CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 - Rapport Wind op en rond Veluwe

Commissie VROM 10 maart 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Voortgang energietransitie (Informatienota)25.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Indien naast een stilstandvoorziening voor de Wespendief ook stilstand voor vleermuizen noodzakelijk is (zie hoofdstuk 6.6), betekent dit dat in de periode waarbij beide stilstandvoorzieningen van toepassing zijn, de turbines 24 uur per dag stilstaan.

Tabel 6.1 Effectiviteit van een stilstandvoorziening (overdag) in de maand augustus. Stilstand

Percentage

Mortaliteit

Mortaliteit

Reductie (%)

Reductie (%)

operationeel

augustus

hele seizoen

augustus

hele seizoen

0 dagen

78%

0,08

0,15

n.v.t.

n.v.t.

5 dagen

65%

0,07

0,14

17%

8%

10 dagen

53%

0,05

0,12

35%

18%

15 dagen

40%

0,04

0,11

50%

24%

20 dagen

28%

0,03

0,10

65%

33%

25 dagen

15%

0,01

0,08

83%

44%

30 dagen

3%

0,00

0,07

99%

51%

e

Uit tabel 6.1 (5 kolom) blijkt dat de mortaliteitsreductie in augustus ongeveer lineair verloopt met het aantal dagen stilstand. Dat is ook te verwachten, aangezien in het aanvaringsmodel wordt uitgegaan van een uniforme verdeling van activiteit en aanvaringsrisico’s binnen een bepaalde maand. De kleine afwijkingen kunnen komen door afrondingsverschillen of door toevalsvariatie in de berekeningen (het is een stochastisch model). In het model verloopt de mortaliteit ook lineair met het aantal turbines. Dit alles betekent dat ook voor andere scenario’s ten aanzien van het aantal turbines en de afstand tot de Veluwerand, de potentiële reductie in mortaliteit op basis van een simpele extrapolatie kan worden berekend. Deze analyse is weergegeven in figuur 6.1. Zoals gezegd is dit een theoretisch patroon op basis van een rekenmodel, en kunnen de patronen in werkelijkheid anders verlopen door variatie in ruimtegebruik en vliegbewegingen binnen de maand augustus.

52

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 6.1 Effectiviteit van een stilstandvoorziening indien turbines buiten de Veluwe worden geplaatst. Iedere deelgrafiek geeft de mortaliteit per jaar weer onder een bepaald stilstandscenario, waarbij het aantal dagen stilstand is weergegeven in de grijze balken bovenaan. De rode stippellijnen geven de 1%-normen (0,26 en 0,39) weer.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

53

Uit figuur 6.1 komen de volgende patronen naar voren (gebaseerd op een ontwijkingskans van 95% en een ‘strenge’ 1%-norm van 0,26):  

De plaatsing van 10 turbines is mogelijk binnen 1–8 km van de Veluwerand, ook zonder stilstandvoorziening. De plaatsing van 25 turbines is afhankelijk van de afstand en de mate waarin de turbines worden stilgezet. Zonder stilstand zijn 25 turbines mogelijk op een afstand van minimaal ca. 5 km van de Veluwerand; bij 10 dagen stilstand wordt dit gereduceerd tot ca. 4 km, bij 20 dagen stilstand tot ca. 3 km en bij 30 dagen stilstand tot ca. 1 km. Zonder stilstandvoorziening kan de plaatsing van 50 of meer turbines niet plaatsvinden binnen een afstand van 8 km van de Veluwerand. Indien de turbines 20 dagen worden stilgezet, is plaatsing op ca. 7 km mogelijk, en bij 30 dagen stilstand op ca. 5 km. De plaatsing van 75 turbines of meer is bij een ontwijkingspercentage van 95% en een 1%-norm van 0,26 überhaupt niet mogelijk op afstanden kleiner dan 8 km van de Veluwerand, ook niet bij het treffen van een stilstandvoorziening in de maand augustus.

Bovenstaande bevindingen zijn samengevat in tabel 6.2. Logischerwijs vallen deze aantallen en afstanden anders uit indien wordt uitgegaan van een hogere ontwijkingskans. Het is belangrijk op te merken dat deze data uitsluitend van toepassing zijn bij turbines buiten de Veluwe. Een stilstandvoorziening bij turbines op de Veluwe is minder effectief, omdat de spreiding van het aantal slachtoffers over het seizoen veel groter is dan bij turbines buiten de Veluwe (vergelijk figuren 4.5 en 4.8). Met andere woorden, bij turbines op de Veluwe zou een groter aantal dagen stilstand nodig zijn om dezelfde reductie te halen als bij turbines buiten de Veluwe.

Tabel 6.2 Minimum afstanden ten opzichte van de Veluwerand waarbij turbines kunnen worden geplaatst onder een bepaalde stilstandvoorziening. Deze getallen zijn indicatief en uitsluitend van toepassing bij turbines buiten de Veluwe, binnen de 1–8 km zone en bij stilstand in de maand augustus. De afstanden zijn naar boven afgerond en gebaseerd op een ontwijkingskans van 95% en een 1%-norm van 0,26 slachtoffers per jaar. Als minimum afstand is 1 km gehanteerd (zie paragraaf 4.3). Stilstand

10 turbines

25 turbines

50 turbines

75 turbines

100 turbines

0 dagen

1 km

5 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

Niet mogelijk

5 dagen

1 km

5 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

Niet mogelijk

10 dagen

1 km

4 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

Niet mogelijk

15 dagen

1 km

4 km

8 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

20 dagen

1 km

3 km

7 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

25 dagen

1 km

2 km

6 km

Niet mogelijk

Niet mogelijk

30 dagen

1 km

1 km

5 km

8 km

Niet mogelijk

6.5

Turbinetype

De keuze voor een bepaald turbinetype kan consequenties hebben voor de aanvaringsrisico’s. De grootte van de turbine is van invloed op de aanvaringskans. De belangrijkste factoren hierbij zijn de ashoogte, de afmetingen van de rotorbladen en daarmee samenhangend, de draaisnelheid. Uit de analyses in hoofdstuk 4 blijkt dat grotere turbines tot marginaal meer slachtoffers leiden dan kleinere turbines. Soortgelijke conclusies komen naar voren uit andere

