Brief aan de fracties m.b.t. beantwoording door het College van een vraag van het CDA inzake instraten
Tekst van het document
Doesburg, 5-9-2024
Aan de fracties van de gemeenteraad van Doesburg Via dhr. W. Robbertsen (fractie CDA) kreeg ik onlangs de ‘Antwoorden op de vragen van het CDA m.b.t. uitvoering parkeren binnenstad’ toegezonden. Met betrekking tot de beantwoording van vraag 1 is enige correctie en verduidelijking noodzakelijk. Het betreft onderstaande vraag en het bijbehorende antwoord: 1. Is over de markering van de parkeervakken advies gevraagd aan de commissie Omgevingskwaliteit en Cultuurhistorie? Zo ja, hoe luidde het advies? Zo nee, wilt u dit motiveren tegen het licht van het beschermde stadsgezicht en bijbehorende omgevingskwaliteit? Wij hebben gesproken met Dhr. Paul Le Blanc, de voorzitter van beide commissies, over de inpassing van de parkeervakken en de kaders van het project. Hij snapt onze overwegingen. We gebruiken per straat een passende methode die binnen het budget past en ruimte biedt voor aanpassingen wanneer uit de evaluatie blijkt dat dit nodig is. Daarnaast willen we zoveel mogelijk werk met werk maken. Toelichting en commentaar: Zoals u bekend zal zijn kent onze gemeente een ‘Adviescommissie Omgevingskwaliteit en Cultuurhistorie’. De commissie is onderverdeeld in twee Kamers, namelijk de Kamer Omgevingskwaliteit en de Kamer Cultuurhistorie. Ikzelf ben, in tegenstelling tot wat wordt gesteld, alleen voorzitter van de Kamer Cultuurhistorie. De vraag van dhr.
Robbertson kan maar op één manier worden beantwoord en deze beantwoording zou m.i. als volgt moeten luiden: ‘neen, er is geen advies gevraagd aan de Kamer Cultuurhistorie, noch aan de Kamer Omgevingskwaliteit.’ Dat mijn naam wordt genoemd in de beantwoording berust op een onjuiste analyse van de gang van zaken. In mijn hoedanigheid van voorzitter van de Monumentenvereniging heb ik in juli 2024 een aantal keren per mail aan dhr. ……, beleidsmedewerker Leefomgeving, gevraagd hoe de besluitvorming om in een aantal straten de parkeervakken te markeren met de metalen ‘punaises’ tot stand is gekomen. Dit omdat het bestuur van de Monumentenvereniging door meerdere leden was aangesproken vanwege onvrede over de ‘aantasting van het ‘historische straatbeeld van Doesburg’. Het bestuur van de Monumentenvereniging vond het belangrijk om eerst duidelijkheid te krijgen over de besluitvorming en de onderliggende overwegingen van de Gemeente alvorens een definitief standpunt in te nemen. Op 31-7-204 deelde dhr. …. mij mee dat hij binnenkort een schriftelijke reactie van de verantwoordelijk projectleider zou ontvangen. Die schriftelijke reactie is niet gekomen. Wel belde die middag dhr. ….., de projectleider, bij mij thuis aan om persoonlijk uitleg te komen geven over de gemaakte keuzes t.a.v. het ‘instraten’.
Tijdens dit gesprek, dat overigens in een zeer prettige sfeer verliep, heeft hij uitgelegd dat de keuze om ‘in te straten’ met de ‘punaises’ alles te maken had met het beschikbare budget voor het
project. Met dat beperkte budget was immers niet alles mogelijk. Dat een beperkt budget leidt tot het maken van keuzes kan ik begrijpen. Ik heb dit alles voor kennisgeving aangenomen en ben verder niet inhoudelijk in discussie gegaan over de vraag of de toegepaste markering zou passen in het historisch straatbeeld. Ik meende namelijk dat die discussie op een ander niveau zou moeten plaatsvinden. Ik heb op geen enkel moment het idee gehad dat dit gesprek met mij werd gevoerd in mijn hoedanigheid van voorzitter van de Kamer Cultuurhistorie, hooguit als voorzitter van de Monumentenvereniging. Indien dhr. ….. dit wel zo heeft geïnterpreteerd betreur ik dat. Maar indien dat wel het geval was geweest zou ik niet anders hebben kunnen of mogen doen dan de gegeven informatie voor kennisgeving aan te nemen aangezien in de Kamer Cultuurhistorie dit punt niet eerder ter sprake was gekomen en ik derhalve ook geen oordeel namens die Kamer zou kunnen geven. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Paul le Blanc