Bijlage 1.6: Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
owinngf
T.a.v. dhr. Drion en mevr. De Groot Pastoor Blaisseweg 2 6984 AC Doesburg
Datum
4 december 2020
Kenmerk
BE/2020/834/r
Uw kenmerk
Email d.d. 5 november 2020
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Blaisseweg 2 te Doesburg
Pastoor
Aan de Pastoor Blaisseweg 2 te Doesburg is een boerenerf met kapschuur, ligboxenstal, twee bijgebouwen en een woning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de kapschuur en ligboxenstal te saneren ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen. Tevens zullen de bijgebouwen inpandig verbouwd worden tot nieuwe woningen. In de toekomstige situatie zullen er 8 woningen op het erf aanwezig zijn. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Dhr. Drion en mevr. De Groot hebben Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Pastoor Blaisseweg 2 te Doesburg (figuur 1). De bebouwing op de planlocatie ziet er als volgt uit: •
• • • •
Kapschuur: de muren van deze schuur zijn opgebouwd uit stenen en aan de binnenzijde voorzien van pleisterwerk. De steense muren hebben aan alle zijden van de schuur een gelijke hoogte. De ruimte tussen de steense muur en het dak is aan de kopgevels gedicht met metalen damwandplaten. Het dak betreft een golfplaten dak zonder dakbeschot. Ligboxenstal: de muren van deze schuur zijn opgebouwd uit stenen muren en het dak betreft een golfplaten dak zonder dakbeschot. Bijgebouw 1: het bijgebouw is opgebouwd uit steense muren en bevat een pannendak voorzien van dakbeschot. Bijgebouw 2: het bijgebouw is opgebouwd uit steense muren en bevat een pannendak. Dit gebouw bevat tevens een zolder. Woning: De woning is opgebouwd uit steense muren en bevat een pannendak. De woning blijft behouden en wordt niet verbouwd binnen de beoogde ontwikkeling.
De planlocatie wordt gekenmerkt door de bovengenoemde bebouwing, gedeeltelijke verharding, frequent gemaaid gras en een maisakker. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Doesburg en de omgeving wordt gekenmerkt door akkers, weilanden en vrijstaande bebouwing. Het dichtbijzijnste grote water betreft Het Zwarte Schaar op een afstand van circa 1,4 km ten westen van de planlocatie. De dichtstbijzijnde snelweg is de A12 of een afstand van circa 10 km ten zuidwesten van de planlocatie.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Pastoor Blaisseweg 2 te Doesburg (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. (A) de kapschuur en omgeving van de planlocatie (B) de kapschuur (rechts) en ligboxenstal (midden) op de planlocatie.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de kapschuur en ligboxenstal en het inpandig verbouwen van bijgebouw 1 en bijgebouw 2. Tevens zullen er nieuwe woningen in de vorm van twee gebouwen op de planlocatie gerealiseerd worden. Ook zal een voedselbos op de maisakker worden gerealiseerd. De planlocatie zal worden ingericht en hierbij zal onder andere een zwemvijver gerealiseerd worden. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • • • •
3
saneren van de kapschuur en ligboxenstal: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; inpandig verbouwen van bijgebouw 1 en 2; kappen van één boom: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden; Aanplant van bomen, waaronder een voedselbos; Realisatie zwemvijver.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 17 november 2020 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 11 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid,
5
zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). De planlocatie is gedeeltelijk verhard. De onverharde delen worden gekenmerkt door frequent gemaaid gras en een maisakker. Ook zijn er (solitaire) bomen en een knotessenrij aanwezig op de planlocatie. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, Engels raaigras, knotessen, mais en zomereik. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, rode eekhoorn, otter, steenmarter en wezel. De bever en otter zijn beiden gebonden aan waterrijke gebieden. Voor bevers is er belangrijk dat de oevers voorzien zijn van houtige structuren, zoals bomen en struiken (BIJ12 kennisdocument bever, 2017). De otter komt leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust.