54

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

studies (Klop et al. 2014, Thaxter et al. 2017). Indien niet het aantal turbines maar het aantal MW als uitgangspunt wordt genomen, zijn bij grote turbines minder turbines nodig om hetzelfde gezamenlijke vermogen te halen. Bovendien neemt bij een grotere turbine de opbrengst in MW verhoudingsgewijs sneller toe dan het aantal slachtoffers. Grote turbines hebben dus een gunstiger mortaliteit per MW dan kleine turbines. Een kanttekening hierbij is dat de rotorhoogte van een turbine een sterke invloed heeft op de aanvaringsrisico’s bij zowel vogels als vleermuizen. Sommige soorten vogels en vleermuizen vliegen voornamelijk op lage hoogte, binnen enkele tientallen meters van de grond, en een relatief kleine turbine met een lage tiplaagte kan daardoor een onevenredig groot effect hebben op laagvliegende soorten zoals de Gewone dwergvleermuis. 6.6

Vleermuizen

De vliegactiviteit van vleermuizen is het hoogst tijdens kalme en warme zomernachten, met weinig wind en temperaturen hoger dan ongeveer 12 °C. Vrijwel alle vliegactiviteit vindt plaats bij windsnelheden lager dan 5-6 m/s (Ahlén et al. 2007, Gray et al. 2012, Limpens et al. 2013, Cryan et al. 2014). Het effect van windsnelheid op vliegactiviteit is echter soortspecifiek: Ruige dwergvleermuis lijkt wat toleranter te zijn voor hogere windsnelheden dan Gewone dwergvleermuis (Limpens et al. 2013). De relatie tussen windsnelheid en vliegactiviteit biedt mogelijkheden voor mitigatie. De meeste moderne turbines hebben een ‘cut-in speed’ (windsnelheid waarbij de turbine gaat draaien) van circa 3-4 m/s; indien de cut-in speed wordt verhoogd naar 5–6 m/s betekent dit dat er vrijwel geen vleermuizen meer vliegen als de turbine operationeel wordt. Een hogere cut-in speed betekent dus minder risico op aanvaringen en een substantieel lagere mortaliteit. In de VS is de effectiviteit van een verhoging van de startsnelheid uitvoerig onderzocht en blijkt een reductie van de mortaliteit tot >90% haalbaar (Baerwald et al. 2009, Arnett et al. 2010, 2011). Tegelijkertijd is het rendementsverlies van de turbines gering vanwege het lage rendement bij lage windsnelheden.

Bovendien hoeft het alleen te worden toegepast in de zomerperiode (meiokt), tussen zonsondergang en zonsopkomst en bij temperaturen hoger dan 12 °C. Het verhogen van de cut-in speed is dus een zeer effectieve vorm van mitigatie. De mogelijkheden en noodzaak van een dergelijke stilstandvoorziening dient aan de hand van aanvullend veldonderzoek en een meer gedetailleerde effectbeoordeling nader te worden onderzocht.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

7

Synthese

7.1

Inleiding

55

Het Natura 2000-gebied Veluwe valt binnen vier van de zes Gelderse RES-regio's. In het kader van de energietransitie in Nederland wordt binnen deze regio’s gezocht naar mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van duurzame energie, waaronder windenergie. Uit een groot aantal studies is echter bekend dat windturbines kunnen leiden tot negatieve effecten op (beschermde) natuurwaarden, met als prominent effect het veroorzaken van aanvaringsslachtoffers bij vogels en vleermuizen. Uit een eerdere analyse kwam naar voren dat de voor het Natura 2000-gebied Veluwe aangewezen Wespendief de meest beperkende soort is voor het plaatsen van windturbines. De Wespendief is een roofvogel die in Nederland uitsluitend in de zomerperiode aanwezig is. De totale Nederlandse populatie telt naar schatting enkele honderden broedparen. De soort is gebonden aan grote bosgebieden, en de grootste populatie van het land is te vinden op de Veluwe. Dit gebied maakt deel uit van het Europese Natura 2000-netwerk, en is daarmee strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming. De Wespendief is voor dit Natura 2000-gebied aangewezen als kwalificerende broedvogelsoort, met een instandhoudingsdoel van 100 broedparen. Dat doel wordt momenteel niet gehaald: naar schatting zijn op dit moment ongeveer 94 broedparen in het gebied aanwezig.

Vanwege de gevoeligheid van de Wespendief (en andere roofvogels) voor aanvaringen met windturbines, is in dit onderzoek een analyse uitgevoerd om de potentiële mortaliteit onder Wespendieven te berekenen bij verschillende scenario’s ten aanzien van het plaatsen van windturbines op en nabij de Veluwe. Specifiek is hierbij uitgegaan van de volgende scenario’s:  

Aantal turbines: de analyses zijn gedaan voor scenario’s waarin 10, 25, 50, 75 en 100 turbines worden geplaatst. Turbines op de Veluwe of daarbuiten. Ten eerste is berekend wat de effecten zijn indien turbines op de Veluwe, dus binnen het Natura 2000-gebied, zouden worden geplaatst. Ten tweede zijn de effecten berekend van turbines die buiten het gebied worden geplaatst, in stappen van 1 km tot een afstand van 8 km van de rand van de Veluwe. Deze maximale afstand is gebaseerd op de patronen in vliegbewegingen buiten de Veluwe. Turbinetype: in de berekeningen wordt uitgegaan van twee turbineklassen, namelijk een middelgrote turbine met een ashoogte van 100 m en een rotordiameter van 120 m, en een grote turbine met een ashoogte van 160 m en een rotordiameter van 160 m. Ontwijkingskans: de mate waarin een vogel erin slaagt om succesvol een turbine te ontwijken is een belangrijke factor in de berekening van de aanvaringskansen. In de analyses van het aantal aanvaringen is met vier verschillende percentages voor de ontwijkingskans gerekend, namelijk 95%, 98%, 99% en 99,5%.

