CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt Beleidsregels Wmo Dinkelland 2021.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 8 juni 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en jeugd Dinkelland 20217.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021 2 De procedure Huidige beleidsregels

2 De procedure Nieuwe beleidsregels

2.2 Onderzoeksverplichting Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college: 1. Allereerst vaststellen wat de hulpvraag is; en 2. Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang. 3. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. 4. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: - de eigen mogelijkheden, - gebruikelijke hulp, - mantelzorg of ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en - voorliggende (algemene) voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Zijn die mogelijkheden ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken.

2.2 Onderzoeksverplichting Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college: 1. Allereerst vaststellen wat de hulpvraag is; en 2. Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang. 3. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. 4. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: - de eigen mogelijkheden, - een algemeen gebruikelijke voorziening - gebruikelijke hulp, - mantelzorg of ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en - (voorliggende) algemene voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken. 5. Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken. 6. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag en verstrekt dit aan de cliënt. 2.6 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem

2.6 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem

Mei 2021

1

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, dan wel e. met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke zaak of dienst, kan verminderen of wegnemen. 2.8 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6.a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsbehoefte betrekking heeft op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van een hulpvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Er is aangekondigd dat vanaf 1 januari 2020 één van de uitzonderingsbepalingen van artikel 8.6a van de wet komt te vervallen.

Het gaat om mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor verzekerden met een Wlz-indicatie én die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo 2015. Dit geldt ook voor de benodigde roerende voorzieningen, zoals tilliften en hoog-laagbedden. Het college hoeft dus geen onderzoek meer te doen of de verzekerde behandeling ontvangt. Verder wordt nog opgemerkt dat het hebben van een psychiatrische grondslag alleen geen toegang geeft tot de Wlz (art. 3.2.1 Wlz).Er is wel een wetswijziging aangekondigd die daar verandering in aanbrengt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2021. Pgb met terugwerkende kracht (paragraaf 12.2) Artikel 5.1, tweede lid, van de verordening De verordening bepaalt dat de cliënt de hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Als een indicatie voor een maatwerkvoorziening

Mei 2021

ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel e. met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 2.8 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening Indicatie Wlz De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6.a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsbehoefte betrekking heeft op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van een hulpvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Sinds 1 januari 2021 kunnen mensen met alleen een psychiatrische grondslag ook aanspraak maken op Wlz-zorg (art. 3.2.1 Wlz).

Maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht Artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Tussen melding en aanvraag De verordening bepaalt dat de cliënt de hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Als een indicatie voor een maatwerkvoorziening

2

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verstrekken. De verordening bepaalt de cumulatieve voorwaarden om zo’n verzoek te honoreren. Beoordeling Pgb met terugwerkende kracht De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Dit betekent dat de bewijslast op de cliënt rust om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend dan wel dat de cliënt zich niet eerder bij het college kon melden. Dat zal zich in de praktijk zelden kunnen voordoen, gelet op de laagdrempelige toegang. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan wordt geen pgb met terugwerkende kracht verstrekt. Daarbij wordt opgemerkt dat een gerealiseerde maatwerkvoorziening in natura sowieso niet met terugwerkende kracht kan worden verstrekt. Is echter vastgesteld dat de melding of aanvraag niet eerder kon worden gedaan, dan beoordeelt het college verplichtingen zijn aangegaan met derden die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De cliënt moet dat aantonen met bijvoorbeeld een overeenkomst.

Het kan in die gevallen feitelijk alleen maar gaan over nog niet gerealiseerde maatwerkvoorzieningen. Vervolgens is het zo dat het college nog in staat moet zijn om de noodzaak van de betreffende maatwerkvoorziening vast te stellen. Is dat niet meer mogelijk, dan liggen de gevolgen daarvan in de risicosfeer van de cliënt. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan in principe worden overgegaan tot het met terugwerkende kracht verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft.

3 Beoordeling van de aanspraak Huidige beleidsregels

Mei 2021

is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De verordening bepaalt dat dit in principe wordt geweigerd, tenzij het gaat om een maatwerkvoorziening die ná de melding van de hulpvraag is gerealiseerd met schriftelijke toestemming van het college vooraf. Beoordeling maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Dit betekent dat het aan de cliënt is om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend dan wel dat de cliënt zich niet eerder bij het college kon melden. Dat zal zich in de praktijk zelden voordoen, gelet op de laagdrempelige toegang. Wordt hier niet aan voldaan, dan wordt geen maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht verstrekt. Daarbij wordt opgemerkt dat een gerealiseerde maatwerkvoorziening in natura sowieso niet met terugwerkende kracht kan worden verstrekt.

