CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Uitgangspunten Regionaal Programma Werklocaties

Gemeenteraad 26 september 2024, gemeente DoesburgBij agendapunt: Zienswijze Regionaal Programma Werklocaties3.242 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

UITGANGSPUNTEN REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES

1. DOEL VAN DEZE UITGANGSPUNTENNOTITIE Met het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) maken 16 gemeenten in de Groene Metropoolregio (GMR) elke vier jaar afspraken over de programmering van werklocaties (bedrijventerreinen, kantoorlocaties, winkelgebieden en campussen). Na twee jaar is er steeds een tussentijdse monitoring.

Deze uitgangspuntennotitie krijgen gemeenteraden aangeboden voor zienswijzen. De notitie is dus niet bedoeld ter besluitvorming en is ook nog niet het nieuwe RPW, maar een uitnodiging aan gemeenteraden voor het meegeven van een zienswijze.

Op dit moment bereiden we ons voor op het nieuwe RPW voor de periode 2025 – 2028. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de regiogemeenten. Zo zijn de keuzes in deze uitgangspuntennotitie tot stand gekomen in het ambtelijk en bestuurlijk platform van de Productieve regio. Ook hebben er meerdere integrale sessies plaatsgevonden voor een integrale ruimtelijke afstemming.

De GMR omvat de gemeenten: Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar. De gemeente Montferland maakt vanaf 2025 deel uit van de regio Achterhoek. Mook en Middelaar is wel onderdeel van de GMR, maar maakt geen onderdeel uit van het RPW. 1

2

2. INLEIDING OP EEN NIEUW RPW: DE CONTEXT 2.1 WAT IS EEN RPW?

2.3 PLANNING VAN HET RPW

In een RPW maken de betrokken gemeenten regionale afspraken om te voorzien in passende, toekomstbestendige werklocaties. Op deze manier dragen we bij aan een sterke regionale economie. Het RPW gaat ook over het optimaliseren en intensiveren van bestaande en nieuwe werklocaties op een duurzame manier.

In de eerste helft van 2025 moet het RPW zijn vastgesteld door alle gemeenteraden. Daarna stellen de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland het nieuwe RPW officieel vast. De provincie neemt het RPW op in de provinciale verordening en toetst de bestemmingsplannen daaraan. Gemeenteraden worden in het traject op twee momenten geraadpleegd. Allereerst via deze uitgangspuntennotitie. De ingediende zienswijzen worden, waar nodig, verwerkt in de definitieve versie van het RPW. In Q1 2025 gaat het definitieve RPW ter vaststelling naar de colleges en gemeenteraden. Dit is het tweede moment waarop gemeenteraden bij het nieuwe RPW worden betrokken. Het RPW wordt vastgesteld bij een meerderheid van gemeenten. In bijlage 1 is de planning verder uitgewerkt.

2.2 WAAROM EEN RPW? De omgevingsverordening van de provincie Gelderland verplicht gemeentebesturen om in regioverband iedere vier jaar een RPW op te stellen. De ontwikkeling van nieuwe werklocaties duurt jaren, daarom zijn de afspraken in het RPW gebaseerd op langjarige prognoses van de ruimtebehoefte.

2.4 BASIS VAN DE GEMAAKTE AFSPRAKEN Het RPW bouwt voort op eerder vastgestelde studies en beleidskaders, de belangrijkste hiervan zijn: Verstedelijkingsakkoord In het Verstedelijkingsakkoord ‘Meer landschap meer stad’ staan afspraken met het Rijk om tot aan 2040 de leefomgeving, economie en bereikbaarheid te versterken. Deze afspraken heeft de GMR samen met de Regio Foodvalley, de provincies Gelderland en Utrecht en de drie waterschappen gemaakt. De bouw van 60.000 woningen tot 2040 vraagt om voldoende ruimte voor economie in onze regio voor de groeiende bevolking en om veel heen en weer reizen (tussen regio’s) te voorkomen. Economie van de Toekomst Het in 2023 vastgestelde ‘Koersdocument Economie van de Toekomst’ geeft inzicht in de huidige economie en de lange termijnontwikkelingen van onze regio. Welk economisch profiel draagt de GMR uit? Focus ligt daarbij op de kennisecono-

3

2.5 BREDE WELVAART ALS BASIS VOOR HET NIEUWE RPW

mie met de clusters Health, Hightech en Energy als belangrijke innovatieve sectoren. Logistiek is daarbij alleen van belang als het ondersteunend is aan de topsectoren. Aandacht voor het midden en klein bedrijf blijft van belang, daar zit het grootste deel van onze werkgelegenheid.

