CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Verhuellweg - toelichting

Gemeenteraad 25 april 2023, gemeente DoesburgBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Bedrijventerrein Verhuellweg20.478 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling valt onder categorie D 11.3 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein) van het Besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. van 75 hectare wordt niet overschreden. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een separate aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 3). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat significante effecten voor het milieu zijn uit te sluiten en er derhalve geen m.e.r-plicht ontstaat.

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 24 van 48

4.2

Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Planspecifiek Met de gewijzigde herontwikkeling van het bedrijventerrein is er voor het overgrote deel geen sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. De huidige bedrijfsfuncties blijven met de beoogde optimalisatie en herstructurering bestaan. Er is geen directe aanleiding om een bodemonderzoek uit te voeren in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.

4.3

Lucht

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek Met betrekking tot de planontwikkeling op het bedrijventerrein Verhuellweg is er onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit (Bijlage 4). Hierbij is gerekend met een maximale toename van 10 afvaarten per week. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit zijn op basis van de emissies van luchtverontreinigende stoffen, ten gevolge van het plan, de concentratietoenamen in de directe omgeving bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van modelberekeningen. De concentratietoenamen zijn bepaald ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. De berekende concentratietoenamen zijn vervolgens getoetst aan de NIBM-norm. Het gewijzigde plan geeft geen extra ruimte voor de vestiging van nieuwe bedrijven. De enige relevante wijziging van het plan voor het aspect luchtkwaliteit bestaat uit de verlenging van de laad- en loskade waarbij een toename plaatsvindt van het aantal afvaarten. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied de Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 25 van 48

concentratietoenamen NO2 en PM10 ten gevolge van het plan niet meer bedragen dan 1,2 µg/m³. Hiermee is het aannemelijk dat de realisatie van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Hiermee voldoet het plan, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en staat het aspect luchtkwaliteit niet in de weg van een positief besluit op het plan.

4.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

Planspecifiek Voor de bestemmingsplanwijziging is er door Sweco een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). In het onderzoek is bepaald wat de geluidsniveaus zijn ter plaatse van woningen van derden alsmede op de zonepunten ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten. In het onderzoek is rekening gehouden met 10 afvaarten per week. Bedrijventerrein Verhuellweg betreft een gezoneerd industrieterrein. Er is een 50 dB(a)-zone rondom het terrein vastgesteld. Binnen de geluidzone zijn een aantal woningen gelegen. Voor woningen binnen de zone kunnen hogere waarden worden afgegeven. Omdat de afgegeven waarden onbekend zijn is toch getoetst aan het activiteitenbesluit. Naast de beoordeling op de zone, is in het akoestisch onderzoek in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling ook gekeken naar het verkeer op de openbare weg. Het volgende wordt in het rapport geconcludeerd: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de zone bedraagt ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde. De wettelijk vastgestelde 50 dB(A) geluidzone rondom het gezoneerde industrieterrein wordt hiermee niet overschreden. De uiteindelijke zonetoets moet uitwijzen of de geluidemissie inpasbaar is binnen de zone van het industrieterrein. Deze beoordeling is aan de zonebeheerder, in dit geval de omgevingsdienst regio Arnhem (ODRA).

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr;LT op de gevels van woningen van derde bedragen ten hoogste 46, 43 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde uit het Activiteitenbesluit van ten hoogste 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Wet geluidhinder biedt geen toetsingskader voor maximaal optredende geluidsniveaus op een gezoneerd industrieterrein. De maximaal optredende geluidsniveaus zijn echter wel inzichtelijk gemaakt en getoetst aan het Activiteitenbesluit. Ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan de maximale geluidniveau LAmax uit het Activiteitenbesluit. De indirecte hinder, veroorzaakt door de ontsluitingsroute gepaard gaande geluidsbelasting, dient te worden berekend op macroniveau van het gehele industrieterrein. De indirecte hinder van gezamenlijk K+N, CTD en Ubbink is bepaald. Deze overschrijdt niet de voorkeursgrenswaarden voor indirecte hinder LAeq van 50 dB(A) etmaalwaarde. De gecumuleerde geluidsbelasting is minder dan 1dB(A) toename van de huidige totale Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 26 van 48

geluidsbelasting bedraagt. Hierbij is gerekend met 2 afvaarten per etmaal (in het bestemmingsplan zijn maximaal 10 afvaarten per week toegestaan). De grens voor een 'hoorbaar verschil' ligt rond de 3 dB(A). De toename van minder dan 1dB(A) wordt, mede aangezien de woningen al binnen en grenzend aan de geluidszone liggen waar grote geluidsmakers zich mogen vestigen (waar dus een hogere geluidsbelasting al geaccepteerd is) en de ingezette doorontwikkeling van het bedrijventerrein van de afgelopen jaren, als aanvaardbaar beoordeeld.

