CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Weerselo, hoek Abdijweg_Voortmorsstraat_Toelichting.pdf

Commissie Omgeving & Economie 11 maart 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Weerselo, Hoek Abdijweg/Voortmorsstraat”23.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moet de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: a. voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken; b. het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren; c. het rooien starten buiten het voorplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen, zodat het plangebied ongeschikt is voor dieren. Initiatiefnemer zal rekening houden met deze voorwaarden. Eventuele kapvergunningen zullen worden aangevraagd bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft Laagland Archeologie VOF een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Het plangebied kent namelijk de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 7 van deze toelichting.

46

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

5.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele resten van (zeer) diepe grondsporen. Dergelijke resten van diepe sporen zijn door middel van booronderzoek niet op te sporen. In de praktijk wordt in een dergelijke situatie geen nader onderzoek gevraagd. Reden hiervoor is dat enerzijds ondiepe sporen en vondstmateriaal niet meer zijn te verwachten, waardoor het meestal niet of nauwelijks mogelijk is dergelijke geïsoleerde sporen te duiden en te dateren. Anderzijds zijn resten van diepe grondsporen alleen op te sporen door middel van intensief gravend onderzoek, terwijl het allerminst zeker is dat dergelijke sporen aanwezig zijn. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Gelet op het vorenstaande is de archeologische dubbelbestemming ter plaatse van het plangebied komen te vervallen. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan): Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4): Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

47

drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,4 kilometer van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.7.1.1 en Bijlage 6 (Stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Het opstellen van een passende beoordeling is gelet op het vorenstaande niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.

Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.10

Water

5.10.1 Vigerend beleid 5.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

48

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

5.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.10.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.10.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden.

Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling. 5.10.2 Waterparagraaf 5.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, inclusief de digitale watertoets. Het volledige waterhuishoudkundig plan is opgenomen in Bijlage 9 Hierna wordt ingegaan op de relevante waterhuishoudkundige aspecten: Door de ontwikkelingen neemt het verhard oppervlak toe met circa 3.710 m2. De gemeente hanteert in overeenstemming met het waterschap bij een ‘nieuw uitleggebied’ een bergingseis van 37 mm. Hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak wordt geïnfiltreerd en geborgen in de voorzieningen (infiltratiekratten). Ter plaatse van de kavels gesitueerd aan de Voortmorssstraat zal de bergingsopgave in zijn geheel op de kavel zelf plaatsvinden.

Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hemelwater wordt in de eerste instantie richting de infiltratiekratten onder de parkeervakken en inritten geleid. Dit kan door het water in het centrale terreindeel aan de voorzijde van de woning aan te bieden en richting bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

49

straatkolken te laten afstromen. Bij neerslaghoeveelheden van > 40 mm kan water vanuit de krattensysteem overstorten op het aan te leggen hemelwaterriool. Het hemelwaterriool heeft een overstort op de Weerselerbeek, door een uitlaat in de sloot parallel aan de Voortmorsstraat. Indien er zich extreme situaties voordoen (extreme regenval, >40 mm) zal overstort van water plaatsvinden naar het hemelwaterriool, en vervolgens de Weerselerbeek. Het laatste punt van het plangebied is centraal gelegen, waardoor oppervlakkige afstroming naar lager gelegen (omliggende) gebieden niet oppervlakkig mogelijk is. Om water op straat te voorkomen dient het hemelwaterriool te worden voorzien van roosterputten op een putkophoogte van circa 16,8 m NAP. Op deze manier kan water rechtstreeks de overstorten op moment dat het infiltratiesysteem volledig vol is. Omdat het plangebied van nature niet voldoet aan de ontwateringseisen voor het bouwen met kruipruimte, wordt het noordelijk deel van het plangebied opgehoogd. In tabel 6.1 van de onderzoeksreportage zijn de bouwhoogten opgenomen.

