CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 - Rapport Wind op en rond Veluwe

Commissie VROM 10 maart 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Voortgang energietransitie (Informatienota)25.965 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

In samenwerking met

Windenergie op en rondom de Veluwe Effecten op Wespendief en andere soorten A&W-rapport 20-140

in opdracht van

Windenergie op en rondom de Veluwe Effecten op Wespendief en andere soorten A&W-rapport 20-140

E. Klop J. Stahl H. Sierdsema P. Alefs J. Latour

Foto Voorplaat Wespendief in vlucht, Foto: Mark Zekhuis - Saxifraga

E. Klop, J. Stahl, H. Sierdsema, P. Alefs, J. Latour 2020 Windenergie op en rondom de Veluwe. Effecten op Wespendief en andere soorten. A&W-rapport 20-140 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden

Opdrachtgever RES Noord-Veluwe Raadhuisplein 1 8096 CP Oldebroek Telefoon 0525 63 82 00 RES regio Foodvalley Postbus 9022 6710 HK Ede

Uitvoerders Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl www.altwym.nl

©

RES regio Arnhem-Nijmegen Postbus 9029 6800 HZ Arnhem Telefoon 06 46 737 374

RES Cleantech regio Postbus 120 7390 AC Twello Telefoon 0571 27 98 80

Provincie Gelderland Postbus 9090 6800 GX Arnhem Telefoon 026 35 99 111

Contactpersoon RES regio’s Dhr. E. Veltink Gemeente Oldebroek Telefoon 0525 63 82 00

Sovon Vogelonderzoek Nederland Toernooiveld 1 6525 ED Nijmegen Telefoon 024 7410 410 info@sovon.nl www.sovon.nl

Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv. Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.

Projectnummer 20-140

Projectleider Erik Klop

Status Eindrapport

Autorisatie Goedgekeurd

Paraaf J. Latour

Datum 23 november 2020

Kwaliteitscontrole J. Latour

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Inhoud Samenvatting 1 Inleiding 2 Ecologie van de Wespendief 2.1 Algemene ecologie 2.2 Wespendieven op de Veluwe 2.3 Vliegbewegingen op de Veluwe 3 Opzet modelstudie 3.1 Inleiding 3.2 Scenarioanalyse 3.3 Aanvaringsmodel 3.4 Inputparameters 4 Aanvaringsslachtoffers Wespendief 4.1 Aanvaringskans in de rotorzone 4.2 Mortaliteit bij turbines op de Veluwe 4.3 Mortaliteit bij turbines buiten de Veluwe 4.4 Welke mortaliteit is acceptabel? 4.5 Mortaliteit Wespendieven in andere windparken 5 Overige natuurwaarden 5.1 Inleiding 5.2 Beschermde gebieden 5.3 Kwalificerende soorten voor Natura 2000-gebied Veluwe 5.4 Vleermuizen 6 Mogelijkheden voor mitigatie 6.1 Inleiding 6.2 Zichtbaarheid turbines 6.3 Cameradetectie 6.4 Stilstandvoorziening 6.5 Turbinetype 6.6 Vleermuizen 7 Synthese 7.1 Inleiding 7.2 Aanvaringsrisico’s Wespendief 7.3 Juridische consequenties 7.4 Mitigatie 7.5 Overige natuurwaarden 7.6 Ruimtelijke regievoering 7.7 Vervolgstappen 8 Literatuur Bijlage 1

Mortaliteit bij turbines rondom de Veluwe

1 3 3 5 9 13 13 13 14 16 30 30 31 35 37 40 41 41 41 45 46 49 49 49 50 50 53 54 55 55 56 57 57 58 59 59 61 66

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Samenvatting Achtergrond In het Klimaatakkoord van Parijs hebben 195 landen afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Vanuit het Nationale Klimaatakkoord werkt Nederland hier aan mee, onder meer via de energietransitie. In dit kader verkennen de dertig Nederlandse RES (Regionale Energie Strategie) regio’s de mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit en warmte. De provincie Gelderland kent zes RES-regio’s die op zoek zijn naar gebieden voor grootschalige opwekking van duurzame energie, waaronder het plaatsen van windturbines. In deze zoektocht moeten ruimtelijke energie- en natuurdoelen en andere belangen met elkaar worden afgewogen en beoordeeld. Dit geldt voor de RES, maar ook voor beleidsontwikkelingen bij gemeenten en op projectniveau. Windturbines vormen een belangrijke bron bij het behalen van de regionale doelstellingen voor de reductie van CO2 in 2030. Uit een groot aantal studies is echter bekend dat windturbines kunnen leiden tot negatieve effecten op (beschermde) natuurwaarden, waaronder het veroorzaken van aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen. Deze effecten moeten worden meegenomen in een analyse van de ruimtelijke mogelijkheden voor het realiseren van windenergie. De Veluwe maakt deel uit van het Europese Natura 2000-netwerk, en is daarmee strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming.

Het gebied valt binnen vier van de zes Gelderse RES-regio’s (Arnhem-Nijmegen, Cleantech, Food Valley en Noord-Veluwe) en huisvest diverse beschermde soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Een belangrijke soort in dit kader is de Wespendief, een roofvogel die in Nederland uitsluitend in de zomerperiode aanwezig is. Uit eerdere studies rond de A28 en A50 kwam naar voren dat de voor het Natura 2000-gebied Veluwe als doelsoort aangewezen Wespendief de meest beperkende soort is voor het plaatsen van windturbines. Op basis daarvan is geconcludeerd dat een regionale verkenning van de (on)mogelijkheden nodig is om tot een overkoepelende ruimtelijke strategie voor alle Veluwe gerelateerde RES-regio’s te komen. Doel van het onderzoek De mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines op of rondom de Veluwe zijn onderzocht in twee deelstudies, namelijk 1) een ruimtelijk-technische analyse waarin factoren als technische beperkingen, minimum afstanden tot bebouwing en infrastructuur e.d. zijn geanalyseerd en scenario’s zijn samengesteld, en 2) een ecologische analyse van de aanvaringsrisico’s bij Wespendief en effecten op andere soorten en gebieden. De eerste deelstudie is uitgevoerd door Bosch & van Rijn, de tweede door Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek in samenwerking met Sovon Vogelonderzoek Nederland.

In deze managementsamenvatting zijn de resultaten van beide deelstudies geïntegreerd, om zo tot een integrale beschouwing te komen van de mogelijkheden voor windenergie op of rondom de Veluwe. Het voorliggende rapport richt zich op de ecologische analyses; voor de overige aspecten wordt verwezen naar het rapport van Bosch & van Rijn. In het ecologische onderzoek is aan de hand van een rekenmodel het aantal potentiële slachtoffers (mortaliteit) onder Wespendieven berekend als windturbines op of nabij de Veluwe worden geplaatst. Daarbij zijn verschillende scenario’s doorgerekend ten aanzien van het aantal turbines, de locaties (op de Veluwe of daarbuiten, en in het laatste geval, op verschillende afstanden van de Veluwerand), het turbinetype en de mate waarin Wespendieven erin slagen om succesvol de turbines te ontwijken (de zgn. ontwijkingskans).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

De uitkomst van dit onderzoek geeft input voor de afweging van zoekgebieden voor windenergie op en rond de Veluwe in de RES 1.0, tegen de achtergrond van de juridische kaders vanuit Natura 2000-gebied Veluwe en andere (milieu)omgevingsaspecten. Het is bruikbaar om over de RES-regio’s heen te kijken en te beoordelen hoe een rendabele opgave kan worden te gerealiseerd, met inachtneming van de cumulatieve werking op de Wespendief. Dit kan bepalend kan zijn voor de te realiseren windopgave ten aanzien van de specifieke locaties in de nabijheid van de Veluwe. Aanvaringsrisico’s Wespendief bij turbines op de Veluwe Zowel het aantal turbines als de gehanteerde ontwijkingskans hebben een grote invloed op de uitkomsten. Het turbinetype is minder van belang, aangezien zeer grote turbines slechts marginaal meer aanvaringsslachtoffers veroorzaken dan middelgrote turbines. Als voorzichtigheidshalve wordt uitgegaan van een ontwijkingspercentage van 95%, varieert de mortaliteit van 1,7 (bij 10 middelgrote turbines) tot 17 (bij 100 middelgrote turbines) Wespendieven per jaar. Bij hogere percentages voor de ontwijkingskans daalt de berekende mortaliteit aanzienlijk: bij 98% is de berekende mortaliteit minder dan de helft van die bij 95%. De berekende mortaliteit overschrijdt in vrijwel alle scenario’s de juridische drempelwaarde, de zgn.