Is echter vastgesteld dat de melding of aanvraag niet eerder kon worden gedaan, dan beoordeelt het college of verplichtingen zijn aangegaan met derden die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De cliënt moet dat aantonen met bijvoorbeeld een overeenkomst. Het kan in die gevallen feitelijk alleen maar gaan om nog niet gerealiseerde maatwerkvoorzieningen. Daarnaast is het zo dat het college nog in staat moet zijn om de noodzaak van de betreffende maatwerkvoorziening vast te stellen. Is dat niet meer mogelijk, dan zijn de gevolgen daarvan voor risico van de cliënt. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan in principe worden overgegaan tot het met terugwerkende kracht verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht.

3 Beoordeling van de aanspraak Nieuwe beleidsregels

3

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

3.2 Algemene uitgangspunten Niet van toepassing

3.3 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is per 1 januari 2020 gewijzigd en bepaalt ook dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst kan verminderen of wegnemen, dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: 1. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en 4. naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032 en CRVB:2018:1250).

Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Het college

Mei 2021

3.2 Algemene uitgangspunten Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel e. met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 3.2.2. Algemeen gebruikelijke voorziening Inleiding Artikel 2.3.5, derde lid, van de wet bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.

Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, 2. daadwerkelijk beschikbaar is, 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking

4

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

beoordeelt of de dienst beschikbaar is, een passende oplossing biedt en financieel draagbaar is. Uit de jurisprudentie blijkt overigens wel dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Uitzonderingen zijn mogelijk als de zaak of dienst vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijk te achten zaken eerder dan normaal moeten worden vervangen. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of een dienst normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon.

Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbare persoon zonder beperkingen. Niet al te strikt Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een elektrische fiets zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke zaak of dienst (zie art. 5.2, eerste lid, van de verordening). Betaalbaarheid condensdroger In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking

Mei 2021

Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen Er wordt alleen beoordeeld of de voorziening algemeen gebruikelijk is en niet of dat in het geval van de cliënt zo is. Beschikt de cliënt bijvoorbeeld niet over een elektrische fiets, dan wil dat niet zeggen dat het geen algemeen gebruikelijke voorziening kan zijn op grond waarvan het college de aanvraag kan afwijzen. Datzelfde geldt voor het (nog) niet gebruiken van de boodschappendienst. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage De beoordeling van het derde criterium is feitelijk onderdeel van het onderzoek na de melding van de hulpvraag; het gaat om een concrete beoordeling. Het college moet tijdens dat onderzoek zorgvuldig in kaart brengen welke beperkingen (problemen) de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie en vervolgens welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is.

Het ligt daarom voor de hand dat het college tijdens het onderzoek ingaat op gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De beoogde algemeen gebruikelijke voorziening moet, net als een maatwerkvoorziening, een passende bijdrage leveren, zodat een situatie ontstaat waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Het vierde en laatste criterium is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 2019 nieuw. In die zin dat het college niet beoordeelt of de kosten specifiek door de aanvráger financieel gedragen kunnen worden, maar voor iedereen ongeacht de specifieke hoogte van het inkomen. Het uitgangspunt is een inkomen op of rond het sociaal minimum. Dat kan de geldende bijstandsnorm zijn, maar ook een inkomen op basis van het wettelijk minimumloon. Dit betekent dat de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening uiteindelijk bepalend is voor de beoordeling van het vierde en laatste criterium. Waar de grens ligt voor de hoogte van de kosten moet zich in de jurisprudentie nog uitkristalliseren.

5

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is.

Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke zaak voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen omdat de persoon in dat geval niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke zaak. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende zaak.

Hoogte van de kosten Een douchecabine die ongeveer € 190 kost is een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Op basis van de vaste rechtspraak over de relatief lage periodieke kosten van de boodschappendienst en de maaltijdservice kan worden afgeleid dat in het algemeen verondersteld mag worden dat deze kosten financieel gedragen kunnen worden uit een inkomen op of rond het sociaal minimum (bijv. CRVB:2019:397). Bijvoorbeeld bij een inkomen van iets meer dan € 1.400 netto per maand en de kosten per maaltijd ter hoogte van € 4,80. Bedenk daarbij ook dat iemand normaal gesproken ook kosten heeft voor de warme maaltijd. Daarnaast blijkt uit de rechtspraak dat de kosten van de boodschappendienst, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen moeten worden gemaakt, niet zodanig zijn dat ze in financiële zin niet passend zijn voor (iemand met) een inkomen op het niveau van het sociaal minimum. Voor elektrische fietsen gaat het niet om (heel) hoge kosten in vergelijking met gewone fietsen. In het algemeen beschikt iedereen in Nederland over een fiets en fietsen hebben in het algemeen een lange levensduur. Dat wil zeggen dat een elektrische fiets als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt.

Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In de Nadere regels worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. 3.2 Algemene uitgangspunten Gebruikmaking algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de

3.2.5 Gebruikmaking (voorliggende) algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorafgaand en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden

Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven.

Mei 2021

6

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie.

gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. Bij een voorliggende voorziening gaat het om een mogelijke aanspraak die een cliënt kan doen op een voorziening op grond van een andere wet dan de Wmo 2015. In dat geval kan het college de cliënt verwijzen naar die ‘andere’ wet (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150). Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan (denk bijvoorbeeld aan een geval van letselschade). Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol.

8 Wonen en in en om de woning verplaatsen Huidige beleidsregels

8 Wonen en in en om de woning verplaatsen Nieuwe beleidsregels

8.5 Primaat van verhuizen Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of

8.5 Primaat van verhuizen Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of

Mei 2021

7

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4. Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast. 5. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. 6. Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna).

ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4. De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan worden toegepast. 5. Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast. 6. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. 7. Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna).

9 Deelname maatschappelijk verkeer Huidige beleidsregels

9 Deelname maatschappelijk verkeer Nieuwe beleidsregels

9.2 Beleidsuitgangspunten Omvang is maatwerk • Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen.

9.2 Beleidsuitgangspunten Omvang is maatwerk • Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen (bijv. CRVB:2020:2644).

9.3 Primaat maatwerkvoorziening collectief vervoer

9.3 Primaat maatwerkvoorziening collectief vervoer

In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen.

In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491 en CRVB:2019:3669). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen (CRVB:2018:1643). Niet gezamenlijk kunnen reizen Gebruik maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101 en zie CRVB:2018:1487)

Niet gezamenlijk kunnen reizen Gebruik maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101)

Mei 2021

8

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

12 Persoonsgebonden budget Huidige beleidsregels

12 Persoonsgebonden budget Nieuwe beleidsregels

12.2 Aanvraag pgb binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2009:BK2502).

12.2 Aanvraag pgb binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:819). 12.3 Besteding pgb algemeen Overlijden pgb-houder In geval van overlijden van de cliënt hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent. De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de cliënt. 12.6 Pgb-bekwaamheid Conflicterende belangen Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-bekwaam is en ook geen hulp heeft van een vertegenwoordiger maar van andere personen. Het college beoordeelt in die situatie of: 1. De aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd; of 2. De beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Gaat het om een derde of een daaraan gelieerde persoon aan wie het pgb wordt besteed dan kan daar geen sprake van zijn (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803).

Onder een aan die derde gelieerde persoon wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is.

Niet van toepassing

12.6 Pgb-bekwaamheid Conflicterende belangen professionele ondersteuners Er kunnen zich bij het beoordelen van de pgb-bekwaamheid conflicterende belangen voordoen. Wanneer blijkt dat de cliënt een beperkte invloed heeft op de beslissing om voor een pgb te kiezen, kan dat wijzen op een ongewenste belangenverstrengeling. Dit kan betekenen dat een verantwoorde uitvoering van de pgb-taken wordt beïnvloed door een andere persoon. Denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat degene die de pgb-bekwaamheid van de cliënt overneemt ook de derde is aan wie het pgb zal worden besteed. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden die invloed hebben op het pgb-beheer (CRVB:2019:2803). Artikel 8.5, eerste lid aanhef en onder a, van de verordening bepaalt in die gevallen dat het college het pgb weigert. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911).