4.5

Toegestane bedrijfsactiviteiten

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is ervoor gekozen om, door middel van een Staat van Bedrijfsactiviteiten, de vestiging van verschillende bedrijven in het bestemmingsplan mogelijk te maken. De bedoeling van het bestemmingsplan is echter alleen om uitbreiding mogelijk te maken van de bestaande bedrijven die thans in het plangebied zijn gevestigd. Daarom zijn bij de wijziging van het bestemmingsplan de toegestane bedrijfsactiviteiten beperkt tot de activiteiten van de bestaande bedrijven op de locaties waar die bedrijven thans zijn gevestigd en de voorziene uitbreiding van die bedrijven. Het bestemmingsplan maakt dus niet langer andere bedrijfsactiviteiten mogelijk. Het voordeel hiervan is dat de milieubelasting van de bestaande bedrijfsactiviteiten bekend is. De gevestigde bedrijven beschikken immers over een omgevingsvergunning milieu waaraan moet worden voldaan, of zij hebben hun bedrijfsactiviteiten gemeld en die activiteiten moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit. De voorziene uitbreiding daarvan zal ook moeten worden vergund of gemeld en die moet dan ook voldoen aan de daarvoor te verlenen vergunning of aan het Activiteitenbesluit. Omdat op die manier voldoende kan worden gewaarborgd dat ter plaatse van woningen wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is het niet nodig om de systematiek van Bedrijven en milieuzonering toe te passen.

Het bestemmingsplan maakt immers geen bedrijfsactiviteiten mogelijk waarvan de feitelijke milieubelasting nog niet bekend is. Het bestemmingsplan voorziet wel in enige flexibiliteit doordat de mogelijkheid is opgenomen om af te wijken van de toegestane bedrijfsactiviteiten, maar dat kan slechts voor bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn, waarbij moet worden aangetoond dat de hinder voor de omgeving niet toeneemt en dat er geen toename is van de stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande bedrijfsactiviteiten.

4.6

Externe veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 27 van 48

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 28 van 48

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek In de huidige situatie is aan de westzijde van de kade een LNG-station aanwezig. Navolgende afbeelding toont de situering van het LNG-station.

Figuur 4.2 Situering LNG-station (rood omcirkeld, bron: Google Maps)

Omdat de activiteiten van Rotra worden gesplitst en deels over worden genomen door Kuehne Nagel en deels over worden genomen door CTD verandert de externe veiligheid met betrekking tot het LNG-station. In het kader van de omgevingsvergunning voor milieu voor Kuehne Nagel is er een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 6). In de quickscan is onderzocht wat de gevolgen voor externe veiligheid zijn die door de LNG-installatie worden veroorzaakt (voor zolang deze nog op de huidige locatie staat). Plaatsgebonden risico De PR 10-6/jaar ligt op 43 meter vanuit het LNG-tankstation. Conform de Circulaire dient een minimale afstand van 50 meter gehanteerd te worden naar (beperkt) kwetsbare objecten. Binnen de afstand van 50 meter bevindt zich het kantoor van CTD, waarin circa 8 tot 10 personen per dag aanwezig zijn. Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 29 van 48

Het kantoor van CTD wordt beschouwd als een beperkt kwetsbaar object. Een deel van het kantoor van CTD bevindt zich zowel binnen de PR 10-6/jaar contour als binnen de minimale effectafstand van de Circulaire. De richtwaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar voor een beperkt kwetsbaar objecten wordt hiermee overschreden De richtwaarde voor het plaatsgebonden risico is een juridische norm waarvan slechts met goed gemotiveerde redenen mag worden afgeweken. In het kantoor van CTD bevinden zich maximaal 10 personen per dag, gedurende 6:00 uur tot 22:00 uur. Verder kunnen per dag gemiddeld 10 chauffeurs aanwezig zijn voor laad- en losactiviteiten. De activiteiten van CTD en het gebouw waarin CTD zich bevindt zijn reeds bestaande activiteiten en is een bestaand gebouw. Door de splitsing zijn er geen wijzigingen in activiteiten of aanpassingen aan gebouwen. De risico’s wijzigen daarentegen ook niet ten opzichte van de huidige situatie (vóór de splitsing). Doordat er geen wijzigingen plaatsvinden aan de gebouwen, zijn de bestaande vluchtroutes nog steeds valide. Er vindt alléén een juridische wijziging plaatst door de splitsing, waardoor er twee bedrijven ontstaan. Daarom dient de externe veiligheidssituatie opnieuw bekeken te worden. De medewerkers van CTD zijn bekend met de processen van Kuehne Nagel en de risico’s van de LNG-tankstation.

Zij weten hoe ze moeten handelen in geval van een calamiteit bij Kuehne Nagel. Zij zijn voldoende zelfredzaam en er zijn voldoende vluchtroutes van de LNG-tankinstallatie af. Nieuwe medewerkers worden geïnformeerd over de risico’s van de LNG-installatie en worden geïnstrueerd hoe ze moeten handelen bij een calamiteit. Dit proces is schriftelijk vastgelegd in procedures en instructies. Daarnaast is het verplaatsen van het kantoor van CTD buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar niet mogelijk, omdat er op het terrein van CTD geen ruimte beschikbaar is voor een nieuw gebouw. Verder is het van logistiek belang dat CTD haar activiteiten kan voortzetten vanwege de verbinding met de Rotterdamse en de Antwerpse haven en het binnenland van Nederland. Groepsrisico Het groepsrisico dat in de QRA is berekend verandert echter wel voor de gesplitste situatie. In de QRA van 2014 zijn de eigen medewerkers van Rotra niet meegenomen in de berekeningen van het groepsrisico. Door de splitsing valt het personeel van CTD niet meer onder de werknemers van Rotra/ Kuehne Nagel. CTD heeft maximaal 10 medewerkers en er komen gemiddeld 10 bezoekers (chauffeurs) langs. Dit aantal personen dient aangepast te worden in de berekeningen van het groepsrisico. De verwachting is dat het groepsrisico mimimaal zal stijgen door de extra personen van CTD.

