CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Definitief Regionaal Programma Werklocaties 2025-2028

Gecombineerde commissie 14 mei 2025, gemeente DoesburgBij agendapunt: (VROM) Instemming Regionaal Programma Werklocaties 2025-2028 (Raadsvoorstel)18.950 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES 2025-2028 GROENE METROPOOLREGIO ARNHEM-NIJMEGEN

ELST, 3 MAART 2025

INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

Inleiding op het RPW 2025-2028 Wat is een RPW? Waarom een RPW? Geografische afbakening Inhoudelijke afbakening RPW Basis van de gemaakte afspraken Wat is er nieuw in dit RPW?

4 4 4 4 5 5 6

6.5 6.6

Concentratiegebieden (PDV en GDV) Spelregels (PDV en GDV)

46 47

7 7.1 7.2 7.3

Uitvoering RPW Regionale afstemming IOW Monitoring Vervolgstappen na vaststelling RPW

49 49 49 49

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

De context van het RPW Europees: Rapport Draghi Landelijk: Programma Ruimte voor Economie Provinciaal: Programma Ruimte voor Economie Regionaal: Regionale meerwaarde als basis voor keuzes Economie van de GMR in vogelvlucht

8 8 8 9 9 10

Afwegingskaders A) Stroomschema bestaande bedrijventerreinen B) Stroomschema Nieuwe ontwikkellocaties C) Stroomschema Kantoren D) Stroomschema Reguliere Detailhandel E) Stroomschema (PDV/GDV)

50 50 50 51 51 52

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

Bedrijventerreinen Actuele stand van zaken: Ontwikkelopgave RPW 2025-2028 Omgevingsfactoren en maatschappelijke opgaven Spelregels bestaande bebouwing Spelregels nieuwe ontwikkelruimte Spelregels netcongestie Bedrijventerreinen met bijzonder belang

12 12 12 21 29 30 32 33

Voorstel Beoordelingskader nieuwe regionale bedrijventerreinen

53

Bijlagen

56

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Campussen Wat is een campus? Welke campussen zijn er in de GMR? Aparte status campussen Doelstellingen van het regionaal beleid voor campussen Uitgangspunten Campussen Spelregels Campussen

34 34 36 37 37 38 39

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Kantoren Actuele stand van zaken: Doelstelling van het Regionale Kantorenbeleid Ruimtevraag in dit RPW: Aanbod kantoren tot 2030: Vraag-aanbod confrontatie: Spelregels kantoren

40 40 40 40 41 41 42

6 6.1 6.2 6.3 6.4

(Perifere)Detailhandel Afbakening Detailhandel Actuele stand van zaken: Uitgangspunt detailhandel: Spelregels Reguliere detailhandel

43 43 43 44 45

2

3

1. INLEIDING OP HET RPW 2025-2028 1.1 WAT IS EEN RPW?

1.4 INHOUDELIJKE AFBAKENING RPW

Meer dan de helft van de banen binnen de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR) bevindt zich op werklocaties zoals bedrijventerreinen, campussen, kantoren en winkelgebieden. Deze werklocaties zijn een bron van economische activiteiten en zijn daarmee de drijvende kracht achter de regionale economie.

Met het RPW werken de betrokken gemeenten samen aan het toekomstbestendig maken van de regionale werklocaties. Dit betekent zorgen voor genoeg fysieke ruimte voor bedrijven, efficiënt ruimtegebruik van de beschikbare ruimte, rekening houden met het inpassen van duurzaamheidsmaatregelen (energie, biodiversiteit en klimaatadaptatie) en werken aan een goede bereikbaarheid van werklocaties.

In het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) maken de gemeenten regionale programmeringsafspraken over werklocaties met als doel:

1.3 GEOGRAFISCHE AFBAKENING De GMR bestaat uit 17 gemeenten, waarvan er 16 gemeenten samenwerken binnen het RPW 2025-2028: Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar.

Regionaal te voorzien in een toekomstbestendige voorraad van ruimte voor werklocaties, en daarmee vanuit een ruimtelijk-economisch perspectief, bij te dragen aan een sterke en toekomstbestendige regionale economische structuur.

*De gemeente Montferland maakt vanaf 1 januari 2025 deel uit van de regio Achterhoek. De gemeente Mook en Middelaar is wel onderdeel van de GMR, maar maakt geen onderdeel uit van het RPW.

1.2 WAAROM EEN RPW? Figuur 1 Geografische afbakening Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (2025)

Allereerst is het RPW wettelijk verankerd: de provincie Gelderland vraagt volgens de provinciale omgevingsverordening aan Gelderse gemeentebesturen om in regioverband iedere vier jaar een RPW op te stellen.

RHEDEN

Ten tweede is het RPW van belang om op regionaal niveau voldoende ruimte te houden voor de economie en waar nodig te vergroten in afstemming met andere ruimtevragers. In de afgelopen jaren is namelijk de druk op de ruimte in Nederland sterk toegenomen door ruimteclaims van de verschillende maatschappelijke opgaven zoals de woningbouw, bereikbaarheid, energietransitie en natuur.

ROZENDAAL DOESBURG ARNHEM RENKUM WESTERVOORT DUIVEN OVERBETUWE

LINGEWAARD DRUTEN

BEUNINGEN

ZEVENAAR

en met 2040 in beide regio’s de leefomgeving, economie en bereikbaarheid te versterken. De bouw van 60.000 woningen tot 2040 vraagt om voldoende ruimte voor economie in onze regio voor de groeiende bevolking.

De afspraken binnen het RPW 2025-2028 gelden voor de komende vier jaar en worden halverwege eenmaal gemonitord. Deze afspraken kijken ook verder vooruit, naar de (middel)lange termijn. Het doel is namelijk om voldoende ruimte te bieden voor de economie, nu en in de toekomst.

Economie van de Toekomst Het in 2023 vastgestelde ‘Koersdocument Economie van de Toekomst’ geeft inzicht in de huidige economie en de lange termijnontwikkelingen van onze regio. Dit strategische document vormt een belangrijk kader voor de meerjarige keuzes op het gebied van economie. Welk economisch profiel draagt de GMR uit? Focus ligt daarbij op de kenniseconomie met de clusters Health, Hightech en Energy als belangrijkste innovatie topsectoren. Nieuwe logistieke ontwikkelingen zijn voornamelijk ondersteunend aan de topsectoren. Verder blijft aandacht voor het midden- en klein bedrijf (MKB) van belang. Binnen het MKB zit namelijk het grootste gedeelte van onze werkgelegenheid.

Dit RPW wil niet alleen snel resultaat zien, maar ook zorgen dat de economie in de regio op een duurzame manier sterk en gezond blijft. Door de bestaande werklocaties te verbeteren en duurzamer te maken, leggen we een stevige basis voor blijvende (economische) groei en stabiliteit. Het RPW vervult in het kort de volgende functies: •R  egionale uitgangspunten: het RPW bevat de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van werklocaties. • Afsprakenkader: het RPW is het regionale afsprakenkader over de planning en programmering van werklocaties van de 16 gemeenten in de GMR. •B  eleidskader: het RPW vormt het beleidskader waarop vanuit de regio nieuwe ontwikkelingen worden geaccordeerd en adviezen worden gegeven aan de Gedeputeerde Staten (GS), voordat die aan GS worden voorgelegd ter besluitvorming. •T  oetsingskader: na de vaststelling van het RPW door de gemeenteraden en GS is het RPW voor de provincie Gelderland een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het RPW opereert binnen de kaders van de Omgevingsverordening Gelderland: de provinciale Omgevingsverordening biedt de juridische basis en de regels waaraan het RPW zich moet houden.

Regionale Agenda 2025-2028 In de regionale agenda staan per opgave de doelen en activiteiten van de GMR beschreven, gevolgd door een uitwerking van de speerpunten. De opgave Productieve regio heeft het doel om de volgende ambities met het RPW 2025-2028 te realiseren: Ondersteunen van meer herstructurering en verdichting van bestaande werklocaties; Behoud van werklocatiefuncties voor het midden- en kleinbedrijf (MKB); Verduurzaming van werklocaties: energietransitie, biodiversiteit, circulariteit en klimaatadaptie;

NIJMEGEN WIJCHEN BERG EN DAL HEUMEN

MOOK EN MIDDELAAR

Ook in de GMR wordt ruimte voor werklocaties steeds schaarser. Deze schaarste is een risico aangezien het de regionale economie kan beperken in haar groei en de regio minder aantrekkelijk dreigt te maken voor bedrijven van groot tot klein en voor de inwoners van de GMR.