Het begrip ‘brede welvaart’ laat zich samenvatten als alles wat mensen van waarde vinden. Daarbij gaat het om meer dan alleen financiële en materiële welvaart maar ook om bijvoorbeeld gezondheid, welzijn, veiligheid en milieu. Brede welvaart gaat dus ook over verduurzaming en optimalisatie van het ruimtegebruik op werklocaties. Dit draagt bij aan een gezonde werkomgeving, behoud van het open landschap, een veiligere werkomgeving en openbare ruimte en een schoner woon- en leefmilieu. Daarom zetten we bij nieuwe werklocaties in op optimaal gebruik van de ruimte en een duurzame gebiedsontwikkeling, met aandacht voor klimaatadaptatie, waterberging, circulaire economie en vergroening.

Regioarrangement Eind 2023 is het regioarrangement vastgesteld. De provincie, regio, regiogemeenten en waterschappen geven hierin hun gezamenlijke perspectief op hoe ze alle opgaven in de komende twintig tot dertig jaar in samenhang gaan aanpakken. Het onderzoeksrapport ‘Economie van de Toekomst’ leverde de input op voor het onderdeel economie. De volgende thema’s komen in het regioarrangement aan bod: • Herstructurering en verdichting (ruimtewinst behalen op zowel nieuw aan te leggen bedrijventerreinen als via herstructurering van bestaande bedrijventerreinen). • Circulariteit (koesteren en behouden van Hogere Milieu Categorie locaties). • Logistiek (ontwikkeling van stadsdistributiehubs en logistiek is ondersteunend aan onze topsectoren). • Campussen en innovatiemilieus (ruimte voor ontwikkeling is cruciaal op en rond de bestaande campussen en op innovatieve werklocaties in de regio).

De transitie naar een circulaire economie staat ook in dienst van de brede welvaart (verkleinen van de milieu-impact). In dat kader is het noodzakelijk om in te zetten op zowel optimalisatie van bestaande als ontwikkeling van nieuwe hogere milieu categorie en watergebonden locaties.

4

3. BEDRIJVENTERREINEN 3.1 AANBOD EN VRAAG

De toekomstige ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen voor onze regio is gebaseerd op de provinciale vraagraming van de behoefte aan bedrijventerreinen tot 2040. In de vraagraming voor werklocaties richten we ons niet alleen op m2 (hectares), maar maken ook het aantal arbeidsplaatsen zichtbaar waarop de vraagraming is gebaseerd. Als we als regio geen keuzes maken waarop in te zetten is deze ruimtebehoefte voor onze regio tussen de 200 en 640 hectare. Als regio maken echter wel keuzes, waardoor de totale ruimtebehoefte tot 2040 voor onze regio uitkomt op 295 hectare onderverdeeld in 70 hectare ruimtewinst door middel van herstructurering (donkerblauw) en 225 hectare aan nieuwe ontwikkelruimte (lichtblauw). Hieronder de belangrijkste keuzes die hieraan ten grondslag liggen: • Voor het bepalen van de economische groei is er de keuze uit laag, midden of hoog scenario. We kiezen (net zoals in het vorige RPW) voor het midden scenario onder andere omdat dit een realistisch en haalbaar scenario is, gezien de schaarse ruimte in de regio en de vele andere ruimteclaims.

Binnen de GMR is 50% van de totale werkgelegenheid te vinden op werklocaties. De 16 betrokken gemeenten beschikken gezamenlijk over 120 bedrijventerreinen, deze hebben een totale oppervlakte van zo’n 3.200 bruto hectare. De afbeelding hieronder is een schematische weergave van de huidige voorraad bedrijventerreinen en de berekende uitbreidingsvraag. Iedere ‘pixel’ komt overeen met 5 hectare (50.000 m2 terrein, oftewel 10 voetbalvelden). Het grote vierkant aan de rechterzijde laat de bestaande voorraad zien onderverdeeld naar lokaal (roze) en boven-regionaal (oranje) aanbod. . In totaliteit heeft de GMR op dit moment 50 hectare direct beschikbaar om uit te geven aan bedrijven (donkergroen). Er zijn ook nog plannen die gedurende de huidige looptijd van het RPW zijn vastgesteld maar waarvan het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is vastgesteld. Dat deel komt komende jaren op de markt en is 115 hectare (lichtgroen).