Conflicterende belangen sociaal netwerk Daarmee is nadrukkelijk niet gezegd dat als het pgb wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk (niet beroepsmatig) er geen sprake kan zijn van conflicterende belangen! Dat wil zeggen dat ook bij personen uit het sociaal netwerk

Mei 2021

Persoon sociaal netwerk is de derde Het college beoordeelt of de persoon uit het sociaal netwerk primair het belang van de cliënt dient. Dat moet in ieder geval blijken uit de motivatie van de budgethouder waarom hij kiest om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin die persoon het meest geschikt blijkt om de ondersteuning te bieden. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. Dit betekent dat alleen bij zeer hoge

9

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

sprake kan zijn van (ongewenste) beïnvloeding van het pgb-beheer. Echter van deze personen ligt de betrokkenheid op de cliënt (diens belang) - gelet op de persoonlijke relatie - mogelijk meer voor hand. Het college zal ook hier onderzoek moeten doen naar een mogelijke ongewenste belangenverstrengeling. Het college kan echter ook tot het oordeel komen dat de persoon uit het sociaal netwerk de ondersteuning niet cliëntgericht kan bieden omdat er sprake is van belangenverstrengeling. Het pgb kan voor degene die de ondersteuning biedt een (belangrijke) bron van inkomen vormen. 12.10 Overige weigeringsgronden Niet van toepassing.

12.12 Hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing Offertes woningaanpassing Mede gelet op het principe van de goedkoopst passende bijdrage, is in veel gevallen het vragen van meer dan één offerte gewenst. Het aantal op te vragen offertes door het college of de cliënt is afhankelijk van de kosten van de woningaanpassing. Bij bedragen tot (naar schatting) € 50.000,- kan worden volstaan met één offerte. Op basis van de offerte (en bijbehorend Programma van Eisen) stelt het college de hoogte van het pgb vast. Daaruit blijkt dan wie de opdracht krijgt van het college of van de cliënt (in geval van een pgb) om de woningaanpassing uit te voeren. Nadat het besluit genomen is, kan met het uitvoeren van de woningaanpassing worden gestart.

uitzondering een pgb wordt toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed.

12.10 Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 2.8 (indicatie Wlz en aanvraag maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht), 12.2 (nieuwe aanvraag pgb binnen zelfde budgetperiode) en 12.6 (conflicterende belangen pgb), geldt nog een tweetal situaties waarin het college een pgb kan weigeren. 12.12 Hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing Hoogte pgb woningaanpassing De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurd programma van eisen, richtprijzen en -normen voor woningaanpassingen uit Casadata en/of één of meerdere offertes. Mede gelet op het principe van de goedkoopst passende bijdrage, maakt het college gebruik van Casadata om een berekening te maken van de kosten van de woningaanpassing. Casadata is in principe leidend bij het bepalen van de kosten van de woningaanpassing. In plaats van, of aanvullend, kan het college zich baseren op één of meerdere offertes. Het aantal op te vragen offertes door het college of de cliënt is afhankelijk van de kosten van de woningaanpassing. Bij bedragen tot (naar schatting) € 50.000,- kan worden volstaan met één offerte. Op basis van Casadata en/of de offerte(s) (en bijbehorend Programma van Eisen) stelt het college de hoogte van het pgb vast. De cliënt kan op basis hiervan de aanpassing inkopen bij de aanbieder van zijn keuze.

Woningaanpassing Zorg in natura Bij zorg in natura regelt het college de woningaanpassing voor de cliënt. Zij toetst in dat geval de offertes aan Casadata. Aan de hand daarvan wordt bepaald wie de opdracht krijgt om de woningaanpassing uit te voeren. Nadat het besluit genomen is, kan met het uitvoeren van de woningaanpassing worden gestart.

Mei 2021

10

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

13 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik Huidige beleidsregels 13.3 Weigering pgb

13 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik Nieuwe beleidsregels 13.3 Weigering pgb

Artikel 8.5, eerste lid onder a, van de verordening Er kunnen zich situaties voordoen waarin het college tot het oordeel komt dat er sprake is van een belangenstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Daarvan is sprake als die derde ook degene is die de budgethouder helpt om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Daarmee kunnen de aan het pgb verbonden taken door die derde beïnvloed worden. Wanneer de derde beroepshalve maatschappelijke ondersteuning biedt, dan gaat het college daarvan uit. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in een bijvoorbeeld een andere BV activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (CRVB:2019:2803). In het geval de derde een persoon betreft uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling.

Maar deze personen zullen gelet op hun betrokkenheid bij de cliënt voornamelijk diens belang dienen. Bij de beoordeling van de wettelijke voorwaarden onderzoekt het college of hier sprake van kan zijn (art. 2.3.6, tweede lid, van de wet).

Artikel 8.5, eerste lid Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken.