1%-norm, die weergeeft welke mate van mortaliteit in een populatie is toegestaan. Plaatsing van windturbines op de Veluwe is hierdoor juridisch niet haalbaar. Uit de analyses blijkt tevens dat plaatsing van turbines op de Veluwe een onevenredig groot effect heeft op het invullen van de juridische ruimte binnen de 1%-norm. Dit heeft tot gevolg dat de ontwikkelruimte buiten het Natura 2000-gebied de facto op slot wordt gezet. Dit kan een groot nadelig effect hebben op andere initiatieven in de zone tot 8 km van de Veluwe. Aanvaringsrisico’s Wespendief bij turbines rondom de Veluwe De plaatsing van turbines nabij Natura 2000-gebied Veluwe kent juridische beperkingen als gevolg van effecten op de Wespendief. De meest relevante criteria daarbij zijn het aantal beoogde turbines en de afstand tot de Veluwerand. Bij een ontwijkingskans van 95% kunnen 10 turbines op alle afstanden tussen 1–8 km van de Veluwerand worden geplaatst. Bij 25 turbines is dit pas mogelijk op een afstand van minimaal 5 km tot de Veluwerand. Grote aantallen turbines, zoals 75 of 100, zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe.

Mogelijkheden voor mitigatie Om het aantal aanvaringsslachtoffers te beperken zijn diverse mitigerende maatregelen mogelijk, zoals het verhogen van de zichtbaarheid van de rotorbladen van de turbines, het toepassen van een slim cameradetectiesysteem gekoppeld aan een stilstandvoorziening, of het toepassen van een generieke stilstandvoorziening in de meest kritische perioden. Met name de eerste twee opties bevinden zich nog enigszins in een experimenteel stadium en de effectiviteit ten aanzien van de Wespendief is op dit moment onvoldoende duidelijk. De meest zekere vorm van mitigatie is het tijdelijk stilzetten van de turbines in de meest risicovolle periode, namelijk de nazomer (vooral augustus). Indien de turbines in de maand augustus overdag worden stilgezet, kan dit leiden tot een aanzienlijke reductie in het aantal slachtoffers. Kort gezegd resulteert een stilstand van 15 dagen in een reductie met ongeveer een kwart van het totaal aantal slachtoffers onder Wespendieven. Indien de turbines de volledige maand augustus overdag stil zouden komen te staan is de reductie ruim de helft. Het nadeel van een stilstandvoorziening is uiteraard het verlies aan energieopbrengst.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Overige natuurwaarden Naast de Veluwe en de Wespendief zijn verschillende andere beschermde soorten en gebieden relevant ten aanzien van de mogelijke ecologische effecten van windturbines op of nabij de Veluwe. Hierbij zijn vooral de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren, Rijntakken en Arkemheen relevant vanwege aanvaringsrisico’s voor weide- en watervogels die van deze gebieden gebruik maken. Daarnaast kan sprake zijn van effecten op het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Naast vogels worden ook vleermuizen regelmatig als aanvaringsslachtoffer onder windturbines gevonden, waardoor ook mortaliteit onder vleermuizen moet worden meegewogen in een effectbeoordeling. Ruimtelijke regievoering In de omgeving van de Veluwe worden door vier RES-regio’s de mogelijkheden voor windenergie geïnventariseerd, en worden zoekgebieden voor windenergie onderscheiden waarmee, samen met overige bronnen, de benodigde capaciteit kan worden geleverd voor het regionaal bod voor 2030. Deze studie maakt duidelijk dat dit niet kan zonder een gedegen RES-overstijgende ruimtelijke strategie. Het kernpunt daarbij is dat meer windenergie gerealiseerd kan worden als er maar voldoende afstand tot de Veluwerand wordt gehouden.

Effecten op de Wespendief (en andere kwalificerende soorten) werken in cumulatie door op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een enkele turbine dichtbij de Veluwe kan dus negatieve gevolgen hebben voor het potentiële totaal opgestelde vermogen dat bereikt kan worden binnen 8 km van de Veluwe. Beperkingen en vervolgstappen Het onderzoek is gebaseerd op een rekenmodel dat wereldwijd veel wordt gebruikt om aanvaringsrisico’s onder vogels te kwantificeren. Zoals ieder model kent ook dit model aannames en beperkingen. Een belangrijk aspect hierbij is dat het model geen ruimtelijke informatie bevat over bijvoorbeeld habitatkwaliteit of gebiedsgebruik op specifieke locaties rondom de Veluwe. Dit betekent dat er geen onderscheid gemaakt kan worden in geschiktheid van foerageergebieden en vliegroutes. Nader veldonderzoek in de nazomer kan aantonen in hoeverre delen van de Veluwerandzone in meer of mindere mate gebruikt worden door de Wespendief. Dit kan zo tot een ruimtelijke verfijning van de resultaten van het model leiden en ook input geven voor de beoordeling van een concreet initiatief. Indien voldoende zekerheid bestaat dat bepaalde locaties structureel niet of in mindere mate gebruikt worden, kan dit in theorie tot meer ruimte voor de ontwikkeling van windenergie leiden, zeker in combinatie met een stilstandvoorziening.

Gezien de beperkte juridische ruimte ten aanzien van mortaliteit bij de Wespendief en de mogelijke variatie in gebiedsgebruik is een voorzichtige benadering hierbij essentieel. Een andere belangrijke parameter is de mogelijkheid tot mitigatie. Op dit moment zijn verschillende mitigerende maatregelen in ontwikkeling, zoals het zwart verven van een rotorblad om de zichtbaarheid van de turbines te vergroten, of het toepassen van een slim cameradetectiesysteem dat langsvliegende vogels kan detecteren en op die momenten de turbines tijdelijk stil kan zetten. Voor beide opties geldt dat het op dit moment nog onduidelijk is in hoeverre deze maatregelen daadwerkelijk effectief zijn om de mortaliteit onder Wespendieven te reduceren. Vervolgonderzoek kan hier meer duidelijkheid in scheppen. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de gehanteerde waarde voor de ontwijkingskans een zeer groot effect heeft op de berekende mortaliteit. De ontwijkingskans die doorgaans voor roofvogels wordt gehanteerd ligt tussen de 95% en de 99,5% en verschilt per soort. Aangezien voor zover bekend geen onderzoek naar de ontwijkingskans van Wespendieven is gedaan, is

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

niet met zekerheid te zeggen welke waarde het meest accuraat is. Mogelijk kan op basis van expert judgement of aanvullend onderzoek een beter oordeel worden gevormd welk percentage het meest reëel is voor de Wespendief. Een hogere ontwijkingskans zou een aanzienlijke impact hebben op de mogelijkheden voor windenergie rondom de Veluwe.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

1

1

Inleiding

Het realiseren van de energietransitie vergt ruimte voor het grootschalig opwekken van duurzame energie. De provincie Gelderland kent zes Regionale Energie Strategie (RES) regio’s die op zoek zijn naar gebieden waar mogelijkheden liggen voor windturbines of zonnevelden. Dit is een complexe zoektocht waarin ruimtelijk wind- en natuurdoelen en omgevingsaspecten met elkaar afgewogen en beoordeeld moeten kunnen worden. Zowel in de RES, maar ook bij beleidsontwikkelingen bij gemeenten en op projectniveau. Het Natura 2000-gebied Veluwe valt binnen vier van de zes Gelderse RES-regio’s (ArnhemNijmegen, Cleantech, Food Valley en Noord-Veluwe) en huisvest diverse natuurwaarden die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In de periode 2018–2020 zijn er twee ecologische verkenningen uitgevoerd naar de mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines in het gebied rondom de Veluwe, in het bijzonder langs de A28 en tussen de A50 en de IJsselvallei. De bevindingen zijn beschreven in de rapporten ‘A28 als energieroute: ecologische en landschappelijke verkenning’ van Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof (2019) en ‘Verkenning wind en zonne-energie A50/IJsselvallei’ (Latour et al. 2020). Uit deze verkenningen blijkt dat de voor het Natura 2000-gebied Veluwe aangewezen Wespendief in beide verkenningsgebieden de meest beperkende soort is voor het plaatsen van windturbines.