De analyses van de aanvaringsrisico’s zijn gedaan met behulp van een rekenmodel, dat in binnen- en buitenland veel wordt gebruikt om turbineslachtoffers onder vogels te kwantificeren. Een centraal onderdeel van deze analyses is het kwantificeren van de vliegactiviteit van Wespendieven op en rond de Veluwe. Dit is gedaan op basis van een langjarige studie (Van Manen et al. 2020) waarbij Wespendieven zijn uitgerust met GPS-zenders. Hierbij zijn in totaal ruim 300.000 GPS-punten verzameld van 14 verschillende Wespendieven.

56

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

7.2

Aanvaringsrisico’s Wespendief

Zoals gezegd is in de analyses onderscheid gemaakt tussen het scenario waarbij turbines op de Veluwe worden geplaatst, en waarbij deze buiten het Natura 2000-gebied worden geplaatst. Dit onderscheid is van groot belang voor de aanvaringsrisico’s onder Wespendieven. Er is namelijk sprake van aanzienlijk meer vliegbewegingen binnen de Veluwe, vooral in het voorjaar en vooral bij de mannelijke vogels. In de nazomer (juli–augustus) verandert het beeld enigszins, omdat dan de vrouwelijke vogels meer en langere voedselvluchten ondernemen en daarbij relatief vaak buiten het gebied komen. In de analyses blijkt de ontwijkingskans, i.e. de kans dat een vogel succesvol de turbines weet te ontwijken en daardoor een aanvaring voorkomt, een zeer grote invloed heeft op de potentiële mortaliteit onder Wespendieven. De ordegrootte van deze ontwijkingskans ligt bij de meeste roofvogels tussen 95–99,5%. Het is niet bekend waar precies binnen deze bandbreedte de ontwijkingskans van de Wespendief ligt. Turbines op de Veluwe De modelberekeningen laten zien dat de mortaliteit snel oploopt met het aantal turbines dat wordt geplaatst. Indien als worst-case benadering wordt uitgegaan van een ontwijkingspercentage van 95%, varieert de mortaliteit van 1,7 (bij 10 middelgrote turbines) tot 17 (bij 100 middelgrote turbines) Wespendieven per jaar.

Bij hogere percentages voor de ontwijkingskans daalt de mortaliteit aanzienlijk. Ruim twee derde van het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers bij turbines op de Veluwe bestaat uit mannelijke Wespendieven. Hoewel een piek in mortaliteit zichtbaar is in augustus, zijn de aanvaringsrisico’s relatief uniform verdeeld over het zomerseizoen. Turbines buiten de Veluwe De patronen in mortaliteit indien turbines buiten de Veluwe worden geplaatst zijn wezenlijk anders dan bij turbines op de Veluwe. Ten eerste is sprake van een sterk afstandseffect: hoe verder de turbines van de Veluwerand zijn gesitueerd, hoe kleiner de kans dat een Wespendief überhaupt in de buurt van de turbines komt, en dus hoe lager het aantal slachtoffers. In grote lijnen is op ongeveer 4–5 km afstand de mortaliteit gehalveerd ten opzichte van turbines vlakbij de Veluwerand. Hierbij moet worden opgemerkt dat in het geval van turbines direct aan de rand van de Veluwe, de mortaliteit door het model mogelijk wordt onderschat. Aangezien het merendeel van de Wespendieven binnen afstanden van 8–10 km van de Veluwerand foerageert, is de mortaliteit bij turbines die verder weg worden geplaatst waarschijnlijk nihil (bijzondere situaties daargelaten). Een tweede verschil met turbines binnen de Veluwe, is dat bij turbines buiten het gebied vooral vrouwelijke Wespendieven slachtoffer worden.

Dit komt doordat de vrouwelijke vogels, vooral in de nazomer, meer buiten het gebied komen dan de mannen, en dan ook nog eens aanzienlijk verder vliegen. Dit leidt ook, in tegenstelling tot de situatie waarbij turbines op de Veluwe worden geplaatst, tot een duidelijke piek in mortaliteit in de maanden juli en augustus. In beide scenario’s geldt dat grote turbines (rotordiameter 160 m) tot marginaal (ca. 7–8%) meer slachtoffers leiden dan kleinere turbines (rotordiameter 120 m), ondanks een aanzienlijk verschil in rotoroppervlak. Aangezien bij een grotere turbine de opbrengst in MW verhoudingsgewijs sneller toeneemt dan het aantal slachtoffers, hebben grote turbines dus een gunstiger mortaliteit per MW dan kleine turbines. Dit uitgangspunt biedt mogelijkheden voor mitigatie.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

7.3

57

Juridische consequenties

Conform de Wet Natuurbescherming mag het instandhoudingsdoel voor de Wespendief op de Veluwe niet worden aangetast. Het doel zoals geformuleerd in het Natura 2000 aanwijzingsbesluit gaat uit van een populatie van ten minste 100 broedparen; dat wordt op dit moment niet gehaald. De effecten van sterfte door aanvaringen met windturbines worden in Nederland vaak getoetst door middel van de zogenaamde 1%-mortaliteitsnorm. Deze norm is niet zonder discussie, en het is aan het bevoegd gezag (de provincie Gelderland) om een oordeel te vellen over welke norm ten aanzien van de Veluwse populatie Wespendieven kan worden gehanteerd. Als wordt uitgegaan van een 1%-mortaliteitsnorm van 0,26 slachtoffers per jaar, leiden turbines op de Veluwe in vrijwel alle scenario’s tot een overschrijding van de 1%-norm. Alleen indien wordt uitgegaan van een zeer hoog ontwijkingspercentage en zeer lage aantallen turbines, blijft de gemodelleerde mortaliteit onder de juridische drempelwaarde. Aangezien er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat een dergelijk hoge ontwijkingskans de meest realistische is voor de Wespendief, moet worden geconcludeerd dat plaatsing van turbines op de Veluwe juridisch niet haalbaar is.