Het huidige groepsrisico ligt 0,22 maal onder de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie zal het groepsrisico een marginale stijging laten zien. Aanvullende maatregelen om het groepsrisico te verlagen is hier niet aan de orde.

Verplaatsing LNG-station In onderhavig bestemmingsplan is daarnaast een aanduiding opgenomen voor een nieuwe locatie van het LNG-station. Op termijn wordt het LNG-station verplaatst naar de noordoostzijde van de laad- en loskade. Er is reeds een kwanitatieve risicoanalyse uitgevoerd naar de verplaatsing van het LNG-station naar de noordoostzijde van de kade. De analyse is uitgewerkt in een rapportage (Bijlage 7). Voor het plaatsgebonden risico wordt het volgende geconcludeerd: Binnen de 10-5/jaar risicocontour liggen geen kwetsbare objecten. Binnen de 10-6/jaar riscocontour ligt alleen het kantoorgebouw van Kuehne Nagel (ca. 40 m vanaf het vulpunt). De kwantitatieve risicoanalyse (QRA) toont aan dat zowel de grenswaarde als de richtwaarde niet worden overschreden en voldoet hiermee aan het Bevi. Op basis van de 'Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations' geldt de minimale risicoafstand en effectafstand van 50 meter, tenzij een grotere risicoafstand berekend wordt. De QRA heeft geen

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 30 van 48

grotere risicoafstand berekend en daarom geldt de minimale afstand van 50 meter. Binnen deze 50 meter ligt alleen het kantoor van Kuehne Nagel. Doordat de LNG-tankinstallatie in het beheer is van Kuehne Nagel, wordt het kantoor niet beschouwd als een beperkt kwetsbaar object omdat het een eigen gebouw betreft. Alleen gebouwen van derden worden beschouwd als beperkt kwetsbaar. Binnen de veiligheidsafstand van 50 meter bevinden zich geen beperkt kwetsbare objecten van derden en voldoet hiermee aan de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations. Indien het bestemmingsplan binnen de PR 10-6/jaar of binnen de minimale afstand van 50 meter andere beperkt kwetsbare objecten, die niet onder het beheer van Kuehne Nagel vallen, wil toelaten, kan dit alleen met een gewichtige motivering. Het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde en de normwaarde bedraagt maximaal 0,04. Het groepsrisico wijzigt als gevolg van het verplaatsen van het LNG-station. Voor het verplaatsen van het LNG-station dient derhalve het groepsrisico verantwoord te worden. Dit zal uitgewerkt worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het LNG-station.

Verantwoording groepsrisico De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft een verantwoording groepsrisico opgesteld (Bijlage 8). Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van het LNG-tankstation, de spoorlijn Arnhem–Zutphen en de vaarweg IJssel. Doordat de afstand tussen het plan de spoorlijn Arnhem-Zutphen groter is dan 200 meter kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Ditzelfde geldt ook voor de IJssel maar dan omdat de toename van het groepsrisico minder dan 10% is. Er ligt nauwelijks bebouwing binnen het invloedsgebied en door het plan wijzigt het aantal aanwezigen maar beperkt. De verplaatsing van het LNG-tankstation zal op langere termijn pas plaatsvinden. De verantwoording hiervan zal verder uitgewerkt worden in het kader van omgevingsvergunning voor het verplaatsen van de LNG-tankstation. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 8 juni 2020 (kenmerk: 200608_0029).In het kader van de verantwoording groepsrisico zijn de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron.

De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit het advies kwam naar voren ter verbetering rekening te houden met de bluswatervoorziening(en) en bereikbaarheid (opkomsttijden) als ook in kader van de basisbrandweerzorg en brandpreventieve zaken. Gezien de wijziging beperkt is en het enkel ter verbetering is, acht de gemeente het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen voor de bestrijdbaarheid. Daarnaast is het geadviseerde niet ruimtelijk relevant. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) geeft het volgende aan: Het plangebied ligt nabij de rivier de IJssel. Over de IJssel vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats (basisnetroute), waardoor het plangebied binnen de effectafstand van het incidentscenario plasbrand ligt. Binnen het plangebied ligt een inrichting met LNG en de aan-/afvoerroute via de provinciale weg N317. De bijbehorende incidentscenario's zijn o.a.

explosie, fakkelbrand en plasbrand met een mogelijk effectgebied over het plangebied en directe omgeving. De kans daarop is echter klein; Het bestemmingsplan leidt tot een beperkte toename van het aantal aanwezigen door de Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 31 van 48

mogelijke uitbreiding en wijziging van bedrijfsactiviteiten. Het ligt in de verwachting dat de aanwezigen op het bedrijventerrein zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd; De VGGM adviseert verder onderzoek te doen naar externe veiligheid en een verantwoording groepsrisico op te nemen in het bestemmingsplan. Indien er verkeersmaatregelen worden toegepast of gewijzigd waarvoor een verkeersbesluit vereist is, een afzonderlijk overleg met de korpschef van politie plaats te laten vinden. Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Verhuellweg, Koepoortdijk en Panovenweg te ontvluchten. Ten aanzien van het geadviseerde er heeft een onderzoek externe veiligheid plaatsgevonden, het groepsrisico is doormiddel van dit schrijven verantwoord en doordat de verkeerssituatie niet wijzigt heeft er geen verder overleg met de korpschef plaatsgevonden. De gemeente acht het dan ook niet nodig om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Op basis van de verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het plan geen significant effect heeft op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarnaast is het geadviseerde van de VGGM enkel ter verbetering en niet ruimtelijk relevant.

