CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.8: Bijlage 5 bij de toelichting - Quickscan Flora en Fauna

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Bestemmingsplan Koppelweg 185.454 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO Oost B.V. T.a.v. mevr. J. Jentink Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

1 mei 2020

Kenmerk

BE/2020/218/r

Uw kenmerk

Email d.d. 05-03-2020

Auteur(s)

ir. T.W.D. Schrader

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Koppelweg 18 te Doesburg Aan de Koppelweg 18 te Doesburg is een voormalig bedrijfspand met aangebouwde woning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het perceel het noordelijke gedeelte van het bedrijfspand te saneren en op het perceel twee vrijstaande woningen te realiseren. Hiervoor worden ook 2 bomen gekapt. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Koppelweg 18 te Doesburg (figuur 1). De planlocatie is een voormalig bedrijfspand met een aangebouwde woning en een aanliggende tuin. Het te saneren gedeelte van het bedrijfspand bestaat uit gemetselde muren met spouw en heeft een plat bitumen dak. In de tuin staan onder andere grove den, esdoorn en berk. Rondom is het perceel omrasterd met een hekwerk. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door woningen, bebouwing met een maatschappelijke functie, winkels en industrie. De planlocatie ligt ten noorden van de haven, er is veel oppervlaktewater in de omgeving aanwezig. Ten zuidwesten staat de sluis tussen de IJssel en de Oude IJssel. Ten noorden zijn de stadsgrachten van de historische binnenstad gelegen. Circa 300 m ten westen van het plangebied ligt de relatief drukke Barend Ubbinkweg.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Koppelweg 18 te Doesburg (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van een gedeelte van het bedrijfspand en het realiseren van twee vrijstaande woningen op het perceel. Hiervoor dienen nieuwe bouwvlakken op het perceel te worden geplaatst. Ook dienen twee grove dennen te worden gekapt. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

Saneren van gedeelte bedrijfspand: sloopwerkzaamheden en afvoer materiaal; Kappen van twee grove dennen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; Egaliseren terrein en grondverzet: graafwerkzaamheden en grondtransport; Realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; Revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 17 maart 2020 en is uitgevoerd door ir. T.W.D. Schrader. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

4

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van lage aangeplante en inheemse kruiden en struiken zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: conifeer, madelief, narcis, paardenbloem, paarse dovenetel, raaigras, rododendron, robertskruid, smalle weegbree, straatgras, taxus en vlinderstruik. De tuin wordt relatief goed onderhouden met een hoog kwaliteitsbeeld. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, otter, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever en de otter zijn gebonden aan natuurlijke oevers. Gezien er op de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig is of sprake is van natuurlijke oevers, is de aanwezigheid van deze twee soorten uitgesloten.

Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rusten nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. Deze onderdelen van het functioneel leefgebied zijn niet aanwezig op de planlocatie, derhalve kan de aanwezigheid van de boommarter uitgesloten worden. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Deze onderdelen van het functioneel leefgebied zijn niet aanwezig op de planlocatie en daarnaast is het plangebied volledig omrasterd, derhalve kan de aanwezigheid van de das uitgesloten worden. Rode eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2020). Het stapelvoedsel bestaat uit zaden en noten. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen, in de voortplantingsperiode bouwt het vrouwtje een groter kraamnest. Op de planlocatie zijn enkele bomen aanwezig, waaronder grove dennen (twee hiervan worden gekapt), esdoorn en berk. In deze bomen op de planlocatie zijn geen nestbomen (vaste rust- en verblijfplaatsen) van rode eekhoorn aangetroffen.

Gezien de geïsoleerde locatie van de tuin en bomen is een essentieel foerageergebied of migratieroute voor rode eekhoorn uitgesloten. Negatieve effecten op de rode eekhoorn worden uitgesloten.