De Veluwe vormt binnen Nederland het kerngebied van de Wespendief, en de kwaliteit van het gebied is bepalend voor de dichtheden van deze soort. Het uitgangspunt bij het plaatsen van windturbines is dat de populatie Wespendieven op de Veluwe (specifiek gezegd: het instandhoudingsdoel voor het Natura 2000-gebied) niet achteruit mag gaan als gevolg van aanvaringen met de turbines. Om de effecten van windturbines op de Veluwe voor de Wespendief nader te kwantificeren is een aanvaringsrisicomodel nodig dat, op basis van broedlocaties en vliegbewegingen van Wespendieven, de potentiële mortaliteit op verschillende locaties en in verschillende maanden inzichtelijk maakt. Daarbij speelt de vraag in hoeverre deze mortaliteit, cumulatief bezien, binnen de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Aspecten die daarbij meespelen zijn de vliegbewegingen en vlieghoogtes van Wespendieven en de aantallen en opstelling van de turbines, evenals een beoordeling van de haalbaarheid om aanvaringsrisico’s te verminderen met behulp van mitigerende maatregelen. Doel De vraag is nu wat de meest optimale indeling van windturbines is voor de opwekking van windenergie op en/of rondom de Veluwe, in het licht van het behalen of behouden van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de Wespendief en andere relevante soorten.

Daarbij hoort onder meer het (in cumulatie) beoordelen van de effecten van windturbines, en het omgaan met de restricties die de aanwezigheid van deze soorten heeft op de zone rondom de gehele Veluwe. De insteek hierbij is de draagkracht van het gebied voor windturbines maximaal te benutten met een focus op mogelijkheden i.p.v. beperkingen. Het doel van dit onderzoek is om de ecologische effecten te kwantificeren van windturbines op de populatie Wespendieven op de Veluwe. Dit wordt onderzocht voor een aantal scenario’s en ruimtelijk in beeld gebracht. Status van dit onderzoek Het is goed om te duiden wat met voorliggende rapportage wordt beoogd, zodat duidelijk is waarvoor het onderzoek wel bruikbaar is en waarvoor niet. De uitkomst van dit onderzoek geeft

2

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

richting voor RES-en om de mogelijkheden voor grootschalige energieopwekking voor wind op en rond de Veluwe inzichtelijk te krijgen, in relatie tot de juridische kaders vanuit Natura 2000gebied Veluwe en andere (milieu)omgevingsaspecten. Het is bruikbaar om over de RESregio’s heen te kijken hoe de meest rendabele opgave te realiseren is, met inachtneming van de cumulatieve werking op de Wespendief. Dit kan bepalend kan zijn voor de te realiseren windopgave in relatie tot de afstand tot het leefgebied van de soort op de Veluwe. Het onderzoek richt zich op effecten en patronen op een grote ruimtelijke schaal; het rapport dient niet als onderzoek dat antwoord geeft op locatieniveau. Het kan wel belangrijke input geven voor beleidsverkenningen van gemeenten of voor locatieonderzoek op projectniveau. Vanwege het grote ruimtelijke schaalniveau is het rapport niet als passende beoordeling aan te voeren bij vergunningaanvragen voor concrete windinitiatieven op specifieke locaties. Wel kan het input geven voor de beoordeling van een concreet initiatief. Het is geen beleidsdocument van de provincie, maar het biedt wel een handvat hoe om te gaan met (de vergunningverlening van) windinitiatieven op en rond om de Veluwe.

Opbouw van dit rapport Op basis van een aantal vragen die door de opdrachtgever ten aanzien van dit onderzoek zijn gesteld, is het onderzoek verdeeld in een aantal stappen die in de opbouw van dit rapport tot uiting komen: 1. Beschrijving van de ecologie van de Wespendief. In hoofdstuk 2 wordt de ecologie van de Wespendief beknopt beschreven, met name de verspreiding en aantallen op de Veluwe in relatie tot het instandhoudingsdoel, een ruimtelijke analyse van het (potentiële) leefgebied, en een statistische analyse van de vliegbewegingen op basis van Wespendieven die ten behoeve van eerder onderzoek met een GPS-zender zijn uitgerust en waarvan de data basis vormen voor het bepalen van aanvaringskansen. 2. Aanvaringskansen. De kans dat een Wespendief in aanvaring met een turbine komt, wordt berekend met behulp van een aanvaringsmodel. Deze aanvaringskansen en uiteindelijke aantallen slachtoffers worden getoetst aan de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied Veluwe. De opzet van het aanvaringsmodel en de onderbouwing van de gebruikte parameters worden in detail beschreven in hoofdstuk 3; de resultaten zijn beschreven in hoofdstuk 4. 3. Overige beperkingen. Naast de Wespendief en de Veluwe zijn verschillende andere soorten relevant, die mogelijk een effect kunnen ondervinden van het plaatsen van windturbines.

In hoofdstuk 5 worden deze soorten aan een nadere analyse onderworpen om de effecten van windturbines te kunnen duiden. 4. Mitigatie. Ten aanzien van mitigerende maatregelen bestaan diverse opties, die variëren in effectiviteit, kosten en de mate waarin het ‘bewezen’ maatregelen zijn. De verschillende opties, de effectiviteit en de voor- en nadelen worden op een rij gezet in hoofdstuk 6. 5. Synthese. In hoofdstuk 7 worden de resultaten van het onderzoek samengevat en geduid in het kader van de natuurwetgeving en de ruimtelijke context van de betreffende RESregio’s. Ook wordt hier een doorkijkje gegeven naar mogelijke vervolgstappen.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

2

Ecologie van de Wespendief

2.1

Algemene ecologie

3

De Wespendief (Pernis apivorus) is een Europese broedvogel die buiten de broedperiode in Afrika te vinden is. De roofvogel is met een spanwijdte van 110–150 cm even groot als een Buizerd, maar lichter gebouwd, met een langere staart en smalle hals en kop. Mannetjes hebben een duifachtige, grijze kop, vrouwtjes zijn helemaal bruin. Opvallend is het fel goudgele oog. In vlucht is de soort onder andere te herkennen aan de twee smalle banden plus een dikke eindband op de staart. Wespendieven overwinteren in tropische bossen in West- en Centraal Afrika. Jonge vogels blijven in een ‘bachelor fase’ vaak de eerste jaren in Afrika voordat ze als (potentiële) broedvogel terugkeren naar Europa. In het voorjaar komen Wespendieven vanaf eind april in Nederland aan. Vanaf augustus trekken ze terug naar hun overwinteringsgebieden. De Wespendief broedt in uitgestrekt, gesloten bos en in bosfragmenten in halfopen landschap. Wespendieven foerageren, zoals de naam reeds aangeeft, op wespen, om precies te zijn: op het broed van wespen. Om naar wespenbroed te graven hebben de vogels dikke graafpoten en zwak gekromde klauwen. Ter bescherming tegen wespensteken zijn de kopveren schubachtig dicht en is het neusgat smal.

Figuur 2.1 Jonge Wespendieven en de oudervogel op het nest, links enkele wespenraden (foto: Stichting Boomtop).

