Motivering bijlage 6 Quickscan Natuur TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Eekstraat 5
Tekst van het document
Quickscan Natuur Eekstraat 5 te Doesburg Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2024-1275
Datum:
18
Samensteller:
(geanonimiseerd) nn
Collegiale
(geanonimiseerd) nn
toets:
september
Opdrachtgever:
Buro SRO
Contactpersoon:
(geanonimiseerd) |
2024
Oost B.V.
Disclaimer Blom
Ecologie
werkzaamheden Niets uit worden
B.V.
is
niet
aansprakelijk
en/of gegevens
verkregen
voor van
schade
die
voortkomt
uit
toepassing
van
de
resultaten
van
Blom Ecologie B.V.
deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere
toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden
voor
het doel
waarvoor
het is samengesteld.
BLOM
ECOLOGIE
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
5
1. 1
Planlocatie
6
1. 2
Beoogde ruimtelijke ingreep
8
2 Methode
9
2. 1
Uitvoering onderzoek
9
2. 2
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3. 1
Soortenbescherming
10
3. 2
Specifieke zorgplicht Soorten
16
3. 3
Gebiedsbescherming
17
3. 4
Houtopstanden
19
4 Conclusie en vervolg
20
4. 1
Conclusie
20
4. 2
Effecten
20
4. 3
Vervolgstappen en maatregelen
20
Samenvatting Aan de Eekstraat 5 te Doesburg is een weideperceel met enkele fruitbomen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een woning te realiseren op het perceel. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep
Bescherming
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Steenuil Vogels (Algemeen en cat. 5) Gebiedsbescherming Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Beschermingszone natte landnatuur Ganzenrustgebied Weidevogelgebied Houtopstanden Eenheid van > 1000 m 2 Bomenrij van > 20 bomen
en
effecten zijn beoordeeld , en welke
Mogelijke functie
Vervolgstap (H4. 3)
N. v. t. N. v. t. N. v. t. N. v. t. N. v. t. N. v. t. N. v. t. VR
Nestkast nabij planlocatie N. v. t. Afstand 700 m 770 m 670 m 21, km 700 m 66, km
Onderdeel Afwezig Afwezig
Zorgplicht Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Mogelijke effecten
Maatregelen
Vervolgstap (H4. 3)
Geen Geen Geen Geen Geen Geen Uitzondering
Vervolgstap (H4. 3)
n. v. t. n. v. t.
Effecten Ja Nee Nee Nee
Vervolgstap (H4. 4) Algemene maatregelen
4
1
Inleiding Aan de Eekstraat 5 te Doesburg is een weideperceel aanliggend aan een boerenerf gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een woning te realiseren op het perceel. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming) , beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B. V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten , gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art. 4.
2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen , en zo ja , welke?
Figuur 1. 1
De planlocatie is gelegen aan de Eekstraat 5 te Doesburg.
5
1. 1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Eekstraat 5 te Doesburg (figuur 1. 2). De planlocatie betreft een goed onderhouden (gemaaid) weiland met daarop enkele fruitbomen. De fruitbomen betreffen in totaal 6 stuks appel , kers en pruim. Hiervan worden twee bomen (pruim) gekapt ten behoeve van de woning. Het perceel bestaat volledig uit gras en was gedurende het veldbezoek kortgelden gemaaid , waardoor geen andere vegetatie aanwezig was. Aan de noordwestzijde van het perceel staat een houten kippenhok , welke behouden blijft. Aan de noordzijde van het perceel is een bomenlaan aanwezig , deze wordt niet aangetast in de beoogde ingreep. In figuur 1. 3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1. 2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Eekstraat 5 te Doesburg.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het buitengebied ten noordoosten van Doesburg. Dit gebied bestaat voornamelijk uit agrarische percelen , weilanden en boerenerven. Ten zuidwesten van de planlocatie ligt de oude structuur van het sterfort bij Doesburg , met moestuinen en groene parken. Op een afstand van circa 1 km ten noordwesten van de planlocatie ligt ‘Het Zwarte Schaar’ , een oude arm van de IJssel. De rivier zelf stroomt op circa 2 km ten westen van de planlocatie. Op circa 13, km ten zuidwesten van de planlocatie ligt de N317.