Aanbevelingen Aanbevolen wordt om een bladscheider aan te brengen in de regenpijpen binnen het plangebied teneinde ten allen tijde een afvoermogelijkheid te behouden bij verstopping; Rondom de gehele infiltratievoorziening dient zand, wat voldoet aan de eisen voor “drainagezand” (RAW 2020) aangebracht te worden om de leeglooptijd te bevorderen. Hierdoor zal ook de infiltratie van hemelwater de bodem in, worden bevorderd (zie tabel 5.3 van de onderzoeksrapportage); Ten tijde van bouwwerkzaamheden (aanleg verhardingen) dient de inspectievoorziening/ zandvanger van de infiltratievoorziening regelmatig gecontroleerd te worden op de toestroom van slib (3-maandlijks). Na de bouwperiode en oplevering dient het onderhoud jaarlijks, of in samenloop met onderhoudsintensiteit van de gemeente, uitgevoerd te worden. Dit bestaat uit inspectie en zo nodig leegzuigen van de zandvang middels de inspectieput; Aanbevolen wordt om in overleg met de gemeente Dinkelland het onderhoud en de aanwezigheid van de kratten op particulier terrein (woningen aan de Voortmorsstraat) vast te leggen middels een kadastrale kwaliteitsverplichting.

Op deze wijze worden de bewoners verantwoordelijk voor het onderhoud en functioneren van het hemelwatersysteem op particulier terrein; De overstort(leiding) langs de Voortmorsstraat dient in samenspraak met de gemeente Dinkelland in de civiele voorbereiding van het project nader uitgewerkt te worden. De ruimte tussen de verharding (asfalt) van de Voortmorsstraat en de aanliggende percelen (particulier) is 3 tot 4 meter, waardoor de inpassing mogelijk lijkt te zijn. Watertoets Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast.

5.11

Verkeer- en parkeren

5.11.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren'. In deze notitie zijn geen kencijfers opgenomen ten aanzien verkeersgeneratie. Hiertoe wordt in voorliggend geval de publicatie van het CROW aangehouden (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381). 5.11.2 Situatie plangebied Voor het plangebied gelden de volgende uitgangspunten: stedelijkheidsgraad: 'niet stedelijk'; zone: 'rest bebouwde kom'. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 22 woningen. Voor de beneden- en bovenwoningen wordt aansluiting gezocht bij 'appartement, < 100 m2'. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: Woningtype Vrijstaand Twee-onder-één-kap Appartement, < 100 m2 50

Parkeernorm per woning 2,3 2,2 1,6

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Verkeersgeneratie (per woning) 8,2 7,8 6,0

Parkeren Uitgaande van voorgenoemde uitgangspunten is er sprake van de volgende parkeerbehoefte: Woningtype Vrijstaand Twee-onder-één-kap Appartement, < 100 m2

aantal woningen 4 10 8

parkeernorm per woning totaal 2,3 9,2 2,2 22 1,6 12,8 Totale parkeerbehoefte 44 Als gevolg van het voornemen is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 44 parkeerplaatsen. Voor het parkeren mogen de volgende normen gebruikt worden: Type parkeerplaats(en) Norm Dubbele oprit met garage Lange oprit met garage Lange oprit zonder garage Parkeerplaatsen in openbaar gebied

1,8 parkeerplaats 1,3 parkeerplaats 1 parkeerplaats 1,0 parkeerplaats

Aantal binnen plangebied 8 6 4 18

Totaal 14,4 parkeerplaatsen 7,8 parkeerplaatsen 4 18,0 parkeerplaatsen

Totaal aanwezig 44,2 parkeerplaatsen Gelet op het vorenstaande zijn er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gepland om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Verkeer Uitgaande van voorgenoemde uitgangspunten is er sprake van de volgende verkeersgeneratie: Woningtype