Artikel 8.5, eerste lid onder b, van de verordening Als het college vaststelt dat er bij zowel de budgethouder als de derde sprake is van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan weigert het college het pgb. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met verslavingsproblematiek en de derde die kampt met problematische schulden. Daaronder valt ook het traject van de gemeentelijke schuldhulpverlening of Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Er zijn ook andere voorbeelden denkbaar. Er wordt in de gevallen als bedoeld in de verordening een (te groot) risico gelopen dat het pgb oneigenlijk gebruik van de wet in hand werkt. Het college kan de derde laten verklaren dat er geen sprake is van een dergelijke problematiek. Voor zover het de cliënt betreft zal het college een eventuele problematiek al bij het onderzoek hebben vastgesteld.

Mei 2021

11

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

Opgemerkt wordt ook nog dat in het geval alleen bij de derde sprake is van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek het maar zeer de vraag is of wel wordt voldaan aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid onder c, van de wet. Artikel 8.5, eerste lid onder c, van de verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken.

14 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering Huidige beleidsregels

14 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering Nieuwe beleidsregels

14.5 Terugvordering: opzettelijke schending inlichtingenplicht Schending aannemelijk maken De terugvordering op grond van de wet heeft - net als in de Participatiewet - een reparatoir karakter. Dat wil zeggen: het terugbrengen in de rechtmatige toestand (vergelijk CRVB:2017:1688 en CRVB:2017:2213). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering wordt aangenomen dat het college het opzettelijk (willens en wetens) schenden van de inlichtingenplicht op grond van art. 2.3.8 van de wet aannemelijk moet maken en niet hoeft aan te tonen. Voor het aannemelijk maken (van de opzettelijke schending) gelden geen vaste regels. Dat wil zeggen dat ook uit een gedraging van betrokkene - en niet alleen op basis van diens belastende verklaring - aannemelijk kan zijn dat sprake is van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt opgemerkt dat naarmate het financieel belang toeneemt (hoogte van de terugvordering), de eisen die gesteld worden aan de bewijskracht zwaarder zullen zijn. Zie bijvoorbeeld RBOVE:2018:2310 waarin de hoogte van de terugvordering € 115.843,58 bedroeg. Het ligt in ieder geval op de weg van het college om voldoende feiten aan te dragen op grond waarvan de opzettelijke schending aannemelijk is.

14.5 Terugvordering: opzettelijke schending inlichtingenplicht Schending aannemelijk maken De terugvordering op grond van de wet heeft - net als in de Participatiewet - een reparatoir karakter. Dat wil zeggen: het terugbrengen in de rechtmatige toestand (vergelijk CRVB:2017:1688 en CRVB:2017:2213). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering wordt aangenomen dat het college het opzettelijk (willens en wetens) schenden van de inlichtingenplicht op grond van art. 2.3.8 van de wet aannemelijk moet maken en niet hoeft aan te tonen. Voor het aannemelijk maken (van de opzettelijke schending) gelden geen vaste regels. Dat wil zeggen dat ook uit een gedraging van betrokkene - en niet alleen op basis van diens belastende verklaring - aannemelijk kan zijn dat sprake is van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt opgemerkt dat naarmate het financieel belang toeneemt (hoogte van de terugvordering), de eisen die gesteld worden aan de bewijskracht zwaarder zullen zijn. Zie bijvoorbeeld CRVB:2020:667 waarin de hoogte van de terugvordering € 115.843,58 bedroeg. Het ligt in ieder geval op de weg van het college om voldoende feiten aan te dragen op grond waarvan de opzettelijke schending aannemelijk is.

Terugvordering cliënt

Terugvordering cliënt

Mei 2021

12

Was-wordt tabel Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Dinkelland

Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt in principe overgegaan tot terugvordering.

Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt in principe overgegaan tot herziening/intrekking van het besluit en de terugvordering van de geldswaarde bij gevolg daarvan (CRVB:2020:943).

14.7 Invordering

14.7 Invordering

Artikel 9.3 en 9.4 van de verordening De cliënt of de derde is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87, eerste lid, van de Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de cliënt of de derde zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de cliënt of de derde zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de cliënt of de derde nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 2.4.1, tweede lid, van de wet). Verder biedt de verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud of het toegekende pgb. Artikel 2.4.2 van de wet sluit dat niet uit omdat het pgb in dat artikel niet wordt genoemd. Het zal overigens niet voor de hand liggen dat het college gebruik maakt van deze bevoegdheid. Immers, op het college rust de compensatieplicht door een toereikend pgb te verstrekken.

Artikel 9.3 en 9.4 van de verordening De cliënt of de derde is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87, eerste lid, van de Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de cliënt of de derde zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de cliënt of de derde zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de cliënt of de derde nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 2.4.1, tweede lid, van de wet). Verder biedt de verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud.

Mei 2021

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/480/documents/15549