6
Figuur 1. 3
De fruitbomen en het kippenhok op de planlocatie. Alleen de meest westelijke twee fruitbomen worden gekapt ten behoeve van de nieuwbouw.
Figuur 1. 4
Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
7
1. 2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning op het perceel , ter plaatse van een oude bijgebouw wat reeds verwijderd is. Er worden twee fruitbomen gekapt in de beoogde ontwikkeling. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep , waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
kappen van twee fruitbomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting , waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden , transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1. 5
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B. V. ).
8
2
Methode Dit
oriënterend
onderzoek
de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit
regelgeving. Hierbij
wordt
verkent
een
rapport.
2.1
Uitvoering Het
veldbezoek
onderzoek
momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4 september 2024 en is pe weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: lichte regen, uitgevoerd door ir. (geanonimiseerd) B 8/8 bewolkt, 19° Celsius en windkracht 0-1(Bíft). wordt
Vaak
is
een
een
zijn er al gegevens
Raadpleging van nuttige op vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 10 september 2024. externe
In het
bronnen
kader
De
indicator
Tot
dusver
verwachten
van
bekend
over
levert vaak
de
geeft blijken
een
planlocatie
aanvullende
Omgevingswet
is door BIIJ12
per locatie de te verwachten de
soorten
en
de directe
informatie
de
en
Beschermde
omgeving
en
Soorten
effecten
Houdbaarheid
een
Indicator (BeSl) ontwikkeld.
verblijfplaatsen en leefgebied. resultaten van de BeSl ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSl soorten
nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSl toereikend meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve BeSl niet geraadpleegd.
2.2
hiervan.
biedt daarmee
en
op
is. Momenteel van
biedt de
NDFF
het
voorliggende quickscan
is de
toepassing
De
beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 5 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
d
eN ECOLOGIE BLOM
3
Beoordeling
3. 1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is , en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend
(NDFF 2019-2024). De planlocatie is een weideperceel met een zestal fruitbomen (appel , pruim en kers) waarvan twee pruimenbomen gekapt worden. Op het moment van het veldbezoek was het perceel recent gemaaid , en was er geen andere vegetatie dan gras te identificeren. Direct ten noorden van de planlocatie is een bomenlaan gesitueerd. Deze bomenlaan bestaat uit Spaanse aak , valse acacia en zomereik met een ondergroei van Amerikaanse vogelkers , eensteilige meidoorn en gewone vlier. In de kruidlaag staan onder andere braam , haagwinde , gewone hennepnetel , grote brandnetel , klimop , look-zonder-look en stinkende gouwe. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie , ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever , boommarter , bosmuis , bruine rat , bunzing , das , dwergmuis , dwergspitsmuis , egel , gewone bosspitsmuis , haas , hermelijn , huisspitsmuis , konijn , mol , otter , rode eekhoorn , rosse woelmuis , steenmarter , veldmuis en vos (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever , boommarter , bunzing , das , hermelijn , otter , rode eekhoorn en steenmarter. De planlocatie is gelegen in een gebied met voornamelijk weidepercelen en akkerbouw zonder oppervlaktewateren. De dichtstbijzijnde oppervlaktewateren zijn ‘Het Zwarte Schaar’ en de Stadsgracht van Doesburg , beide op een afstand van circa 1 km ten westen van de planlocatie. Verder zijn er alleen afwateringssloten en kleine (tuin)vijvers aanwezig in de omgeving van de planlocatie. Vanwege de grote afstand tot geschikt oppervlaktewater is een functie op de planlocatie voor aan water gebonden zoogdieren zoals de bever en otter uitgesloten. De bever en otter zijn enkel waargenomen in voorgenoemde oppervlaktewateren. De bever op circa 900 m ten noordwesten van de planlocatie in ‘Het Zwarte Schaar’ en de otter op circa 1 km ten zuidwesten van de planlocatie in de stadsgracht van Doesburg (NDFF 2019-2024).
Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de bever en otter uitgesloten. De boommarter en rode eekhoorn leven in allerlei typen bos , met daarbij een voorkeur voor bossen met oude loofbomen. Verblijfplaatsen bevinden zich in boomholten , nesten van andere soorten en voor de rode eekhoorn ook in zelfgemaakte boomnesten. De boommarter en rode eekhoorn zijn waargenomen op respectievelijk een afstand van circa 2 km ten zuidoosten van de planlocatie en een afstand van circa 250 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De planlocatie betreft een weideperceel met enkele losstaande fruitbomen. In deze bomen zijn geen holten of nesten aangetroffen gedurende het veldbezoek. 10
Direct ten noorden van de planlocatie is een bomenlaan met voornamelijk zomereiken aanwezig. Ook hier zijn geen boomholten of nesten aanwezig. Deze bomenlaan wordt in de beoogde ingreep niet aangetast. Gezien het bovenstaande is een essentiële functie op de planlocatie voor boommarter en rode eekhoorn uitgesloten. Derhalve zijn negatieve effecten op de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten. De planlocatie betreft een weideperceel dat (ten tijde van het veldbezoek) kort gemaaid is en geen structuurrijke vegetatie bevat. Op het perceel staan verschillende fruitbomen , waarvan het merendeel behouden blijft. De bomenlaan met ondergroei ten noorden van de planlocatie blijft in de beoogde ruimtelijke ingreep behouden , en de initiatiefnemer is voornemens meer bomen en structuurelementen (takkenrillen , struiken , groenperken) aan te brengen in de gebruiksfase. In de huidige staat is de planlocatie niet geschikt als leefgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals de bunzing , das , hermelijn , steenmarter en wezel. Voorgenoemde soorten zijn waargenomen rondom de groene stadswal van Doesburg op circa 1 km ten zuidwesten van de planlocatie (bunzing , das en hermelijn) en de steenmarter is waargenomen op circa 300 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF 20192024). Op de planlocatie zijn geen gebouwen , holen , structuurelementen of andere mogelijke verblijfplaatsen aanwezig.
Het kippenhok (figuur 3. 1) op de planlocatie is volledig afgedicht met gaas en bevat geen dakruimte of andere mogelijke schuilplaatsen. Er zijn gedurende het veldbezoek geen sporen (pootafdrukken , uitwerpselen , wissels , etc. ) aangetroffen van grondgebonden zoogdieren. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de bunzing , das , hermelijn , steenmarter en wezel uitgesloten. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen , nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis , gewone grootoorvleermuis , laatvlieger , rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11. 46). Laanvormige bomenrijen , oude bomen met gaten en scheuren , (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4. 3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten , loshangende bastdelen , scheuren , spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De bomen zijn over het algemeen te klein en dun om significante boomholten te bevatten. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De bebouwing op het perceel betreft enkel een kippenhok (figuur 3. 1).
Dit kippenhok is opgebouwd uit gaas en houten wandelementen en heeft een schuin bitumen dak. Aan de binnenzijde is een houten dakbeschot aanwezig , de bitumen constructie sluit echter naadloos aan , waardoor er geen invliegopening aanwezig is. Het gebouw zelf is open , waardoor er tochtwerking optreedt en er overdag een sprake is van donkerte. Gezien het bovenstaande is het kippenhok op de planlocatie niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast blijft het kippenhok behouden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven , zoals gewone dwergvleermuis , laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
11
Figuur 3. 1
Het kippenhok op de planlocatie bestaat met name uit kippengaas en hout.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats , bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De losstaande bomen en het kleine , lage kippenhok bieden vleermuizen geen geschikte vliegroute. Deze elementen kunnen echter wel als foerageergebied gebruikt worden. Er gaan slechts 2 van de 6 aanwezige fruitbomen verloren , en dit betreffen 2 dode of stervende exemplaren. Direct ten noorden van de planlocatie is een bomenlaan aanwezig , en er zijn in de omgeving vergelijkbare bomenlanen en groenstructuren aanwezig die kunnen dienen als uitwijkmogelijkheid voor het bestaande foerageergebied. Derhalve is er geen sprake van essentiële vliegroutes of foerageergebieden op de planlocatie. De bomenlaan ten noorden van de planlocatie kan wel een essentiële functie als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen hebben. Deze gaat niet verloren in de beoogde ingreep , maar kan wel door de werkzaamheden verstoord worden. Om verstoring van aanwezige en naastgelegen foerageergebieden en vliegroutes te voorkomen dienen derhalve maatregelen genomen te worden (zie H4. 3).