Daarbij komt dat plaatsing van turbines op de Veluwe een onevenredig groot effect heeft op het invullen van de ‘toegestane mortaliteit’ (de juridische ruimte onder de 1%norm), waardoor de ontwikkelruimte buiten het Natura 2000-gebied de facto op slot wordt gezet. Dit kan een groot nadelig effect hebben op andere initiatieven in de zone tot 8 km van de Veluwe. Turbines buiten de Veluwe zijn onder voorwaarden mogelijk. De meest relevante criteria daarbij zijn het aantal beoogde turbines en de afstand van de Veluwerand waarop deze worden geplaatst. Als voorzichtigheidshalve wordt uitgegaan van een worst-case ontwijkingskans van 95%, kunnen 10 turbines op alle afstanden tussen 1–8 km van de Veluwerand worden geplaatst. Bij 25 turbines is dit pas mogelijk op een afstand van minimaal 5 km. Grote aantallen turbines, zoals 75 of 100, zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe. De effecten van turbines op de Wespendief (en andere soorten) zijn in ruimtelijke context relevant voor in elk geval de Gelderse RES-regio’s Arnhem-Nijmegen, Cleantech, Food Valley en Noord-Veluwe, maar ook voor omliggende RES-regio’s die voor een deel binnen 8 km van de Veluwe liggen (Achterhoek, Rivierenland, Flevoland, West-Overijssel).

Daarbij is van belang dat de effecten in de afzonderlijke regio’s in cumulatie doorwerken op hetzelfde Natura 2000gebied. Tegen deze achtergrond is het van belang dat er in het RES proces niet alleen wordt gekeken vanuit een bottom-up proces. Er is een RES regio overstijgende regie nodig. Hierin kan de provincie een sleutelrol vervullen.

7.4

Mitigatie

Om het aantal aanvaringsslachtoffers te beperken zijn diverse mitigerende maatregelen mogelijk. In grote lijnen komen de opties voor mitigatie neer op de volgende maatregelen: 1. Verhogen zichtbaarheid van de turbines; 2. Toepassing slim cameradetectiesysteem gekoppeld aan stilstandvoorziening;

58

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

3. Periodieke stilstandvoorziening in de meest kritische perioden; 4. Keuze turbinetype met gunstiger verhouding tussen energieopbrengst en aantal aanvaringsslachtoffers. Met name de eerste twee opties bevinden zich nog enigszins in een experimenteel stadium en de effectiviteit ten aanzien van de Wespendief is op dit moment onvoldoende duidelijk. De meest zekere vorm van mitigatie is het tijdelijk stilzetten van de turbines in de meest risicovolle perioden. Het nadeel van een stilstandvoorziening is logischerwijs het verlies aan energieopbrengst. Uit de analyses blijkt dat, indien turbines buiten de Veluwe worden geplaatst, de maanden juli en vooral augustus veruit de hoogste risico’s op aanvaring kennen. Een stilstandvoorziening is dan ook vooral in deze maanden effectief. Indien de turbines in de maand augustus overdag worden stilgezet, kan dit leiden tot een aanzienlijke reductie in het aantal slachtoffers. Kort gezegd resulteert een stilstand van 15 dagen in een reductie met ongeveer een kwart van het totaal aantal slachtoffers onder Wespendieven. Indien de turbines de volledige maand augustus stil zouden komen te staan is de reductie ruim de helft. Deze bevindingen zijn uitsluitend van toepassing bij turbines buiten de Veluwe. Een stilstandvoorziening bij turbines op de Veluwe is minder effectief, omdat de piek in mortaliteit in augustus minder uitgesproken is.

7.5

Overige natuurwaarden

Hoewel de focus van deze studie op de Wespendief ligt, zijn verschillende andere beschermde soorten en gebieden relevant ten aanzien van de mogelijke ecologische effecten van windturbines op of nabij de Veluwe. Vanuit de Wet Natuurbescherming zijn twee componenten van belang, namelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming. Het Natura 2000-gebied Veluwe is, naast de Wespendief, aangewezen voor diverse andere soorten broedvogels. De risico’s zijn het hoogst voor de Nachtzwaluw en Boomleeuwerik, maar dit is afhankelijk van de locatie en het terreintype waarin de turbines staan. De eveneens kwalificerende Meervleermuis is minder relevant vanwege de lage vlieghoogte van deze soort. In de omgeving van de Veluwe liggen diverse andere Natura 2000-gebieden die van belang kunnen zijn ten aanzien van de ecologische effecten van de plaatsing van windturbines. Binnen een straal van 10 km zijn vijf andere Natura 2000-gebieden gelegen (figuur 5.1), waarvan met name de gebieden Veluwerandmeren, Rijntakken en Arkemheen relevant zijn vanwege aanvaringsrisico’s op watervogels die van deze gebieden gebruik maken. Naast deze Natura 2000-gebieden zijn ook het Gelders Natuurnetwerk, groene ontwikkelingszones, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden relevant ten aanzien van de ecologische effecten van windturbines. Bij concrete plannen buiten de Veluwe moet hier ook rekening mee worden gehouden.

Naast vogels worden ook vleermuizen regelmatig als aanvaringsslachtoffer onder windturbines gevonden, waardoor ook mortaliteit onder vleermuizen moet worden meegewogen in een effectbeoordeling. In de omgeving van de Veluwe zijn de risico’s op aanvaring het hoogst voor Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Bosvleermuis. Dit zijn hoogvliegende soorten waardoor zij regelmatig op rotorhoogte kunnen vliegen. De mortaliteit onder vleermuizen kan sterk worden gereduceerd door toepassing van een op maat gesneden stilstandvoorziening waarbij rekening wordt gehouden met windsnelheid, temperatuur en seizoen.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

59

Samenvattend, uit de analyse van de overige soorten blijkt dat de Wespendief op de Veluwe allesbepalend is. Buiten de Veluwe moeten nadrukkelijk ook de gebiedsdoelen uit andere gebieden meegenomen worden. Daarnaast zijn effecten op vleermuizen van belang.