4.7

Explosieven

Indien er zich conventionele explosieven (CE) in de bodem bevinden, is dat een risico in het kader van de Openbare Veiligheid. Daardoor kan er bovendien tijdens de uitvoering van graafwerkzaamheden stagnatie van de werkzaamheden optreden en kunnen aanzienlijke kostenverhogingen ontstaan, waardoor mogelijk zelfs de haalbaarheid van een initiatief wordt beïnvloed. Het is van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande CE ten einde de veiligheid van personeel en de omgeving tijdens de realisatiefase op een verantwoorde wijze te kunnen waarborgen. Om inzicht te krijgen op de vraag in hoeverre er een kans bestaat op het aantreffen van CE in de ondergrond, is een vooronderzoek explosieven uitgevoerd door Explosive Clearance Group (Bijlage 9). Uit het vooronderzoek is gebleken dat er in het verleden binnen het plangebied en in de directe omgeving ervan verschillende oorlogs handelingen hebben plaatsgevonden. Aan de noordzijde van de IJssel hebben Hollandse kazematten gestaan die behoorden tot de IJssellinie. Op 19 november 1943 is een groot aantal bommen van grote hoogte neergekomen op de stadsweiden ten noorden en ten westen van Doesburg.

Aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied is een groot aantal loopgraven, schuttersputten, wapenopstellingen, schuilmangaten en geschutopstellingen aangelegd en aan de noordzijde zijn diverse Duitse luchtafweerstellingen waargenomen. In de laatste oorlogsmaanden zijn hier wapenopstellingen aangelegd en in april 1945 heeft Doesburg enkele malen onder geallieerd artillerievuur gelegen. Op luchtopnamen zijn tenslotte enkele kraters van geschutsmunitie waargenomen in het zuidelijk deel van het plangebied. In naoorlogse periode zijn er binnen delen van het plangebied diverse grondroerende werkzaamheden uitgevoerd waaronder de realisatie van het bedrijventerrein en meer recentelijk de containerterminal, het graven van sloten en het afdammen van de IJssel. Geroerde bodemlagen kunnen als onverdacht worden aangemerkt. Het grootste deel van het plangebied is op basis van het vooronderzoek echter aangemerkt als 'verdacht op het aantreffen van conventionele explosieve'. Het reeds uitgevoerde onderzoek volstaat voor het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure (dit is afgestemd met ECG). Alleen indien er sonderingen/boringen ten behoeve van het bestemmingsplan nodig zijn, dient dit onder begeleiding te gebeuren. Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 32 van 48

4.8

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 33 van 48

1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Aan de noordzijde van het plangebied ligt een waterkering door het plangebied omdat ten noorden van het plangebied (en deels er in) Het Zwarte Schaar ligt. Deze waterkering is er om de waterveiligheid van het achterliggende gebied te borgen. De waterkering dient beschermd en instant te worden gehouden ten behoeve van de waterveiligheid. Met de beoogde plannen wordt de waterkering behouden en wordt deze niet belemmerd in haar functie. In de regels van dit plan zijn regels opgenomen ten behoud en bescherming van de waterkering. Voor werkzaamheden die in de zonering van de waterkering vallen is op basis van de Keur een watervergunning nodig. Het waterschap heeft reeds aangegeven dat op basis van de huidige plannen geen grote belemmeringen worden gezien met betrekking tot waterveiligheid. Er heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met Waterschap Rijn en IJssel over het verplaatsen van het LNG-station naar de noordoostelijke zijde van de kade.

Uit het overleg kan geconcludeerd worden dat de beoogde locatie voor het LNG-station mogelijk is. Het LNG-station komt buiten de kernzone van de waterkering en achter de damwand te staan waardoor de kans op afschuiving kleiner wordt ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie staat het LNG-station achter een gezet talud, welke mogelijkerwijs af kan schuiven bij een explosie. Bij de realisatie van het nieuwe LNG-station worden risico's zo veel mogelijk beperkt. Bij de omgevingsvergunningaanvraag voor de aanleg van het LNG-station wordt dit technisch uitgewerkt. Voor het aspect water zijn twee notities opgesteld. In eerste instantie is er een watertoets uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Verhuellweg. In Bijlage 10 is in een notitie de waterparagraaf opgenomen. Op basis van de watertoets kan geconcludeerd worden dat voor de herinrichting van het bedrijventerrein aan de Verhuellweg 435 m³ waterberging nodig zal zijn. De ontwikkelingen bieden voldoende mogelijkheden voor de aanleg van onder- en of bovengrondse waterbergingsvoorzieningen. Bij de uitwerking van het eindontwerp zullen keuzes gemaakt moeten worden hoe het water geborgen (en vertraagd afgevoerd) wordt. Ruimtebeslag voor de bergende voorzieningen zullen dan ook in het ontwerp moeten worden meegenomen.

