Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Detailhandelsstructuurvisiegemeente Dinkelland
4.3.5.1 Algemeen De gemeente Dinkelland beschikt, samen met de gemeente Tubbergen, over eigen detailhandelsstructuurvisie (2015). Vanwege de vergelijkbare problematiek op het gebied van de detailhandel, is door de colleges van B&W van beide gemeenten besloten tot het maken van een gezamenlijke detailhandelsvisie. Doel van de detailhandelsstructuurvisie is te komen tot een heldere uitvoeringsgerichte visie op de gewenste ruimtelijke detailhandelsstructuur in de gemeenten Dinkelland en Tubbergen voor de periode tot 2020. 4.3.5.2 Visie winkelstructuur De gemeenten hebben dezelfde gezamenlijke ambities voor de toekomstige detailhandelsstructuur, deze luidt: Voor inwoners een zo compleet mogelijk aanbod op aanvaardbare afstand van de woning; Voor ondernemers een gezond ondernemersklimaat met ruimte voor kwaliteit en innovatie; Een ontwikkelingsgerichte visie, die marktpartijen stimuleert om te investeren; Duurzaam en intensief ruimtegebruik en winkelgebieden met ruimtelijke kwaliteit. 4.3.5.3 Visie voor Weerselo De detailhandelsstructuurvisie is per centra een uitwerking gemaakt. Voor Weerselo geldt het volgende: bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
27
Het winkelaanbod in de plaats Weerselo is van beperkte omvang. Het bestaat uit een supermarkt, aangevuld met enkele winkels in uiteenlopende branches (dagelijks en niet-dagelijks). De winkels liggen enigszins verspreid over de plaats. In Weerselo wordt gewerkt aan plannen voor een nieuw centrum, waarbij winkels (inclusief de supermarkt) worden geclusterd op een centrale locatie in de plaats. In het algemeen draagt concentratie van het aanbod in een compact centrum bij aan het functioneren van winkels (stimuleren combinatiebezoek). Landelijke ontwikkelingen in de detailhandel (schaalvergroting, verdringing) en de beoogde versterking van de positie van Denekamp zetten de positie van Weerselo op termijn steeds meer onder druk. In deze detailhandelsvisie wordt gestreefd naar zo mogelijk behoud van de lokaal verzorgende positie van Weerselo. Het draagvlak voor winkels is echter beperkt en de concurrentie groot. Indien concentratie van aanbod niet haalbaar blijkt, kan alsnog ingezet worden op behoud van aanbod op de huidige locaties. 4.3.5.4 Toetsing van het initiatiefaan de detailhandelsvisie De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuwe winkelfunctie ter vervanging van een bestaande winkelfunctie. Met deze ontwikkeling wordt de kwaliteit van de voorraad versterkt, omdat de functie in een nieuw, toekomstbestendig pand wordt gerealiseerd.
Ook sluit het plan aan bij het voornemen om winkels te clusteren op een centrale locatie. In het algemeen draagt deze concentratie bij aan het functioneren. Overigens gaat het om een functie die reeds toegestaan is. Er is dan ook geen sprake van een uitbreiding van het aanbod, maar enkel van het verbeteren van het aanbod. 4.3.6
Conclusietoetsing aan het gemeentelijkbeleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
28
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Beluit milieueffectrapportage.
5.1 Geluid 5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 10 grondgebonden woningen. Woningen worden in de Wgh aangemerkt als geluidgevoelige objecten. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). De te realiseren woningen liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Bisschopstraat. De Sint-Remigiusstraat en andere omliggende straten betreffen wegen waarvoor een 30 km/uur regime geldend is. Op deze wegen geldt geen wettelijke geluidszone. Deze wegen worden uitsluitend door het bestemmingsverkeer gebruikt, waardoor redelijkerwijs verwacht kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om de geluidbelasting van de Bisschopstraat op het plangebied in beeld te brengen, is door Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is als Bijlage 1 opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor de appartementen in de 2 woongebouwen een hogere waarde vastgesteld moet worden voor wegverkeerslawaai afkomstig van Bisschopstraat. De aan te vragen hogere waarde bedraagt ten hoogste 61 dB. In het akoestisch onderzoek is deze hogere waarde per gevel (tabel 2) uitgewerkt.