7.6

Ruimtelijke regievoering

In de omgeving van de Veluwe worden door vier RES-regio’s de mogelijkheden voor windenergie geïnventariseerd, met als doel de landelijke opgelegde doelstellingen voor windenergie te halen. Deze studie maakt duidelijk dat de vergunningruimte beperkt is en dat de ligging (afstand tot de Veluwe) van de turbines een dominante factor is. Effecten van individuele initiatieven werken in cumulatie door op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Met andere woorden, door ruimtelijke afstemming kan het potentieel aan windenergie rondom de Veluwe worden verhoogd. Dit is een argument voor een gedegen RES-overstijgende ruimtelijke strategie. Het kernpunt daarbij is dat meer windenergie gerealiseerd kan worden als er maar voldoende afstand tot de Veluwerand wordt gehouden. Een enkele turbine dichtbij de Veluwe kan een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare vergunningruimte ten opzichte van meerdere verder weg gelegen turbines, en daardoor negatieve gevolgen hebben voor het potentiële totaal opgestelde vermogen dat bereikt kan worden.

7.7

Vervolgstappen

Ruimtelijke verfijning rondom de Veluwe In het aanvaringsmodel is geen ruimtelijke component aanwezig. Een belangrijke consequentie daarvan is dat in het model wordt uitgegaan van een uniforme kwaliteit of geschiktheid van alle terreintypen en alle locaties rondom de Veluwe. In de werkelijkheid is zeer waarschijnlijk wel degelijk sprake van variatie in habitatkwaliteit voor de Wespendief. Doordat ruimtelijke informatie niet in het huidige model is toe te passen, ontstaat een homogene afstandsverdeling in mortaliteit voor het gebied buiten de Veluwe. Dit kan leiden tot onderschatting of overschatting van de mortaliteit bij turbines op een bepaalde locatie. Bij concrete plannen voor de realisatie van windenergie kunnen aanvullende veldwaarnemingen in de nazomer (juli, augustus) meer informatie geven over de mate waarin Wespendieven daadwerkelijk van deze locatie gebruik maken. Dit kan zo tot een ruimtelijke verfijning van de resultaten van het model leiden. Deze verfijning is van belang bij een verdere uitwerking van de mogelijkheden voor windenergie rondom de Veluwe. In het geval dat op een bepaalde locatie (vrijwel) geen vliegbewegingen van Wespendief plaatsvinden, kan dit in theorie tot meer ruimte voor de ontwikkeling van windenergie leiden, zeker in combinatie met een stilstandvoorziening.

Gezien de beperkte juridische ruimte ten aanzien van mortaliteit bij de Wespendief, is een voorzichtige benadering hierbij essentieel. Een locatiespecifiek onderzoek kan de mogelijkheden beter in beeld brengen. Alternatieve vormen van mitigatie Naast een generieke stilstandvoorziening in de nazomer, biedt een meer gerichte vorm van stilstand wellicht mogelijkheden. Een voorbeeld is het toepassen van een slim cameradetectiesysteem dat langsvliegende Wespendieven (of roofvogels in het algemeen) kan herkennen en op die momenten de turbines tijdelijk stil kan zetten. Een voorbeeld is het

60

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

detectiesysteem DT-Bird dat onder andere in Windpark Krammer wordt toegepast om aanvaringen met Zeearenden te voorkomen. Het is onduidelijk in hoeverre een dergelijk systeem effectief zal zijn in het geval van Wespendieven rondom de Veluwe. Ook is niet exact bekend tot welke mate van stilstand een slim detectiesysteem zou leiden, maar waarschijnlijk ligt dit aanzienlijk lager dan bij een generiek stilstandmodel. Beide aspecten kunnen worden onderzocht door het systeem te testen op één of meerdere locaties nabij de Veluwe.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

8

61

Literatuur

Ahlén, I., L. Bach, H.J. Baagøe & J. Petterson (2007). Bats and offshore wind turbine studied in southern Scandinavia. Report 5571, Swedish Environmental Protection Agency. Alerstam, T., M. Rosén, J. Bäckman, P.G.P. Ericson & O. Hellgren 2007. Flight speeds among bird species: allometric and phylogenetic effects. PLOS Biology 5(8):e197. https://doi.org/10.1371/journal.pbio.0050197 Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof 2019. A28 als energieroute: ecologische en landschappelijke verkenning. Rapport voor de provincie Gelderland, juli 2019. Arnett, E.B., M.M.P. Huso, J.P. Hayes & M. Schirmacher 2010. Effectiveness of changing wind turbine cut-in speed to reduce bat fatalities at wind facilities. A final report submitted to the Bats and Wind Energy Cooperative. Bat Conservation International. Austin, Texas, USA. Arnett, E.B., M.M. Huso, M.R. Schirmacher, & J.P. Hayes 2011. Altering turbine speed reduces bat mortality at wind-energy facilities. Frontiers in Ecology and the Environment 9: 209– 214. Baerwald, E.F., J. Edworthy, M. Holder & R.M.R. Barclay 2009. A large-scale mitigation experiment to reduce bat fatalities at windenergy facilities. Journal of Wildlife Management 73: 1077-1081. Bakema, G. & B. Scholtens 2015. Alles over windenergie: de feiten op een rij. Geen blad voor de mond, Enschede. Band, B. 2012.