5

• Op dit moment zijn er al concrete plannen voor de transformatie van een aantal bedrijventerreinen naar (vooral) woningbouw. Deze verdwenen ruimte willen we 1 op 1 compenseren. • We beperken de ontwikkelruimte voor XXL-logistiek, omdat we XXL-logistiek als faciliterend aan de regionale economie beschouwen (zie ook 3.4). • Een deel van de ruimtevraag moet gerealiseerd worden op bestaande bedrijventerreinen ,vooral gericht op herstructurering • We realiseren minder nieuw aan te leggen bedrijventerreinen, omdat we de nieuwe ruimte intensiever gaan invullen.

• Huidige gevestigde bedrijven een alternatieve locatie krijgen aangeboden binnen de regio; • Het aantal m2 bedrijventerrein binnen de regio wordt gecompenseerd.

In totaal is er voor de komende RPW periode 2025-2028 behoefte aan 74 hectare extra ruimte; waarvan 9 hectare door herstructurering en 65 hectare door nieuwe ontwikkelingen.

Extra ruimte toevoegen kan bijvoorbeeld door een extra verdieping op bestaande gebouwen te bouwen, aan te bouwen en onbebouwde ruimte te benutten.

De gemeente is zelf aan zet om met een plan komen voor compensatie binnen eigen gemeente of binnen de regio. Dit plan wordt voorgelegd aan de regio.

Stap 2: Extra m2 toevoegen op bestaande gebouwen

3.2 RUIMTE VOOR ECONOMIE IN VIJF STAPPEN

Stap 3: inzetten op herstructurering en intensivering bestaande bedrijventerreinen

In het nieuwe RPW gaan we door met het bestaande regionale beleid voor bedrijventerreinen. Wel zetten we verdere stappen als het gaat om zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke inpassing en het toekomstbestendig maken van bedrijventerreinen. We gaan daarbij uit van 5 stappen waarbij de stappen 1 tot en met 4 parallel aan elkaar worden uitgevoerd. Hierbij wordt er wel alvast gestart met planvorming van mogelijke nieuwe locaties (aangezien dit veel tijd kost en we nu al weten dat niet alle ruimtevraag binnen stappen 1 t/m 4 kan landen).

Bij herstructurering hebben we het met name over het doen van forse ingrepen in bestaande bebouwing en in de indeling van bestaande kavel(s) om tot efficiëntere en nieuwe inrichting van de bedrijfsruimte te komen. Herstructurering van bedrijventerreinen is per definitie kostbaar, complex en tijdrovend. De investeringen zijn niet zozeer terug te verdienen in de verkoop van gronden maar in minder verlies aan weilanden, een hogere gebruik- en belevingswaarde rond de (veelal binnenstedelijke) bestaande terreinen en minder energie- en brandstofverbruik. Maar ook in de bijdrage aan de biodiversiteit en veiligheid & ondermijning waarmee de maatschappelijke meerwaarde stijgt. Om herstructurering mogelijk te maken gaan wij op zoek naar Europese- en Rijksfondsen die hieraan kunnen bijdragen. Gemeenten zullen vooral inkind bijdragen in het proces naar uitvoering. Daarnaast onderzoeken we wat andere instru-

Stap 1: behoud van de werklocatiefunctie

De eerste stap is het zoveel mogelijk behouden van bestaande bedrijventerreinen. Transformatie van bedrijventerreinen naar andere functies (zoals woningbouw) staan we alleen toe als:

6

3.3 VERDERE UITGANGSPUNTEN VOOR ONTWIKKELING

menten zijn die hieraan bij kunnen dragen, zoals bijvoorbeeld de statiegeldregeling waarbij bij de verkoop van gronden met een bepaald bedrag wordt verhoogd en dit ingezet kan worden voor herstructureringslocaties. Deze statiegeldregeling geldt voor uitgifte van nieuwe terreinen. Vanzelfsprekend heeft ook de markt een rol bij de herstructureringsopgave.