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker , bruine kikker , gewone pad , kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 20192024). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze habitatonderdelen betreffen voortplantingswater , foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie betreft een gemaaid weideperceel zonder structuurelementen en oppervlaktewater. Hierdoor is er geen sprake van geschikt voortplantingswater , overwinteringsstructuren of foerageergebied op de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming van de kamsalamander is gedaan op circa 1 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Tussen de planlocatie en locaties van bekende waarnemingen zijn barrières aanwezig in de vorm van wegen en grote oppervlakten agrarische- en weidepercelen zonder enige vorm van structuur of oppervlaktewater. Derhalve is de aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie uitgesloten en zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten.
Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. 12
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de hazelworm (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De hazelworm heeft een voorkeur voor gebieden met een dichte , structuurrijke vegetatie met bijvoorbeeld een strooisellaag , dood hout en holen. Dergelijke gebieden betreffen vaak open bossen , bosranden , heidegebieden en natuurlijke graslanden. De dichtstbijzijnde waarneming van de hazelworm is gedaan op circa 2 km ten oosten van de planlocatie in natuurgebied Hekenbroek (NDFF 2019-2024). De planlocatie betreft een gemaaid weideperceel zonder structuurrijke vegetatie , dood hout of strooisellaag. Er is op de planlocatie geen sprake van geschikte habitatelementen voor de hazelworm. Ook zijn er geen aaneengesloten groenstructuren of bomenlanen die als verbindingsroute tussen de planlocatie en het natuurgebied met bekende waarnemingen kan dienen. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de hazelworm uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid
van
beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2019-
2024). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos , grote weerschijnvlinder , iepenpage , kleine ijsvogelvlinder , sleedoornpage en teunisbloempijlstaart (NDFF 2019-2024). De grote vos , grote weerschijnvlinder , iepenpage , kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart zijn allen mobiele vlinders van iets vochtige bossen met een hoge , houtige vegetatie. Daarbij worden als waardplanten iep , zoete kers en wilgen (grote vos) , boswilg en grauwe wilg (grote weerschijnvlinder) , iep (iepenpage) , kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) , basterdwederik , teunisbloem , wilgenroosje en grote kattenstaart (teunisbloempijlstaart) gebruikt. Op de planlocatie is geen sprake van geschikte habitat voor deze soorten , gezien deze bestaat uit een weideperceel met enkele fruitbomen (appel , kers en pruim). Ook zijn er geen geschikte waardplanten aanwezig op de planlocatie. Derhalve zijn negatieve effecten op de grote vos , grote weerschijnvlinder , iepenpage , kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart uitgesloten.
De sleedoornpage is een weinig mobiele vlinder van struwelen , houtwallen , bosranden en parken waar sleedoorn of pruimen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde waarneming van de sleedoornpage is gedaan op circa 15, km ten westen van de planlocatie (NDFF 2019-2024). De planlocatie betreft een gemaaid weideperceel met enkele fruitbomen. Deze bestaan uit appel , pruim en kers. De pruimenbomen op de planlocatie zijn mogelijk geschikt als waardplant voor de sleedoornpage. Er gaan 1 pruimenboom en 1 dode boom verloren , en er blijven 2 pruimenbomen behouden in de beoogde ruimtelijke ingreep. Het is voor de sleedoornpage van belang dat de pruimenbomen regelmatig verjongd worden door snoeien of begrazen (Vlinderstichting – sleedoornpage 2024). De bomen op de planlocatie zijn echter verwaarloosd en al jaren niet onderhouden. In de directe omgeving zijn geen struwelen met sleedoorn of andere percelen met pruimenbomen aanwezig. Derhalve is het onwaarschijnlijk dat er een populatie van de sleedoornpage aanwezig is op de planlocatie. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de sleedoornpage uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders , libellen of andere ongewervelden aangetroffen.