1.5 BASIS VAN DE GEMAAKTE AFSPRAKEN

Ruimte voor circulaire economie, watergebonden en hoge milieucategorie bedrijven;

Het RPW bouwt voort op eerdere studies en beleidskaders, de belangrijkste hiervan zijn:

Ruimte voor de ontwikkeling van de campussen;

Verstedelijkingsakkoord In het Verstedelijkingsakkoord ‘Meer landschap meer stad’ zijn samen met de Regio Foodvalley, provincies Gelderland en Utrecht en drie waterschappen afspraken gemaakt met het Rijk om tot

4

NOVEX Arnhem-Nijmegen-Foodvalley De Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) Arnhem-Nijmegen-Foodvalley is een strategisch (visie)document waar 26 gemeenten, 3 water-

5

1.6 WAT IS ER NIEUW IN DIT RPW?

schappen, 2 provincies en het Rijk samenwerken aan de toekomst van de regio’s Arnhem-Nijmegen en Foodvalley.

In het RPW 2025-2028 maken wij als regio een flinke kwalitatieve slag ten opzichte van het vorige RPW, wat meer kwantitatief van aard was en waar het vooral ging over nieuwe ontwikkelingen op de juiste plek. Nu is de focus, door de diverse maatschappelijke opgaven, om vanuit het perspectief van brede welvaart duurzamer om te gaan met de bestaande en nog nieuw te ontwikkelen werklocaties, waarbij ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van campussen en regionaal verankerde innovatieve bedrijven op de campussen in de GMR.

De NOVEX Arnhem-Nijmegen-Foodvalley richt zich op de termijn 2025-2040. In relatie tot werklocaties is de strategie binnen de NOVEX om nieuwe woningen en nieuwe werklocaties te plannen in de nabijheid van bestaande infrastructuur en openbaar vervoer (H)OV-knopen. Door gebruik te maken van bestaande infrastructuur en openbaar vervoer, kunnen de kosten en de ecologische voetafdruk van nieuwe ontwikkelingen worden verminderd. Hierdoor wordt de regio niet alleen aantrekkelijker voor bewoners en bedrijven, maar wordt ook de leefbaarheid en duurzaamheid van het gebied verbeterd.

Zuiniger met wat er is en wat er nog komt Om toekomstige uitbreidingen van werklocaties niet meer automatisch in uitleggebieden te laten plaatsvinden, hebben we het stappenplan ‘Ruimte voor de economie’ opgenomen in het RPW 2025-2028. Dit plan richt zich op het behoud en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen om de behoefte aan nieuwe ontwikkellocaties te minimaliseren. Wij streven als GMR ernaar om de behoefte aan nieuwe ontwikkellocaties binnen het RPW 2025-2028 te beperken tot 45 hectare (zie hoofdstuk 3 bedrijventerreinen voor uitgebreide toelichting).

Regioarrangement Eind 2023 is het regioarrangement vastgesteld, hierin geven provincie, GMR, de 18 regiogemeenten en de drie waterschappen hun gezamenlijke perspectief op hoe ze alle opgaven de komende 20 tot 30 jaar in samenhang gaan aanpakken. Voor economie was het onderzoeksrapport Economie van de Toekomst hiervoor de input. De volgende thema’s komen daarbij aan bod:

enkel financiële economische groei. Brede welvaart gaat over welvaart, welzijn en welbevinden van mensen – oftewel, de kwaliteit van leven en wat mensen van waarde vinden. Het gaat daarbij niet alleen om de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’; het gaat ook om de impact op de kwaliteit van leven buiten de grenzen van de eigen stad, regio of land (‘elders’), en de gevolgen voor toekomstige generaties (‘later’).

van campussen. Campussen zijn werklocaties waar kennis en innovatie samenkomen, voor de GMR specifiek activiteiten binnen de topsectoren Health, Hightech en Energy. De vraag naar ruimte op campussen groeit, vooral door startups en Research & Developments-centra van innovatieve bedrijven. Daarom is het belangrijk om ruimte te reserveren voor deze regionaal verankerde bedrijven.

Het brede welvaart denken zorgt ervoor dat met een integrale blik gekeken wordt naar hoe het gaat met de regio. Daarnaast kan brede welvaart gezien worden als een richtinggevend kader door op een integrale manier te bepalen aan welke strategische ‘knoppen’ je kan draaien ten behoeve van de regionale ontwikkeling.

Daarnaast hebben succesvolle scale-ups (startups die uit hun ‘jasje’ groeien) vaak behoefte aan betaalbare werkruimte voor productie, wat meestal plaatsvindt op reguliere bedrijventerreinen. Om de groei van onze topsectoren te ondersteunen, is extra ruimte voor campussen nodig. Dit wordt meegenomen in het RPW 2025-2028.

Bijzondere aandacht voor campussen Verder wordt er in het RPW 2025-2028 uitgebreider aandacht besteed aan de ontwikkelingen

Figuur 2 Brede welvaart: afruilen in het hier en nu

•H  erstructurering en verdichting: Ruimtewinst behalen zowel op nieuw aan te leggen terreinen als herstructurering van bestaande bedrijventerreinen; •C  irculariteit: koesteren en behouden van bestaande hoge milieucategorie (hmc)-locaties (binnen de Omgevingswet: locaties met een hoge milieugebruiksniveau van 3 of hoger) en circulaire bedrijven; • Logistiek: inzetten op de ontwikkeling van stadsdistributiehubs en logistiek is ondersteunend aan topsectoren; •C  ampussen en innovatiemilieus: ruimte voor ontwikkeling is cruciaal op en rond de bestaande campussen en op innovatieve werklocaties in de regio.

Bron: Economische Monitor GMR 2024/25

Kijken met een brede blik op welvaart Overkoepelend wordt er binnen het RPW 20252028 gewerkt vanuit het perspectief van de brede welvaart. Het concept brede welvaart komt voort uit het besef dat vooruitgang meer is dan

6

7

2. DE CONTEXT VAN HET RPW 2) Decarbonisatie en Circulaire Economie: Stimuleer de overgang naar een koolstofarme en circulaire economie om de concurrentiekracht te behouden. Europa moet zijn leidende positie in schone technologieën zoals windenergie en waterstof verder ontwikkelen.

In dit hoofdstuk schetsen we de bredere context waarin het RPW 2025-2028 zich bevindt. We beschrijven de Europese, nationale, provinciale en regionale kaders die van invloed zijn op de ontwikkeling van werklocaties. Deze context is van belang om te begrijpen waarom we bepaalde keuzes maken en welke focus we de komende vier jaar hanteren.

3) Strategische Autonomie: Verminder de afhankelijkheid van import door lokaal te produceren en te investeren in eigen capaciteit, vooral op het gebied van kritieke grondstoffen en technologieën.

2.1 EUROPEES: RAPPORT DRAGHI – CONCURRENTIEPOSITIE EU: RUIMTE MAKEN VOOR DE ECONOMIE

De lessen voor ons RPW uit het verhaal van Draghi zijn dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de regionale overheden in het vestigingsklimaat van bedrijven (niet alleen start-ups en scale-ups) en dat we toewerken naar een circulair eindpunt. We moeten juist nu industrieruimte behouden én ruimte vinden om uit te breiden. Niet alleen in dit RPW, maar ook daarna.

The future of European competitiveness Part A | A competitiveness strategy for Europe

S E P T E M B E R

2 0 2 4

Op Europees niveau biedt het rapport van Draghi (2024) een diepgaand inzicht in de toekomst van het Europese concurrentievermogen. Het rapport van Mario Draghi analyseert de economische structuur van Europa en benadrukt de noodzaak van langjarige investeringen om het verdienvermogen te versterken. Europa kampt namelijk met hoge energiekosten, structurele tekorten op de arbeidsmarkt, een gebrek aan innovatie en afnemende geopolitieke veiligheid. Deze problemen zijn structureel en vereisen aanzienlijke investeringen om op te lossen.