Om te kunnen voldoen aan de in het gemeentelijk geluidsbeleid gestelde voorwaarden voor het verlenen van hogere waarden dienen de volgende voorwaarden nader uitgewerkt te worden in het bouwplan: Wanneer de woning een balkon heeft aan de zijde van de Bisschopstraat dan moet deze afsluitbaar zijn, zodat men zelf kan kiezen of men zich wil afzonderen van de hoge geluidsbelasting of niet. Een aantal van deze appartementen hebben een balkon aan de geluidsluwe zijde (noord- of oostzijde), hier is deze maatregel mogelijk niet noodzakelijk. Daarnaast wordt voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten waar alle bewoners gebruik van kunnen maken; De luchtbehandeling intern (contact- en geluidisolatie) tussen appartementen dient met een geluidsklasse te worden aangescherpt. Voor de appartementen dient aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel uitgevoerd te worden. bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
29
Zo nodig dienen geluidsisolerende maatregelen getroffen te worden om te kunnen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit en om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Dit zal in het kader voor de omgevingsvergunning voor het bouwen nader uitgewerkt worden. Zo wordt de gevel aan de zijde van de Bisschopstraat geluiddicht gerealiseerd. De ventilatie is mechanisch. Ook de balkons aan deze zijde kunnen worden afgesloten. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal een hogere waarde worden aangevraagd. In het bestemmingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat het binnenniveau van 33 dB wordt gerealiseerd. Dit is tevens verplicht op basis van het Bouwbesluit. Hiermee is het aanvaardbaar woon- en leefklimaat juridisch geborgd. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (bedrijven en milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.2 Bodem 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Algemeen Ter plaatse van het plangebied is in 2021 reeds door Sigma een verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd. In de volgende subparagraaf wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is als Bijlage 2 opgenomen. Uitsluitend de voor dit plangebied relevante resultaten zijn opgenomen. 5.2.2.2
Onderzoeksresultaten
Bovengrond De bovengrond bevat een verhoogd gehalte aan kwik, lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er voor deze stoffen uit milieuhygiënische overweging, geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Zintuiglijk zijn in de grond zeer lichte tot sterke bijmengingen met roest waargenomen. Daarnaast zijn zintuiglijk plaatselijk in de bovengrond zeer lichte bijmengingen met puin waargenomen. Verder zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Ondergrond De ondergrond bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of de detectiewaarde. Grondwater Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium, cadmium, koper en zink (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) worden in deze gevallen niet overschreden zodat er voor deze stoffen uit milieuhygiënische overweging geen 30
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regelingniet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
31
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode marker geeft het plangebied weer.
32
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen alsmede inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. LPG-tankstation Op afbeelding 5.1 is weergegeven dat er een LPG-tankstation in de nabijheid van het plangebied ligt. Het betreft Tankstation Hoogendijk VOF, welke op circa 450 meter van het plangebied ligt. De inrichting heeft een plaatsgebonden risicocontour van 35 meter. De groepsrisicocontour bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt buiten deze risicocontouren, waardoor een nadere verantwoording van het plaatsgebonden- en/of groepsrisico niet benodigd is. 5.4.3
Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt als centrumgebied met functiemenging. Door deze functiemenging is het plangebied aan te merken als omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonbestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
33
en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is, gezien de menging van functies, aan te merken als een 'gemengd gebied'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van 21 appartementen en een detailhandelsfunctie. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden door toevoeging van deze functie, is dan ook geen sprake. Er wordt echter ook een winkelfunctie gerealiseerd. Onder 'interne werking' wordt hier nader op ingegaan. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Woningen worden aangemerkt als milieugevoelige functies. In dit geval wordt er in het plan tevens een winkelfunctie gerealiseerd.