De soort komt voor in allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, beken en moerassen (Zoogdiervereniging). Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie bestaat uit (vaak onbegroeide) sloten, en voldoet daarmee niet aan de habitateisen van de otter en bever. Derhalve kan een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de otter en bever uitgesloten worden. De voorkeursbiotoop van de boommarter is bij uitstek bos (Zoogdiervereniging). De soort is gebonden aan gebieden met weinig verstoring. Op de planlocatie zijn bomen aanwezig, maar van bos is geen sprake. Tevens vormen de bomen op de planlocatie ook geen verbindingen met andere gebieden, waardoor het voorkomen van een migratieroute bij voorbaat uitgesloten is. Wegens het ontbreken van bos, verbindingen met bosgebieden en de mate van verstoring is een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de boommarter uitgesloten. De das komt voor in gebieden met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijke kenmerken van het dassenhabitat zijn: aanwezigheid van een groot voedselaanbod, een goed vergraafbare bodem, aanwezigheid van voldoende dekking rond de burcht en migratieroutes en weinig verstoring.
Het voedselaanbod is vooral op bemeste grasweiden en in maïsakkers van het agrarisch gebied te vinden (BIJ12 kennisdocument das, 2017). De planlocatie is bewoond waardoor verstoring frequent optreedt. Bosjes en heggen zijn in beperkte mate aanwezig en
6
worden goed onderhouden, waardoor er van beschutting weinig sprake is. Ook staan deze bosjes en heggen niet in verbinding met andere gebieden rondom de planlocatie, waardoor er geen sprake is van een migratieroute. Tevens zijn op de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen welke duiden op aanwezigheid van een das, zoals looproutes, een burcht of vluchtpijpen. De planlocatie omvat een maisakker waarop een voedselbos gerealiseerd zal worden. Binnen een straal van 1 km zijn geen waarnemingen van dassen en/of burchten bekend waardoor het uitgesloten is dat de maisakker essentieel onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van de das. Wegens bovenstaande argumentatie is een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de das uitgesloten. De rode eekhoorn komt voor in boomrijke gebieden. Verspreid over de planlocatie zijn meerdere bomen aanwezig. De verbinding tussen de planlocatie en boomrijke gebieden is gering, en bestaat slechts uit een ruim opgezette rij van knotessen. Derhalve maakt de planlocatie geen onderdeel uit van een migratieroute. Binnen de beoogde ontwikkeling zal één boom gekapt worden. Deze boom betreft geen nestboom en heeft derhalve geen belangrijke functie voor de rode eekhoorn.
Gezien de ruimtelijke verspreiding van de bomen op de planlocatie en het ontbreken van nestbomen is het niet aannemelijk dat de planlocatie een essentiële functie vervult voor de rode eekhoorn. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de rode eekhoorn is hiermee uitgesloten. In de beoogde situatie zullen veel bomen aangeplant worden, waaronder een voedselbos. Hiermee zal de planlocatie aantrekkelijker worden voor de rode eekhoorn. De bunzing en wezel zijn kleine marterachtigen met een voorkeur voor kleinschalige landschappen met voldoende dekking. Tevens is de aanwezigheid van water voor de bunzing een belangrijk onderdeel (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017). Ook de steenmarter heeft voorkeur voor kleinschalige gebieden, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen is van belang omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt (Zoogdiervereniging). Op de planlocatie is oppervlaktewater afwezig. Dekking is slechts in beperkte mate aanwezig, in de vorm van goed onderhouden heggen en bosjes (c.q. door hoge onderhoudsbeeld geen optimale schuilplaats). Deze heggen en bosjes staan niet in verbinding met dergelijke dekkende structuren buiten de planlocatie, waardoor het minder aannemelijk is dat kleine marters en de steenmarter de planlocatie zullen bereiken.