5

Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) en de steenmarter hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). De steenmarter huist zeer regelmatig in bebouwing en komt geregeld voor in bebouwd gebied. In de omgeving van Doesburg zijn veel waarnemingen (ook van overlast) bekend van de soort. Gezien er op de planlocatie sprake is van een goed onderhouden tuin, volledige omrastering en veel menselijke verstoring wordt het voorkomen van verblijfplaatsen van (kleine) marterachtigen uitgesloten. Er zijn geen structuren aangetroffen die (kleine) marterachtigen voldoende dekking kunnen bieden. Ook zijn er geen openingen aangetroffen die steenmarter toegang kan bieden tot een dakruimte en heeft de bewoner niet aangegeven (over)last te ervaren van steenmarters. Wegens de ligging van de planlocatie in een hoek tussen drukke infrastructuur, bebouwing en het havengebied en daarnaast de aanwezigheid van de omrastering is het voorkomen van essentiële migratieroutes of foerageergebieden uitgesloten. Negatieve effecten op kleine marterachtigen en de steenmarter zijn uitgesloten.

Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De esdoorn heeft één boomholte op circa 2,5 meter hoogte (figuur 3, links). Deze holte is geïnspecteerd en bleek naar onderen te zijn ingerot en water te bevatten. Een dergelijke boomholte is ongeschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Hiermee is het voorkomen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op de planlocatie is uitgesloten.

Figuur 3

6

Links: geïnspecteerde boomholte in esdoorn. Rechts: potentiële invliegopeningen die toegang bieden tot de spouw in het te behouden gedeelte van de woning.

De bebouwing binnen het plangebied is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen die vleermuizen mogelijk toegang geven tot een geschikte verblijfplaats. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In het te saneren gedeelte van het bedrijfspand bestaan de enige openingen uit open stootvoegen op circa 1 meter hoogte. Deze hoogte is te laag om te dienen als een geschikte invliegopening naar een verblijfplaats. Wel zijn er openingen op grotere hoogte aangetroffen in de te behouden woning (figuur 3, rechts). Deze mogelijke verblijfplaatsen blijven echter behouden. De sanering van het voorste gedeelte van het pand heeft ook geen effect op de spouwmuur van de woning, aangezien deze niet intern aan elkaar verbonden zijn. Het is uitgesloten dat er in het te saneren gedeelte van het bedrijfspand verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

Daarnaast is het ook uitgesloten dat mogelijke verblijfplaatsen in de woning negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden. Hoewel het uitgesloten is dat er sprake is van het wegnemen van een vaste rust- en/of verblijfplaats van vleermuizen, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen wel verblijfplaatsen hebben in de woning of in nabijgelegen bomen. Bij de bestemmingsplanwijziging van het naastgelegen bedrijventerrein is reeds een vleermuisonderzoek uitgevoerd, waarbij aanwezigheid van vleermuizen in de omgeving werd vastgesteld (Raaijmakers, 2018). Vleermuizen kunnen van de planlocatie gebruik maken als foerageergebied. Op de planlocatie zijn geen lijnvormige groenstructuren aanwezig die kunnen dienen als vliegroute. In de directe omgeving van de planlocatie is echter ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig boven de oude stadsgrachten en nabij de bomenlanen langs de Koppelweg. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden er geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetast. Mogelijk kan er wel sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.

Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Voor kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie bestaat onder andere uit een kleine grasweide.

Er is geen sprake van oppervlaktewater, overwinteringsstructuren of kwalitatief hoogwaardig foerageergebied welke mogelijk onderdeel kan zijn van het functioneel leefgebied van beschermde amfibieën. Negatieve effecten op beschermde amfibieën worden derhalve uitgesloten. Gezien de ligging van het plangebied binnen bebouwde gebied, met drukke infrastructuur en grotere watergangen in de omgeving wordt de kolonisatie van rugstreeppadden gedurende de bouwwerkzaamheden uitgesloten.

7

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de ringslang (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Het ontbreekt de ringslang op de planlocatie aan geschikte foerageergebied, migratieroutes of voortplantingsplaatsen (broeihopen). Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en de sleedoornpage (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie is in de tuin slechts sprake van enkele bomen, en wat aangeplante struiken en een grasgazon. Er is geen sprake van essentiële waardplanten of leefgebieden van vorengenoemde beschermde dagvlinders. Negatieve effecten op de soortgroep worden uitgesloten. Er zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor deze beschermde ongewervelde een waardplant vormen.

Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, grauwe gans, koolmees, meerkoet, wilde eend en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen grote horsten nesten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is door het beperkte oppervlak en de hoge mate van menselijke verstoring geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. De soort wordt regelmatig bij de sluis ten zuidwesten van het plangebied waargenomen. Binnen het plangebied is geen sprake van geschikte locaties voor nesten of foerageermogelijkheden voor de grote gele kwikstaart.

De roek wordt regelmatig waargenomen in de omgeving van het plangebied, deze soort nestelt in kolonievorm in relatief hoge bomen. Ten zuiden van de haven is een bekende roekenkolonie aanwezig. Nabij de planlocatie is geen kolonie van roeken aangetroffen en is er geen sprake van functioneel leefgebied voor de soort. De huismus nestelt hoofdzakelijk in menselijke bebouwing onder pannendaken. Binnen het plangebied is wel bebouwing aanwezig, maar kan ten gevolge van de bouwstijl (plat bitumen dak) het voorkomen van nestlocaties worden uitgesloten. Mogelijk komen er nesten in de omgeving voor, maar de dichtstbijzijnde geschikte bebouwing is op meer dan 100 meter afstand. Er is derhalve geen sprake van functioneel leefgebied van huismussen binnen het plangebied. Van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Wegens de afwezigheid van geschikte invliegopeningen in de gevels kan het voorkomen van nestlocaties worden uitgesloten.

8

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in zeer beperkt voedselaanbod en schuilgelegenheden voor algemene soorten. In de esdoorn op het perceel is een (mogelijk oud) nest van een zwarte kraai (cat. 5 soort) aangetroffen. Deze esdoorn blijft in principe behouden in de beoogde ingreep. Zwarte kraai heeft jaarrond beschermde nesten, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Gezien er ruim voldoende uitwijkmogelijkheden (hoge bomen) aanwezig zijn voor zwarte kraai is er geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen en derhalve ook niet van jaarrond bescherming van de nesten. De heesters, struiken, bomen en bebouwing vormen kunnen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties betekenen. De meeste groenstructuren blijven behouden. Wel worden minimaal twee grove dennen gekapt. Het wordt geadviseerd om de kap- en sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt indicatief van 15 maart t/m 15 juli, maar kan voor specifieke soorten afwijken. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.

Op een afstand van circa 470 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 30 m ligt het Gelders Natuurnetwerk (figuur 5).

Figuur 4

9

De planlocatie ligt op een afstand van 470 m tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 30 m tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: nationaal Georegister PDOK).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één nieuwe woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een kleine afstand (470 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000-gebieden.

10

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

11

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is mogelijk sprake van een verhoging van de stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Het wordt geadviseerd een berekening uit te voeren middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

+/-

-

+/-

n

n

n

n

n

n

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

470 m

stikstofdepositie

AERIUS

Gelders Natuurnetwerk

30 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

ja

nee

n.v.t.

ja

ja

n.v.t.

Bomen

-

-

-

Struiken

+/-

-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Natura 2000

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Insecten en andere ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt (met voorbehoud ten aanzien van stikstofdepositie) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met een berekening van de AERIUS Calculator inzichtelijk gemaakt te worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000-gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits geen sprake is van een toename in stikstofdepositie binnen kwatsbare habitats van Natura 2000-gebieden en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Koppelweg 18 te Doesburg uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

12

Vervolgstappen • Er dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS Calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Raaijmakers, R. 2018. Nader onderzoek ecologie Koppelweg 20-22 Doesburg. Rapport op 11 september 2018.

Ekoza Ecologisch advies, Arnhem.

13

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1 Fotografische impressie

15

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Koppelweg 18 te Doesburg en bestaat uit een voormalig bedrijfspand en aangebouwde woning. De intiatiefnemer is voornemens een gedeelte van het bedrijfspand te saneren en twee vrijstaande woningen op het perceel te realiseren. De woning blijft hierbij behouden.

Figuur 2

Minimaal twee grove dennen worden gekapt in de beoogde ingreep.

16

Figuur 3

In de esdoorn is een (oud) nest van zwarte kraai aangetroffen, deze esdoorn blijft behouden in de beoogde ingreep.

Figuur 4

Direct ten zuiden is de Oude IJssel gelegen.

Figuur 5

17

Het gehele plangebied is omrasterd met een hekwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=603cf767-b5c2-4f91-adeb-a4d0cf152a86