4

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

De soort nestelt in hoge, oudere bomen met een voorkeur voor bomen hoger dan 15 meter en met dichte kronen, waarin nesten geen direct zonlicht krijgen en weinig opvallen (zie figuur 2.2). Het type bos en de precieze boomsoort zijn van ondergeschikt belang bij de nestplaatskeuze. De Wespendief komt in Nederland in bossen op zandgronden voor, op rijkere bodem in grotere dichtheid dan in bossen op arme zandbodem. Wespendieven gebruiken regelmatig een oud roofvogel- of kraaiennest, of bouwen een nieuw nest. Per nest groeien één of twee jongen op. Het aandeel broedende vogels in de populatie is bij een slecht voedselaanbod echter laag en dit heeft invloed op de gemiddelde reproductie van de soort in een bepaald gebied. Het voedsel van de Wespendief bestaat in de nestfase vrijwel geheel uit wespenbroed. Wanneer de beschikbaarheid hiervan laag is (met name in het voorjaar en tijdens slecht weer) worden ook gewervelde dieren als kikkers en nestjongen van andere vogels, met name duiven en lijsters, gegeten. De in dit hoofdstuk gepresenteerde beschrijving van de ecologie van de soort leunt op de informatie in Sierdsema et al. (2020b) en Van Manen et al. (2011). Voor meer details wordt verwezen naar deze bronnen.

Figuur 2.2 Wespendief nest (in het midden, boom met groene stam) in naaldbos (foto: Stichting Boomtop, Jan van Diermen).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

2.2

5

Wespendieven op de Veluwe

Aantal territoria De Wespendief is een soort met grote territoria (van honderden hectaren) en nog grotere activiteitsgebieden (Nijssen et al. 2019). Het is bovendien een lastig te inventariseren soort: de nesten zitten hoog in de boomtoppen en vaak in dichte boomkronen. Om te komen tot een goede inschatting van de broedpopulatie zijn steekproeftellingen ingebed in een langjarig monitoringschema nodig. Op de Veluwe wordt deze monitoring van de broedpopulatie in opdracht van de Provincie Gelderland door Sovon uitgevoerd (zie ook Van Manen et al. 2011, 2020). Op verzoek van de Provincie Gelderland is tevens in 2020 een nieuwe populatieschatting gemaakt van de Wespendief in Natura-2000 gebied Veluwe (Sierdsema & Kampichler 2020). Hieronder worden de resultaten van deze meest actuele schatting van de broedpopulatie weergegeven. Box 1 geeft meer informatie over de inventarisatietechniek. Op de Veluwe worden jaarlijks tientallen gebieden onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De meeste van deze gebieden hebben een oppervlakte van enkele tientallen tot een paar honderd hectare. Daarnaast worden ook nog grotere gebieden onderzocht, veel in het kader van professionele broedvogelkarteringen. In die set van telgebieden zitten ook drie zeer grote telgebieden die de afgelopen vijf jaar specifiek zijn onderzocht op het voorkomen van Wespendieven (Van Manen et al.

2020): deze drie proefvlakken beslaan samen ca. 22% van het Natura 2000-gebied Veluwe (figuur 2.3). Met behulp van de beschikbare telgegevens is op verschillende manieren het aantal broedparen op de Veluwe geschat: extrapolatie van de aantallen in de drie Wespendiefmonitoringplots aan de hand van gemiddelde dichtheden, en extrapolatie van de aantallen in grote telgebieden aan de hand van verschillende regressiemodellen (zie Sierdsema & Kampichler 2020). De populatie van de Wespendief wordt op basis van deze benadering geschat op 90–98 broedparen. Een eenvoudig gemiddelde van de verschillende benaderingen levert 94 (93,7) broedparen (beter: territoria) op. Daarmee zit de broedpopulatie op de Veluwe onder het instandhoudingsdoel van 100 broedparen voor het Natura 2000 gebied. Ecologische knelpunten voor de soort op de Veluwe zijn door Sierdsema et al. (2020a) als volgt beschreven:  Voedsel voor volwassen Wespendieven: op de droge Veluwe zijn dit vooral nestjongen van duiven en lijsters. Door een lage dichtheid van deze vogels lijkt de predatiedruk van Havik op Wespendief bovendien toegenomen.  Voedselbron wespenbroed voor nestjonge Wespendieven: deze voedselbron is aan sterke jaarlijkse schommelingen onderhevig. Door het opwarmende klimaat valt de wespenpiek steeds eerder in de zomer, waardoor aan het einde van het seizoen voedselgebrek voor Wespendieven kan optreden.

 Eutrofiëring van het habitat door stikstof en aannemelijk negatieve effecten op het voedselaanbod.  Afnemende beschikbaarheid van geschikt nesthabitat door sterke dunning of kaalkap in het kader van bosbeheer.

6

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 2.3 Ligging van de in 2010-2019 getelde gebieden die zijn gebruikt voor de aantalsschatting. De groene achtergrond geeft de kilometerhokken weer waarvoor met behulp van het regressiemodel een schatting is gemaakt. (bron: Sierdsema & Kampichler 2020).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

7

Box 1: Inventarisatie en het vinden van nesten Om Wespendieven te inventariseren is men aangewezen op het posten vanuit hoge boomtoppen. Vooral de Douglasspar, die ver genoeg boven andere boomsoorten uitsteekt, leent zich hiervoor. Per boomtop werd rond de 2,5 uur gepost, wat onder goede weersomstandigheden voldoende is om territoria te registreren. Daarbij kan ervan uit worden gegaan dat de meeste Wespendieven binnen een straal van 1,5 km zijn opgemerkt (ze kunnen met een verrekijker worden gevolgd tot maximaal 3,5 km). Bij het interpreteren van waarnemingen naar territoria is gebruik gemaakt van uitsluitende waarnemingen (bijv. de gelijktijdige aanwezigheid van twee territoriumindicerende individuen tijdens één bezoek), maar ook van individuele herkenning van vogels aan de hand van kleur en tekening van het verenkleed (vooral bij sterk variabele mannetjes) en ruipatronen of karakteristieke ontbrekende (delen van) veren. Het boomtopwerk werd in het grootste deel van de Veluwe uitgevoerd door Willem van Manen in nauwe samenwerking met Stef van Rijn. Van ieder territorium is gecontroleerd of sprake was van een nest met jongen. In de regel is dat vanuit een boomtop vrij makkelijk vast te stellen, want in territoria zonder jongen zijn de vogels doorgaans veel te zien en doen ze vooral inconsistente dingen als paarsgewijs cirkelen en baltsen.

Vogels met jongen vertonen gericht gedrag, waarbij doelgericht wordt gependeld tussen foerageerplekken en nest. Voedsel wordt in de poten naar het nest gedragen, maar in geval van kleine wespenraten die vlak onder de staart worden gedragen, is dat ook op korte afstand niet altijd zichtbaar. Voedselvluchten zijn echter vaak dermate doelgericht, dat ze ook vanaf grote afstanden opvallen. Alle territoria met vermoedens van nesten (vaak is dit in eerste instantie niet zeker) zijn opnieuw bekeken, vaak vanuit een alternatieve boomtop.

Zoals in paragraaf 2.1 beschreven zijn Wespendieven niet jaarrond in Nederland aanwezig. De soort arriveert uit de Afrikaanse wintergebieden in Nederland in de loop van april, en vertrekt uit Nederland in de loop van september (zie figuur 2.4). In de maanden oktober tot en met maart is de soort vrijwel geheel afwezig.

Figuur 2.4 Seizoenspatroon van het voorkomen van Wespendieven in Nederland (bron: Sovon).

8

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Leefgebied Naast informatie over aantallen Wespendieven in een gebied en de patronen van aanwezigheid van de Wespendief in een gebied in de loop van het jaar, is het belangrijk de verspreiding en in het beste geval de dichtheid van Wespendieven in het gebied te kennen. Op basis van monitoringsgegevens (aanwezigheid van de soort in een nauwkeurig geïnventariseerd telgebied), kennis van de ecologische habitatbehoeftes van de soort en ruimtelijke informatie over habitatkenmerken is het mogelijk een kaartbeeld van het leefgebied van een soort te modelleren. Deze berekeningen zijn recent o.a. voor de Wespendief op de Veluwe uitgevoerd in het kader van het project ‘Bouwstenen voor Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe’ (Sierdsema et al. 2020a,b; zie ook https://www.sovon.nl/nl/publicaties/natuurbeheer-en-zoneringsmaatregelen-voor-zevenaangewezen-vogelsoorten-natura-2000). Voor moeilijk telbare soorten zoals de Wespendief is een specifieke methodiek ontwikkeld om het leefgebied van de soort in beeld te brengen (Sierdsema et al. 2020b). Daarbij wordt gebruik gemaakt van geschiktheidsklassen van het leefgebied in combinatie met dichtheden behorend bij de geschiktheidsklassen. Hiertoe is op basis van een ruimtelijk-statistische analyse van de verspreiding van de soort in relatie tot abiotische omgevingskenmerken de potentiële verspreiding per soort in beeld gebracht.

