 BIJLAGE 15: CE-BODEMBELASTINGKAART (TEKENING 165-017-TE-13) ............................................................ 98

165-017-VO-02

Pagina 6 van 100

1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. In dit hoofdstuk zullen allereerst de aanleiding en het onderzoeksgebied van de voorliggende bureaustudie worden toegelicht. Hierna volgt een passage over het vooronderzoek in het algemeen, om vervolgens het onderzoeksdoel van deze studie te omschrijven. Tot slot volgt een inzicht van geraadpleegde bronnen en een toelichting van de door ECG gestelde eisen aan haar onderzoekers.

1.1

AANLEIDING

Ingenieursbureau Sweco Nederland begeleidt momenteel de planvorming voor de uitbreiding van het Logistiek Ecopark IJsselvallei te Doesburg: ‘Op initiatief van de Doesburgse bedrijven Koninklijke Rotra en Ubbink verzorgt Sweco de komende drie jaar de integrale planontwikkeling voor de beoogde uitbreiding van een vaarwatergebonden bedrijventerrein aan de Verhuellweg in Doesburg. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Waterschap Rijn en IJssel en de gemeenten Doesburg en Doetinchem. (…) De uitbreiding van het bedrijventerrein zal tussen de 10 en 20 hectare omvatten en een impuls geven aan de groei van de werkgelegenheid in de regio. Het bedrijventerrein kan hiermee uitgroeien tot een logistieke hotspot voor de regio. (…)’1 Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de geplande bodemroerende werkzaamheden in te kunnen schatten, is door Sweco Nederland aan ECG de opdracht verstrekt voor de uitvoering van een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE. De locatie en een verdere beschrijving van het onderzoeksgebied zijn opgenomen in paragraaf 1.6. Deze bureaustudie is door ECG uitgevoerd conform het in Nederland vigerende WSCS-OCE en de inspanningen zoals aangegeven in de door ECG opgestelde offerte bureaustudie met kenmerk ‘165017-01’ betiteld als ‘Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg’ daterende van 13 maart 2017.

1.2

ONDERZOEKSGEBIED

Het onderzoeksgebied ‘Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg’ beslaat een gebied van circa 63ha ten noorden van Doesburg. Hierbinnen vallen delen van de Fraterwaard, IJssel en het bestaande industrieterrein aan de Verhuellweg. Het te onderzoeken gebied bevindt zich vrijwel geheel binnen 1 https://www.sweco.nl/nieuws/nieuwsartikelen/sweco-ontwikkelt-logistiek-ecopark-ijsselvallei-doesburg/ (Geraadpleegd

juli 2017).

165-017-VO-02

Pagina 7 van 100

de Gelderse gemeente Doesburg. Een kleine strook van het gebied aan de westzijde valt in de gemeente Rheden. Een totaaloverzicht van het onderzoeksgebied is weergegeven in tekening 165017-TE-01 die is opgenomen onder Bijlage 7.

1.3

ALGEMEEN

Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.2 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.

Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.3 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit 2 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl.

3 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en

Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (http://www.inspectieszw.nl/Images/Jaarplan-InspectieSZW2015_tcm335-359626.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.

165-017-VO-02

Pagina 8 van 100

zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven. Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het ‘Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling’ (afgekort als WSCS-OCE). Het toepassingsgebied van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces). De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig: ▪ ‘bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; ▪ bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd; ▪ bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering).’4 Explosive Clearance Group B.V.

(ECG) is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd.5 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven.

1.4

DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK

Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied [in horizontale en verticale dimensie] af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingskaart.’6 Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen:

4 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen

in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 2. 5 Het certificaat is opgenomen onder Bijlage 2. 6 WSCS-OCE, 16.

165-017-VO-02

Pagina 9 van 100

1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, oftewel van VERDACHT gebied? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied ‘verdacht’ is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ‘onverdacht’ kan worden aangemerkt (contra-indicaties). Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgende overzicht (figuur 1) is weergegeven.7 MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash

GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)

Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Springputten en dergelijke

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

(afzinking)

Mijnenveld(en)

Vernielingsactiviteiten

Figuur 1: Overzicht van mogelijk te achterhalen oorlogshandelingen in en rond een onderzoeksgebied.