2.2 LANDELIJK: PROGRAMMA RUIMTE VOOR ECONOMIE

Programma

Ruimte voor Economie

Europa is sterk afhankelijk van andere mogendheden zoals de VS en China voor energie en technologie. Om de concurrentiepositie te verbeteren, adviseert Draghi:

De kabinetsreactie op het rapport van Draghi benadrukt de noodzaak van langjarige investeringen om de concurrentiepositie van Europa te versterken. Het kabinet erkent de uitdagingen en ondersteunt grotendeels de aanbevelingen van Draghi, waaronder het dichten van de innovatiekloof, de overgang naar een circulaire economie en het streven naar strategische autonomie.

1) Innovatie en Vestigingsklimaat: Verhoog de productiviteit door te investeren in innovatie en het verbeteren van het vestigingsklimaat om te voorkomen dat startups naar de VS verhuizen.

8

Het rapport van Draghi sluit nauw aan bij het Rijksprogramma Ruimte voor de Economie, dat zich richt op het behouden en optimaal benutten van ruimte voor economische activiteiten in Nederland. Het programma streeft naar de ontwikkeling en verduurzaming van bedrijventerreinen zonder dat het huidige percentage van 2,5% van het landoppervlak voor economische activiteiten afneemt.

Vanuit het provinciale programma wordt de Europese

Hierbij ligt de nadruk op innovatie, infrastructuurverbetering en de transitie naar een circulaire economie, wat bijdraagt aan een duurzamer gebruik van grondstoffen en strategische autonomie.

Op regionaal niveau zijn de drie hoofdlijnen (investeren in een innovatief vestigingsklimaat, transitie naar de circulaire economie en verbeteren van de strategische autonomie door lokale productie) vertaald in ons koersdocument Economie van de Toekomst. Hierin staat “Wat voor economische regio de Groene Metropoolregio wil zijn in 2040”. De uitkomst hiervan is dat wij werken aan een toekomstbestendige regionale economie door in te spelen op trends zoals de energietransitie, circulaire economie en de balans tussen wonen en werken. Het doel is om een duurzame economische groei te realiseren die bijdraagt aan de brede welvaart van de regio (voor nadere detaillering zie paragraaf 1.6).

koers van Draghi en het landelijke programma herhaald: zorg ervoor dat in het RPW voldoende ruimte wordt gerealiseerd om de huidige en toekomstige bedrijven van de regio voldoende te kunnen faciliteren.

2.4 REGIONAAL: REGIONALE MEERWAARDE ALS BASIS VOOR KEUZES

De lessen voor ons RPW uit het landelijke programma is dat er vooral voldoende ruimte voor economie beschikbaar zijn, met name voor de transitie naar de circulaire economie.

2.3 PROVINCIAAL: PROGRAMMA RUIMTE VOOR ECONOMIE Het programma Ruimte voor Economie (2024) van de provincie Gelderland sluit sterk aan op het Rijksprogramma en de analyse van het rapport van Draghi.

Als richtinggevend kader voor al onze keuzes, hanteren wij binnen dit RPW regionale meerwaarde als basisprincipe. De gemeenten in de GMR ondersteunen het basisprincipe van regionale meerwaarde. De gemeenten en de GMR samen bepalen uiteindelijk welke bedrijven wenselijk zijn om te faciliteren en welke niet en hanteren hierbij het principe van regionale meerwaarde. Dit geldt voor alle fasen van het planvormingsproces (programmering, planvorming en gronduitgifte). De regionale meerwaarde is gebaseerd op het koersdocument Economie van de Toekomst en heeft een concretiseringsslag gemaakt.

Ook in de provincie Gelderland staat de productiviteit en het concurrentievermogen van de economie onder druk, met name in de industriële (hightech) sectoren zoals de halfgeleider (computerchip) industrie, de hoogtechnologische maakindustrie en bedrijven in het zogenaamde 6e cluster (bedrijven die relatief veel water en energie verbruiken, zoals de voedingsindustrie en papierindustrie). Het provinciale programma Ruimte voor Economie richt zich op het versterken van de concurrentiepositie van ondernemers, het verbeteren van het vestigingsklimaat en het ontwikkelen van toekomstbestendige bedrijventerreinen. Hierbij ligt de nadruk op innovatie, verduurzaming en de transitie naar een circulaire economie. Door deze aanpak wordt niet alleen de milieubelasting verminderd, maar ontstaan er ook nieuwe economische kansen en banen.

Bedrijventerreinen spelen een cruciale rol in het realiseren van de economische en maatschappelijke ambities van de GMR. De regio kiest voor een gerichte aanpak waarbij de beschikbare middelen, ruimte en talenten maximaal worden ingezet. Deze focus versterkt de regionale meerwaarde door bedrijventerreinen slim te koppelen aan economische groei, circulariteit en brede

9

welvaart. De principes van regionale meerwaarde die we toepassen binnen het RPW zijn:

combineren van functies zoals wonen, werken en energiewinning. Door ruimte slim, efficiënt en duurzaam in te richten, wordt schaarse grond optimaal benut en blijft de regio aantrekkelijk voor zowel bedrijven als inwoners.

1) Ondersteuning van regionale topsectoren Bedrijventerreinen vormen een fundament voor de ontwikkeling van innovatieve ecosystemen, zoals campussen en innovatiedistricten, en bieden ruimte aan de maakindustrie en logistiek. Deze sectoren versterken elkaar: logistieke bedrijventerreinen ondersteunen de bevoorrading en distributie voor de topsectoren, terwijl de maakindustrie de ambitie van een circulaire topregio mogelijk maakt. Door bedrijventerreinen hierop in te richten, worden regionale talenten benut en economische groei gestimuleerd.

2.5 ECONOMIE VAN DE GMR IN VOGELVLUCHT In het RPW 2025-2028 wordt gebruikgemaakt van de informatie uit de jaarlijkse Economische monitor 2024/25 van Moventem voor de GMR. De monitor geeft een beknopt beeld van economie in de GMR. Economische groei: achterblijvend bij het nationaal gemiddelde De economie van de regio vertoont een positieve ontwikkeling met een stijging van het bruto regionaal product (BRP). Toch blijft de groei achter bij het landelijke gemiddelde. Daartegenover staat een sterke werkgelegenheidsgroei, waarbij het aantal inwoners met een betaalde baan een nieuw record bereikte.

2) Faciliteren van circulaire economie Een circulaire economie vraagt om ruimte voor bedrijven die materialen en producten hoogwaardig kunnen verwerken en hergebruiken. Kavels waar een milieubelastingsniveau van hoger dan 3 (voorheen hogere milieucategorieën) van toepassing is op bedrijventerreinen zijn essentieel om grondstoffenstromen te beheren en circulaire initiatieven te stimuleren. Dit zorgt voor duurzame economische groei en versterkt de positie van de regio als circulaire koploper.

Uitdagingen voor de (nabije) toekomst Hoewel de GMR voor veel aspecten rond het landelijk gemiddelde scoort, staat de regio voor grote economische en maatschappelijke uitdagingen (zie paragraaf 3.3 voor een uitgebreidere toelichting):

investeringen in scholing, technologie en infrastructuur om de brede welvaart te vergroten. Brede welvaart De GMR scoort vanuit het brede welvaartsperspectief goed op duurzaamheid, met lage broeikasuitstoot, goede toegang tot openbaar vervoer en veel zonne-energie. Mensen voelen zich relatief veilig en hebben voorzieningen binnen handbereik. Economisch gezien zijn er de eerdergenoemde uitdagingen, maar scoort de regio wel weer goed op natuur en recreatie.

•N  etcongestie: De beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet belemmert de groei van bedrijven, nieuwe ontwikkelingen en de verduurzaming van werklocaties; •A  rbeidsmarkt: Een krappe arbeidsmarkt kan leiden tot een tekort aan gekwalificeerd personeel, wat de economische groei vertraagt. • Innovatie & maakindustrie: Er zijn meer investeringen nodig in innovatie en de maakindustrie om concurrerend te blijven om de bestaande bedrijvigheid (hightech, energy, health, maakindustrie) te verstevigen en concurrerend te laten zijn met andere regio’s.

Deze bevindingen komen overeen met de RaboResearch-studie ‘Eerst de bruggenhoofden, dan de brug. Brede welvaart en economie in Lifeport’ (najaar 2024). Deze studie toont aan dat de brede welvaart gemiddeld is in vergelijking met de rest van het land. De studie benadrukt de noodzaak om de economische potentie van Gelderland-Zuid beter te benutten en de brede welvaart te versterken, wat nog steeds actueel en urgent is.