De conceptversie van de waterparagraaf is aan Waterschap Rijn en IJssel voorgelegd. In een reactie hierop heeft het waterschap aangegeven dat voor de vergunningverlening een verder uitwerking van het plan nodig is. Derhalve is er een aanvullende notitie voor de waterhuishouding van het bedrijventerrein opgesteld (Bijlage 11). Onderdeel hiervan is de realisatie van de benodigde waterberging. Om aan de waterbergingsopgave van 435 m³ te voldoen, zijn twee maatregelen voorgesteld: de aanleg van een vegetatiedak op het crossdock; de aanleg van Rockflowpakketten onder twee parkeervoorzieningen. Bij implementatie van beide maatregelen voldoet het watersysteem aan de benodigde waterberging van 435 m³. Voor de waterbergvoorzieningen is het van belang dat zo snel mogelijk peilbuizen geplaatst worden. Daarnaast biedt de herontwikkeling de volgende kansen: het in kaart brengen van de hemelwater en rioleringsstructuur op het terrein; op basis van die kennis eventueel de hemelwater- en rioleringsstructuur verbeteren; de voorzieningen over een groter oppervlak toepassen, zodat meer regenwater tijdelijk wordt gebufferd. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 34 van 48

4.9

Nautische veiligheid

In het kader van de MER is er in 2017 een nautisch onderzoek uitgevoerd door Aktis Hydraulics (Bijlage 12) voor het plangebied van het destijds beoogde (LEID). De invaart van de haven is in de huidige situatie geschikt voor een klasse IV/M6 schip met een lengte van 86 meter. De zwaaikom dient zowel voor gebruik van scheepvaart op de IJssel die uitsluitend van de haven gebruik maakt om te keren, als ook voor schepen met bestemming Rotra kade die bij aankomst of vertrek willen keren. Ten behoeve van de doorontwikkeling van de faciliteiten voor bedrijven uit de regio om containers aan te bieden voor vervoer over water dient de zwaaikom verruimt te worden. De afstand van de steiger van Rijkswaterstaat en het noordelijke havenhoofd zou nog vergroot moeten worden tot 143 meter zodat schepen van klasse Va/M8 de haven veilig achteruit (overstuur) kunnen binnenvaren. Gezien de benodigde ruimte van de zwaaikom is een afgraving van de zuidwestpunt van de Fraterwaard en een verplaatsing van het benedenhoofd noodzakelijk. De zwaaikom moet steeds beschikbaar zijn, ook als de Rotra kade bezet is. Dit om de gebruiksflexibiliteit van de Rotra kade niet te beperken. De verstoring van het laad-/ losproces aan de containerkade door waterbewegingen van zwaaiende schepen is daarbij minimaal.

Er zijn geen aanvullende simulaties nodig op basis van nieuwe beoogde optimalisatie van het bedrijventerrein aan de Verhuellweg. Wel zijn er, vanuit de huidige vergunning van Rijkswaterstaat, een aantal aandachtspunten: Rekening houden met de verleende vergunning voor de zwaaikom, Klasse IVa; Verlengen van de kade is prima maar er moet wel rekening worden gehouden met de steiger van RWS; De noordoever hoeft niet persé aangepast te worden, alleen de eerste krib ligt misschien in de weg.

4.10

Hydraulica

Zoals genoemd in paragraaf 3.1.1 ligt het plangebied deels binnen het rivierbed. Binnen het rivierbed is de verlenging van de laad- en loskade beoogd. In artikel 2.4.3. van het Barro is het volgende opgenomen: 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. 2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. 3. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.

Op basis van het nautisch onderzoek Bijlage 12 dat is uitgevoerd voor het eerdere plan Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg is door Aktis Hydraulics geconcludeerd dat voor de aangepaste beperkte wijziging van de bestaande kade ten opzichte van de onderzochte varianten geen aanvullende simulaties nodig zijn omdat deze geen aanzienlijke invloed heeft op de nautische veiligheid en vlotheid van het oppervlaktewaterlichaam. Daarmee is met onderhavig Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 35 van 48

bestemmingsplan de bestemming zodanig gesitueerd dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft. Uit het rivierkundig onderzoek blijkt dat een vergroting van de afvoercapaciteit tot 10.000m³/s geen tot marginaal effect heeft op het stroombeeld. Er is daarmee geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. Uit het rivierkundig onderzoek blijkt dat met onderhavige ontwikkeling geen sprake is van een afname van het bergend volume. Met onderhavige ontwikkeling blijft Het Zwarte Schaar behouden. Doordat enkel aan de zuidzijde van het Zwarte Schaar een uitbreiding van de bestaande laad- en loskade is voorzien blijft de natuurlijke oever aan de noordzijde geheel behouden. Daarnaast zorgt de ontwikkeling niet voor een verslechtering van de ecologische toestand van het oppevlaktewaterlichaam. Er worden ten opzichte van de huidige situatie geen andere activiteiten met mogelijk negatief effect op ecologische toestand van het oppervlaktewaterlischaam mogelijk gemaakt. Compensatie van waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen is niet aan de orde. De bestemming van het rivierbed is gewaarborgd in Artikel 6 van dit bestemmingsplan. Voor de beoogde verlenging van de laad- en loskade is een rivierkundig onderzoek uitgevoerd om de haalbaarheid van de ontwikkeling te kunnen beoordelen (Bijlage 13).