In de zomer is de kans op het voorkomen van kleine marters iets aannemelijker aangezien de omliggende maisvelden dan begroeid zijn, wat ook dekking biedt. Het kan derhalve niet volledig uitgesloten worden dat kleine marters, zoals de bunzing en wezel, en de steenmarter de planlocatie betreden. In de kapschuur en ligboxenstal zijn beide een zeer kleine hoeveelheid van (vermoedelijk) marteruitwerpselen waargenomen (in totaal twee kleine uitwerpselen op de planlocatie). Deze waren in beide schuren gelegen in het midden van de ruimte, waar geen dekking aanwezig is. Een dergelijke onbeschutte locatie in een schuur zal niet gekozen worden als vaste rustplaats of voortplantingsplaats. Afgezien van deze zeer kleine hoeveelheden (mogelijke) marteruitwerpselen, zijn er geen andere sporen aangetroffen welke kunnen wijzen op aanwezigheid van steenmarters of kleine marters. Kerkuilen maken frequent gebruik van de schuren op de planlocatie (zie hoofdstuk Vogels), wat de kans op aanwezigheid een vaste verblijfplaats van kleine marters erg onwaarschijnlijk maakt. Kerkuil zou kunnen prederen op kleine marterachtigen, terwijl juist steenmarter zou prederen op (broedgevallen van) kerkuil.
Tevens zijn er voor kleine marters, maar ook de steenmarter, weinig schuilmogelijkheden: (1) de kapschuur en ligboxenstal hebben een open uitstraling en schuilplekjes zijn bijna niet aanwezig en (2) de dakconstructie biedt geen schuilplekken voor steenmarters. Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater, zeer beperkte foerageer- en schuilmogelijkheden, aanwezigheid van kerkuilen, het ontbreken van jaarrond aanwezige migratieroutes naar de planlocatie toe, de zeer beperkte geschiktheid van de kapschuur en ligboxenstal en de afwezigheid van voldoende sporen welke kunnen wijzen op een vaste rustplaats of voortplantingsplaats, is het voorkomen van een vaste rustplaats en/of voortplantingsplaats op de planlocatie uitgesloten. Binnen de beoogde ontwikkeling zal slechts één boom gekapt worden en talrijke nieuwe groenstructuren aangeplant worden, wat deze soorten mogelijk ten goede zal komen. Ook zal oppervlaktewater op de planlocatie gerealiseerd worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat rust- en verblijfplaatsen van soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie
7
heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
Op de planlocatie is de boom welke gekapt zal worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Deze boom bevat geen holten waardoor deze niet geschikt is als rust en/of verblijfplaats voor vleermuizen. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te saneren kapschuur en ligboxenstal zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. De zuidzijde van de ligboxenstal is voorzien van muren met een open spouw. Deze muur bevat een grote scheur en een gat (figuur 4). Tevens ontbreekt de houten aftimmering langs de gevel op meerdere plekken, waardoor toegang tot de spouw via de bovenkant van de muur mogelijk is. Via de vorengenoemde openingen kan een open spouw worden bereikt welke gebruikt kan worden door gebouwbewonende vleermuizen (c.q. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) als rust en/of verblijfplaats.
De zolder van bijgebouw en de open spouw aan de zuidzijde van de ligboxenstal vormen tevens mogelijke verblijfplaatsen voor de gewone grootoorvleermuis. Om de aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen).