Ook is er geen sprake van oud hout , zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
13
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: holenduif , houtduif , koolmees en Turkse tortel. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Ten noordwesten van de planlocatie is wel een nestkast voor de steenuil aanwezig in de bomenlaan. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus en gierzwaluw zijn voor hun nestlocatie sterk afhankelijk van bebouwing. Op de planlocatie is enkel sprake van een kippenhok (figuur 3.1) , bestaande uit gaas en houten panelen. Het kippenhok heeft geen toegankelijk dakruimte of andere geschikte nestlocaties voor de huismus en gierzwaluw. Derhalve is er geen sprake van het wegnemen van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw. De planlocatie bestaat uit een gemaaid weideperceel zonder structuur in de vegetatie en enkele fruitbomen op het perceel. Het gemaaide grasland heeft een verwaarloosbare functie als foerageergebied voor de huismus , en er is in de omgeving veel vergelijkbaar gebied aanwezig. Vier van de zes fruitbomen blijven behouden , en er komen nieuwe bomen terug in de gebruiksfase.
Derhalve is er ook geen sprake van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus. Het kippenhok op de planlocatie is niet toegankelijk voor uilen en biedt deze geen geschikte rust- of verblijfplaatsen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd , kerkuil , sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In één van de bomen in de bomenlaan op circa 50 m ten noordwesten van de planlocatie is wel een nestkast voor de steenuil aanwezig (figuur 3. 2). Gedurende het veldbezoek zijn geen sporen (braakballen , prooiresten , ruiveren) waargenomen onder en rondom de kast. Binnen een straal van 100 m rondom de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van de steenuil in de afgelopen 5 jaar (NDFF 2019-2024). Aan de hand van bekende waarnemingen in de omgeving zijn circa 6 territoria aanwezig binnen een straal van 1 km van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de nestkast in de bomenlaan gebruikt wordt door de steenuil. De beoogde ingreep betreft de realisatie van een woning op de planlocatie , waar twee restanten van fruitbomen voor gekapt worden. In de ingreep zijn geen werkzaamheden voorzien die de bomenlaan of daarin aanwezige steenuilenkast direct beïnvloeden.
Ook zijn de restanten van fruitbomen of het gazon op de planlocatie niet geschikt als habitat voor de steenuil. Het is wel mogelijk dat zwaardere werkzaamheden zorgen voor verstoring van deze nestkast en het bijbehorende territorium en/of leefgebied van de steenuil. Door het (agrarisch) gebruik van de omliggende percelen en de aanwezigheid van woningen en boerenerven is er in de huidige situatie al sprake van de nodige verstoring van mensen en zware machines zoals tractoren. Alleen buitengewoon zware werkzaamheden zoals het aanbrengen van een betonfundering en heien lijden mogelijk tot verstoring van de steenuil. Om mogelijke verstoring van de steenuil te voorkomen dienen dergelijke buitengewoon zware werkzaamheden buiten de kwetsbare broedperiode van de steenuil uitgevoerd te worden. Daarnaast dienen alle bouwwerkzaamheden gedurende de dag , en dus buiten de nacht- en schemerperioden uitgevoerd te worden , en dient het gebruik van bouwverlichting gemeden te worden (zie H4. 3).
14
Figuur 3. 2
De steenuilenkast (boven) in de bomenlaan ten noorden van de planlocatie (linksonder) en de locatie van de nestkast op de kaart (rechtsonder).
Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen , het wegnemen van rust- of nestplaatsen , of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Wel dienen maatregelen genomen te worden om verstoring van mogelijk aanwezige steenuilen te voorkomen (zie H4. 3). Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De fruitbomen op de planlocatie vormen voor algemene broedvogels zoals merel , duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit , handel , kweek , transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.
15
3. 2
Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4. 2 en bijlage 1-soorten , Rode Lijst-soorten , Hrl bijlage II , IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: torenvalk (NDFF 2019-2024). Voor de torenvalk geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3. 1) beoordeeld is. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben , moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen , beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het plangebied bestaat uit een weideperceel met enkele losstaande fruitbomen. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Op de planlocatie zijn geen geschikte nestlocaties of nestkasten voor de torenvalk aanwezig. De bomenlaan ten noorden van de planlocatie is mogelijk wel geschikt als nestlocatie , maar deze blijft in de beoogde ingreep behouden. Het perceel zelf is geschikt als foerageergebied voor de torenvalk. In de directe omgeving zijn ruim voldoende vergelijkbare weidepercelen aanwezig welke als uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de staat van instandhouding van de torenvalk uitgesloten.
Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
16
3. 3
Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 700 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3. 3).