Het basisontwerp van de verlengde loskade resulteert in een opstuwing van 1,4 mm in de as van de IJssel bij MHW. Vervolgens is met een variantenonderzoek gekeken met welke aanpassing de opstuwing kan worden verminderd. Variant RU_V01f met een verplaatsing van circa 10 meter in westelijke richting zorgt voor een afname van 0,7 mm van de poel waardoor de resterende waterstandverhoging nog 0,7 mm bedraagt. Hiermee voldoet deze variant aan de toegestane opstuwing. Als met deze variant de afstand tussen loskade en de bestaande te krap wordt is het mogelijk om verplaatsing te beperken tot 6 á 7 meter. Dan zal naar verwachting nog altijd worden voldaan aan de toegestane opstuwing. Er is met het onderhavig plan reeds rekening gehouden met de toegestane opstuwing. De verlenging van de kade is op basis van dit onderzoek circa 7 meter in westelijke richting verplaatst. Voor alle onderzochte varianten geldt dat er geen verandering in stroombeeld is bij afvoeren van 8.000 m³/s of lager. Er worden ook geen significant negatieve effecten verwacht voor de morfologie en/of dwarsstroming.

4.11

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en houtopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende gebied.

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 36 van 48

Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek In het kader van de MER is er in 2017 een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Econsultancy voor het plangebied van het destijds beoogde LEID. Dit is door Sweco verwerkt in het Deelrapport natuur m.e.r. (Bijlage 14). Navolgend zullen de uitkomsten van dit onderzoek kort worden toegelicht in relatie tot de aangepaste beoogde optimalisatie en een efficiënter ruimtegebruik van het bedrijventerrein aan de Verhuellweg. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt deels binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken en valt binnen het deelgebied Uiterwaarden IJssel. De begrenzing van het Natura 2000-gebied ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 3.1 in paragraaf 3.2.1. Voor de aangepaste beoogde ontwikkeling betreft dit enkel een gedeelte van de laad- en loskade. In de huidige situatie ligt de kade ook al gedeeltelijk binnen Natura 2000-gebied. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. Het deel van het Natura 2000-gebied ter plaatse van het plangebied is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. Voor dit deel van het Natura 2000-gebied gelden derhalve alleen de instandhoudingsdoelstellingen die voor Vogelrichlijnsoorten zijn geformuleerd.

Tijdens het soortenonderzoek voor het plangebied van het LEID is de kwalificerende broedvogelsoort ijsvogel waargenomen. Het betreffende gebied maakt geen onderdeel uit van onderhavig plangebied. Het gebied ten noorden van het plangebied fungeert als foerageergebied voor de soort, nesten bevinden zich elders. Er zijn tijdens het soortenonderzoek geen waarnemingen gedaan van andere kwalificerende broedvogelsoorten. Andere kwalificerende broedvogelsoorten worden niet verwacht in het plangebied omdat geschikt biotoop ontbreekt. Met de verlenging van de kade worden dan ook geen negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen die voor de vogelrichtlijnsoorten zijn geformuleerd. Daarnaast ligt een deel van het plangebied (zie figuur 3.1) in het gebied dat door de provincie is aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. Het plangebied ligt in deelgebied 154 Havikerwaard Fraterwaard.

Dit deelgebied heeft de volgende kernkwaliteiten voor natuur en landschap: Matig dynamische rivier met geologische en geomorfologische dynamiek, water-, sedimenten diasporentransport; ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe qua schaal, volledigheid en kwaliteit unieke gradiënt van Veluwe naar rivier, met bronbossen (in 131), zacht- en hardhoutooibos, grondwatergevoede beken en sloten, oude rivierlopen met rietmoeras, bosjes, hogen en knotbomen; onderdeel van de Haviker Poort waarvan het ecoduct over de A348 in 2012 is geopend onderdeel van de klimaatcorridor Veluwe - Reichswald het vanuit ecologisch opzicht samenhangend geheel van landgoederen en beken in de

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 37 van 48

Zuidelijke IJsselvallei waarin soorten als de das, amfibieën en vleermuizen voorkomen. het goed bewaard gebleven reliëf en de daarmee samenhangende variatie en hoge kwaliteit van de natuur in de IJsseluiterwaarden. Met in deze uiterwaarden zowel gave kronkelwaarden met stroomdalgraslanden, hagen en hardhoutooibosjes Parel/A-locaties bos Havikerwaard: twee bosjes in de uiterwaard zijn A-locaties bos: een klein essenhardhoutbosje met slangelook en een spontaan zachthoutbos in een voormalige kleiafgraving leefgebied das leefgebied steenuil Weidse vergezichten over de rivier en vaak fraai zicht op de stuwwallen (Veluwezoom), fraaie stadsgezichten bij Doesburg abiotiek: aardkundige waarden (o.m. reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen), kwel, bodem onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen op pollen, steenfabrieken, jachthavens, waterstaatswerken) rust, ruimte en donkerte m.u.v.