Using a collision risk model to assess bird collision risks for offshore windfarms. British Trust for Ornithology – SOSS Report for the Crown Estate. Bijlsma R.G., M. Vermeulen, L. Hemerik & C. Klok 2012. Demography of European Honey Buzzards Pernis apivorus. Ardea 100: 163-177. Bouten, W., J. Kleyheeg-Hartman, E. Klop, A. Potiek, S. Stinneman & E. van Loon 2020. Haalbaarheidsstudie naar een voorspellend trekvogelmodel en een stilstandvoorziening om vogelsterfte te beperken in Windpark Eemshaven. Rapport van de Universiteit van Amsterdam, Bureau Waardenburg en Altenburg & Wymenga voor de provincie Groningen. Bruderer, B. & Boldt, A. 2001. Flight characteristics of birds: radar measurements of speeds. Ibis 143: 178–204 Buij, R., Jongbloed, R., Geelhoed, S., van der Jeugd, H., Klop, E., Lagerveld, S., Limpens, H., Meeuwsen, H., Ottburg, F., Schippers, P., Tamis, J., Verboom, J., van der Wal, J-T., Wegman, R., Winter, E. & Schotman A. 2018. Kwetsbare soorten voor energieinfrastructuur in Nederland: overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie. WER-rapport No. 2883. Wageningen Environmental Research, Wageningen. Cook, A.S.C.P., E.M. Humphreys, E.A. Masden, W. Band & N.H.K. Burton 2014.

The avoidance rates of collision between birds and offshore turbines. Scottish Marine and Freshwater Science 5: 16. Report for the Scottish Government, DOI: 10.7489/1553-1. Cryan, P.M., P.M. Gorresen, C.D. Hein, M.R. Schirmacher, R.H. Diehl, M.M. Huso, D.T.S. Hayman, P.D. Fricker, F.J. Bonaccorso, D.H. Johnson, K. Heist & D.C. Dalton 2014. Behaviour of bats at wind turbines. PNAS 111: 15126-15131. Eichhorn, M., K. Johst, R. Seppelt & M. Drechsler 2012. Model-based estimation of collision risks of predatory birds with wind turbines. Ecology and Society 17:1. Ferguson-Lees, J. & D.A. Christie 2001. Raptors of the world. Houghton Mifflin Company, Boston. Geertsema, G.T. & H.W. van den Brink 2014. Windkaart van Nederland op 100 meter hoogte. Technisch rapport TR-351, KNMI, De Bilt.

62

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Gray, M., P. Owens & M. Armitage 2012. Wind speed and bat activity: assessing and mitigating the effects of wind turbines. InPractice 78: 22-25. Grünkorn, T., J. Blew, T. Coppack, O. Krüger, G. Nehls, A. Potiek, M. Reichenbach, J. von Rönn, H. Timmermann & S. Weitekamp 2016. Ermittlung der Kollisionsraten von (Greif)Vögeln und Schaffung planungsbezogener Grundlagen für die Prognose und Bewertung des Kollisionsrisikos durch Windenergieanlagen (PROGRESS). Schlussbericht zum durch das Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi) im Rahmen des 6. Energieforschungsprogrammes der Bundesregierung geförderten Verbundvorhaben PROGRESS, FKZ 0325300A-D. Haarsma, A.J. 2016. Omgaan met effecten van windturbines op vleermuizen. De Levende Natuur 117: 11-15. Hardwood, A.J.P. & Perrow, M.R. 2019. Mitigation for birds with implications for bats. In: Perrow, M.R. (ed.) Wildlife and Wind Farms, Conflicts and Solutions. Vol. 4 Offshore: Monitoring and Mitigation, Chapter: 8. Publisher: Pelagic Publishing, Exeter, UK. Hötker, H. 2017. Birds: displacement. Pp. 119-154 in M. Perrow (ed.) Wildlife and Wind Farms, Conflicts and Solutions, Volume 1 Onshore: Potential Effects. Pelagic Publishing, Exeter, UK. Klop, E., A. Brenninkmeijer & E. van der Heijden 2014. Ecologische beoordeling uitbreiding opgave windenergie provincie Groningen.

A&W-rapport 2020, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Latour, J., N. Fieten, E. van der Veen & M. Krijn 2020. Ecologische verkenning wind- en zonneenergie A50/IJsselvallei. A&W-rapport 3294, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Limpens, H.J.G.A., H. Huitema & J.J.A. Dekker 2007. Vleermuizen en windenergie, Analyse van effecten en verplichtingen in het spanningsveld tussen vleermuizen en windenergie, vanuit de ecologische en wettelijke invalshoek. VZZ rapport 2006.50. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem, in opdracht van SenterNovem. Limpens, H.J.G.A., M. Boonman, F. Korner-Nievergelt, E.A. Jansen, M. van der Valk, M.J.J. La Haye, S. Dirksen & S.J. Vreugdenhil 2013. Wind turbines and bats in the NetherlandsMeasuring and predicting. Report 2013.12, Zoogdiervereniging & Bureau Waardenburg. Madders, M. 2004. Proposed Wind Farms at Ben Aketil Edinbane, a Quantitative Collision Risk Model for Golden Eagle. NRL Report. Isle of Islay, UK: Natural Research Ltd. Masden, E. 2015. Developing an avian collision risk model to incorporate variability and uncertainty. Scottish Marine and Freshwater Science 6: 14. Masden, E.A. & A.S.C.P. Cook 2016. Avian collision risk models for wind energy impact assessments. Environmental Impact Assessment Review 56: 43-49. May, R., T. Nygård, U. Falkdalen, J. Åström, Ø. Hamre & B. Stokke 2020.