Arbeidsmarkt: kansen en tekorten Hoewel de regio een recordaantal banen kent, blijft het vinden van geschikt personeel een grote uitdaging. Dit wordt versterkt door de vergrijzing. Bedrijven worden steeds meer gedwongen te investeren in arbeidsbesparende technologie en scholing om de productiviteit te verhogen. Toch blijft de regio sterk afhankelijk van werk dat mensenwerk vereiste, zoals in de zorg, onderwijs en detailhandel.

3) Balans tussen werkgelegenheid en leefkwaliteit Bedrijventerreinen dragen bij aan een betere balans tussen wonen en werken in de regio. Door werkgelegenheid dichter bij huis te creëren, wordt de uitgaande pendel teruggedrongen, wat de duurzaamheid van mobiliteit bevordert en mogelijkheden biedt voor mensen met lagere inkomens om nabij huis te werken. Tegelijkertijd wordt verstedelijking gecombineerd met werkfuncties, zodat bedrijvigheid en leefkwaliteit hand in hand gaan. Hierbij zijn ook kwalitatieve aspecten van bedrijventerreinen en vastgoed van belang, zoals landschappelijke inpassing, duurzaamheid, klimaat-adaptatie, waterberging en biodiversiteit.

Werklocaties zijn de economische dragers De GMR is een diensteneconomie, met 85% van de werkgelegenheid in deze sector. Binnen de regio zijn vier clusters van belang voor de economische ontwikkeling: Energie, Hightech, Health en Medisch. Bedrijventerreinen en kantoorlocaties spelen een sleutelrol. Ze beslaan een klein deel van de regio, maar genereren 56% van de banen en 72% van de toegevoegde waarde.

4) Slim en duurzaam ruimtegebruik De GMR streeft naar een efficiënt en toekomstgericht gebruik van bedrijventerreinen. Dit omvat herstructurering van bestaande terreinen, de bouw van meerlaagse bedrijfsruimtes, en het

Samenwerking en toekomstperspectief Om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan, is samenwerking binnen de regio en met nationale partners essentieel. De focus moet liggen op

10

11

3 BEDRIJVENTERREINEN 3.1 ACTUELE STAND VAN ZAKEN: 172 HECTARE AANBOD

3.2 ONTWIKKELOPGAVE RPW 2025-2028

Binnen de GMR is een groot deel van de werkgelegenheid geconcentreerd op bedrijventerreinen. We spreken in het RPW over een bedrijventerrein als deze locatie staat geregistreerd in het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS). De 16 betrokken gemeenten binnen de GMR beschikken samen over 120 bedrijventerreinen met een totale oppervlakte van ongeveer 3.200 hectare (hierna ha).

De bijlage ‘Onderbouwing bedrijventerreinen’ biedt een uitgebreide analyse van de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen in de GMR tot 2040. Voor deze analyse is, net als in het RPW 2021-2024, gekozen voor en gerekend met het EIB -midden scenario aan de hand van de provinciale behoefteraming. Dit scenario sluit goed aan bij de doelstellingen van de GMR voor zorgvuldig ruimtegebruik en wordt als realistisch en haalbaar beschouwd, gezien de beperkte beschikbare ruimte en de vele andere ruimteclaims in de regio.

In totaal is er binnen de GMR een totaal aanbod van 171 ha aan bedrijventerreinen (peildatum 1 januari 2025), waarvan: •5  7 ha hard aanbod (definitief onherroepelijke omgevingsplannen, juridisch bindend, bouw kan beginnen); • 1 14 ha aan zachte plannen (voorlopige plannen, nog niet definitief goedgekeurd, bouw kan nog niet beginnen) uit het RPW 2021-2024 die nog ontwikkeld moeten worden. De voorlopige status van deze plannen zijn: •N  ijmegen De Grift (30 ha): vastgesteld omgevingsplan. •Z  evenaar 7 Poort II (37 ha): Raad van State procedure, moment van realisatie nog ongewis. •D  uiven Centerpoort Noord II (10 ha): omgevingsplan ligt ter inzage. •D  ruten/Wijchen Bijsterhuizen (27 ha): voor zomer 2025 omgevingsplan ter inzage. •L  ingewaard Agropark (10ha) omgevingsplan ligt ter inzage.

Uit de analyse in de Onderbouwing bedrijventerreinen blijk dat er zonder beleidskeuzes een regionale behoefte is (tot 2024) van 370 hectare bedrijventerreinen. Vanwege diverse maatschappelijke opgaven en ruimteclaims van wonen, natuur en energie is er veel druk op de ruimte. In het licht van de beperkt beschikbare ruimte maakt het RPW 20252028 keuzes om niet alle ruimtebehoefte op nieuwe bedrijventerreinen te laten landen.

‘Draai’ knoppen: Ruimte voor Economie in vijf stappen • De GMR heeft de ambitie om tegen 2040 20% van de ruimtevraag (70 ha) op te vangen door bestaande bedrijventerreinen te herstructureren (beter benutten). Voor het RPW 2025-2028 wordt een ingroeimodel gebruikt, waarbij 10% ruimtewinst door herstructureren wordt nagestreefd. Om de regionale doelstelling van 20% ruimtewinst door herstructurering te behalen, moet in de RPW’s tot en met 2040 gemiddeld 20 ha per RPW-periode worden gerealiseerd; • De GMR zet in op beleid waarbij een gedeelte van de totale ruimtevraag (40 ha) van lichtere werkfuncties worden gefaciliteerd door deze bedrijvigheid te mengen in stedelijke ontwikkelgebieden (woningbouwplannen); • We bieden als regio ruimte aan gemeenten om lokale bedrijventerreinen te ontwikkelen voor lokale ondernemers (kavels <0,5 ha met een totale omvang van ongeveer 5 ha per gemeente), zie ook Stap 5. Doordat deze terreinen een lokale aangelegenheid zijn vallen ze niet binnen de regionale ruimtebehoefte. De inschatting is dat de totale lokale ruimte behoefte ongeveer 40 ha betreft. • Voor de resterende ruimtebehoefte tot 2040 (145 ha) blijven nieuwe ontwikkellocaties nodig.

Omdat de periode tot en met 2040 is opgedeeld in 4 RPW-periodes, wordt de programmering in vier delen opgesplitst. Voor het RPW 20252028 betekent dat een ontwikkelopgave van 74 hectare, bestaat uit 9 hectare herstructurering, 10 hectare menging in stedelijk gebied, 10 hectare aan nieuwe lokale bedrijventerreinen en 45 hectare aan nieuwe (regionale) ontwikkelruimte. Deze opgave kan alleen worden bereikt als alle beleidskeuzes (herstructurering, intensivering, niet faciliteren bepaalde ruimtebehoefte, lokale bedrijvigheid en functiemenging) worden gerealiseerd. We richten ons als GMR op het realiseren van 74 hectare aan totale ontwikkelopgave voor de komende RPW-periode. Na de tweejaarlijkse monitoring bekijken we of de gestelde ambities haalbaar zijn. Hierbij gaat het zowel om gerealiseerde doelen als concrete intenties om deze doelen te behalen. Van belang is dat er duidelijkheid geboden kan worden of de doelen realistisch en haalbaar zijn. We starten met de uitgifte van 45 hectare aan nieuwe regionale ontwikkelruimte. Als blijkt dat de gemaakte beleidskeuzes niet haalbaar zijn, kan na de monitoring (na twee jaar) worden besloten om het aandeel nieuwe regionale ontwikkeling aan te passen om uiteindelijk toch voldoende ruimte voor economische ontwikkelingen te waarborgen.

Deze keuzes worden visueel weergegeven als ‘draaiknoppen’ in het middelste vak van de figuur op pagina 13 (volgende pagina). De ‘draai’ knoppen: niet faciliteren & intensivering op nieuwe ontwikkellocaties Een deel van de ruimtevraag wordt niet gefaciliteerd: • Dit betreft specifiek bovenregionale grootschalige logistiek. (19 ha). • Verder kan er ruimtewinst worden behaald op nieuwe ontwikkelingen (56 ha) door de kavels en gebouwen optimaler en intensiever in te richten;

*Realisatie van bovenstaande plannen is mede afhankelijk van de (energie) aansluitmogelijkheden op de locatie.

Economisch Instituut voor de Bouw (2022) Actualisatie en regionalisering bedrijfstakramingen. In de bijlage

1

2

12

Stec Groep (2023) Prognose werklocaties Gelderland.