de omgeving van stedelijke gebieden alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied De volgende ontwikkelingsdoelen zijn van toepassing: ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden ontwikkeling waterplanten-gemeenschappen in kwelsloten en oude rivierlopen ontwikkeling gemeenschappen van slikkige oevers ontwikkeling hardhoutooibossen ontwikkeling zachthoutooibossen ontwikkeling moerrassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden ontwikkeling heggenlandschap ontwikkeling populaties van water- en moerasvogels, waaronder porseleinhoen, kwartelkoning, zwarte stern en ijsvogel. ontwikkelen populatie knoflookpad en kamsalamander ontwikkeling populaties van vissen van traagstromende en stilstaande wateren, waar onder: bittervoorn, kleine en grote modderkruiper, rivierdonderpad ontwikkeling populatie bevers en otters ontwikkeling coulissenlandschap met lokaal doorzichten op stuwwallen en stadsgezichten behoud reliëf kronkelwaarden Omdat het plangebied van de voorgenomen optimalisatie kleiner is dan het oorspronkelijke plangebied van het LEID zijn de ontwikkelingen op land niet van toepassing. Het plangebied bevat slechts een aantal van de kernkwaliteiten natuur en landschap die voor het deelgebied waarin het plangebied ligt zijn geformuleerd. In het plangebied is geen Parel/A-locatie bos aanwezig.

Het plangebied bevat ook geen hoge kwaliteit natuur in de vorm van gave kronkelwaarden met stroomdalgraslanden, hagen en hardhout ooibosjes. De Fraterwaard is weliswaar een kronkelwaard, maar het plangebied beperkt zich enkel tot het bedrijventerrein en maakt geen onderdeel uit van de kronkelwaarden in de Fraterwaard. Omdat enkel een deel (Het Zwarte Schaar) van het plangebied onderdeel uitmaakt van deelgebied 154 Havikerwaard - Fraterwaard is ook de onbebouwdheid van de uiterwaarden niet van toepassing. Gezien ligging van het plangebied is geen sprake van weidse vergezichten over de rivier met fraai zicht op de stuwwallen. Ook is er momenteel geen sprake van rust, ruimte en donkerte in het landschap. Specifiek genoemde abiotische waarden zoals reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen zoals de oude strang ten noorden van het plangebied liggen buiten het plangebied. Specifiek als kernkwaliteit natuur benoemde leefgebieden van soorten zijn die van das en steenuil. In het gebied ten noorden van het plangebied is eenmaal een das gefotografeerd met een cameraval tijdens het soortenonderzoek (Econsultancy, 2017). Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de das. Uit het soortenonderzoek blijkt tevens dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 38 van 48

omliggende territoria van de steenuil. Soortenbescherming Uit het soortenonderzoek van Econsultancy uit 2017 blijkt dat de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats (categorie 1-4 Aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten) in of in de directe omgeving van het plangebied voorkomen: Buizerd Sperwer Gierzwaluw Huismus Kerkuil Daarnaast komen in het plangebied enkele broedvogelsoorten voor waarvan het nest alleen op grond van zwaarwegende ecologische belangen jaarrond is beschermd. Het betreft de soorten boerenzwaluw, huiszwaluw, ijsvogel, zwarte roodstaart en enkele holenbroeders zoals koolmees en pimpelmees. Van overige broedvogelsoorten die in of in de directe omgeving van het plangebied voorkomen zoals diverse soorten zangvogels, weidevogels, watervogels en steltlopers is het nest niet jaarrond beschermd. Nesten van deze soorten zijn alleen beschermd wanneer deze in gebruik zijn tijdens het broedseizoen. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van Econsultancy uit 2017 dat de volgende Habitatrichtlijnsoorten in of in de directe omgeving van het plangebied voorkomen: Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Watervleermuis Meervleermuis Bever Otter Andere beschermde diersoorten die in de directe omgeving van het plangebied voorkomen zijn de das, steenmarter, kwabaal en grote modderkruiper.

De conclusies in het rapport moeten echter gezien worden in het kader van de grotere uitbreiding die voorheen beoogd was. Gezien het huidige plan enkel betrekking heeft op het gebied van het bestaande bedrijventerrein en de kade, zijn op voorhand geen significante effecten te verwachten voor de otter, das, steenmarter, grote modderkruiper, buizerd en sperwer. Het Zwarte Schaar is essentieel leefgebied van de bever. Met onderhavig plan wordt het Zwarte Schaar niet gedempt en de natuurlijke oever aan de noordzijde wordt niet aangetast. Met de herstructurering van het plangebied en de verlengde kade worden er geen nadelige effecten verwacht voor de bever. Voor de dwergvleermuis, laatvlieger, huismus, boerenzwaluw en kerkuil zijn verblijfplaatsen/rustplaatsen aangetroffen op het erf van loonbedrijf Derksen. Omdat dit bedrijf in onderhavig plan behouden blijft en buiten het plangebied valt zijn er geen nadelige gevolgen voor deze soorten. De rosse vleermuis heeft een paarverblijfplaats langs het Zwarte Schaar buiten het plangebied en het plangebied is tevens geen essentieel foerageergebied. Voor vleermuizen die hun foerageergebied en/of aanvliegroutes langs het Zwarte Schaar hebben worden geen substantiële nadelige effecten verwacht. De aanlegfase is verdeeld over meerdere jaren waardoor geluid- en lichthinder beperkt wordt tijdens de werkzaamheden.