Figuur 3. 3
De planlocatie ligt op een afstand van circa 700 (bron: nationaal Georegister PDOK).
m
tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt , kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen , geluid , optische verstoring etc. ) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een zeer beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Hoewel het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op slechts 700 m ten westen van de planlocatie ligt , is het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype gelegen op een afstand van circa 17, km ten noordwesten van de planlocatie ().
Gezien de relatief grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen en de kleine schaal van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.
17
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk , Groene Ontwikkelingszone , Weidevogelgebied , Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 770 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 670m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3. 4). Op een afstand van circa 66, km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 700 m van de planlocatie (figuur 3. 5). Op een afstand van circa 21, km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3. 4
Figuur 3. 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 770 m tot het Gelders Natuurnetwerk afstand van circa 670 m de Groene Ontwikkelingszone tot gldanders. planoview. nl/planoview/).
De planlocatie ligt op een afstand gldanders. planoview. nl/planoview/).
van
circa 700
m
en een
(bron:
tot het Ganzenrustgebied (bron:
18
3. 4
Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen , boomvormers , struiken , hakhout of griend , met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen , te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. De planlocatie valt buiten de aanwijzing voor beschermde houtopstanden en is bosgroeiplaats zoals aangewezen op de Omgevingsverordening van provincie Gelderland. Ten aanzien worden.
van
de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven
er geen
geen
oude
maatregelen getroffen te
Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
4 Conclusie 4. 1
en
vervolg
Conclusie In de beoogde realisatie van de woning aan de Eekstraat 5 te Doesburg wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4. 2
Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht , foeragerende vleermuizen , steenuil en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
4. 3
Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen De
beoogde
ruimtelijke
ingreep
leidt
niet
tot
aantasting
van
beschermde
natuurwaarden
(soortbescherming , gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). •
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen , onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna , dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken , stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren , die tijdens de werkzaamheden worden gevonden , te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
•
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels , houtwallen , dichte struwelen etc. ) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
•
De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E. e. a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Specifieke zorgplicht •
Om verstoring van de steenuil te voorkomen dienen zware werkzaamheden , specifiek het heien en andere funderingswerkzaamheden (beton storten , langdurig werken op de planlocatie met groot materieel) buiten de kwetsbare broedperiode van de steenuil (periode van 1 februari tot en met 31 juli) uitgevoerd te worden. Andere algemene bouwwerkzaamheden kunnen wel jaarrond uitgevoerd worden. Daarbij dienen alle werkzaamheden buiten de nacht en schemerperiodes uitgevoerd te worden. Ook mag de planlocatie gedurende de werkzaamheden niet met bouwverlichting verlicht worden. 20
•
Ten behoeve van potentiële vliegroutes en foerageergebied in de bomenlaan ten noorden van de planlocatie mag deze tijdens de werkzaamheden niet verlicht worden. Daarnaast dienen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd te worden (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht , lichtbundel nederwaarts richten , toepassen geconvergeerde lichtbundel).
21
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12 , 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) (2017) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) (2017) Geraadpleegde websites atlas. bij12. nl/WebViewer/index. html?viewer=ikn_pub bij12. nl gldanders. planoview. nl/planoview/ nationaalgeoregister. nl ndff. nl ravon. nl verspreidingsatlas. nl vleermuisprotocol. nl vlinderstichting. nl wilde-planten. nl zoogdiervereniging. nl Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Juridisch kader
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Eekstraat 5 te Doesburg en bestaat uit een weideperceel met fruitbomen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning.
Figuur 2
Het kippenhok op de planlocatie blijft behouden.
23
Figuur 3
De bomenlaan direct ten noorden van de planlocatie blijft onaangetast.
Figuur 4
De omgeving van de planlocatie bestaat uit vergelijkbare percelen , akkerland zonder bomen.
en
weilanden
24
Bijlage 2
Juridische kaders
Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1. 3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11. 6 Bal) , Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11. 116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11. 27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1. 3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden , verwonden , verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit.
van
specifieke planten-
en
Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit , worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
-
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten , genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn , en niet in de bijlage genoemde , geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten , genoemd in de bijlage II , IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten , genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten , bedoeld in artikel 2.19 , vierde lid , onder a , onder 4° , van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten , naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest , voortplantingsplaats , rustplaats , eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden , dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
25
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37) , Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11. 46) en Andere soorten (Bal art. 11. 54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5. 1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen , het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort , of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8. 74 lid j , lid k en lid l).