13

RUIMTE VOOR DE ECONOMIE IN VIJF STAPPEN In het RPW 2025-2028 bouwen we voort op het bestaande regionale beleid voor bedrijventerreinen. Vanwege maatschappelijke opgaven en de druk op de ruimte, zetten we extra stappen voor zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke inpassing en toekomst-bestendigheid van bedrijventerreinen. Het RPW 2025-2028 richt zich op zuinig ruimtegebruik voor bedrijventerreinen in de GMR, omdat deze ruimte hard nodig is.

STAP 1: BEHOUD VAN BEDRIJVENTERREINEN De eerste stap is het zoveel mogelijk behouden van bestaande bedrijventerreinen. In combinatie met de hoge vraag naar ruimte, met name voor woningbouw, is het verstandig om de locaties waar activiteiten een hoog milieubelastingsniveau van 3 of hoger (voorheen hogere milieucategorie - hmc locaties) zijn toegestaan, zo veel als mogelijk te behouden en te beschermen. Als er een transformatie plaatsvindt van een bedrijventerrein naar een andere functie of het afwaarderen van de huidige milieubelastingsruimte moet er, door de betreffende gemeente, een compensatieplan opgesteld worden. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

We hanteren vijf stappen om meer ruimte te bieden voor de economie in de GMR: Stap 1: Behoud van bedrijventerreinen

Stap 2: Ruimtelijk beter benutten (Intensiveren)

• De provinciale omgevingsverordening is de aanleiding om afspraken te maken over het behoud van de werklocatiefunctie (artikel 5.70, lid 1: Een omgevingsplan laat een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toe als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties.). Afwijkende plannen kunnen worden toegestaan als hier een goede onderbouwing- en regionale instemming over is. • In het compensatieplan geven gemeenten aan hoe zij invulling geven aan het verdwijnen van de arbeidsplaatsen dan wel de afname van de vierkante meters terrein/ bruto-vloeroppervlakte (BVO) en milieubelastingsruimte. In de beoordeling van het compensatieplan kijkt de regio vanuit een brede welvaartsperspectief integraal naar al deze aspecten. • In het compensatieplan staat dus een onderbouwing van het aantal vierkante meters terrein/ BVO bedrijfsruimte, arbeidsplaatsen en de milieubelastingsruimte in de huidige en toekomstige situatie. Het uitgangspunt is om het aantal m2 terrein/ BVO minimaal gelijk te

Stap 3: Functioneel beter benutten (Herstructureren)

Stap 4: Combineren van werk met andere functies

Stap 5: Nieuwe ontwikkelruimte voor de resterende ruimtebehoefte

14

INTERMEZZO: BETER BENUTTEN IN HET KORT

houden. Gemeenten kunnen daar onderbouwd van afwijken, bijvoorbeeld vanwege efficiënter ruimtegebruik, ruimtegebruik per baan te verlagen, specifieke locatiekenmerken, etc. •C  ompensatie wordt in eerste instantie binnen de eigen gemeente geregeld. Als dit niet mogelijk is, moeten er afspraken worden gemaakt met omliggende gemeenten, waarbij rekening moet worden gehouden met het voortzetten van bestaande bedrijfsactiviteiten (o.a. aansluiting heeft op het energienet). •O  vergangsrecht: De verplichting om bij een transformatie van een bedrijventerrein naar een andere functie of het afwaarderen van de huidige milieubelastingsruimte een compensatieplan op te stellen, is van toepassing op een omgevingsplan dat, of omgevingsvergunning die, na de datum van inwerkingtreding van het RPW 2025-2028 wordt vastgesteld. Tenzij het ontwerpbesluit vóór die datum ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door of namens Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend (te allen tijde moet het plan bij het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW) gemeld worden).

Het ‘beter benutten van bedrijventerreinen’ wordt vaak gedefinieerd als het herstructureren van de bestaande bedrijventerreinen. Herstructurering is een veelgebruikte verzamelnaam voor ingrepen die de veroudering van bedrijventerreinen tegengaan. Herstructurering is niet hetzelfde als revitalisering. Revitalisering richt zich specifiek op het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en infrastructuur. Op zichzelf is herstructurering geen nieuw begrip, maar ook nu is er binnen het RPW 20252028 nog (ruimte)winst te behalen op bedrijventerreinen. Binnen dit RPW spreken wij over ‘beter benutten’ als het gaat om Ruimtelijk beter benutten (stap 2) en Functioneel beter benutten (stap 3). In het RPW 2025-2028 bakenen wij dus het begrip ‘beter benutten’ van bedrijfskavels af als: Het beter gebruiken van de beschikbare ruimte op een terrein door:

Voor deze plannen die nog niet formeel zijn vastgesteld, maar wel bekend zijn in de regio (vervangingsvraag projecten), zoeken we een maatwerkoplossing. Dit zijn: Arnhem (Rijnpark), Beuningen (solitaire bedrijfslocatie), Druten (De Ruijterstraat), Heumen (Taaiendijk), en Lingewaard (Polseweg). Voor alle overige projecten is het overgangsrecht niet van toepassing.

Ruimtelijk beter benutten: Meer doen met dezelfde ruimte Door fysieke ingrepen wordt intensiever gebruik gemaakt van de fysieke beschikbare/toegestane ruimte op het terrein in de breedte en hoogte. Bijvoorbeeld: inbreiding onderbenutte delen, opslag efficiënter inrichten, herstructurering van leegstaande panden of gezamenlijke (parkeer) faciliteiten creëren

STAP 2: RUIMTELIJK BETER BENUTTEN (INTENSIVEREN BESTAANDE VOORRAAD)

Functioneel beter benutten: Het juiste bedrijf op de juiste plek In te zetten op het zo maximaal gebruiken van de toegestane milieucategorie, op het terrein en de toegestane (watergebonden)functie.

Extra ruimte toevoegen op eigen bedrijfskavel/ bedrijfsvastgoed (ruimtelijk beter benutten) kan bijvoorbeeld door onbebouwde ruimte op een terrein te benutten, aan te bouwen aan bestaande gebouwen en/of een extra verdieping op te bouwen (als dit technisch mogelijk is).

Voor bedrijvigheid met een lage milieubelastingsniveau die niet per se op bedrijventerreinen hoeft te zitten, zoeken we naar zoveel ruimte op andere locaties door functiemenging (gemengde woon-/werkgebieden, winkelstraten of boven winkels). Door deze bedrijven te schuiven creëren

15

STAP 3: FUNCTIONEEL BETER BENUTTEN (HERSTRUCTUREREN)

we ruimte voor bedrijven (bij voorkeur circulaire bedrijven met ≥ milieucategorie 3.2) die meer de toegestane (watergebonden) functie benutten.

Beter benut maatregelen van bedrijventerreinen zijn per definitie kostbaar, complex en tijdrovend. De investeringen zijn vaak niet (direct) terug te verdienen.

Bijvoorbeeld: een kinderdagverblijf op een kavel waar eigenlijk zwaardere industrie is toegestaan of een autogarage op een watergebonden kavel die niet gebruik maakt van de kade.

De maatschappelijke voordelen van het beter benutten van bestaande terreinen zijn onder andere: Planologische instrumenten/aanbevelingen: Prof. dr. Erwin van der Krabben heeft in opdracht van de GMR onderzoek gedaan naar de niet financiële mogelijkheden in relatie tot onrendabele top bij het beter benutten van bedrijventerreinen (zie hiervoor Bijlagenrapport). De belangrijkste (planologische) conclusies hieruit zijn: 1) Intensiveren en functiewijzigingen: Creëer grondwaarde door bestaande ruimte op bedrijventerreinen beter te benutten, bebouwingsdichtheden te verhogen en nieuwe functies toe te staan. 2) Actief gemeentelijk grondbeleid; publieke ontwikkelingsmaatschappij: Een publieke ontwikkelpartij koopt verouderd vastgoed op, sloopt het en geeft nieuwe bedrijfskavels uit. 3) Maak strategisch gebruik van het voorkeursrecht Gemeenten kunnen hun voorkeursrecht inzetten om private initiatieven die passen binnen herstructureringsplannen te faciliteren, vooral bij functiewijzigingen. Hierbij moeten gemeenten het kostenverhaal toepassen, zowel privaatrechtelijk via een overeenkomst als publiekrechtelijk afdwingbaar, om de kosten van publieke voorzieningen te verhalen op ontwikkelende eigenaren.