7 De weergegeven scenario’s zijn exemplarisch en pretenderen geen volledigheid.

165-017-VO-02

Pagina 10 van 100

Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van conventionele explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals hieronder is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN

Ontgravingen

BAGGERWERKZAAMHEDEN

Gronddepositie

OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN

Civiele opsporingsbedrijven

EODD en voorgangers

Figuur 2: Overzicht van mogelijk te achterhalen naoorlogse (bodem)activiteiten in en rond een onderzoeksgebied

1.5

BRONNEN

Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd.8 In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. Daarnaast raadpleegt ECG aanvullend een tweetal archieven welke niet zijn opgenomen in het vigerende WSCS-OCE. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in Bijlage 4. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen

RAADPLEGEN: Verplicht Optioneel ✓ ✓

GERAADPLEEGD

✓

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

✓ ✓ ✓ ✓

Ja Ja Nee Nee

✓ ✓ ✓ ✓ ✓

8 WSCS-OCE, 16.

165-017-VO-02

Pagina 11 van 100

AANVULLEND BRONNENONDERZOEK ECG: Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Nationaal Archief te Den Haag

Nvt. Nvt.

Ja Ja

Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.

1.6

KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM

Hoewel in de geldende regels geen ervarings- en opleidingseisen zijn gesteld aan de uitvoerende(n) van een vooronderzoek naar de kans op het aantreffen van achtergebleven explosieven, stelt ECG deze eisen wel aan haar onderzoekers. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Reden voor deze opleidingseis van ECG is het feit dat academisch geschoolde historici gespecialiseerd zijn in het vergaren, selecteren en beoordelen van relevant (feiten)materiaal en in staat zijn deze op een duidelijke manier te rapporteren. Het onderscheiden van hoofd- en bijzaken is daarbij van essentieel belang.

165-017-VO-02

Pagina 12 van 100

2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.

2.1

INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in of nabij het onderzoeksgebied.9 Daarop volgt er een opsomming van de geraadpleegde literatuur en de bezochte archiefinstanties en de geraadpleegde dossiers. Vervolgens worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. Tot slot zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden. De indicaties die relevant zijn voor het onderzoeksgebied zullen in Paragraaf 2.11 in een chronologisch overzicht worden weergegeven en nader getoetst op verificatie en herleidbaarheid.

2.2

UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE

Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’10 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.

2.3

HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE

Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. 9 Onder onderzoek wordt door ECG bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels

van de voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 10 WSCS-OCE, 17.

165-017-VO-02

Pagina 13 van 100

Met behulp van een geallieerde stafkaart uit 1944 kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald.11 De kaart is gegeorefereerd in ArcGIS waardoor het huidige onderzoeksgebied op de oude situatie kan worden geprojecteerd. Een overzicht is op tekening 165017-TE-02 weergegeven die onder Bijlage 8 is opgenomen. Op deze kaart staan diverse toponiemen weergeven. In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Op de stafkaart is te zien dat er ten tijde van de oorlog aan de Doesburgse zijde een fabriek binnen het onderzoeksgebied heeft gelegen. Uit historische gegevens blijkt dat hier vanaf 1934 de NV Fabriek van Gewapende Asbestcement-producten ‘Ferrocal’ was gevestigd. Tijdens de oorlog werd de fabriek verkocht aan de Duitsers. Zij vestigden hier een cellenbetonindustrie onder de naam Rheinisch-Westfälische Zellenbetonwerke G.M.B.H., Werk Doesburg, Holland.12 Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het huidige onderzoeksgebied binnen de gemeente Doesburg en direct nabij de gemeente Rheden. Derhalve dienen de gemeentearchieven van de voorgenoemde plaatsen te worden geraadpleegd, alsmede het bijbehorende provinciale archief.

2.4

REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES

Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE, heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde bureaustudies door zowel ECG als derden. De volgende rapportages hebben betrekking op (een deel van) het onderzoeksgebied: ▪ ECG BV, Probleeminventarisatie naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven in het onderzoeksgebied ‘Watersysteem Doesburg’, documentcode 066-011-PI-01 (Wijchen mei 2011). In opdracht van Grontmij Nederland BV heeft ECG in 2011 een probleeminventarisatie conform het destijds vigerende BRL-OCE uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven voor het gebied ‘Watersysteem Doesburg’. Dit onderzoeksgebied lag in het zuiden van Doesburg in de omgeving van de Barend Ubbinkweg. Hoewel het onderzoek het huidige onderzoeksgebied niet overlapt, worden de resultaten wel meegenomen in dit vooronderzoek. De destijds gehanteerde bronnen en achterhaalde informatie kunnen relevant zijn voor het huidige vooronderzoek.