Vogelrichtlijn (Bal art. 11. 37) Het verbod , bedoeld in artikel 5.1 , tweede lid , aanhef en onder g , van de wet , om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten , geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten , rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a , of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet , als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9 , eerste en tweede lid , en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3 , eerste lid en tweede lid , onder b , c en d , en 4 , eerste lid , eerste zin , en tweede lid , van de vogelrichtlijn of artikel 6 , eerste lid , van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6 , tweede lid , van de habitatrichtlijn.
3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels , bedoeld in het eerste lid , onder d , geldt niet , als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. 1.
Habitatrichtlijn (Bal art. 11. 46) Het verbod , bedoeld in artikel 5.1 , tweede lid , aanhef en onder g , van de wet , om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten , geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten , genoemd in bijlage IV , onder a , bij de habitatrichtlijn , bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen , afsnijden , ontwortelen of vernielen van planten van soorten , genoemd in bijlage IV , onder b , bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern , in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16 , eerste lid , van de habitatrichtlijn; of b.
de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3 , eerste lid en tweede lid , onder b , c en d , en 4 , eerste lid , eerste zin , en tweede lid , van de vogelrichtlijn of artikel 6 , eerste lid , van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6 , tweede lid , van de habitatrichtlijn. 1.
26
3) Onder de soorten , bedoeld in het eerste lid , onder bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
a , worden
niet begrepen de soorten ,
Andere soorten (Bal art. 11. 54) 1. Het verbod , bedoeld in artikel 5.1 , tweede lid , aanhef en onder g , van de wet , om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten , geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren , amfibieën , reptielen , vissen , dagvlinders , libellen en kevers van de soorten , genoemd in bijlage IX , onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen , rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen , afsnijden , ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten , genoemd in bijlage IX , onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis , de huisspitsmuis en de veldmuis , of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen , voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8. 74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.
de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3 , eerste lid en tweede lid , onder b , c en d , en 4 , eerste lid , eerste zin , en tweede lid , van de vogelrichtlijn of artikel 6 , eerste lid , van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6 , tweede lid , van de habitatrichtlijn.
Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen , populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden , vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten , ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht.
27
Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten , dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 4. 1
Vogelsoorten onder categorie 1 : nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 2: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd , tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Vogelsoorten onder categorie 1 Boomvalk Havik Ooievaar Sperwer Buizerd Huismus Ransuil Steenuil Gierzwaluw Kerkuil Roek Wespendief Grote gele kwikstaart Oehoe Slechtvalk Zwarte wouw Vogelsoorten onder categorie 2 Blauwe reiger Groene Specht Nachtzwaluw Velduil Boerenzwaluw Grote bonte specht Oeverzwaluw Wulp Grutto Patrijs Bonte vliegenvanger Zeearend Boomklever Huiszwaluw Raaf Zwarte kraai Boomkruiper IJsvogel Ruigpootuil Zwarte mees Bosuil Kleine bonte specht Spreeuw Zwarte roodstaart Draaihals Kleine vliegenvanger Tapuit Zwarte specht Gekraagde roodstaart Kortsnavelboomkruiper Torenvalk Glanskop Kwartel Tureluur Grauwe vliegenvanger Middelste bonte specht Veldleeuwerik
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11. 54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8. 74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1. 3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden , verwonden , verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4. 2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis Bastaardkikker Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel
Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
28
Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11. 6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden.
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee , tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten , oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten , oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan.
Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt , en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft.
Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
29
Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen , boomvormers , struiken , hakhout of griend , met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer , of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen , met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout , zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld , dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11. 116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11. 112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11. 111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap , bedoeld in artikel 5. 165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit , noten of vruchten worden geteeld; d.
houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e. naaldbomen , kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen , als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren , wilgen , essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa , als zij: 1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10. 000 stoven per ha per beplantingseenheid , die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
3) j.
zijn aangelegd na 1 januari 2013; en houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a , of bestaan uit rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat , gerekend over het totaal aantal rijen.
een
30
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie. nl 31