4) Verbreden en verbeteren van de business case: Een verbreding van de reguliere korte-termijn grondexploitatie (GREX) naar een grondexploitatie voor de lange termijn kan invloed hebben op investeringsbeslissingen met betrekking tot herstructurering en bijdragen aan een verbetering van het financieel resultaat.

• Minder verlies van het huidige natuurlijke landschap: Door bestaande bedrijventerreinen beter te benutten, wordt de noodzaak om nieuwe gebieden te ontwikkelen verminderd. Dit helpt om natuurlijke landschappen en groene ruimtes te behouden; • De koppeling met maatschappelijke opgaven: Het beter benutten en extra aandacht voor bestaande terreinen biedt kansen om bedrijventerreinen aan te passen aan bredere maatschappelijke doelen zoals biodiversiteit, klimaatadaptatie, energieopslag (batterijen) en veiligheid. De basis voor beter benutten Om aan de slag te kunnen gaan met beter benutten, moet eerst ‘de basis’ bij de betrokken gemeenten op orde te zijn om de optimale strategische, juridische en financiële kaders te bieden voor beter benut initiatieven. De beter benut activiteiten hebben meer impact als deze ondersteund worden door: • Een flankerend en actueel gemeentelijk economisch beleid (o.a. gemeentelijke Economische visie en lokaal Omgevingsplan) dat ruimte biedt voor intensivering en herstructurering; • Voldoende (ambtelijke) capaciteit voor economische zaken en accountmanagement van werklocaties.

Zo zijn gemeenten beter op de hoogte wat er speelt op hun bedrijventerreinen en kan er sneller gehandeld worden op kansrijke initiatieven; • Kennisdeling: gemeenten kunnen de bestaande (ambtelijke) kennis, kunde en ervaringen beter benutten door kennisdeling structureel te organiseren.

16

• Financiële- en planologische instrumenten: Gemeenten kunnen de financiële instrumenten verkennen én planologische maatregelen treffen om beter benut initiatieven te stimuleren.

fundament hebben in de vorm van actueel gemeentelijk economisch beleid en voldoende (ambtelijke) capaciteit, inclusief accountmanagement van bedrijventerreinen; • Planologische- en financiële instrumenten worden ingezet; en • Regionale ondersteuning op het gebied van beter benutten wordt georganiseerd.

Financiële instrumenten: • Op Europees-, nationaal- en provinciaal niveau verkent de GMR de mogelijkheden van diverse (financiële) fondsen; • Via de provincie Gelderland zijn er financiële middelen beschikbaar gesteld voor het realiseren van fysieke collectieve maatregelen op bedrijventerreinen. Dit omvat onder andere de (circulaire) herstructurering van bedrijventerreinen, elektriciteit opslag en klimaatadaptatie. • Het ministerie van Economische Zaken stelt binnen het Nationaal Programma Ruimte voor Economie geld beschikbaar voor provinciale pilots over het beter benutten (herstructureren) en verduurzamen van bedrijventerreinen.

Als er slechts deels of zelfs niet wordt voldaan aan deze randvoorwaarden, kan het behalen van het regionale doel van 20% ruimtewinst door beter benutten moeizamer gerealiseerd worden.

RESULTAAT RUIMTEWINST/ OPGAVE STAP 2 EN STAP 3: 9 ha

De GMR helpt gemeenten met beter benutten waar het kan Omdat beter benut maatregelen langdurige, dure en complexe trajecten zijn, zet de GMR zich binnen het RPW 2025-2028 in om gemeenten te helpen waar het kan. •C  apaciteit: De GMR zal kort nadat het RPW 2025-2028 is vastgesteld de behoeften van de zestien deelnemende gemeenten inventariseren. Vervolgens zet de GMR zich in om ondersteuning en advies te organiseren voor de gemeenten die behoefte hebben aan ondersteuning op het vlak van herstructurering en het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen. •K  ennisdeling: Daarnaast wordt er tijdens het RPW 2025-2028 een handreiking beter benutten ontwikkeld en aangeboden aan de betrokken gemeenten om verdere inzichten in mogelijke denkrichtingen en praktijkvoorbeelden te geven.

STAP 4: COMBINEREN VAN WERK MET ANDERE FUNCTIES Door werklocaties met een relatief lage milieubelasting (lager dan 3, voorheen lager dan milieucategorie 3.1) met andere functies zoals wonen en winkels te mengen, bevorderen we de bestaande werkfunctie in steden en kleine kernen, bijvoorbeeld in leegstaande winkelpanden of bij nieuwe woningbouwlocaties. Deze combinatie van functies vermindert de vraag naar ruimte. Vooral bedrijven met een lage milieubelasting, zoals sportscholen en kleine kantoren, kunnen hiervan profiteren. Bovendien verbetert deze functiemenging de leefbaarheid van de woonomgeving. Vanuit de ruimtevraag is berekend welke deel hiervan theoretisch mengbaar is met andere stedelijke functies. Dit bleek 40 hectare te zijn.

Randvoorwaarden voor het behalen van de regionale doelen beter benutten Om de regionale ambitie van 20% ruimtewinst richting 2040 door beter benutten te realiseren, is het dus essentieel dat: • De betrokken gemeenten een sterk intern

17

BVR studie realistische functiemenging BVR heeft voor de GMR onderzocht hoe haalbaar de theoretische menging van bedrijven in stedelijke ontwikkelgebieden (40 ha) is, waarbij ze de functiemenging binnen bestaande woon-werk ontwikkelplannen en aanvullend potentieel in overige woningbouwplannen hebben bekeken (zie hiervoor Bijlagenrapport). Hieruit volgde dat de theorie en praktijk aardig overeenkomen.

ken gemeente. Het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW) heeft hierbij een adviserende rol. • Voor nu hanteren we voor het gesprek hierover het model van de Utrechtse Barcode3, waarbij er bij het toevoegen van nieuwe woningen ook ruimte voor voorzieningen en voor werken wordt gereserveerd. Tevens wordt de oproep gedaan bij de provincie om woningbouwprogramma’s te toetsen op functiemenging met werken.

RESULTAAT OPGAVE STAP 4: 10 ha STAP 5: NIEUWE ONTWIKKELRUIMTE VOOR DE RESTERENDE RUIMTEBEHOEFTE

Het combineren van werkgerelateerde functies met andere functies is een integrale opgave waar niet alleen economie, maar ook bijvoorbeeld het woondomein belangrijk is om de regionale- én gemeentelijke ambitie van wonen-werken vorm te geven. Bij het toevoegen van wonen aan bedrijventerreinen moet bijvoorbeeld gewerkt worden aan een goed woon- en leefklimaat zoals goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Daarom moet functiemenging niet alleen in het RPW een plek krijgen, maar ook in andere (gemeentelijke) beleidsdocumenten (zoals woon- en/of omgevingsvisies). Zo kan op een integrale manier bij elke ruimtelijke ontwikkeling meer ruimte worden gereserveerd voor economische activiteiten.

Ten slotte blijft het noodzakelijk om nieuwe ontwikkelruimte voor bedrijventerreinen te creëren om aan de resterende vraag te voldoen. Als de voorgaande stappen 1 t/m 4 volledig worden uitgevoerd, bedraagt de regionale ruimtebehoefte 45 ha voor de periode 2025-2028. Als deze stappen niet worden gerealiseerd, zal de regionale ruimtebehoefte kunnen oplopen tot 74 ha in het RPW 2025-2028. De nieuwe ontwikkelruimte zien we als regio vooral als nieuwe ruimte voor bedrijven die al in de regio zijn gevestigd en daarnaast om schuifruimte te creëren voor potentiële herstructurering van de bestaande voorraad.