• De Ladder van Duurzame Verstedelijking is en blijft het toetsingskader voor lokale en regionale ontwikkelingen. Dat betekent dat per werkmilieu de ruimtevraag moet worden aangetoond. Er moet in kaart worden gebracht in hoeverre de ruimtevraag binnen bestaand stedelijk valt in te passen. En er moet gekeken worden of bestaande bedrijventerreinen mogelijk geschikt (te maken) zijn door middel van herstructurering en/of transformatie. Als de voorgaande punten niet mogelijk blijken, komen nieuwe ontwikkelingen in aanmerking. • Een halfjaar na vaststelling van het nieuwe RPW stelt de GMR een nieuwe tranche open voor het indienen van nieuwe ontwikkelplannen. In het RPW komen de spelregels waaraan de plannen moeten voldoen. • Er komt een geactualiseerd afwegingskader om te bepalen hoe initiatieven worden behandeld.

Stap 4: combineren van werken met andere functies

Voor het combineren van werken met andere functies (zoals wonen en winkelen) bevorderen we onder meer de werkfunctie in steden en kleine kernen, bijvoorbeeld in leegstaande winkelpanden of bij nieuwe woningbouwlocaties. Deze functiemenging heeft een positief effect op de ruimtevraag. Met name bij bedrijven binnen milieucategorie 1 en 2 (sportscholen, kleinschalige solitaire kantoorfuncties, reisbureaus, etc.) is deze combinatie mogelijk. Een extra meerwaarde van deze functiemenging is het positieve effect op de leefbaarheid van de woonomgeving.

3.4 WAT IS NOG MEER VAN BELANG? • Door de netcongestie is er tot minimaal 2029 geen aansluitmogelijkheid voor nieuwe bedrijventerreinen. Dit moet wel nu al planologisch mogelijk gemaakt worden want ontwikkelingen kosten veel tijd. Wel geldt dat de ontwikkeling van nieuwe ruimte alleen mogelijk is als private partijen of gemeenten met een oplossing voor het energievraagstuk komen. • De verbreding van de A12 en het doortrekken van de A15 zijn belangrijke ontwikkelingen voor de verdere economische groei van de regio. Vanuit Verbonden regio en Productieve regio bekijken we wederkerig de (ruimtelijke) effecten op de bereikbaarheid. De resultaten hiervan nemen we mee in het nieuwe RPW.Binnen het nieuwe RPW gaan we verdere afspraken maken over de huisvesting van arbeidsmigranten. Voor XXL-logistiek is in het huidige RPW al vastgelegd dat werkgevers allereerst kijken naar de regionale pool van arbeidskrachten. Worden toch arbeidsmigranten ingezet? Dan moet de

Stap 5: nieuwe ontwikkelruimte voor overblijvende ruimtebehoefte Nieuwe ontwikkelruimte zien we vooral als schuifruimte voor potentiële herstructurering en daarnaast als doorgroeilocatie voor bedrijven die al in de regio zijn gevestigd. Om hierop te sturen, hanteren we een minimale milieucategorie. Zo voorkomen we de komst van ongewenste bedrijven (reisbureaus, sportscholen, kleinschalige solitaire kantoorfuncties, etc.) op deze locaties. Lokaal maatwerk om te bepalen wat wel/niet gewenst is qua gebruik op een bedrijventerrein moet daarbij mogelijk zijn. Nieuwe ontwikkelruimte moet zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande bedrijventerreinen.

7

eindgebruiker/werkgever zorgen voor kwalitatief goede huisvesting. • Elke gemeente krijgt de mogelijkheid om lokale ondernemers ruimte te bieden op lokale terreinen met een maximum van totaal 5 hectare per gemeente. Ook voor lokale terreinen geldt de inzet op intensivering, herstructurering en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. • Het opnemen van collectieve voorzieningen, zoals laadvoorzieningen, op (nieuwe) bedrijventerreinen is een harde randvoorwaarde voor nieuw te ontwikkelen locaties. Afhankelijk van de grootte van een nieuwe werklocatie is maatwerk mogelijk. • Er is fysieke ruimte nodig voor circulaire activiteiten. De circulaire transitie vindt voornamelijk plaats bij bestaande bedrijven in de regio. Naast behoud van Hogere Milieu Categorie (hmc) locaties moet er beter gebruik worden gemaakt van de bestaande planologische ruimte hiervoor in onze regio. • Vergroening, klimaatadaptatie, waterberging en gezondheid op bedrijventerreinen moeten integraal deel uitmaken van nieuwe en te herstructureren terreinen. • Logistiek is een noodzakelijke randvoorwaarde voor verdere groei van de regio. Denk alleen al aan de bevoorrading van winkels of bezorging