Deze informatie is vervolgens omgezet in leefgebiedenkaarten waarin in een beperkt aantal klassen de geschiktheid van het leefgebied is weergegeven (figuur 2.5).

Figuur 2.5 Gemodelleerd beeld van de geschiktheid van het leefgebied op de Veluwe voor de Wespendief (uit Sierdsema et al. 2020 a,b).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

2.3

9

Vliegbewegingen op de Veluwe

Om het habitatgebruik van Wespendieven binnen en buiten het Natura 2000-gebied Veluwe goed in beeld te brengen is in deze studie gebruik gemaakt van beschikbare informatie uit zenderstudies aan de Wespendief. Het gaat daarbij om volwassen Wespendieven die uitgerust zijn met GPS-zenders waardoor informatie over de keuze en locaties van foerageergebieden, vliegafstanden binnen en buiten territoria, vlieghoogtes en vliegsnelheden kan worden geanalyseerd. De zenderstudies zijn uitgevoerd door Stichting Boomtop (www.boomtop.org; zie Van Manen et al. 2011) in nauwe samenwerking met UvA BITS (www.uva-bits.nl/). Voor meer achtergrond over het zenderwerk aan Wespendieven verwijzen we naar http://www.uvabits.nl/species/honey-buzzard/ De Wespendieven zijn gevangen met behulp van een staand mistnet van 6x4 m met een maaswijdte van 10 cm. Onder het net stond een opgezette Oehoe (die als bedreiging wordt gezien) als lokmiddel. De opstelling werd in de buurt van een nest met jongen van tenminste 14 dagen oud gezet. Op deze leeftijd kunnen de jongen onder goede weersomstandigheden hun temperatuur zelf reguleren en zijn ze niet afhankelijk van een broedende ouder. Het vangen van Wespendieven werd uitgevoerd door gecertificeerde veldmedewerkers met een geldige ringvergunning. De Wespendieven zijn voorzien van een zender van UvA-BiTS (www.uva-bits.nl).

De zenders, voorzien van een aantal zonnecellen voor energievoorziening, zijn op de rug van de vogels bevestigd met behulp van een teflon tuigje (zie figuur 2.6).

Figuur 2.6 Wespendief vrouw met GPS-zender (Nunspeet 2013, foto Stef van Rijn).

10

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Bewerking van de GPS-data Uit de verkregen data zijn GPS-punten geselecteerd uit het broedseizoen binnen Nederland. De GPS-punten tijdens de trek en overwintering zijn voor dit onderzoek niet gebruikt. Ook de dag van de vangst is buiten beschouwing gelaten. Aangezien de zenders pas in de loop van het broedseizoen werden aangebracht, beschikten we in het eerste jaar van de zenderstudie niet over een datareeks van het complete broedseizoen. Alleen van vogels die in volgende jaren terugkeerden met een werkende zender beschikten we over datareeksen van het complete broedseizoen (mei–augustus). Net als de vogels verschilden de zenders in levensduur en werd bij sommige individuen de zender vervangen door een nieuw exemplaar, waardoor een individu soms lang gevolgd kon worden. In deze studie varieerde de periode waarin de vogels gevolgd werden van nauwelijks twee broedseizoenen (individu 123) tot wel negen broedseizoenen (individu 56). De analyse van het vlieggedrag is gebaseerd op in totaal 305.516 GPS-punten afkomstig van 14 Wespendieven. Tussen de individuen is sprake van een grote variatie in de frequentie waarmee GPS-punten werden verzameld, en daarmee ook het totale aantal GPS-punten per individu (tabel 2.1).

Tabel 2.1 Gevolgde individuen, aantal GPS-punten per individu en de frequentie waarmee de zender van het betreffende individu metingen opsloeg (modus = meest voorkomende frequentie per individu), weergegeven in seconden en minuten. Individu

Aantal GPS punten

Modus frequentie in

Modus frequentie in

seconden

minuten

123

4477

972

16,20

178

105194

16

0,27

179

1594

1245

20,75

180

13456

1235

20,58

181

7358

1243

20,72

182

11453

1246

20,77

183

17802

1286

21,43

184

9074

1247

20,78

387

3850

982

16,37

389

20796

1203

20,05

56

78247

621

10,35

57

13710

4

0,07

58

4852

1831

30,52

60

1931

1846

30,77

857

11722

602,5

10,04

De GPS-zender registreert bij elke meting een X-coördinaat, Y-coördinaat, de snelheid in meters per seconden en de vlieghoogte in meters. De vlieghoogte wordt door de UvA-BiTSdatabase gecorrigeerd voor hoogte boven het maaiveld. Van individu 56, 57, 58 en 60 ontbrak informatie over de vliegsnelheid; deze individuen werden daarom niet meegenomen in de analyse van het vlieggedrag. Vanwege de grote verschillen in meetfrequentie (tabel 2.1), werd vervolgens voor de overige individuen op basis van de vliegsnelheid bepaald of een GPS-fix een punt representeert waarop de vogel wel of niet vloog. Dit is gedaan door in het statistische pakket R voor elk individu apart een ‘peak density plot’ te maken van de log-getransformeerde snelheid. Deze plots laten twee toppen zien: een top die alle GPS-punten representeert van

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

11

lagere snelheden, waarbij de vogel waarschijnlijk zit of rust en een top die alle GPS-punten representeert van hogere snelheden, waarbij de vogel waarschijnlijk (op)vliegt. Het laagste punt in het dal tussen deze toppen werd gebruikt als afkappunt voor snelheid om voor elk GPSpunt te bepalen of de vogel wel of niet vloog. Een voorbeeld hiervan is te zien in figuur 2.7. Ook is van elk punt bepaald in welk habitat het gelegen was. Hiervoor is gebruik gemaakt van de CBS-bodemstatistiekkaart uit 2015; een gedetailleerde kaart die landgebruik weergeeft. De legenda van deze kaart werd voor dit project vereenvoudigd naar vijf klassen: bos, open natuur, natte natuur, agrarisch gebied en bebouwing. Met behulp van R (packages maptools en gdata) zijn alle GPS-punten vervolgens gekoppeld aan de habitatkaart.

Figuur 2.7 Peak density plot voor individu 178. Te zien is een brede top aan de linkerkant van de verticale streep. Deze top representeert alle GPS-punten waar de zender een relatief lage snelheid registreerde. De top aan de rechterkant van de verticale streep representeert alle GPS-punten waar de zender een relatief hoge snelheid representeerde. De verticale streep geeft het afkappunt weer: alle punten hieronder zijn vastgelegd als zitten/rusten; alle punten hierboven zijn vastgelegd als vlieggedrag. Getalsmatig betreft dit voor individu 178 een log-getransformeerd afkappunt van 0,95796. Omgerekend naar meters per seconden is ligt dat afkappunt op een vliegsnelheid van 2,606374 m/s (of 9,38 km/u).