11 Kadaster, Stafkaart Doesburg, sheet 3902, A.M.S. M832 (G.S.G.S. 4414) Second edition 1944, Eastern Holland 1:25.000. 12 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25834-39-b5.pdf (geraadpleegd juli 2017); Brief betreffende:

Bedrijfsbescherming, Rheinisch-Westfälische Zellenbetonwerke GmbH, Doesburg, 31-03-1944, Streekarchief De Liemers en Doesburg (SALD), 53 Luchtbeschermingsdienst Doesburg, 1934-1945, inv nr. 6.

165-017-VO-02

Pagina 14 van 100

▪ AVG Explosieven Opsporing Nederland, Vooronderzoek Laad- en Loskade en Overslagterrein Rotra Doesburg, documentcode 1362020-VO-02, Concept versie 2 (Heijen 12 mei 2014). In opdracht van GMB heeft AVG in 2014 een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven voor het gebied ‘Laad- en Loskade en Overslagterrein Rotra’ te Doesburg. Het destijds gehanteerde vooronderzoek valt binnen het huidige onderzoeksgebied (zie onderstaande figuur 3). De resultaten worden derhalve meegenomen in dit vooronderzoek. De destijds gehanteerde bronnen en achterhaalde informatie kunnen relevant zijn voor het huidige vooronderzoek.

Figuur 3: Het onderzoeksgebied van vooronderzoek 1362020-VO-02 uitgevoerd door AVG ten opzichte van het huidige onderzoeksgebied 165-017.

165-017-VO-02

Pagina 15 van 100

▪ EOCKL, Rapport van vooronderzoek, Gemeente Doesburg, Locatie Stadsgrachten en waterpartijen, Werkorder EOD: 20050651 (Culemborg 20 juni 2005). In opdracht van de gemeente Doesburg heeft het EOCKL in 2005 een vooronderzoek uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven voor het gebied ‘Stadsgrachten en waterpartijen’. Het onderzoeksgebied betrof 11 locaties van oude historische stadsgrachten en enkele waterpartijen die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zijn aangelegd. De bijgevoegde kaart met de onderzochte gebieden is op de volgende pagina weergegeven. Hieruit blijkt dat ook de watergangen binnen het huidige onderzoeksgebied zijn onderzocht, te weten gebied 1. De Fles (Verhuellweg) en gebied 2. De Fles (Panovenweg). De EOCKL stelt dat deze grachten zijn aangelegd na het einde van de Tweede Wereldoorlog en dat het nagenoeg is uit te sluiten dat in deze grachten explosieven uit de oorlog aanwezig zijn. Deze grachten worden in het vervolg van het door het EOCKL opgestelde vooronderzoek dan ook buiten beschouwing gelaten.13 Ook de resultaten van dit onderzoek worden meegenomen in het huidige onderzoek, aangezien de destijds achterhaald informatie relevant kan zijn voor het huidige vooronderzoek.

Figuur 4: Het onderzoeksgebied van het rapport van vooronderzoek uitgevoerd door het EOCKL. Gebied 1 en 2 vallen binnen het huidige onderzoeksgebied. Bron: EOCKL, Rapport van vooronderzoek, Gemeente Doesburg, Locatie Stadsgrachten en waterpartijen, Werkorder EOD: 20050651 (Culemborg 20 juni 2005).

13 EOCKL, Rapport van vooronderzoek, Gemeente Doesburg, Locatie Stadsgrachten en waterpartijen, Werkorder EOD:

20050651 (Culemborg 20 juni 2005) 1.