van medicijnen. Nieuwe XXL logistiek laten we alleen toe als zij nodig zijn ter ondersteuning aan onze topsectoren (Health, Hightech en Energy) en voor bestaande logistieke bedrijven in de regio om door te groeien. Ook de logistieke opgave moet deels door herstructurering en intensivering worden opgepakt. Dit geldt in het bijzonder voor stadsdistributie, waarbij ruimte gevonden moet worden in de buurt van de grotere steden. • Behoud en waar mogelijk uitbreiding van bestaande watergebonden bedrijventerreinen is nodig voor duurzame logistiek en de circulaire transitie. In de GMR is er op dit moment geen beschikbaar aanbod van watergebonden kavels op bedrijventerreinen.

3.5 BEDRIJVENTERREINEN MET BIJZONDER BELANG Op een aantal bedrijventerreinen in onze regio komen diverse opgaven samen: energievoorziening, circulariteit, hmc, herstructurering en watergebonden terreinen. We noemen dit bedrijventerreinen met een bijzonder belang. Welke terreinen dat zijn stellen we in het RPW-proces vast. In de komende RPW-periode volgen we deze terreinen nauwgezet, om zo de realisatie van de regionale ambities op deze terreinen te borgen.

8

4. KANTOORLOCATIES In het nieuwe RPW geven we minder kaders mee dan in voorgaande RPW’s ten aanzien van kantoren. Het is aan gemeenten zelf te acteren en eventuele initiatieven te voorzien van de benodigde onderbouwing.

• Nieuwe ontwikkelingen van kantoren concentreren zich in de stationsgebieden van Arnhem Centraal en Nijmegen Centraal/ Centrumgebied. De stations Arnhem Zuid, Arnhem Velperpoort, Elst Centraal, Heijendaal en Nijmegen Lent zijn toegewezen als mogelijke overlooplocaties (inclusief behoud 5.000 m2 ontwikkelruimte voor zowel Elst Centraal als voor Nijmegen Lent). • Op campussen is ruimte voor kantoorhoudende bedrijven die de campus versterken (zie ook ‘Uitgangspunten voor campussen’). • Toekomstbestendige kantoorparken worden kwalitatief versterkt. In Arnhem gaat het om: Arnhems Buiten (tevens campus), Gelderse Poort en Velperweg. In Nijmegen gaat het om: Brabantse Poort en Heijendaal (tevens campus). Op de overige kantoorparken (Kronenburg e.o. in Arnhem) stimuleren we transformatie naar een passende (economische) functie. Op kantoorparken is dus in principe geen sprake van uitbreiding van het aantal vierkante meters. • Op bedrijventerreinen is in principe geen nieuwe (solitaire) kantoorontwikkelingen toegestaan. Uitzondering hierop zijn kantoren die campuslocaties versterken. Bovendien worden maatregelen getroffen om herontwikkeling van langdurig leegstaande kantoren voor bedrijvigheid (van kantoorruimte naar bedrijfsruimte) te stimuleren. • We faciliteren kantoren in de wijk (t.b.v. werken in de wijk) ruimtelijk en planologisch tot een maximale omvang van 500 m2.

Wel geldt als voorwaarde dat het initiatief past in het gemeentelijke omgevingsbeleid en de wijkeconomie versterkt. • De GMR ziet geen rol in de transformatie van bestaande (leegstaande) kantoorgebouwen naar andere functies, zoals woningbouw, tijdelijke opvang, etc. Het initiatief hiertoe ligt bij gebouweigenaren en de afzonderlijke gemeenten.

De volgende uitgangspunten zijn van toepassing voor kantoren: • Het kantorenbeleid in het RPW is met name gericht op Arnhem en Nijmegen. Beide gemeenten hebben een eigen kantorenbeleid uitgewerkt. De uitgangspunten van dit beleid zijn in lijn met het regionale kantorenbeleid. • De nieuwe vraagraming voor kantoren laat een uitbreidingsbehoefte zien van 130.000 tot 260.000 m2. Daar staat een aanbod tegenover van ca. 130.000 m2.