Berekening van vlieghoogte, vliegsnelheid en vliegtijd Voor het in deze studie gebruikte aanvaringsmodel (zie hoofdstuk 3) zijn de parameters vlieghoogte, vliegsnelheid en vliegtijd bepaald op basis van de GPS-punten uit de zenderstudie. De vlieghoogteverdeling is berekend op basis van frequentietabellen van de aantallen en percentages GPS-punten per geregistreerde hoogte in meters boven het maaiveld. Hierbij is onderscheid gemaakt naar geslacht, tijdstip van de dag, maand van het

12

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

jaar (mei t/m augustus) en habitat. Bij elke frequentietabel is per klasse de mediaan berekend en is een boxplot gemaakt in R. Deze data worden getoond in hoofdstuk 3 (figuren 3.8 en 3.9). De vliegsnelheid is berekend in R door gemiddelde +/- standaarddeviatie (SD), mediaan en interkwartielafstand van de vliegsnelheid uit te drukken per geslacht, tijdstip van de dag, maand van het jaar (mei t/m augustus) en habitat. Daarnaast is de vliegsnelheid weergegeven in boxplots (zie figuur 3.10). Tenslotte is in R de vliegtijd per uur berekend volgens de methode van Schaub et al. (2020). Daarbij is de dag verdeeld in uur-bins en wordt per uur het aantal GPS-punten in vlucht geteld en het totaal aantal GPS-punten. Daarna werd de proportie GPS-punten in de lucht ten opzichte van het totaal berekend en vermenigvuldigd met 60 minuten om de gekwantificeerde vliegtijd per uur in minuten weer te geven. De som van de vliegtijd in minuten per uur is de totale vliegtijd op een dag. De vliegtijd is ook berekend uitgesplitst naar habitat en maand.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

3

Opzet modelstudie

3.1

Inleiding

13

De plaatsing van windturbines op of nabij de Veluwe kan leiden tot aanvaringsrisico’s bij Wespendieven en andere soorten. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat roofvogels gevoelig zijn voor aanvaringen met windturbines (Thaxter et al. 2017, Buij et al. 2018). De kans dat een Wespendief daadwerkelijk in aanvaring met een turbine komt, wordt bepaald door verschillende factoren, die in deze studie nader worden uitgewerkt. Niet iedere vogel die in de buurt van een windpark vliegt komt noodzakelijkerwijs in aanraking met de turbines. Vogels kunnen het windpark mijden, zoals is waargenomen bij ganzen en kraanvogels (Grünkorn et al. 2016); vogels kunnen op hoogtes vliegen die niet overlappen met de rotorzone van de turbines, zoals bijvoorbeeld bij migratievluchten op grote hoogte; of zij kunnen de draaiende rotorbladen proberen te ontwijken zodra zij in de buurt van een turbine komen. Uiteindelijk wordt het aantal aanvaringsslachtoffers bepaald door het aantal vliegbewegingen op rotorhoogte dat door het windpark plaatsvindt, de kans dat een vogel succesvol een draaiende turbine weet te ontwijken, en als dat niet gebeurt, de kans op aanvaring bij een vlucht door de rotorzone. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een aanvaringsmodel (Band 2012, Masden 2015) om de mortaliteit onder Wespendieven te kunnen berekenen.

Dit model is gebaseerd op een groot aantal verschillende parameters (tabel 3.5) die invloed hebben op de aanvaringskans; een uitgebreide beschrijving van deze parameters is te vinden in paragraaf 3.4. Een centrale rol in deze modelstudie ligt bij het kwantificeren van de hoeveelheid vliegbewegingen van Wespendieven op en nabij de Veluwe. Deze analyse is gebaseerd op de data van de GPSzenders waarmee verschillende Wespendieven op de Veluwe in de afgelopen jaren zijn uitgerust (zie hoofdstuk 2). Een beschrijving van de patronen wordt gegeven in paragraaf 3.4. Zoals ieder model is ook een aanvaringsmodel een simplificatie van de werkelijkheid, waarbij aannames en onzekerheden in zekere mate een rol spelen. De resultaten moeten daarom in het licht worden gezien van de beperkingen die noodzakelijkerwijs aan het model ten grondslag liggen. Uit slachtofferonderzoek in windparken is gebleken dat soms aanzienlijke verschillen bestaan tussen de daadwerkelijk gevonden slachtoffers en de vooraf voorspelde mortaliteit. Bij de interpretatie van de uitkomsten wordt in de Synthese (hoofdstuk 7) geduid in hoeverre de resultaten voldoende zekerheid bieden ten aanzien van beleidskeuzes, en waar mogelijke onzekerheden of leemten in kennis liggen.

3.2

Scenarioanalyse

In deze modelstudie zijn verschillende scenario’s doorgerekend, waarin de effecten van verschillende waarden van bepaalde parameters zijn geanalyseerd. Zo kan een inschatting worden gemaakt van de invloed die een bepaalde parameter heeft op de resultaten. De scenario’s hebben betrekking op de volgende parameters:  

Aantal turbines: de mortaliteitsberekeningen zijn gedaan voor scenario’s waarin 10, 25, 50, 75 en 100 turbines worden geplaatst. Turbines op de Veluwe of daarbuiten. In de modelanalyses is ten eerste berekend wat de effecten zijn als turbines op de Veluwe, dus binnen het Natura 2000-gebied,

14

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

zouden worden geplaatst. Ten tweede zijn de effecten berekend van turbines die buiten het gebied zouden worden geplaatst, in stappen van 1 km tot een afstand van 8 km van de rand van de Veluwe. Deze maximale afstand is gebaseerd op de patronen in vliegbewegingen buiten de Veluwe. Turbinetype: in de berekeningen wordt uitgegaan van twee turbineklassen, namelijk een middelgrote turbine met een ashoogte van 100 m en een rotordiameter van 120 m (tiphoogte 160 m), en een grote turbine met een ashoogte van 160 m en een rotordiameter van 160 m (tiphoogte 240 m). Ontwijkingskans: de mate waarin een vogel erin slaagt om succesvol een turbine te ontwijken is een belangrijke factor in de berekening van de aanvaringskansen. In de analyses van het aantal aanvaringen is met vier verschillende percentages voor de ontwijkingskans gerekend, namelijk 95%, 98%, 99% en 99,5%.

Een onderbouwing van bovenstaande parameters is gegeven in paragraaf 3.4.

3.3

Aanvaringsmodel

De berekening van de mortaliteit (het aantal aanvaringsslachtoffers) onder Wespendieven bij de turbines vindt plaats met behulp van een aanvaringsmodel. Dergelijke modellen spelen een belangrijke rol in het kwantificeren van de verwachte mortaliteit als gevolg van aanvaringen met windturbines, onder andere in effectbeoordelingen zoals milieueffectrapportages (MER). Een overzicht van het model, met de verschillende relevante inputparameters, is weergegeven in figuur 3.1. In grote lijnen is het model gebaseerd op de volgende parameters:    

Aantal vliegbewegingen per tijdseenheid dat de turbines kruist. Dit is afhankelijk van het aantal vogels in het gebied, het vlieggedrag en het ruimtegebruik; Het percentage van de vliegbewegingen dat op rotorhoogte plaatsvindt; De kans dat een vogel succesvol het windpark of de rotor van een individuele turbine weet te ontwijken; De kans dat een vogel die door de rotorzone vliegt wordt geraakt door een rotorblad. Dit is afhankelijk van o.a. de grootte en vliegsnelheid van de vogel en de draaisnelheid van de rotorbladen.

Ten aanzien van bovenstaande factoren zijn verschillende nuanceringen te maken. Zo varieert het aantal vogels in de loop van het jaar, als gevolg van migratie en de aanwas van juveniele vogels. Ook varieert de windsnelheid en daarmee de rotatiesnelheid van de rotorbladen. Daarnaast kunnen het onderliggende terreintype, het tijdstip op de dag of het moment in het seizoen, het gedrag, de leeftijd van de vogel, en verschillende andere factoren van invloed zijn op het vlieggedrag en daarmee op de aanvaringskansen. De variatie in de relevante variabelen wordt in de analyses meegenomen door gebruik te maken van een stochastisch model, m.a.w. een model dat is gebaseerd op een bepaalde kansverdeling van een specifieke variabele (zie onder voor meer details). In het model worden deze variabelen en de kansverdeling waar nodig gekwantificeerd. Indien dit niet mogelijk is, wordt een realistische aanname gedaan en wordt de invloed hiervan op de uitkomsten zo goed mogelijk geduid (zie hoofdstuk 7).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

15

Figuur 3.1 Globale structuur van het aanvaringsmodel (bron: Band 2012). Voor details zie tekst.