Uit de studie van BVR blijkt dat het mengen van wonen en werken haalbaar is, maar dat het niet vanzelf gaat. Op dit moment zit er reeds in nieuwe woningbouwplannen een groot aandeel economische activiteiten opgenomen. Om te borgen dat dit programma ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd hebben de opgaven Groene Groei regio en Productieve regio afgesproken: • De GMR kijkt mee bij gebiedsontwikkelingen met meer dan 1000 woningen of er ook een economisch programma wordt gerealiseerd en gaat hier het gesprek over aan met de betrok-

Nieuwe ontwikkelruimte voor lokale bestaande bedrijventerreinen Zoals ook in het RPW 2021-2024 van toepassing is, is er voor lokale terreinen (kavels < 0,5 ha) een aparte regeling. Elke gemeente krijgt de mogelijkheid om voor lokale ondernemers ruimte te bieden. Utrechtse Barcode (2021), gemeente Utrecht. Een voorbeeld van evenwichtige functiemenging en reservering voor economische activiteiten is de ‘Utrechtse barcode’. Het model laat zien hoe op een innovatieve manier verschillende functies, zoals wonen, werken, groen en recreatie, gecombineerd kunnen worden bij integrale gebiedsontwikkelingen. 3

18

In het RPW 2025-2028 hanteren we een richtlijn van maximaal 5 hectare uitbreidingsruimte per gemeente voor de realisatie van kavels van maximaal 0,5 hectare.

Hightech en Energy. Deze focus helpt, volgens de Europese Dienstenrichtlijn, het stedelijk milieu te beschermen door ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen, aan te sluiten op de ruimtelijke vraag en leegstand te voorkomen, duurzaamheid te bevorderen en innovatie te stimuleren; •F  ysiek aansluiten bij bestaande economische clusters van bedrijventerreinen in de GMR. Dit is mede ingegeven om de bestaande economische clusters te versterken en om versnippering te voorkomen; • Bereikbaarheid van de nieuwe ontwikkeling: Nieuwe ontwikkelingen zijn goed bereikbaar via de weg, het spoor en/of waterwegen.

Als er vanuit lokale inpasbaarheid, de grootte van de gemeente/lokale economie, of specifieke lokale vraag afgeweken wordt van deze maximering van 5 hectare, dan moet dit door een goede (ruimtelijke) onderbouwing aan het IOW voorgelegd worden. Ook voor lokale terreinen gelden de spelregels van het nieuwe RPW: inzetten op intensivering, herstructurering en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelruimte voor regionale bedrijventerreinen Voor de ontwikkellocaties voor regionale bedrijventerreinen hanteren we de volgende uitgangspunten:

Binnen het RPW 2025-2028 zijn er op basis van de op de voorgaande pagina beschreven uitgangspunten, onafhankelijk onderzoek en besprekingen een viertal zoekzones geïdentificeerd. Nieuwe ontwikkelingen van bedrijvigheid worden dus binnen deze zoekzones gezocht. In Tabel 1 zijn deze zoekzones getypeerd op basis van hun omvang (in ha), werkgelegenheid, hun huidige profiel en welke nieuwe ontwikkelingen passend zouden zijn binnen deze gebieden.

•O  ptimaal benutten van de bestaande en nieuwe bedrijventerreinen, in de zin van ruimtelijk en functioneel de juiste bedrijven op de juiste plek. Zo kunnen nieuwe ontwikkellocaties als schuifruimte dienen voor bedrijvigheid die ruimte achterlaat voor met name circulaire en/ of watergebonden bedrijvigheid; •F  ocus op de werkmilieus die van regionale meerwaarde zijn voor de regio, in het bijzonder bedrijvigheid die een bijdrage levert aan de circulaire transitie en/of de topsectoren Health,

RESULTAAT LOKALE BESTAANDE TERREINEN: RESULTAAT INTENSIVEREN NIEUWE TERREINEN:

Tabel 1 Zoekzones voor nieuwe ontwikkellocaties Economisch cluster

(1)

Bruto hectare

Aantal

bedrijventerrein

Banen

817 ha

36.900

Huidig profiel

• Klassiek gemengd

Zone A73 en A326

• Hmc/circulair

Nijmegen West, Wijchen,

• Logistiek

• 507 ha

11.200

• Klassiek gemengd

Zone A15 en A325 Centraal

• Logistiek

tussen Arnhem en

• Agrosector

Nijmegen (3)

665 ha

35.200

• Klassiek gemengd • Circulaire economie

Duiven

Zone A12 De Liemers Oost

(Next

Garden/ Bergerden)

Zone A12 Arnhem Oost en

(4)

• • •

Beuningen (2)

Passende

en Energy

220 ha

6.200

• Klassiek gemengd • Logistiek

19

nieuwe ontwikkelingen Klassiek gemengd Bedrijven in Health en High Tech die campuslocaties ‘ontgroeien’ Bedrijven in de circulaire economie Watergebonden bedrijven

• Klassiek gemengd • Bedrijven in Health die campuslocaties ‘ontgroeien’ • Circulair • Stadsdistributie en logistiek • Klassiek gemengd • Bedrijven in Energy en High Tech die campuslocaties ‘ontgroeien’ • Bedrijven circulaire economie • Maakindustrie (speerpunt Liemers) • Klassiek gemengd • Maakindustrie (speerpunt Liemers)

10 ha

14 ha

3.3 OMGEVINGSFACTOREN EN MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN

Figuur 3 Overzicht Zoekzones bestaande economische clusters

Het RPW houdt rekening met omgevingsfactoren en ontwikkelingen binnen maatschappelijke opgaven die van invloed zijn voor bedrijventerreinen: Netcongestie: Geen aansluitmogelijk heden binnen het RPW 2025-2028 Vanwege netcongestie is er tot minimaal 2029 geen mogelijkheid om bedrijven (nieuw) aan te laten sluiten op het elektriciteitsnet van bedrijventerreinen in de GMR. Nieuwe ontwikkeling van bedrijventerreinen kunnen alleen ontwikkeld worden als gemeenten in onze regio of private partijen een oplossing vinden voor het huidige energienetvraagstuk.

VERTALING NAAR WERKMILIEUS

*In verband met het hanteren van draaiknoppen om ruimtewinst te creëren ontstaat er een modelmatige discrepantie bij het werkmilieu grootschalige logistiek. Grootschalige logistiek (kavels groter dan 4 ha) is namelijk niet mengbaar in woon-werkgebieden en maakt geen onderdeel uit van de lokale opgave (kavels <0,5 ha). Hierdoor is er modelmatig teveel ruimtewinst ingeboekt dat in de praktijk niet realiseerbaar is. Dit leidt ertoe dat wij een bandbreedte voor grootschalige logistiek hanteren van minimaal 7 ha en maximaal 14 hectare voor de komende RPW-periode. Deze bandbreedte is mede ingegeven in het licht van recente ontwikkelingen van toenemende leegstand van bestaand grootschalig logistiek vastgoed. Als gedurende het RPW 2025-2028 het bestaande aanbod van grootschalige logistiek vastgoed afneemt, dan is er additionele ruimtebehoefte noodzakelijk en dient de bovenkant van de bandbreedte van 14 ha voor grootschalige logistiek aangehouden te worden. Als er na de tweejaarlijkse monitoring nog steeds aanzienlijke leegstand is van bestaand grootschalig logistiek vastgoed dan zal de onderkant van de bandbreedte van 7 hectare worden aangehouden.

De (regionale) ontwikkelopgave van 45 hectare aan nieuwe ontwikkellocaties is als volgt te vertalen naar werkmilieus: Werkmilieu

Ontwikkelopgave (incl. bandbreedte)

Klassiek-gemengd

22,5 ha

Logistiek - Regulier

- Regulier =

- Grootschalig

- Grootschalig=

(Maak)industrie Totale

3 ha 7-14 ha* 12,5 ha 45 – 52 ha*

ontwikkelopgave

20

Uitgangspunten regionaal beleid energievoorziening Binnen het RPW 2025-2028 willen we doorgaan met het planologisch mogelijk maken van nieuwe ruimte voor ondernemerschap op zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen. Binnen de GMR zijn er al diverse acties en pilots met betrekking tot energie in gang gezet, bijvoorbeeld de ontwikkeling van Smart Energy Hub InnoFase (Duiven) en de verdeling van energie op Westerhout Zuid (Druten).

Als regio werken we met alle partners aan oplossingen voor netcongestie. Binnen het RPW 20252028 doen wij dit door de leidende principes uit het Provinciale Beleidskader Energiesystemen en het Actieplan Netcongestie Gelderland over te nemen. Daarnaast gaan we als regio, samen met de gemeenten, door met het planologisch mogelijk maken van nieuwe ruimte voor ondernemerschap op zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen.