9

5. (PERIFERE) DETAILHANDEL Het nieuwe RPW richt zich qua detailhandel op (boven)regionale opgaven , zijnde Perifere Detailhandels Vestiging ( PDV ) en Grootschalige Detailhandels Vestiging (GDV ). In het nieuwe RPW zijn er geen wijzigingen ten opzichte van het huidige RPW als het gaat om (perifere) detailhandel. Het doel is om een zo compleet mogelijk voorzieningenpakket voor de regio te bieden, gericht op versterking van bestaande concentraties en het voorkomen van versnippering. De belangrijkste uitgangspunten in het nieuwe RPW voor (perifere) detailhandel zijn: • Het recent uitgevoerde Koopstromenonderzoek Oost-Nederland leidt niet tot aanpassingen aan de bestaande regels voor (perifere) detailhandel in het RPW.

• Mogelijkheden voor additionele ontwikkelruimte van Perifere Detailhandels Vestigingen bevindt zich alleen in Duiven (te realiseren door middel van intensivering/ herstructurering van de bestaande voorraad) • De GMR ziet geen rol in lokale voorzieningen/ aangelegenheden. Het initiatief hiertoe ligt bij gemeenten. Het beschermen van de vitaliteit van binnensteden, dorpen en wijkcentra maakt geen onderdeel uit van het RPW, maar is een gemeentelijke aangelegenheid. Het mixen van wonen en werken kan helpen bij de vitaliteit en versterking van de dorpskernen.

10

6. CAMPUSSEN Campussen zijn een magneet voor talent, ondernemerschap en investeerders. Dit zorgt voor innovatieve bedrijvigheid op deze bijzondere werklocaties. Verdere versterking van de positie van onze campussen is van belang voor duurzame economische ontwikkeling en het innovatieve vermogen van de regio. Zowel in economisch als ruimtelijk opzicht. Dit betekent dat er regionaal aandacht moet zijn voor het faciliteren van voldoende ruimte voor innovatieve bedrijvigheid in onze Health, Hightech en Energy. Op bestaande campussen, samen met de triple helix, moet er (meer) geïnvesteerd worden in: 1. Vergroten van de beschikbare ruimte voor bedrijvigheid én benodigde faciliteiten (zoals lab- en onderzoeksfaciliteiten). 2. Verbeteren van belangrijke ruimtelijke randvoorwaarden (zoals bereikbaarheid via openbaar vervoer). 3. Blijvend ondersteunen en ontwikkelen van programma’s gericht op business support, samenwerking, projectontwikkeling en innovatie en kennisdeling. Daarnaast zijn de volgende uitgangspunten relevant voor campussen: • We praten over de volgende campussen: NovioTech Campus als een volwassen campus en Campus Heijendaal als een groeicampus (volgens het ministerie van Economische Zaken en Klimaat). Daarnaast kennen we de campussen in Arnhem: IPKW, Arnhems Buiten en Kenniscampus Arnhem-Velp.

• De campuslocaties zijn ontoereikend om alle benodigde (toekomstige) ruimte te faciliteren. • De behoeften op en rond de campussen vragen om meer campus gerelateerde- ruimte. Deze groei vraagt ook om ruimte in de omliggende (regio) gemeenten op bestaande bedrijventerreinen en nieuwe ontwikkellocaties

Perifere DetailhandelsVestigingen (PDV) zijn winkels die volumineuze goederen verkopen. Door de aard en omvang van de goederen zijn deze winkels moeilijk inpasbaar in bestaande winkelcentra. 3 Bij Grootschalige DetailhandelsVestigingen (GDV) gaat het niet om de omvang van de goederen, maar om de omvang van de winkel zelf. Grootschalige detailhandelsvestigingen zijn minimaal 1.500 m2 bruto vloeroppervlak. 2

11

BIJLAGE 1 PLANNING RPW-PROCES

12

Nijverheidsweg 2a 6662 NG Elst info@groenemetropoolregio.nl www.groenemetropoolregio.nl

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=86e89326-0d01-48d6-97ee-f23402e5a2d4