8
Figuur 4
Potentiële invliegopeningen voor vleermuizen aan de zuidzijde van de ligboxenstal. (A) een scheur in de muur vormt een potentiële invliegopening. (B) een deel van de muur waar de houten aftimmering ontbreekt. (C) de rode pijl wijst enkele plekken aan waar de houten aftimmering ontbreekt of deels loshangt. (D) vanuit de binnenzijde van de ligboxenstal is goed zichtbaar dat er een open spouw aanwezig is. Deze foto is gemaakt aan de binnenzijde van de scheur die afgebeeld is op foto A.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Binnen de beoogde ontwikkeling zal slechts één boom gekapt worden en zullen talrijke nieuwe bomen aangeplante worden. Hierdoor zal de planlocatie in haar geschiktheid als foerageergebied vooruitgaan. Door het saneren van bebouwing gaan enkele oriëntatiestructuren verloren. Deze oriëntatiestructuren vormen geen essentiële verbinding tussen gebieden. Tevens zijn er voldoende alternatieve structuren aanwezig en zullen nieuwe structuren gerealiseerd worden. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op foerageergebied en/of vliegroutes. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat
9
deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het voorkomen van aquatisch habitat bij voorbaat uitgesloten is. Tevens vormt de planlocatie geen ideale omgeving voor overwintering of foerageergebied, ontbreken waarnemingen van de vorengenoemde beschermde soorten binnen een straal van 1 km (NDFF 2010-2020), en is de afstand tot geschikt oppervlaktewater van de bovenstaande soorten te groot om als overwinteringsgebied te functioneren. De rugstreeppad is een soort welke voorkomt op terreinen met een hoge natuurlijkheid of door mensen ingebrachte dynamiek. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of waterinsecten zijn (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017). Tijdens de werkzaamheden kan (onbewust) geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad ontstaan. Bijvoorbeeld in sporen van (zware) voertuigen. Momenteel vormt de planlocatie geen geschikt habitat voor de rugstreeppad.
Aangezien de rugstreeppad in de afgelopen 3 jaar niet is waargenomen binnen een straal van 1 km, is het nemen van maatregelen om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen niet benodigd (op basis van BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de hazelworm (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelwormen leiden een verborgen leven en bevinden zich het grootste gedeelte van de dag onder vegetatie, dood hout of in holen in de grond. De soort komt voor in vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden waaronder open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen. Op de planlocatie is geen sprake van een vochtig, met dichte vegetatie bedekte gebieden en ontbreekt voldoende dekking. Tevens is er sprake van verstoring. Derhalve is het voorkomen van de hazelworm uitgesloten.
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage (NDFF 20102020). De grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder komen voornamelijk voor in- en rondom bossen. De sleedoornpage komt voor langs bosrangen, houtwallen en struwelen. Waardplanten van de bovengenoemde soorten zijn: sleedoorn (sleedoornpage), wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) en boswilg (grote weerschijnvlinder) (Vlinderstichting). Op de planlocatie is geen sprake van de voorkeurshabitatten en zijn de waardplanten afwezig.
Derhalve is het voorkomen van de grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage op de planlocatie uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen
10
plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: kerkuil, merel en torenvalk. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De daken van de te saneren kapschuur en ligboxenstal bestaan uit golfplaten en zijn niet voorzien van dakbeschot (figuur 5). Tevens zijn er geen andere kieren aanwezig welke gebruikt kunnen worden als nestlocaties.
Derhalve kan het voorkomen van nestlocaties van de huismus in de kapschuur en ligboxenstal uitgesloten worden. De daken van bijgebouw 1 en 2 zijn voorzien van vogelwerend materiaal. De zolder van bijgebouw 2 is niet voorzien van dakbeschot. Het voorkomen van nestlocaties van de huismus is uitgesloten in bijgebouw 1 en 2, waardoor er van eventuele verstoring van nestlocaties tijdens de inpandige werkzaamheden geen sprake is.