Paint it black: Efficacy of increased wind turbine rotor blade visibility to reduce avian fatalities. Ecology and Evolution 10: 8927-8935. Nijssen, M., R. Versluijs, L. van den Breemer & H. Sierdsema 2019. Soortenherstelprogramma beheerplan Natura 2000 Veluwe: ecologisch profiel en analyse knelpunten vogelsoorten. Rapport Stichting Bargerveen & Sovon Vogelonderzoek Nederland. Olauson, J., M. Bergkvist, P. Edström & N.-E. Carlstedt 2018. Wind turbine performance decline in Sweden. Report 2017:436, Vindforsk. Pearce-Higgins, J.W., L. Stephen, R.H.W. Langston, I.P. Bainbridge & R. Bullman 2009. The distribution of breeding birds around upland wind farms. Journal of Applied Ecology 46: 1323-1331. Pot, M.T., E. van der Veen, M. Krijn & E. Klop 2020. Ecologische verkenning voor windenergie in de gemeente Groningen. A&W-rapport 19-320, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

63

Pryor, S.C., T.J. Shepherd & R.J. Barthelmie 2018. Interannual variability of wind climates and wind turbine annual energy production. Wind Energy Science 3: 651-665. Rees, E.C. 2012. Impacts of wind farms on swans and geese: a review. Wildfowl, 62: 37-72. Rodrigues, Bach, L., Dubourg-Savage, M., Karapandza, B., Kovac, D., Kervyn, T., Dekker, J., Kepel, A., Bach, P., Collins, J., Harbusch, C., Park, K., Micevski, B., Minderman, J., 2015. Guidelines for Consideration of Bats in Wind Farm Projects - Revision 2014. EUROBATS Publication Series No. 6. Bonn, Germany. Roemer, C., T. Disca, A. Coulon & Y. Bas 2017. Bat flight height monitored from wind masts predicts mortality risk at windfarms. Biological Conservation 215: 116-122. Ronda, R.J., I.L. Wijnand & A. Stepek 2017. Inter-annual wind speed variability on the North Sea. KNMI Technical report TR-360, KNMI, De Bilt. Rydel, l.J., Bach, L., Dubourg-Savage, M.J., Green, M., Rodrigues, L. & Hedenström, A. 2010. Mortality of bats at wind turbines links to nocturnal insect migration? European Journal of Wildlife Research 56: 823-827. Rydell, J., H. Engström, A. Hedenström, J.K. Larsen, J. Pettersson & M. Green 2012. The effects of wind power on birds and bats: a synthesis. Report 6511, Swedish Environmental Protection Agency, Stockholm. Schaub, T., R.H. Klaassen, W. Bouten, A.E. Schlaich & B.J. Koks 2020.

Collision risk of Montagu's Harriers Circus pygargus with wind turbines derived from high‐resolution GPS tracking. Ibis 162: 520-534. doi:10.1111/ibi.12788 Schippers, P., R. Buij, A. Schotman, J. Verboom, H. van der Jeugd & E. Jongejans 2020. Mortality limits used in wind energy impact assessment underestimate impacts of wind farms on bird populations. Ecology and Evolution DOI: 10.1002/ece3.6360. Schöne, M.B. 2007. Windturbines in het landschap. Alterra, Wageningen. Scottish Natural Heritage 2018. Avoidance Rates for the onshore SNH Wind Farm Collision Risk Model. SNH report. Sierdsema, H., J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer & A. van Kleunen 2008. Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. SOVON onderzoeksrapport 2008/14. SOVON, Beek-Ubbergen. Sierdsema H., P. van Els & J. van Irsel 2019. Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Sovon-rapport 2019/89. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sierdsema H. & C. Kampichler 2020. Populatieschatting Wespendief in Natura 2000 gebied Veluwe. Sovon notitie 2020-017. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sierdsema H., H. ten Holt, S. Martens, M. Nijssen & P. Verburg 2020a. Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Hoofdrapport.

Sovon-rapport 2020/29. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sierdsema H., H. ten Holt, S. Martens, M. Nijssen & P. Verburg 2020b. Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Achtergrondrapport. Sovon-rapport 2020/32. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Smallwood, K.S. & D.A. Bell 2020. Effects of wind turbine curtailment on bird and bat fatalities. Journal of Wildlife Manegement 84: 685-696. Thaxter, C.B., G.M. Buchanan, J. Carr, S.H. M. Butchart, T. Newbold, R.E. Green, J.A. Tobias, W.B. Foden, S. O’Brien & J.W. Pearce-Higgins 2017. Bird and bat species’ global vulnerability to collision mortality at wind farms revealed through a trait-based assessment. Proceedings of the Royal Society B 284, http://dx.doi.org/10.1098/rspb.2017.0829

64

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Urquhart, B. & D.P. Whitfield 2016. Derviation of an avoidance rate for Red kite Milvus milvus suitable for onshore wind farm collision risk modelling. Natural Research Information Note 7. Natural Research Ltd, Banchory. Van Manen, W., S. van Rijn & S. Deuzeman 2020. Monitoring van Wespendieven op de Veluwe in 2017-2019. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Van Manen W., J. van Diermen, S. van Rijn & P. van Geneijgen 2011. Ecologie van de Wespendief Pernis apivorus op de Veluwe in 2008-2010, populatie, broedbiologie, habitatgebruik en voedsel. Natura 2000 rapport, Provincie Gelderland Arnhem NL / stichting Boomtop www.boomtop.org Assen, NL. Vasilakis, D.P., D.P. Whitfield & V. Kati 2017. A balanced solution to the cumulative threat of industrialized wind farm development on cinereous vultures (Aegypius monachus) in south-eastern Europe. PLOS One 12(2): e0172685. doi:10.1371/ journal.pone.0172685. Whitfield, D.P. 2009. Collision avoidance of Golden Eagles at wind farms under the ‘Band’ collision risk model. Report to Scottish Natural Heritage, Natural Research Ltd, Banchory. Whitfield, D.P. & M. Madders 2006a. A review of the impacts of wind farms on hen harriers Circus cyaneus and an estimation of collision avoidance rates. Natural Research Information Note 1 (revised). Natural Research Ltd, Banchory. Whitfield, D.P. & M. Madders 2006b.