aantal woningen

verkeersgeneratie per totaal woning Vrijstaand 4 8,2 32,8 Twee-onder-één-kap 10 7,8 78 Appartement, < 100 m2 8 6,0 48 Totale verkeersgeneratie per weekdag etmaal 158,8 Als gevolg van het voornemen is sprake van een verkeersgeneratie van 159 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Het plangebied wordt ontsloten door de realisatie van een nieuwe verkeersontsluiting op de Voortmorsstraat. Om de gevolgen van de verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet inzichtelijk te maken is de te verwachten verkeersgeneratie van het plangebied op basis van ervaring toegedeeld op het omliggende wegennet. De twee mogelijk ontsluitingsroutes van verkeer zijn van Voortsmorsstraat richting de Abdijweg en Bisschoppstraat (N343) en van de Voortsmorstraat richting Legtenbergstraat. Gezien de situering van het plangebied zeer nabij de N343 is het aannemelijk dat nagenoeg het meeste verkeer gebruik maakt van de ontsluiting via de N343, omdat deze weg ontsluiting biedt richting Oldenzaal, Deurningen/Borne, richting Saasveld/Borne, richting Fleringen, Almelo en Tubbergen. De ontsluiting via de Legtenbergstraat gaat richting het buitengebied richting de kleine kernen Reutum en Rossum. Onderstaande afbeelding geeft het omliggende wegennet weer.

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

51

Afbeelding 5.2 Omliggende wegennet rondom het plangebied (bron: gemeente Dinkelland De maximale snelheid op de Voortmorsstraat is 30 km/uur. De Abdijweg en de N343 hebben een snelheidsregime van 50 km/uur. Het Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Dinkelland 2019 (hierna: SGVV) schrijft voor erftoegangswegen binnen de bebouwde kom 30 km/h wat betreft de intensiteit een voorkeurswaarde van &lt; 4.000 – 6.000 mvt/etmaal voor. De overige wegen zijn gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom 50 km/h waar wat betreft de verkeersintensiteit een voorkeurswaarde van 3.000 – 15.000 mvt/etmaal voor geldt. De huidige beschikbare weg- en verkeersgegevens van deze wegen zijn afkomstig uit het Regionaal Verkeersmodel van Overijssel en zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

52

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Afbeelding 5.3 Huidige weg- en verkeersgegevens rondom het plangebied (bron: gemeente Dinkelland) Gezien de toename in intensiteit zijn hier geen afwikkelingsproblemen te verwachten. Gesteld wordt dat de nieuwe ontsluitingsweg en de direct omliggende (aan te leggen) infrastructuur deze verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier kunnen opvangen en verwerken. 5.11.3 Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.12

Lichthinder

5.12.1 Onderzoek In het kader van lichthinder heeft Lichtconsult B.V. onderzoek gedaan naar eventuele lichthinder als gevolg van koplampen afkomstig van in- en uitdraaiende auto's op de nieuw aan te leggen bestrating die de bestaande woningen aan de Voortmosstraat binnen schijnen. Voor lichthinder van voertuigverlichting zijn geen eisen opgenomen. Dit betekent echter niet dat er geen lichthinder kan ontstaan. Hierdoor is een kwalitatieve beoordeling uitgevoerd van de situatie voor de woning aan de Voortmorsstraat 2. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 10 bij de toelichting. 5.12.2 Conclusie Er is sprake van een beperkt aantal auto's dat het plangebied via de T-aansluiting van het woonerf naar de Voortmorsstraat verlaat. Het lichteffect van de voertuigen bij de vier nieuwe woningen van het plangebied, kavels 1 tot en met 4 die direct aan de Voormorsstraat liggen, kan als nihil of zeer beperkt worden beschouwd. De begroeiing en het gunstige hoogteverschil bij de woning op de voortmorsstraat 2 zal bijdragen aan afscherming tegen licht. Mede gelet op het beperkt aantal auto's dat het woonerf verlaat, zal eventuele lichthinder in ons optiek niet significant zijn en daarmee acceptabel in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

53

54

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2 Opbouw van de regels 6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

6.2.2

Inleidende regels

6.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

55

6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 6.2.4

Algemene regels

De volgende algemene regels zijn opgenomen: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (Artikel 7): In deze regels zijn bouwregels opgenomen ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels (Artikel 8): in deze regels is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9): in deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (Artikel 10): in dit artikel zijn regels in verband met nadere eisen en parkeren opgenomen. 6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Artikel 3 Groen De gronden die niet zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer' of 'Wonen' zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Speelvoorzieningen in de vorm van speelplaatsen/ sport- c.q. trapvelden met de hierbij behorende voorzieningen met een oppervlakte groter dan 50 m² zijn niet toegestaan. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het overige is aangesloten op de regels van het bestemmingsplan "NL.IMRO1774.WEEBPWEERSELOKERN".