De eerste stap in het model bestaat uit een analyse van de kans op aanvaring met één van de rotorbladen wanneer een vogel door de rotorzone vliegt. Deze analyse is gebaseerd op het Band Collision Model (kortweg Band model) dat is ontwikkeld door Scottish Natural Heritage (Band 2012). Het Band model is gebaseerd op eigenschappen van de betreffende vogelsoort (vliegsnelheid, lichaamslengte, spanwijdte) en van de turbine (rotordiameter, draaisnelheid van de rotorbladen). Er worden daarbij enkele eenvoudige aannames gedaan, waaronder een constante vliegsnelheid voor alle vogels, een gelijke verdeling van het aantal vogels dat met meewind en met tegenwind vliegt, etc. Zie Band (2012) voor meer details. De tweede stap in het model bestaat uit het kwantificeren van het aantal vliegbewegingen nabij de turbines. Uitgaande van een bepaalde aanvaringskans bij een vlucht door de rotorzone zoals berekend door het Band model, wordt het aantal aanvaringsslachtoffers vooral bepaald door de hoeveelheid vliegbewegingen dat door de rotorzone plaatsvindt. Dit hangt op zijn beurt weer af van de aantallen vogels, de hoogte waarop zij vliegen, en de kans dat een vogel succesvol de turbine weet te ontwijken. Data m.b.t. vlieghoogtes en vliegbewegingen zijn afkomstig van de gezenderde Wespendieven (zie hoofdstuk 2 en paragraaf 3.4). De derde stap bestaat uit het bepalen van de ontwijkingskans.

Vogels kunnen op verschillende schaalniveaus de turbines ontwijken, zoals vermijding van het gehele windpark, of ontwijking van een individuele turbine. De mate waarin een vogel erin slaagt om succesvol de turbines te ontwijken is één van de belangrijkste parameters in de berekening van het uiteindelijke aantal slachtoffers.

16

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

De vierde en laatste stap in de modelanalyse is het integreren van de voorgaande stappen en interpretatie van de uitkomsten. Niet ieder aanvaringsslachtoffer heeft noodzakelijkerwijs een negatief effect op de populatie; dit is afhankelijk van de grootte van de populatie, de trend (neemt de populatie toe of af) en andere populatiedynamische parameters. Zoals gezegd is gebruik gemaakt van een stochastisch aanvaringsmodel (Masden 2015) waarbij de variatie en onzekerheden in bepaalde parameters expliciet zijn meegenomen in de berekeningen. Dit is een belangrijke verbetering van het oorspronkelijke Band model. De waarde die voor een bepaalde parameter in het model wordt gehanteerd kan dus variëren, afhankelijk van de kansverdeling. De uitkomsten zijn gebaseerd op 1.000 simulaties. Als voorbeeld: de kans op aanvaring is o.a. afhankelijk van de draaisnelheid van de rotorbladen, en deze is weer afhankelijk van de windsnelheid. De windsnelheid varieert van uur tot uur en van dag tot dag; deze variatie is gekwantificeerd op basis van de spreiding (standaard deviatie) rondom het gemiddelde. Dit resulteert in een bepaalde kansverdeling. In iedere simulatie van het model wordt een waarde uit deze kansverdeling getrokken. Door het model 1.000 maal te draaien wordt de spreiding en foutmarge in de uitkomsten (aantal slachtoffers per tijdseenheid) gekwantificeerd.

3.4

Inputparameters

In de volgende secties wordt een onderbouwing gegeven van de waarden die voor de verschillende inputparameters in het model zijn gebruikt. Een samenvattend overzicht van de relevante parameters in het aanvaringsmodel wordt aan het eind van dit hoofdstuk gegeven in tabel 3.1. Turbinetype De grootte van de turbine is van invloed op de aanvaringskans. De belangrijkste factoren hierbij zijn de ashoogte, de afmetingen van de rotorbladen en daarmee samenhangend, de draaisnelheid. De eerste twee variabelen bepalen de hoogte van de rotorzone, i.e. de minimale hoogte van de rotorbladen boven de grond (tiplaagte) en de maximale hoogte boven de grond (tiphoogte). De afmetingen van de rotorbladen bepalen ook het rotoroppervlak en de maximale rotatiesnelheid. In de berekeningen wordt uitgegaan van twee turbineklassen:  

Middelgrote turbine met een ashoogte van 100 m en een rotordiameter van 120 m. De rotorzone bevindt zich dan tussen 40–160 m boven de grond. Grote turbine met een ashoogte van 160 m en een rotordiameter van 160 m. De rotorzone bevindt zich dan tussen 80–240 m boven de grond.

Grote turbines hebben bij een gegeven windsnelheid een lagere draaisnelheid (in omwentelingen per minuut, rpm) dan kleine turbines. Moderne turbines met een rotordiameter groter dan 80 m hebben meestal een draaisnelheid tussen 5–15 rpm; hoe groter de diameter, hoe lager de maximale draaisnelheid. Als voorbeeld, een Enercon E-126 turbine (één van de grootste windturbines die momenteel in Nederland staan) met een rotordiameter van 126 m en een maximaal vermogen van 7,5 MW heeft een draaisnelheid van 5,0–12,1 rpm. Een lagere draaisnelheid leidt tot een lagere aanvaringskans. In de berekeningen is de aanvaringskans bepaald voor verschillende draaisnelheden tussen ca. 6 en 10 rpm. De snelheid bij de tip van de bladen neemt evenredig toe met de rotatiesnelheid: het eerste turbinetype met een rotordiameter van 120 m heeft bij 6 rpm een tipsnelheid van 136 km/u en bij 12 rpm is dat het dubbele.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

17

Turbineopstelling In de modelberekeningen is uitgegaan van lijnopstellingen zonder maximale lengte. De lengte van de opstelling is hierbij een functie van het aantal turbines, waarbij een onderlinge afstand wordt aangehouden van vijfmaal de rotordiameter (Schöne 2007). Bij de middelgrote turbines komt dit neer op 600 m en bij de grote turbines is dit 800 m. Als voorbeeld, een windpark bestaande uit 10 middelgrote turbines heeft in het model een lengte van 5.400 m. Windsnelheid Als gemiddelde windsnelheid is een waarde van 6,5 m/s aangehouden, gebaseerd op de Windkaart van Nederland op 100 m hoogte (Geertsema & Van den Brink 2014; zie ook www.nationaleenergieatlas.nl). De dagelijkse variatie in windsnelheid is hoog; op basis van de daggemiddelde windsnelheden in 2019 bij KNMI station Deelen bedraagt de standaard deviatie ca. 50% van de gemiddelde waarden. Als standaard deviatie is daarom een waarde van 3,25 aangehouden. NB: de variatie tussen jaren is vele malen kleiner, hier bedraagt de standaard deviatie meestal 4–6% van het jaargemiddelde (Ronda et al. 2017, Pryor et al. 2018). De rotatiesnelheid is afhankelijk van de windsnelheid; de analyses zijn gebaseerd op de aanname dat de turbines niet operationeel zijn bij windsnelheden lager dan 3,0 m/s.

Windaanbod en percentage operationeel Turbines die stilstaan veroorzaken in principe geen aanvaringsslachtoffers (uitzonderingen daargelaten, zoals vogels die tegen de mast aanvliegen). Gemiddeld staat een turbine ongeveer 25% van het jaar stil omdat het niet hard genoeg waait (Bakema & Scholtens 2015). De meeste stilstand vindt plaats in het voorjaar en de zomermaanden, aangezien het dan gemiddeld minder hard waait dan in het najaar en de wintermaanden (Bakema & Scholtens 2015). Het percentage dat de turbines potentieel in bedrijf zijn is berekend aan de hand van het windaanbod, m.a.w. de beschikbaarheid van windsnelheden waarbij de turbines operationeel zijn. De analyse is gebaseerd op de gemiddelde windsnelheid per uur bij KNMI station Deelen, in het zuiden van de Veluwe, in de periode 2011 t/m 2019. De windsnelheden zijn omgerekend naar de snelheid op 100 m hoogte (de ashoogte van een middelgrote turbine) aan de hand van een logaritmisch windprofiel met de formule v100 = v10 × ln(100/0,4) / ln(10/0,4). De waarde 0,4 is de zogenaamde ruwheidslengte van het landschap, en is representatief voor een ‘ruw’ halfopen landschap met veel obstakels zoals stukken bos, boerderijen etc. Zoals hiervoor gezegd is de aanname gedaan dat de turbines niet operationeel zijn bij windsnelheden lager dan 3,0 m/s.