Dit betreft echter een functie in maximaal milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Deze wordt niet gehaald, aangezien de woningen direct boven en naast de functie liggen. Voor functies in milieucategorie 1 en 2 geldt echter dat deze slechts beperkt milieubelastend zijn en dat deze als passend in een woonomgeving worden ervaren. Ook gaat de VNG-publicatie uit van gemiddelde inrichtingen. In dit geval gaat het om een relatief kleinschalige functie van maximaal 120 m2. Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van deze functie. In de omliggende omgeving liggen echter verscheidene belastende functies. In dit geval is door Alcedo een onderzoek gedaan milieuzonering als gevolg van omliggende functies. De volledige rapportage is als Bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Voor alle bedrijven geldt dat deze op grotere afstand van de planlocatie liggen dan de individuele richtafstand van ieder bedrijf. Ook wanneer geen rekening wordt gehouden met de afstandsverkleining vanwege gemengd gebied voldoet de afstand tot de planlocatie van ieder bedrijf. Binnen het bestemmingsplan zijn maximaal bedrijven tot milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter toegestaan.
Rekening houdend met een afstandsverkleining van één stap vanwege gemengd gebied bedraagt de richtafstand 50 meter voor geluid. Binnen deze afstand zijn er echter al bestaande woningen aanwezig die eventuele toekomstige bedrijven met milieucategorie 3.2 beperken in hun mogelijkheden.
34
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Op basis hiervan wordt gesteld dat vanwege de planontwikkeling geen sprake is van een belemmering in de bedrijfsvoering voor de bedrijven en dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd is. Ten aanzien van het milieuaspect geluid vormen de aanwezige bedrijven rondom de planlocatie geen belemmering voor de planontwikkeling 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6 Ecologie 5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Lemselermaten op een afstand van circa 900 meter van het plangebied. Om de stikstofdepositie op Lemselermaten in kaart te brengen is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Deze berekening en bijbehorende rapportage is als Bijlage 4 bijgevoegd. In volgende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. Geconcludeerd wordt dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdeposities waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/j wordt overschreden. Daarnaast is voor de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.
5.6.2.2 NatuurnetwerkNederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 550 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Alcedo natuurprojecten heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
35
5.6.3.2
Onderzoeksresultaten
5.6.3.2.1 Quickscan Op basis van deze quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Er zijn vooralsnog geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen, maar het kan niet worden uitgesloten dat ze niet aanwezig zijn. Het gaat hierbij om de volgende vogelsoorten: huismus, spreeuw en gierzwaluw; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren volgens kennisdocumenten huismus en gierzwaluw, alsmede naar de aanwezigheid van broedende spreeuwen; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is noodzakelijk vervolgonderzoek uit te laten voeren volgens het vleermuisprotocol 2021, omdat niet kan worden uitgesloten dat er ter plaatse geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn; De onderzochte locatie ligt op minder dan 3 kilometer afstand van Natuurnetwerk Overijssel, maar de aard van de geplande werkzaamheden is van dien aard dat de kernwaarden van NN Overijssel niet zal worden aangetast; De onderzochte locatie ligt op minder dan 3 kilometer afstand van N2000 gebied de Lemselermaten. Het is daarom aan te bevelen om een Aerius calculatie te laten uitvoeren;
5.6.3.2.2
Aanvullend onderzoek huismus,gierzwaluwen vleermuizen
Algemeen Na het uitvoeren van een quickscan flora en fauna is vast komen te staan dat niet kan worden uitgesloten dat er ter plaatse mogelijk huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen aanwezig zijn die de huidige bebouwing benutten als vaste verblijfplaats of jaarrond beschermde broedplaats. Daarom is ter plaatse een aanvullend onderzoek volgens kennisdocumenten huismus en gierzwaluwen en vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd in de periode maart tot en met september 2021. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Conclusies Op basis van de bevindingen van dit aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de volgende via de Wnb beschermde soorten op de onderzochte locatie of de directe omgeving daarvan zijn aangetroffen: Huismus Passer domesticus Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii Laatvlieger Eptesicus serotinus Rosse vleermuis Nyctalus noctua Op basis van de bevindingen van dit aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de volgende soorten niet op de onderzochte locatie of de directe omgeving daarvan zijn aangetroffen: Gierzwaluw Apus apus Op basis van de bevindingen van dit aanvullend onderzoek kan worden vastgesteld dat de volgende via de Wnb beschermde soorten op de onderzochte locatie c.q.