165-017-VO-02

Pagina 16 van 100

2.5

INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Om een totaalbeeld te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG onder meer de onderstaande (deels locatiespecifieke) literatuur. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. Literatuur: ▪ Kleberg, J., Doesburg 1940-1945 (z.p. z.j.). ▪ Laansma, S., De wacht aan de IJssel : belevenissen van II-35 R.I. in 1939/1940 te Brummen, Doesburg en Rheden (z.p. 1993). ▪ Maresch, W., Oorlog aan de Veluwezoom: Dieren, Ellecom, Laag-Soeren & Spankeren 1940-1945 (Dieren 2005). ▪ Nederkoorn, W.P. en G.J.B. Stork (red.), Er op of er onder : hoe Achterhoek en Lijmers de Duitsche bezetting doorstonden en ervan werden bevrijd : gegevens over den bezettingstijd, het verzet en de bevrijding (Arnhem 1977). ▪ Penders, A.F.J., De krijgsverrichtingen ten oosten van de IJssel en in de IJssellinie, mei 1940 (Den Haag 1952). ▪ Petersen, J.W. van, Doesburg toen en nu (Ljubljana 1995). ▪ Pleiter, H., Van vijanden omringd : Doesburg tijdens crisis en oorlog, 1930-1945 (Dieren 2008). ▪ z.a., Even gaan onze gedachten terug: verhalen uit W.O. II, Hummelo en Keppel (Hoog-Keppel 1991). ▪ z.a., Over leven in de Tweede Wereldoorlog in Angerlo, Doesburg, Hummelo en Keppel (Doesburg 1995).

In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in Paragraaf 2.11 worden opgenomen. Verdere verificatie van de relevantie en herleidbaarheid vindt plaats middels archiefonderzoek en luchtfotoanalyse.

2.6

INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN

In het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven de nadruk op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. 2.6.1

STREEKARCHIVARIAAT DE LIEMERS EN DOESBURG

In het Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg (SALD) te Doesburg zijn diverse dossiers geraadpleegd aangaande de oorlogsperiode afkomstig uit archieven 52 Archief Dienst Gemeentewerken Doesburg, 1911-1972, 53 Luchtbeschermingsdienst Doesburg, 1934-1945 en 276 Secretarie-Archief Gemeente Doesburg, 1936-1990. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 165-017-VO-02

Pagina 17 van 100

2.6.2

GELDERS ARCHIEF

In het Gelders Archief (GA) te Arnhem is archief 1037 Militair Gezag in Gelderland, 1941-1948 geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interim-bestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek. Tevens zijn in het GA de archieven van de nabij het onderzoeksgebied gelegen gemeente Rheden geraadpleegd, te weten archief 2503 Gemeentebestuur van Rheden, 1818-1949, 2506 Gemeentepolitie Rheden, 1913-1993 en 3108 Secretarie Gemeente Rheden, 1950-1979. Vooruitlopend op de uitkomsten van het indicatieonderzoek, is er correspondentie achterhaald betreffende het dichten van bomkraters in de Stadsweiden te Doesburg uitgevoerd door de Nederlandse Heidemaatschappij ofwel Heidemij (zie Paragraaf 2.11). Derhalve is tevens het archief van deze organisatie geraadpleegd, te weten 0924 Heidemij, Algemene Technische Dienst, 18881953. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5.

De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.

2.7

LANDELIJKE ARCHIEVEN

2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog.

165-017-VO-02

Pagina 18 van 100

Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D.

overgedragen aan de EOD.14 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven. In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5.

De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG De collecties 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 en 409 Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag zijn geraadpleegd. Er zijn geen aanvullende gegevens aangetroffen die verwijzen naar (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.

14 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107

en 142.

165-017-VO-02

Pagina 19 van 100

2.8

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

ECG beschikt over gegevens uit internationale archieven welke voor dit onderzoek zijn geraadpleegd. Het betreft historische informatie afkomstig uit The National Archives (TNA) te Londen en het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau. 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ECG beschikt over de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was) en enkele overige AIR-collecties. Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan in de meeste gevallen (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.8.1.1

THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS

Alvorens de gegevens de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts-/ bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF squadrons) en luchtfotoanalyse zal ECG trachten de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden. 2.8.1.2

GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE COÖRDINATENSTELSEL

De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De navolgende Geallieerde stafkaart heeft betrekking op het onderzoeksgebied: - Doesburg, sheet 3902, A.M.S. M832 (G.S.G.S. 4414) Second edition 1944, Eastern Holland 1:25.000. De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de Geallieerde bronnen gehanteerd:

165-017-VO-02

Pagina 20 van 100

NORD DE GUERRE COÖRDINATEN: QE8981

QE9081

QE8982

QE9082

Tabel 2: De gehanteerde kaartvierkanten met basis coördinaat bij het doornemen van de After Action Reports, War Diaries en Daily Logs.

Overzichtskaart 165-017-TE-03 toont de locatie van de gehanteerde Nord de Guerre-coördinaten ter hoogte van het onderzoeksgebied en is opgenomen onder Bijlage 9. 2.8.2 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “The archive material from the period up to 1945 suffered considerable losses as a consequence of war. Many of the records of the central service units of the armed forces and of the army leadership, those of the service units and troops of the army below divisional level and those of the air force and the Waffen SS have been lost. Naval archives, on the other hand, and the bulk of war logs belonging to the command authorities of the army and the divisional headquarters up to 1943, survived the war.