Deze waarde is vrij conservatief gekozen om een niet te ruim beeld van de potentiële stilstand te krijgen. De uitkomsten zijn gegroepeerd per maand en weergegeven in figuur 3.2. In de periode dat Wespendieven in Nederland verblijven varieert het windaanbod tussen 77–84%. Als percentage stilstand voor onderhoud is een vast percentage per maand van 2% aangehouden (zie Bakema & Scholtens 2015, Olauson et al. 2018).

18

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 3.2 Percentage van de tijd per maand waarin de turbines operationeel zijn, gebaseerd op het windaanbod.

Lichaamslengte en spanwijdte De grootte van een vogel is van invloed op de aanvaringskans. De lichaamslengte van een Wespendief ligt tussen 52–60 cm, waarbij de vrouwen 1–3% groter zijn dan mannen en ongeveer 8% zwaarder (Ferguson-Lees & Christie 2001). In de modelberekeningen is voor mannen een gemiddelde lichaamslengte van 55 cm en voor vrouwen van 57 cm gehanteerd. De spanwijdte is berekend op basis van vleugelmetingen van de Wespendieven die op de Veluwe zijn gezenderd. De berekende spanwijdte van mannen varieert tussen 120–132 cm en die van vrouwen tussen 125–145 cm. De spanwijdtes gehanteerd in het aanvaringsmodel zijn 126 cm (SD=2) voor mannen en 134 cm (SD=2) voor vrouwen. Vliegactiviteit De Wespendief is een dagactieve soort. In het aanvaringsmodel is gebruik gemaakt van de breedtegraad (52,2) om de daglengte te berekenen, m.a.w. de tijdspanne waarin de vogels actief zijn. Aangezien alleen vliegende vogels relevant zijn in het kader van aanvaringen met turbines, is op basis van de gezenderde Wespendieven berekend welk percentage van de tijd vliegend en zittend wordt doorgebracht, analoog aan de analyses van Schaub et al. (2020). Hiervoor zijn ruim 300.000 GPS-punten geclassificeerd in vliegend en zittend per uur van de dag (figuur 3.3). Samengevat wordt tussen 5 uur ’s ochtends en 20 uur ’s avonds gemiddeld 180 minuten vliegend doorgebracht, oftewel 20% van de tijd.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

19

Figuur 3.3 Vliegactiviteit van de Wespendief op en nabij de Veluwe.

Activiteit binnen en buiten de Veluwe Figuur 3.4 laat zien dat Wespendieven een groter deel van hun tijd op de Veluwe dan daarbuiten doorbrengen. Met name mannelijke Wespendieven komen relatief weinig buiten de Veluwe; zowel in het voorjaar als de zomer wordt nauwelijks buiten de Veluwe gevlogen (figuur 3.4 bovenaan, tabel 3.1). Bij de vrouwelijke vogels is het percentage vliegwaarnemingen buiten de Veluwe in het voorjaar ook laag, en in de broedperiode wordt er door de vrouwen überhaupt minder gevlogen dan de mannen. In de zomer ligt dit anders: dan wordt gemiddeld 6% van de dagtijd buiten de Veluwe doorgebracht, en 38% van alle vliegende waarnemingen zijn dan buiten de Veluwe. De vrouwelijke vogels vliegen dan ook verder dan mannen. Dit wordt nader besproken in de volgende paragraaf. De percentages vliegactiviteit buiten de Veluwe zijn gebruikt als correctie op de effectieve dichtheden per maand (zie volgende sectie).

Tabel 3.1 Percentages vliegwaarnemingen (mediane waarden) binnen en buiten de Veluwe in het voorjaar (mei-juli) en de zomermaanden (aug-sep). Voorjaar Geslacht

Zomer

Op Veluwe

Buiten Veluwe

Op Veluwe

Buiten Veluwe

Man

21,06

0,24

21,47

0,66

Vrouw

8,65

1,24

9,81

6,06

20

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 3.4 Percentages vliegactiviteit van de Wespendief binnen en buiten de Veluwe, bij mannen (boven) en vrouwen (onder).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

21

Dichtheid aan vogels De aanvaringskans van een Wespendief bij een éénmalige vlucht door de rotorzone van een turbine is afhankelijk van de vliegsnelheid van de vogel en de draaisnelheid van de rotorbladen. Het aantal aanvaringen wordt dan bepaald door het aantal vliegbewegingen dat door de rotorzone plaatsvindt. Dit is afhankelijk van het aantal vliegbewegingen van Wespendieven nabij de turbines, de hoogte waarop wordt gevlogen, het aantal turbines dat wordt gekruist en de ontwijkingskans. De intensiteit van vliegbewegingen ter hoogte van het windpark wordt gekwantificeerd door de flux. Normaliter wordt de flux geduid als het aantal vliegbewegingen dat per uur een denkbeeldige lijn van 1 km lengte kruist. In de huidige versies van het Band model wordt een proxy gebruikt, namelijk de dichtheid aan vogels ter hoogte van het windpark. Het Band model gaat uit van een constante flux van vogels door het windpark (Masden & Cook 2016). Met andere woorden, het model is gebaseerd op de aanname dat er op ieder moment vogels in het windpark aanwezig zijn, die – afhankelijk van de vliegsnelheid – een bepaalde tijd nodig hebben om door het windpark en de rotorzone van de turbines te vliegen (Masden & Cook 2016).

In het geval van de Wespendief is de situatie ingewikkelder, omdat de flux afhankelijk is van de locatie van de turbines ten opzichte van de nestlocaties en het leefgebied op de Veluwe. Hoe verder de turbines van de Veluwerand zijn gesitueerd, hoe kleiner de kans dat een Wespendief überhaupt in de buurt van de turbines komt. Een vergelijkbare situatie speelde in een studie door Eichhorn et al. (2012) naar aanvaringsrisico’s van Rode wouwen in Duitsland; hierbij hebben de onderzoekers een ruimtelijke component in het model ingebracht waarbij gecorrigeerd wordt voor de afstand tot de nestlocatie. In onderhavig onderzoek wordt een soortgelijke aanpak gehanteerd, waarbij de aanvaringsrisico’s zijn gemodelleerd voor verschillende afstanden tot de grens van het Natura 2000-gebied Veluwe. Hierbij zijn afstandsklassen van 1 km met een minimum van 0 km en een maximum van 8 km gehanteerd. Er is hierbij geen onderscheid gemaakt in de kwaliteit van het habitat voor de Wespendief, of specifieke locaties in het gebied, m.a.w. de toegepaste afstandscorrectie voor de dichtheid is gelijk voor alle terreintypen en alle locaties rondom het Natura 2000-gebied. In de werkelijkheid is waarschijnlijk wel degelijk sprake van variatie in habitatkwaliteit of ruimtegebruik; dit zou door aanvullende veldwaarnemingen in de nazomer (juli, augustus) kunnen worden onderzocht.

De afstandscorrectie is gebaseerd op de kans dat een Wespendief op een bepaalde afstand van de Veluwerand aanwezig is; deze is weer berekend aan de hand van de GPS-data van de gezenderde Wespendieven op de Veluwe (zie hoofdstuk 2). Als laatste stap in de berekening van de fluxen is gecorrigeerd voor het percentage van de dag dat vliegend wordt doorgebracht (zie vorige sectie). 2

Gebaseerd op 94 broedparen op de Veluwe komt de gemiddelde dichtheid uit op 0,143 per km in geschikt leefgebied. Voor één sexe is dat de helft (0,0715). In mei, juni en juli heeft de effectieve dichtheid betrekking op alleen de oudervogels omdat in deze periode geen (vliegvlugge) juveniele vogels aanwezig zijn. In augustus is dat wel het geval en de juvenielen tellen dan mee in de berekening van de aanvaringsrisico’s. In september zijn vrijwel alle adulte vogels weer op migratie en zijn voornamelijk nog juvenielen aanwezig; de dichtheid is dan gebaseerd op uitsluitend juveniele vogels. Voor de afstandscorrectie wordt in het model geen onderscheid gemaakt tussen adulte vogels en juvenielen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=f3a4adc4-8d1f-4d30-ad72-2fd193365623