Met de herstructurering van het bedrijventerrein wordt er in de gebruiksfase geen extra overlast verwacht door geluid of licht. Door Ravon is in 2018 een onderzoek gedaan naar de kwabaal (Bijlage 15). Het onderzoek van Ravon gaat uit van uitbreiding richting Het Zwarte Schaar waarbij sprake is van demping. De plannen zijn sindsdien veranderd. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt een uitbreiding van de loskade in Het Zwarte Schaar mogelijk gemaakt, waarbij deze verdubbeld ten opzichte van de

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 39 van 48

huidige situatie. In oostelijke richting wordt de kade verlengt met circa 87 meter en in westelijke richting wordt de kade verlengt met circa 47 meter. Dit leidt tot een gering verlies aan areaal van Het Zwarte Schaar. De kwabaal komt in de IJssel voor, en daarmee ook sporadisch in Het Zwarte Schaar. Ravon heeft met electrovisserij een DNA-onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de soort, maar deze niet vastgesteld. Op basis van hun onderzoek concluderen zij dat Het Zwarte Schaar bij het bedrijventerrein (maar ook ten oosten daarvan) geen onderdeel uitmaakt van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor deze soort, en dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Daaraan is toe te voegen dat het huidige plan qua omvang veel kleiner is dan het plan waaraan Ravon getoetst heeft. Dit leidt tot een veel geringer effect op Het Zwarte Schaar als leefgebied. Het intrillen van buispalen en damwanden leidt tot trillingen, waarvoor kwabaal gevoelig is. De soort komt momenteel echter niet voor in Het Zwarte Schaar. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor kwabaal niet aan de orde is, en dat dit punt de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

In redelijkheid kan hier geconcludeerd worden dat op voorhand niet blijkt dat het soortenbeschermingsregime van de Wet natuurbescherming in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij de daadwerkelijke bouwplannen zullen maatregelen genomen worden om eventuele gevolgen voor soorten te mitigeren. Hierbij kan gedacht worden aan natuurinclusief bouwen. Daarnaast zal er invulling worden gegeven aan de Zorgplicht.

Stikstofdepositie Omdat de ontwikkeling gepaard gaat met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase moet er in beeld worden gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie van de sloop-/bouwfase en de gebruiksfase is derhalve in kaart gebracht door middel van een AERIUS-berekening. De notitie en berekeningen zijn op basis van de meeste recente AERIUS-Calculator opnieuw uitgevoerd (Bijlage 16). Voor de gebruiksfase is uitgegaan van 10 afvaarten per week in de beoogde situatie. In onderstaande tabel zijn de maximale waarden van de depositie op de stikstofgevoelige habitattypen weergegeven voor de gebruiksfase. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het jaar 2022.

Figuur 4.3 Maximale toename stikstofdepositie (mol/ha/jaar) gebruiksfase

Conclusie In de gebruiksfase zijn er geen toenamen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten in de Natura 2000-gebieden.

Bedrijventerrein Verhuellw eg Pagina 40 van 48

Aangezien er geen toenamen zijn berekend zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen om het plan vast te stellen. Omdat er uit de berekening met een eerdere versie van de AERIUS-Calculator wel toenamen van stikstofdepositie berekend werden is destijds in een ecologische beoordeling is nader onderzocht of met de berekende toename significante negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden (Bijlage 17). Dit rapport is nog wel bijgevoegd maar op basis van de nieuwste stikstofberekening niet meer aan de orde. De conclusie van het rapport luidt: Het voorgenomen plan leidt niet tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van significante gevolgen voor de kwaliteit en oppervlakte van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Voor een deel van de habitattypen en/of leefgebieden van soorten geldt dat de KDW niet wordt overschreden door de achtergronddepositie. Voor een ander deel van de habitattypen en/of leefgebieden van soorten geldt dat uit de meest recente gebiedsanalyses blijkt dat de kwaliteit van de betreffende habitattypen en/of leefgebieden van soorten goed is, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt daardoor geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

Voor een aantal habitattypen en leefgebieden geldt dat de KDW wordt overschreden, de kwaliteit momenteel niet goed is en stikstofdepositie in beginsel een knelpunt vormt voor de kwaliteit van het betreffende habitattype en/of leefgebied. Ten aanzien van deze habitattypen en leefgebieden is gekeken of het berekende projecteffect zodanig groot is dat hierdoor merkbare significante gevolgen voor de kwaliteit van het betreffende habitattype of kwalificerende soort(en) binnen een leefgebied kan hebben. Uit de ecologische analyse blijkt dat dit niet het geval is. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten wordt, ondanks de verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie, nog steeds mogelijk geacht. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan, ook in combinatie met andere projecten, niet zal leiden tot significante gevolgen voor de kwaliteit van habitattypen en/of kwalificerende soorten van leefgebieden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=27bffeb7-07d5-4b60-ae38-1404942c06cb