Figuur 5
Visuele representatie van de daken op de planlocatie. (A) het dak van de kapschuur bestaat uit golfplaten. (B) het dak van de ligboxenstal bestaat uit golfplaten. (C) de zolder van bijgebouw 2 bestaat uit een pannendak zonder dakbeschot. (D) de bijgebouwen zijn voorzien van vogelwerend materiaal. De ruimte onder de houten lat is slechts 1 cm en derhalve niet geschikt voor huismussen.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De daken van de kapschuur, ligboxenstal en bijgebouw 1 en 2 voorzien niet in geschikte nestlocaties
11
voor gierzwaluwen door een ongeschikte constructie en/of het ontbreken van geschikte openingen. Tevens bevindt de planlocatie zich in een landelijke omgeving. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op de zolder van bijgebouw 2 zijn twee kerkuilen tijdens het veldbezoek waargenomen (figuur 6 en 7). Aannemelijk betreft dit een broedpaar dat tot 2019 een nestlocatie had in een kerkuilenkast in de kapschuur. Deze kerkuilenkast is in het najaar van 2019 verplaatst door de kerkuilenwerkgroep (pers. communicatie kerkuilenwerkgroep Achterhoek-Liemers). In 2013, 2015 en 2016 is aanwezigheid van een territorium van de kerkuil vastgesteld rondom deze kapschuur (NDFF). De zolder van bijgebouw 2 had tot 2019 een functie als vaste rustplaats (pers. communicatie kerkuilenwerkgroep Achterhoek-Liemers), en gezien de sporen en waargenomen kerkuilen heeft deze zolder nog steeds deze functie. Tevens zijn er sporen van de kerkuil in de kapschuur (een veer en krijtsporen) en de ligboxenstal (krijtsporen) waargenomen. Op de planlocatie zijn geen nestkasten voor kerkuilen meer aanwezig. Derhalve wordt verwacht dat de planlocatie enkel gebruikt wordt als vaste rustplaats. Om duidelijkheid te creëren over de functie van de planlocatie, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de kerkuil (zie Vervolgstappen).
Figuur 6
12
Overzicht van de sporen en waargenomen individuen van de kerkuil op de planlocatie.
Figuur 7
Visuele representatie van de kerkuil en haar sporen op de zolder van bijgebouw 2. (A) kerkuil individu 1. (B) kerkuil individu 2. (C/D) krijtsporen en braakballen op de zolder van bijgebouw 2.
De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven, bij boerderijen of in het agrarische cultuurlandschap en aan de dorpsranden. Kort gemaaide of begraasde weilanden zijn belangrijk voor het vangen van regenwormen en veldmuizen, en vormen daarmee foerageergebied. Schuurtjes, houtsingels en lanen zorgen voor schuilplaatsen (BIJ12 kennisdocument steenuil, 2017). Rondom de planlocatie zijn veel akkers en weilanden aanwezig, welke kunnen functioneren als foerageergebied. Tevens zijn kapschuur, ligboxenstal en de zolder van bijgebouw 2 toegankelijk waardoor deze gebruikt zouden kunnen worden als rustplaats door steenuilen. Momenteel kan niet worden aangetoond dat de krijtsporen welke gevonden zijn in de kapschuur en ligboxenstal enkel afkomstig zijn van kerkuilen. Er bestaat een mogelijkheid dat steenuilen hier een aandeel in hebben gehad. Het voorkomen van rustplaatsen van kerkuilen en steenuilen op één erf is namelijk mogelijk. Tevens zijn er zeer veel waarnemingen van steenuilen in de omgeving van de planlocatie bekend (NDFF 2010-2020), waardoor het voorkomen van een rustplaats van steenuilen niet kan worden uitgesloten. Om de aan- of afwezigheid van een rustplaats van steenuilen vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen). De planlocatie is gedeeltelijk verhard.
Het onverharde deel van de planlocatie wordt gekenmerkt door frequent gemaaid gras en een maisakker. De maisakker vervult geen functie als essentieel foerageergebied voor de kerkuil en steenuil. Tevens betreft het frequent gemaaide gras slechts een klein oppervlak, en zijn veel alternatieve foerageerplekken in de directe omgeving aanwezig. Er is derhalve geen sprake van het wegnemen van essentieel foerageergebied van kerk -en steenuilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
13
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Tijdens het veldbezoek is een torenvalk overvliegend waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen voor nestlocaties van de torenvalk op de planlocatie. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 8). Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,0 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 9).
Figuur 8
14
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,0 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de kapschuur en ligboxenstal, de inpandige verbouwing van bijgebouw 1 en 2 en de realisatie van nieuwe bebouwing. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen.