in de bebouwing een vaste verblijfplaats of jaarrond beschermde nestplaats hebben: Huismus (Passer domesticus) Van deze soort is aangetoond dat die ter plekke een vaste broedplaats c.q. een jaarrond beschermde nestplaats in het woonhuis heeft. Het nest bevindt zich nabij de dakgoot aan de noordzijde van het pand. Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Van deze soort is aangetoond dat deze een zomerverblijfplaats en baltsverblijfplaats heeft in het woonhuis. Daarnaast fungeert de tuin als foerageerplaats. Aanbevelingen Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek wordt het volgende aanbevolen:
36
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Om de plannen te kunnen realiseren is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb is noodzakelijk, omdat via dit aanvullend onderzoek is aangetoond dat er ter plaatse sprake is van 1 bewoond huismussennest (jaarrond beschermd), een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis en een baltsverblijfplaats van gewone dwergvleermuis; Deze ontheffingsaanvraag kan worden gedaan via: https://www.overijssel.nl/loket/vergunning-ontheffing-melden/milieu-natuur/wet-3/; Deze aanvraag dient te worden vergezeld van een activiteitenplan waarin wordt aangegeven hoe en op welke wijze er mitigerende maatregelen zullen worden getroffen. 5.6.4
Conclusie
Er is een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismussen, spreeuwen en gierzwaluwen. Voor de vleermuis en de huismus is een ontheffing nodig. Deze ontheffing kan worden verkregen en zal worden vergezeld met een activiteitenplan waarin wordt aangegeven hoe en op welke wijze er mitigerende maatregelen zullen worden genomen. Het aspect 'ecologie' vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Dinkelland weergegeven. Het plangebied is daarin met rode belijning aangeduid.
Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Dinkelland (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'dekzandwelvingen en vlakten'. Een archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt niet gehaald. Bovendien zijn de gronden reeds verstoord door de bestaande bebouwing. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
37
5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf en de directe omgeving geen rijks- of gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde planologische kaders voor het realiseren van 21 appartementen en een winkelruimte. In het kader van deze ontwikkeling is een aeriusberekening uitgevoerd. Deze is als Bijlage 4 bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdeposities waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/j wordt overschreden. Daarnaast is voor de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, 38
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. Er is dan ook geen sprake van aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 DrempelwaardeBesluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 21 appartementen en een commerciële ruimte. Het plan voldoet daarmee aan de definitie van 'een besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.
Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. In voorliggend geval is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is als Bijlage 7 bijgevoegd. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet nodig. 5.8.3
Conclusie
De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
39
40
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1 Vigerende beleid 6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaalbeleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1
Watertoets
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
41
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Via de Digitale Watertoets is Waterschap Vechtstromen van de ontwikkeling op de hoogte gebracht. Uit de Watertoets kwam naar voren dat de normale procedure doorlopen dient te worden. In het kader van de normale procedure is contact met Waterschap Vechtstromen opgenomen. Voor het geheel is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, hier wordt in de volgende paragraaf op ingegaan. Met de uitgangspunten van het waterschap is rekening gehouden. 6.2.3
Waterhuishoudkundigplan
In dit geval is door Roelofs een waterhuishoudkundig plan opgesteld, waarin de waterhuishoudkundige aspecten zijn uitgewerkt. Het volledige plan is als Bijlage 8 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Verhard oppervlakte In de oude situatie (met bibliotheek) was er 859 m² verhard oppervlak aanwezig. In het plangebied is in de nieuwe situatie 1.293 m² verhard oppervlak aanwezig. Voor de rijbanen wordt uitgegaan van een klinkerbestrating. Ter hoogte van de parkeervakken wordt geadviseerd om een halfverharding toe te passen. Bergingsopgave In overleg met de gemeente Dinkelland is vastgesteld dat voor het nieuwe verharde oppervlak een berging van 20 mm dient te worden gerealiseerd. Het betreft een inbreidingslocatie waarbij het bestaande verhard oppervlak van de bibliotheek en de speelgoedwinkel is of wordt gesloopt. Wanneer er meer verhard oppervlak komt dan er in de oorspronkelijk situatie was, dan moet voor het surplus 40 mm worden gerekend. Uitgaande van 1.293 m² verhard oppervlak in de nieuwe situatie en 859 m² in de oude situatie is derhalve een berging van 34,5 m³ nodig. Hemelwater berging en afvoer Voorgesteld wordt om onder de parkeervakken een krattenveld aan te brengen waarin de 34,5 m³ berging wordt gerealiseerd. Dit kan bijvoorbeeld met een krattenveld van 172 kratten (kratten van 0,60 bij 0,60 bij 0,60 m).