Samen met de betrokken overheden, netbeheerders en andere betrokken partijen zet de GMR alle huidige en toekomstige plannen en ontwikkelingen in een gebied op een rij. Vervolgens worden er in gezamenlijkheid keuzes gemaakt over de benodigde energie-infrastructuur (integraal programmeren), waarbij de volgende uitgangspunten centraal staan:

Hierin is het motto binnen het RPW 2025-2028: Netneutraal tot 2029, na 2030 netbewust De definitie vanuit Alliander voor netneutraal is “Een bedrijf of collectief veroorzaakt geen extra netbelasting en wekt dus te allen tijde de elektriciteitsvraag gelijktijdig op of levert vanuit opslag. Andersom wordt ook lokale opwek te allen tijde lokaal direct verbruikt of opgeslagen.” Tot 2029 moet er gezocht worden naar innovatie oplossingen binnen de huidige netcapaciteit (netneutraal). Na 2030 is er gedeeltelijk meer ruimte voor grootverbruikers, maar moeten we blijvend bewust en efficiënt omgaan met de beschikbare netcapaciteit (netbewust).

1) Maximaal inzetten op energiebesparing Isoleren van bedrijfspanden en het optimaliseren van productieprocessen om zo veel als mogelijk energie te besparen op de korte en lange termijn. 2) Meer en slimmer combineren van aanbod, buffering en vraag op lokale schaal Voortbordurend op het Actieplan Netcongestie Gelderland, is het uitgangspunt in de GMR om in te zetten op de ontwikkeling van (Smart) Energy Hubs op bedrijventerreinen en overeenkomsten met andere leveringszekerheid. Dit kan mogelijk uitkomst bieden aan de (middel)korte termijn netcongestieproblemen.

De definitie voor netbewust is: “De piekbelasting van het elektriciteitsnet wordt zoveel mogelijk beperkt en is zoveel mogelijk stuurbaar, zodat ingespeeld kan worden op de situatie op het landelijke en regionale elektriciteitsnet.”

3) Streven naar een decentraal energiesysteem Bij (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen tot

21

2029 zetten we in op ‘netneutraliteit’ en na 2030 op ‘netbewustheid’ met bijvoorbeeld een lokaal systeem waarbij energie lokaal wordt opgewekt, opgeslagen en gedistribueerd.

danks zal een gedeelte van de circulaire transitie plaatsvinden bij reguliere bedrijvigheid met een lager milieubelastingsniveau. •D  e grondstoffentransitie vindt vooral plaats bij bestaande bedrijven in de GMR. Ongeveer 100 bedrijven zijn verantwoordelijk voor 50% van de materiaalstromen in de regio, met de bouwsector als grootste bijdrager. • De volledige bouwsector – van winning en productie tot bouw en sloop – is in de regio vertegenwoordigd, wat de GMR in staat stelt een belangrijke bijdrage te leveren aan de circulaire transitie in de bouw en grond-, weg- en waterbouw (GWW) in Nederland en omliggende landen; • Een aanzienlijk deel (26%, ongeveer 180 hectare) van alle hoge milieubelastingsruimte in de GMR wordt niet benut door bedrijven met een hoog milieubelastingsniveau. •V  oor de circulaire transitie is extra ruimte voor hoge milieubelastingsruimte nodig, omdat bestaande bedrijventerreinen vrijwel volledig in gebruik zijn.

4) E  nergie wordt (mede-)sturend voor de locatiekeuze van werklocaties 100% leveringszekerheid van energie is in de toekomst niet gegarandeerd voor nieuwe energieafnemers. Daarom is het belangrijk om bij de locatie van nieuwe energie-intensieve industrieën rekening te houden met energieknooppunten en de nabijheid van de waterstofbackbone. 5) Kiezen voor de meest passende energiedrager Dit is wenselijk met het oog op efficiënt en duurzaam energiegebruik. Waterstof is bijvoorbeeld niet geschikt voor lage-temperatuur verwarming van woningen of glastuinbouw, maar wel voor hoge-temperatuur verwarming zoals zware industrieën en grootschalig transport (vrachtwagens en schepen). Circulariteit: Meer ruimte nodig voor de circulaire transitie

Uit de analyse van BVR en Ecorys kwamen ook vier gebieden (circulaire focusgebieden) die allen beschikken over de juiste ruimtelijke randvoorwaarden voor verschillende typen circulaire activiteiten, zoals een goede bereikbaarheid over de weg en/of het water, en relatief veel onderbenutte hoge milieubelastingsruimte hebben.

De GMR heeft de ambitie om in 2050 een circulaire topregio te zijn. Op dit moment is de regio volop bezig met de transitie van een lineaire naar een circulaire economie. Dit betekent zowel ruimte toevoegen in de zin van nieuwe ruimte (kavels waarop ook opslag nodig is) en de mogelijkheden in de bestaande ruimte beter te benutten.

Deze hoge milieubelastingsruimte locaties zijn essentieel voor de circulaire transitie doordat zij in de toekomst een belangrijke(re) rol kunnen spelen in de productie, verwerking, opslag en/of de doorvoer van circulaire materiaalstromen.

De GMR wil voorsorteren op een toekomst waarin materialen en grondstoffen steeds schaarser worden en ruimte bieden aan, bij voorkeur regionale, ondernemers om zich te ontwikkelen richting de circulaire economie.

Verder hebben sommige van deze locaties nu al een bestaand cluster van circulaire bedrijvigheid. Net als voor nieuwe ontwikkellocaties bevinden de circulaire focusgebieden zich binnen de volgende bestaande economische clusters:

In 2023 hebben BVR en Ecorys onderzoek gedaan in de GMR naar de (ruimtelijke) kansen van de circulaire economie op bedrijventerreinen met een hoge milieucategorie. De belangrijkste conclusies hieruit zijn: • Het merendeel van de circulaire activiteiten vraagt om locaties met een hoge milieugebruiksruimte (voorheen hmc) waarbij er ook aandacht is voor opslag op het kavel; deson-

• Zone A73 en A326 Nijmegen West, Wijchen, Beuningen • Zone A15 en A325 Centraal tussen Arnhem en Nijmegen • Zone A12 Arnhem Oost en Duiven • Zone A12 De Liemers Oost

22

Hoge milieubelastingsruimte: Beter benutten bestaande hoge milieubelastingsruimte

In de GMR is er op dit moment nauwelijks beschikbaar aanbod van watergebonden kavels op bedrijventerreinen tot 2040.

De kern van het advies van BVR en Ecorys is dat de transitie naar een circulaire economie een langdurig proces is dat vraagt om een duidelijke strategie met prioriteiten en samenwerking.

Behoud en waar mogelijk uitbreiding van bestaande watergebonden bedrijventerreinen is nodig voor duurzame logistiek en de circulaire transitie. In dat kader is het noodzakelijk om regionaal in te zetten op het allereerst ruimtelijk en functioneel beter benutten van de bestaande watergebonden ruimte – en indien mogelijk – nieuwe watergebonden ruimte te ontwikkelen.

De GMR kiest er daarom voor om bestaande hoge milieubelastingsruimte locaties zo veel als mogelijk te behouden en beter te benutten voor circulaire activiteiten.

De (voormalige) terreinen van steenfabrieken nemen een bijzondere positie in binnen de regionale waterverbonden werklocaties en de transitie naar een circulaire economie. In het volgende RPW zal hier bijzondere aandacht aan besteed worden.

Planologisch is er veel potentiële hoge milieubelastingsruimte op de bestaande bedrijventerreinen. Voor het beter benutten van deze locaties zijn verplaatsingsacties nodig (functioneel beter benutten/herstructurering) om bedrijven met een lagere geur-, geluid en/of milieu-impact te verleiden naar een alternatieve locatie (schuifruimte) ten behoeve van bedrijvigheid die een hoge milieubelastingsruimte hebben.

Logistiek Logistiek is een belangrijk onderdeel van ons dagelijkse leven en cruciaal voor onze regionale economie. Logistiek is daarmee een noodzakelijke randvoorwaarde voor verdere groei van de regio. Denk alleen al aan de bevoorrading van winkels of bezorging van medicijnen. Logistiek is ook noodzakelijk bij de transitie naar een circulaire economie (retourstromen, kwaliteitscontroles en reparaties). Ook de logistieke opgave moet deels door herstructurering en intensivering worden opgepakt. Dit geldt in het bijzonder voor stadsdistributie, waarbij ruimte gevonden moet worden in de buurt van de grotere steden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=292d90b6-13cb-410a-bab1-3f5f5cf06433