Most of the files of the Prussian Army were destroyed in the army archives fire in Potsdam in 1945.”15 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941. In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.

15 https://www.bundesarchiv.de/bundesarchiv/organisation/abteilung_ma/index.html.en (geraadpleegd: augustus 2017).

165-017-VO-02

Pagina 21 van 100

2.9

GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.

Voor deze bureaustudie is ten behoeve voor verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. Eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied over de periode medio 2010-2017 zijn digitaal raadpleegbaar bij de EOD. 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ECG heeft een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied welk in Nederland is gelegen, ontvangen.16 De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen.

Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen CE zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. MELDING NR.

DATUM17

LOCATIE

19722787 19740036

23-11-1972 05-01-1974

Textielfabriek A.T.F., Doesburg 1x brisantgranaat van 8 cm Duits. Koepoortstraat 32, Doesburg 1x Oefenantitankbrisantgranaat van 3.5 inch (leeg); 1x Oefenbrisantgranaat van 2 inch mortier (leeg); 1x Brisantgranaat van 81 mm mortier met schokbuis (leeg); 1x oefenhandgranaat (leeg); 1x brisantgranaat van 3,7 cm met schokbuis (niet verschoten).

AANGETROFFEN

16 Om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te kunnen schetsen of een gebied bloot heeft gestaan aan een bepaald soort

oorlogshandelingen (grondgevechten, beschietingen, bombardementen etc.), hanteert ECG een afbakening van 750 meter rondom het onderzoeksgebied bij het aanvragen van de meldings- en ruimrapporten. 17 Meldingsdatum

165-017-VO-02

Pagina 22 van 100

MELDING NR.

DATUM17

LOCATIE

AANGETROFFEN

19790274

13-03-1979

Ooijpoortstraat 63, Doesburg

19800743

19-03-1980

Bunker a/d dode arm v/d IJssel, Doesburg

19802028

16-06-1980

Zandbergstraat 73, Doesburg

19803906

20-12-1980

Bunker a/d dode arm v/d IJssel, Doesburg

19820093

21-01-1982

19832564

18-08-1983

19832776

05-09-1983

19833116

03-10-2003

19850170 19860236

04-02-1985 10-02-1986

19872409

08-09-1987

19891278

02-05-1989

Algemene begraafplaats, Doesburg Prins Hendrikstraat 21, Doesburg Kloosterstraat 15, in de tuin, Doesburg Wilhelminastraat 14 (gedeeltelijk op buro), Doesburg Vestingwallen Langs rijksweg 847 (DierenDoetinchem), handgranaat ligt op het ijs en is gedeetlelijk ingevroren, aangetroffen door schaatsers, Doesburg Langs de rijksweg 847, Doesburg de Baggermolen, Doesburg

1x oefenbrisantgranaat van 57 mm oudhollands. Verzoek van de gemeente Doesburg om een onderzoek te starten naar aanleiding van een melding van de politie dat zich in de bunker aan de dode arm van de IJssel munitie bevindt. Uit een bijgevoegde plattegrond blijkt het om een Hollandse kazemat te gaan die zich binnen het huidige onderzoeksgebied bevindt. Verkennende zoekactie 19803906. 1x brisantgranaat van 25 ponder verschoten van schokbuis. Vervolg zoekactie 19800743. In een besprekingsverslag wordt het volgende gemeld: Na de oorlog is in de bunker munitie vernietigd. Door de explosies is de bunker gedeeltelijk stukgeslagen en in de loop der jaren verzakt. Kinderen, die door een kleine opening naar binnen gekropen waren, hebben er munitie gevonden. Deze munitie is daar door de EOD vernietigd. De bunker zal onderzocht moeten worden op aanwezigheid van nog meer munitie. De EOD adviseert een zoekactie uit te voeren. De gemeente Doesburg schrijft dat het voornemens is de bunker vol te storten met beton. Daarmee is het niet meer noodzakelijk bevonden een onderzoek door de EOD te laten uitvoeren. 1x handgranaat 17 ponder (verschoten).

165-017-VO-02

2x rookgranaten van 25 ponder met restant tijdschokbuis (leeg). 1x brisantgranaat van 75 mm zonder schokbuis (verschoten). Ca. 100 klein kaliber munitie.