Artikel 4 Verkeer 56

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Artikel 5 Wonen Ter plaatse van de beoogde woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen. Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, waarbij het aantal woningen per bouwvlak is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Het aantal in één bouwvlak aaneengebouwde woningen bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' is aangegeven. Een hoofdgebouw wordt aaneengesloten, vrijstaand, dan wel twee aaneen gebouwd. Verder is met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beneden/bovenwoning' zijn beneden- en bovenwoningen toegestaan. Voor het overige is aangesloten op de regels van het bestemmingsplan "NL.IMRO1774.WEEBPWEERSELOKERN".

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

57

58

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

59

60

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

Hoofdstuk 8 zienswijzen

Vooroverleg, inspraak en

8.1 Vooroverleg 8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Overijssel

Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. 8.1.3

Waterschap Vechtstromen

Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen.

8.2 Zienswijzen Het ontwerp heeft zes weken ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze geeft aanleiding tot enkele aanpassingen van het plan. Mede naar aanleiding van de zienswijzen worden de volgende wijzigingen doorgevoerd. Toelichting In de toelichting worden de volgende wijzigingen aangebracht: - In hoofdstuk 4 (onder 4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel) wordt in paragraaf 4.2.4.1 ingevoegd: ‘’Per 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Overijssel in werking getreden. Dat heeft niet geleid tot een inhoudelijke beleidswijziging met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan, maar wel tot een nieuwe artikelnummering.

Dat betekent dat als wordt verwezen naar de artikelnummers uit de oude provinciale verordening, hier de nummers van nieuwe provinciale verordening moet worden gelezen.’’; - In hoofdstuk 4 (onder 4.4.4 Casco-benadering in Noordoost-Twente) wordt in paragraaf 4.4.4.3 ingevoegd dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een Boomeffectanalyse is uitgevoerd om te bepalen wat het effect is van voorgenomen ontwikkeling op de bestaande landschapselementen en verwezen wordt naar het rapport in de bijlagen bij de toelichting; - In hoofdstuk 5 (onder 5.11 Verkeer- en parkeren) worden in paragraaf 5.11.2 ingevoegd dat er gezien de toename van verkeersintensiteit geen verkeersafwikkelingsproblemen worden verwacht. Daarbij worden de verkeersgegevens rondom het plangebied toegelicht. - In hoofdstuk 8 (Vooroverleg, inspraak en zienswijzen) wordt in paragraaf 8.2 de tekst met betrekking tot zienswijzen aangepast naar aanleiding van de ingediende zienswijze; - In de bijlagen bij de toelichting wordt onder bijlage 2 het rapport van de Boomeffect-analyse toegevoegd; - In de bijlagen bij de toelichting wordt onder bijlage 4 het rapport van het akoestisch onderzoek vanwege het extra verkeer toegevoegd.

- In de bijlagen bij de toelichting wordt bijlage 6 het rapport van de stikstofberekening geactualiseerd naar de actuele rekenmethode; - In de bijlagen bij de toelichting wordt onder bijlage 10 het rapport van het lichthinderonderzoek toegevoegd; Regels In de regels worden de volgende wijzigingen aangebracht: - In hoofdstuk 5 van de regels wordt onder artikel 5.4.3 een voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing opgenomen waarin de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen wordt geregeld, en bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

61

waarbij er verwezen wordt naar het landschapsplan in bijlage 2 bij de regels; - In de bijlagen bij de regels wordt onder bijlage 2 een landschapsplan toegevoegd. Verbeelding In de verbeelding worden de volgende wijzigingen aangebracht: - Op de verbeelding worden de bouwvlakken van de woningen aan de Voortmorsstraat ter plekke van de voorgevel verkleind van 13,5 naar 12 meter diep. Voor het overige wordt verwezen naar Bijlage 11 van deze toelichting.

62

bestemmingsplan Weerselo, hoek Abdijweg/Voortmorsstraat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/929/documents/23170