Vanwege de relatief lage doorlatendheid van 1 m/dag dient het krattenveld een langwerpige vorm te krijgen. Bij voorkeur 2 kratten hoog, 2 kratten breed en 43 kratten lang (afmetingen dan ca. 1,20 bij 1,20 bij 26 m). Dit kan prima onder de parkeervakken, met een minimale dekking op de kratten van 0,60 m. Bij deze afmetingen en vorm en een gemiddelde k-waarde van de ondergrond van 1,00 m/dag is de ledigingstijd van de kratten lager dan 24 uur. Hiermee voldoet het krattenveld aan een maximale ledigingstijd van 24 uur. Wanneer de leemlaag doorbroken wordt zal de doorlatendheid waarschijnlijk toenemen. Mogelijk dient hierbij ook grondverbetering te worden toegepast om leegloop via de zijkanten van het krattenveld te bevorderen. Het krattenveld kan bij een hogere doorlatendheid een andere vorm krijgen met dezelfde inhoud. Door het krattenveld een overloop te geven op het IT-riool in de Sint Remigiusstraat kan bij extreme neerslag het krattenveld afvoeren richting de Weerselerbeek. De verwachting is dat het IT-riool hier voldoende capaciteit voor heeft. Straat- en vloerpeilen De straat- en vloerpeilen van de nieuwe ontwikkeling dienen aan te sluiten op de omgeving. Voor de vloerpeilen dient het hoogste straatpeil te worden genomen, aan de kant van de Bisschopstraat is het maaiveld circa NAP + 18,40 m.
Bij zeer zware neerslag mag er geen water over de verhardingen in de Bisschopstraat het pand binnenstromen. Het vloerpeil van de woningen op de begane grond dient 0,20 m boven het peil van de Bisschopstraat te liggen, op ca. NAP + 18,60 m. Voorgesteld wordt om het parkeerterrein met in- en uitrit 0,10 m tot 0,20 m boven bestaand straatpeil in de Sint Remigiusstraat te leggen op ca. NAP + 18,20 tot 18,30 m. Drooglegging Op basis van de eerder benoemde verkennende bodemonderzoeken, wordt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ingeschat op circa NAP + 16,25 m tot NAP+ 16,40 m (indicatief). De drooglegging van de particuliere terreinverharding, groenstroken en vloerpeil begane grond voldoen daarmee aan de minimale droogleggingseisen. De infiltratiekratten kunnen aangelegd worden op NAP + 16,40 m. Bij een hoogte van 1,20 42
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
m en een dekking van 0,60 m past dit bij het nieuwe maaiveld van NAP + 18,20 tot 18,30 m. Afvalwater Het afvalwater van de beide appartementencomplexen met in totaal 21 woningen kan worden aangesloten op het gemengde riool in de Sint Remigiusstraat. 21 woningen met gemiddeld 2,5 inwoner en een afvalwaterproductie van 12 L/inwoner/uur resulteert in een afvalwaterstroom van 630 L/uur (oftewel 0,20 L/s). Dergelijke afvalwaterstromen zijn gering en zou voor het ontvangend rioolstelsel geen enkel bezwaar moeten vormen.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
43
44
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidenderegels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (goot- en bebouwingshoogte, etc.); Nadere eisen: met het oog op het voorkomen van onevenredig aantasting van bepaalde aspecten kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de ondergeschikte punten; Specifieke gebruiksregels: omschrijving van wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt gerekend; Afwijkingen van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
45
7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 4) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 5) In de algemene bouwregels is opgenomen dat bepaalde ondergeschikte bouwonderdelen de bouw c.q. bestemmingsgrenzen met 1,00 meter mag overschrijden. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 8) In dit artikel zijn de eisen ten aanzien van parkeren opgenomen. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. 7.3.1