1x brisantgranaat van 82 mm met schokbuis 1x handgranaat Mills 36, met ontsteker.

1x rookgranaat van 25 ponder verschoten zonder rookpotten. Explosief niet aanwezig.

Pagina 23 van 100

MELDING NR.

DATUM17

LOCATIE

AANGETROFFEN

19891336

06-05-1989

Bouwland, Doesburg

19921134

15-05-1992

Contre Escarpe, Doesburg

19960555

01-04-1996

Deurvorststraat 7, Doesburg

20001748

08-09-2000

Meipoortstraat 22, Doesburg

20010346

15-03-2001

Mauritsveld en Looiersgracht, Doesburg

20031362

30-08-2003

Grietstraat, Doesburg

20050651

10-05-2005

Stadsgrachten en waterpartijen te Doesburg

1x brisantgranaat van 25 ponder met schokbuis (verschoten). 1x SAP van 60lbs, verschoten met bodembuis 865 serie. 1x oefenantitankbrisantgranaat van 3,5 inch raket (verschoten); ca. 125 klein kaliber munitie diversen. 1x handgranaat Mills 36 zonder slagpin met springstof; ca. 30 klein kaliber munitie. 7x mortiergranaten met schokbuis M1 (niet verschoten); 1x panzerfaust groot zonder schokbuis; 1x antitankbrisantgranaat geweergranaat nr. 40 zonder schokbuis; 1x handgranaat nr. 36 Mills; 7x schokhandgranaten Oud Hollands; 1x handgranaat Mills 36 zonder beugel (GB); 1x restant van fosfor handgranaat nr. 77 (GB); 1x restant van fosfor handgranaat nr. 80 (GB); 1x restant van steelhandgranaat (alleen steel en slagpin) (D); 1x mortiergranaat van 82 mm met schokbuis M1 (niet verschoten) (Rus); 1x brisantgranaat van 7 veld (leeg) zonder ontsteker (verschoten) (Oud-Hollands); 1x geweergranaat nr. 40 zonder ontsteker incompleet (D); 100 stuks klein kaliber munitie; 6x staartstukken (4x 3inch)(2x 8cm) (1x 5cm) mortier schroot; 3x brisantgranaten van 82mm met schokbuis M1 (niet verschoten 1 x met losse schokbuis) (Rus); 1x schokhandgranaat (zonder ontsteker) (OudHollands); 1x brisantgranaat van 3,7 cm met schokbuis (verschoten) (D); 1x brisantgranaat van 30mm met schokbuis (verschoten) (D); 1x restant van 3inch mortier fosfor (restant lichaam met fosfor) (GB); ca.

50 klein kaliber munitie divers; 3x staartstuk van 3inch (GB); 1x staartstuk van 4,2inch (GB); 1x schokhandgranaat 31 mm met schokbuis 1504 (verschoten); 1x 3,7 cm brisant met ontsteker (verschoten); 1x 3inch fosforgranaat met restanten fosfor (verschoten); 3x mortiergranaat van 82mm met schokbuis M1 (niet verschoten). 1 brisantgranaat van 8cm mortier (verschoten) met restant ontsteker. Betreft het door de EOD uitgevoerde vooronderzoek naar CE in de Stadsgrachten

165-017-VO-02

Pagina 24 van 100

MELDING NR.

DATUM17

LOCATIE

20050947 20051517 20081187

30-06-2005 17-10-2005 18-08-2008

Esdoornlaan 14, Doesburg Hessengracht, Doesburg Grietstraat/Zomerweg, Doesburg

20100044 20131313001

07-01-2010 29-07-2013

20142087001 20142087002 20142087003

29-10-2014 29-10-2014 29-10-2014

Nassaustraat 18, Doesburg Fraterwaard TGV perceel 3, Doesburg N317, Doesburg N317, Doesburg N317, Doesburg

AANGETROFFEN en waterpartijen te Doesburg en is reeds opgenomen in paragraaf 2.4. 1x oefen antipersoneelsmijn met ontsteker. 1x vermoedelijke mijn. 1x brisantgranaat van 5 cm mortier, zonder ontsteker, met grondkardoes (niet verschoten). Ruimrapport niet aanwezig 1x Pantsergranaat; 6 pdr (verschoten). 1x Pantsergranaat; 6 pdr (verschoten). 1x Restant; 8 cm mortiergranaat. 1x Rookgranaat; 25 pdr met tijdschokbuis No 221 serie (verschoten).