Deriving collision avoidance rates for red kites Milvus milvus. Natural Research Information Note 3. Natural Research Ltd, Banchory. Winkelman, J.E., F.H. Kistenkas & M.J. Epe 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Alterra-rapport 1780, Alterra, Wageningen.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

65

66

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Bijlage 1

Mortaliteit bij turbines rondom de Veluwe

Onderstaande tabel geeft de mortaliteit weer zoals berekend met het aanvaringsmodel, in het geval dat middelgrote turbines buiten de Veluwe worden geplaatst. De cijfers zijn voor mannelijke en vrouwelijke Wespendieven tezamen. De kolommen geven de afstand (km) van de Veluwerand, het aantal turbines, het ontwijkingspercentage en de gemiddelde mortaliteit op basis van 1000 simulaties met het model.

Afstand (km)

Turbines

Ontwijking

Mortaliteit

0

10

95

0,2350

1

10

95

0,2006

2

10

95

0,1718

3

10

95

0,1468

4

10

95

0,1274

5

10

95

0,1068

6

10

95

0,0932

7

10

95

0,0790

8

10

95

0,0694

0

25

95

0,5875

1

25

95

0,5015

2

25

95

0,4295

3

25

95

0,3670

4

25

95

0,3185

5

25

95

0,2670

6

25

95

0,2330

7

25

95

0,1975

8

25

95

0,1735

0

50

95

1,1750

1

50

95

1,0030

2

50

95

0,8590

3

50

95

0,7340

4

50

95

0,6370

5

50

95

0,5340

6

50

95

0,4660

7

50

95

0,3950

8

50

95

0,3470

0

75

95

1,7625

1

75

95

1,5045

2

75

95

1,2885

3

75

95

1,1010

4

75

95

0,9555

5

75

95

0,8010

6

75

95

0,6990

7

75

95

0,5925

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

8

75

95

0,5205

0

100

95

2,3500

1

100

95

2,0060

2

100

95

1,7180

3

100

95

1,4680

4

100

95

1,2740

5

100

95

1,0680

6

100

95

0,9320

7

100

95

0,7900

8

100

95

0,6940

0

10

98

0,0952

1

10

98

0,0804

2

10

98

0,0698

3

10

98

0,0582

4

10

98

0,0498

5

10

98

0,0424

6

10

98

0,0372

7

10

98

0,0310

8

10

98

0,0274

0

25

98

0,2380

1

25

98

0,2010

2

25

98

0,1745

3

25

98

0,1455

4

25

98

0,1245

5

25

98

0,1060

6

25

98

0,0930

7

25

98

0,0775

8

25

98

0,0685

0

50

98

0,4760

1

50

98

0,4020

2

50

98

0,3490

3

50

98

0,2910

4

50

98

0,2490

5

50

98

0,2120

6

50

98

0,1860

7

50

98

0,1550

8

50

98

0,1370

0

75

98

0,7140

1

75

98

0,6030

2

75

98

0,5235

3

75

98

0,4365

4

75

98

0,3735

5

75

98

0,3180

6

75

98

0,2790

7

75

98

0,2325

8

75

98

0,2055

67

68

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

0

100

98

0,9520

1

100

98

0,8040

2

100

98

0,6980

3

100

98

0,5820

4

100

98

0,4980

5

100

98

0,4240

6

100

98

0,3720

7

100

98

0,3100

8

100

98

0,2740

0

10

99

0,0470

1

10

99

0,0422

2

10

99

0,0380

3

10

99

0,0320

4

10

99

0,0286

5

10

99

0,0228

6

10

99

0,0194

7

10

99

0,0172

8

10

99

0,0146

0

25

99

0,1175

1

25

99

0,1055

2

25

99

0,0950

3

25

99

0,0800

4

25

99

0,0715

5

25

99

0,0570

6

25

99

0,0485

7

25

99

0,0430

8

25

99

0,0365

0

50

99

0,2350

1

50

99

0,2110

2

50

99

0,1900

3

50

99

0,1600

4

50

99

0,1430

5

50

99

0,1140

6

50

99

0,0970

7

50

99

0,0860

8

50

99

0,0730

0

75

99

0,3525

1

75

99

0,3165

2

75

99

0,2850

3

75

99

0,2400

4

75

99

0,2145

5

75

99

0,1710

6

75

99

0,1455

7

75

99

0,1290

8

75

99

0,1095

0

100

99

0,4700

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

1

100

99

0,4220

2

100

99

0,3800

3

100

99

0,3200

4

100

99

0,2860

5

100

99

0,2280

6

100

99

0,1940

7

100

99

0,1720

8

100

99

0,1460

0

10

99,5

0,0224

1

10

99,5

0,0212

2

10

99,5

0,0190

3

10

99,5

0,0158

4

10

99,5

0,0134

5

10

99,5

0,0118

6

10

99,5

0,0098

7

10

99,5

0,0086

8

10

99,5

0,0070

0

25

99,5

0,0560

1

25

99,5

0,0530

2

25

99,5

0,0475

3

25

99,5

0,0395

4

25

99,5

0,0335

5

25

99,5

0,0295

6

25

99,5

0,0245

7

25

99,5

0,0215

8

25

99,5

0,0175

0

50

99,5

0,1120

1

50

99,5

0,1060

2

50

99,5

0,0950

3

50

99,5

0,0790

4

50

99,5

0,0670

5

50

99,5

0,0590

6

50

99,5

0,0490

7

50

99,5

0,0430

8

50

99,5

0,0350

0

75

99,5

0,1680

1

75

99,5

0,1590

2

75

99,5

0,1425

3

75

99,5

0,1185

4

75

99,5

0,1005

5

75

99,5

0,0885

6

75

99,5

0,0735

7

75

99,5

0,0645

8

75

99,5

0,0525

0

100

99,5

0,2240

1

100

99,5

0,2120

69

70

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

2

100

99,5

0,1900

3

100

99,5

0,1580

4

100

99,5

0,1340

5

100

99,5

0,1180

6

100

99,5

0,0980

7

100

99,5

0,0860

8

100

99,5

0,0700

Adres Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl

www.altwym.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=f3a4adc4-8d1f-4d30-ad72-2fd193365623