Wonen
Gronden met de bestemming Wonen (Artikel 3) zijn bestemd voor wonen en daaraan ondergeschikt speelvoorzieningen, wegen en paden, water(huishoudkundige voorzieningen), openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen. Gronden met de bestemming Wonen zijn met name bestemd voor woningen. Naast wonen is specifiek detailhandel op de begane grond toegestaan ter plaatse van de beoogde commerciële ruimte. Ondergeschikt aan de bestemming zijn speelvoorzieningen, wegen en paden, water(huishoudkundige voorzieningen), openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen toegestaan. De regels zijn grotendeels maatwerk, aangezien de 'standaard' regeling voor woningen in de kern Weerselo niet voorziet in regels voor woongebouwen. Voor hoofdgebouwen is specifiek bepaald dat er gestapelde woningen toegestaan zijn. Voor beide woongebouwen is een bouwvlak opgenomen, waarin het aantal woningen vastgelegd is en waarin tevens de bouwhoogte is vastgelegd. De goothoogte is niet opgenomen, aangezien delen van de gebouwen plat afgedekt worden. Wel is er een minimum en maximum dakhelling van respectievelijk 45 en 90 graden opgenomen. Specifiek is bepaald dat dit niet geldt voor de bovenste dakvlakken van afgeknotte schilddaken.
Dit betreft een dakvorm met schuine dakvlakken, waarbij de kap eindigt in een plat dak. Het gebouw is voorzien van een dergelijk dak. In de bouwregels zijn daarnaast specifieke bepalingen opgenomen ter borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van wegverkeerslawaai. Zo is bepaald dat een binnenniveau van 33 dB dient te worden geborgd, dat bepaalde balkons afsluitbaar zijn en dat er een 46
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
geluidsluwe buitenruimte wordt gerealiseerd. Voor bijgebouwen is geen regeling opgenomen, aangezien het wenselijk is om deze inpandig is de woongebouwen op te nemen. Daarom is het niet nodig regels voor vrijstaande bijgebouwen op te nemen. Inpandige bijgebouwen vormen onderdeel van het hoofdgebouw, waarmee deze regels gelden. Wel zijn er regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Van deze regels kan afgeweken worden ten behoeve van kleinschalige bedrijvigheid of aan huis verbonden beroepen. Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van de ecologische waarden. Zo is het verboden te slopen zonder het verkrijgen van een ontheffing ten aanzien van de huismus en de vleermuis. Dit is gekoppeld aan een aanduiding op de verbeelding, ter plaatse van het te slopen gebouw (daar waar de beschermde soorten aanwezig zijn).
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
47
48
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusst raat
49
50
bestemmingsplan Weerselo, hoek Bisschopstraat en Sint Remigiusstraat
Hoofdstuk 9 zienswijzen
Inspraak, vooroverleg en
9.1 Vooroverleg 9.1.1
Het rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan zal in het kader van vooroverleg aan de provincie worden voorgelegd. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een normale procedure. Het plan is dan ook aan het waterschap voorgelegd in het kader van vooroverleg. De resultaten hiervan zijn in Hoofdstuk 6 verwerkt.
9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Initiatiefnemer heeft de buurt geïnformeerd over de plannen. Dit is gebeurd middels een inspraakbijenkomst. Deze avond heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Op deze avond is het plan gepresenteerd en is de gelegenheid gegeven om vragen te stellen. Daarnaast zijn de plannen besproken met de dorpsraad van Weerselo, de plaatselijke ondernemersvereniging en de directe buren. Deze zijn overwegend enthousiast.