Tabel 3: Meldingen en ruimingen van mogelijke conventionele explosieven in (de omgeving van) het onderzoeksgebied.

Uit de voorgaande tabel verwijzen twee mora’s direct naar het onderzoeksgebied. Het gaat om meldingnummers 19800743 en 19803906 betreffende de bunker aan de dode arm aan de IJssel. In deze Nederlandse betonnen kazemat zou na de oorlog munitie zijn gesprongen en nog aanwezig zijn. Hoewel de EOD adviseert de bunker nader te onderzoeken, kiest de gemeente Doesburg ervoor de bunker vol te storten met beton. De indicatie wordt meegenomen in Paragraaf 2.11. 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.9.3

MIJNENVELDREGISTER

Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde ‘schijnmijnenvelden’ aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het soort (antitank- of antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde ‘mijnenboeken’. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. ECG heeft bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er geregistreerde mijnenvelden hebben gelegen in en nabij 165-017-VO-02

Pagina 25 van 100

het onderzoeksgebied. In figuur 5 is de door de EOD aangeleverde mijnenkaart weergegeven. In de daaropvolgende tabel zijn de gegevens van de mijnenvelden die binnen en direct nabij het onderzoeksgebied liggen geanalyseerd en is bepaald of de mijnenvelden relevant zijn voor het huidige onderzoek.

Figuur 5: De door de EOD aangeleverde gegevens omtrent mijnenvelden in de buurt van het onderzoeksgebied. Mijnenvelden zijn rood gearceerd of ingekleurd.

165-017-VO-02

Pagina 26 van 100

NUMMER/ SHEET MIJNENVELD :

TYPE BRON:

DATUM

ONDERDEEL DAT

WAAROP HET

MIJNENVELD LEGDE

MIJNENVELD

/ BRON VAN

10G/3902

RR

WERD GELEGD:

INLICHTINGEN:

Onbekend

Onbekend/Brief C.-M.O.D.

RR

Onbekend

18G/3902

RR

19G/3902

RR

18

PLATTEGROND MIJNENVELD UIT RUIMINGRAPPORT:19

AANTAL EN TYPE MIJNEN GELEGD:

DATUM WAAROP

ONDERDEEL DAT

AANTAL EN

AANTAL EN

OPMERKINGEN:

RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:

MIJNENVELD

MIJNEN HEEFT

TYPE MIJNEN

TYPE MIJNEN

WERD GERUIMD:

GERUIMD:

GERUIMD:

VERMIST:

Onbekend

11-07-1946

1/758

Geen

-

-

Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming geen landmijnen aangetroffen.

Onbekend/Brief staf MMOD

Onbekend

15-01-1947

2-B.T.B.

Geen

Onbekend

Waarschijnlijk geruimd door Burger MOD-MG

Onbekend

Onbekend/Brief C.-M.M.O.D.

Onbekend

15-01-1947

2-B.T.B.

Geen

Onbekend

Volgens verklaring van een ambtenaar ter secretarie der gemeente Doesburg zijn de vestingwerken vermijnd geweest met Schü.Mi. Deze zouden geruimd zijn door den Burger M.O.D.-M.G. Deze dijk is reeds sinds langen tijd in gebruik.

Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming geen landmijnen aangetroffen.

Onbekend

Onbekend/Brief staf MMOD

Onbekend

15-01-1947

2-B.T.B.

Geen

Onbekend

Waarschijnlijk geruimd door den burger MOD-MG

Niet relevant: Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. Bij ruiming geen landmijnen aangetroffen.

Tabel 4: Analyse van de door de EOD aangeleverde gegevens betreffende de mijnenvelden nabij het onderzoeksgebied.

18 RR=mijnenruimrapport, LR=mijnenlegrapport. Alle in de tabel geanalyseerde ruiminggegevens zijn aangeleverd door de EOD. 19 Doordat sommige op mijnen verdachte gebieden in fases werden geruimd, kunnen de mijnenvelden zoals weergegeven op de voorgaande overzichtskaarten afwijken van de plattegronden zoals in de tabel opgenomen.

165-017-VO-02

Pagina 27 van 100

2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in een aantal gevallen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogs-gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.10.2 METHODIEK Er zijn meerdere typen luchtfoto's, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=884af4ef-ca44-4222-9914-aa7f5c67d07a