De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een afstand van 1,1 km tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en
15
struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
16
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft een functie als rustplaats voor kerkuilen. Mogelijk heeft de planlocatie ook een functie voor steenuilen en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zal één boom gekapt worden. Het kappen van deze boom is niet meldingsplichtig. Tabel 2.1 Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Functie plangebied regime Wet nb onderzoek Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Kerkuil Steenuil
Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee
Artikel 3.5
Artikel 3.1 Artikel 3.1
Verblijfplaatsen
Ja Ja
Rustplaats/nestlocatie Rustplaats/nestlocatie
Tabel 2.2 Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten (soortenbescherming) Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend
17
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis Watervleermuis Franjestaart Baardvleermuis Gewone grootoorvleermuis Rosse vleermuis Tweekleurige vleermuis
Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee
Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee
Ja Nee Nee Ja Ja Nee Ja
Vleermuizen algemeen (Massa)winterverblijfplaats Essentiële vliegroute Essentieel foerageergebied
Nee Nee Nee
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t. n.v.t
Potentiële openingen in bebouwing Potentiële openingen in bebouwing Potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing
Tabel 2.3 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort Vleermuissoort Zomer Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis
Ja Ja Ja Ja
Nee Nee Nee Nee
Ja Ja Ja Ja
Ja Nee Ja Ja
Tabel 2.4 Overzicht van de Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,1 km
geen
n.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
1,1 km
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
1,0 km
geen
n.v.t.
Tabel 2.5 Overzicht van de Houtopstanden Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen en renoveren bebouwing een relevante functie heeft voor kerkuilen, steenuilen en vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, kerk-/steenuil: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie Het saneren van de kapschuur en ligboxenstal, het inpandig verbouwen van bijgebouw 1 en 2 en de realisatie van nieuwe bebouwing aan de Pastoor Blaisseweg 2 te Doesburg is, onder voorbehoud van een ontheffing zoals gesteld in Wet nb art. 3.3, uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
18
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de kerkuil uitgevoerd te worden. Tijdens het onderzoek wordt de aan- of afwezigheid van een rust en/of nestlocatie vastgesteld. Het aanvullend onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 15 oktober, conform het kennisdocument kerkuil (BIJ12, 2017). Het aanvullende onderzoek betreft gericht veldbezoeken in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang tot middernacht. De inventarisatie vindt plaats door inspectie van de verblijfplaats(en), zichtwaarnemingen en navraag bij betrokkenen en/of relevante instanties. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar steenuilen uitgevoerd te worden. Tijdens het onderzoek wordt de aan- of afwezigheid van rust en/of nestlocatie vastgesteld. Het aanvullend onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april (NGB, 2017). Het aanvullende onderzoek betreft gericht veldbezoeken in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang tot middernacht. De inventarisatie vindt plaats door inspectie van de verblijfplaats(en), zichtwaarnemingen en navraag bij betrokkenen en/of relevante instanties. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.
Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest recente Vleermuisprotocol. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustus-september) plaats te vinden. Van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied is geen sprake.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Werkzaamheden die spouwmuren beïnvloeden (bijvoorbeeld na-isolatie of openbreken spouwmuur) niet uitvoeren alvorens het vleermuisonderzoek is uitgevoerd en eventueel benodigde ontheffingen verleend zijn.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
19
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging i.o.v. provincie Noord-Brabant. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen.
Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
20
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
21
Bijlage 1 Fotografische impressie
22
Figuur 1
De kapschuur (links) en bijgebouw 1 (rechts) op de planlocatie.
Figuur 2
Bijgebouw 1 (links) en de woning (rechts) op de planlocatie.
23
Figuur 3
Bijgebouw 2 met zolder (links) en bijgebouw 1 (rechts) op de planlocatie.
Figuur 4
Bijgebouw 2 (links) en de kapschuur (rechts) op de planlocatie.
Figuur 5 De te saneren boom (op de voorgrond).
Figuur 6
24
De omgeving ten noorden van de planlocatie.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
25
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
26
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
27