Verordening Wmo Dinkelland 2026.pdf
Tekst van het document
Het college kan de betaling van het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank of de derde geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Ingeval van mandaat wordt onder de Sociale Verzekeringsbank het college verstaan. 3. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed en/of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 4. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort, voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 8.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of
19
onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed en/of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 8.7 Opschorting inzet maatwerkvoorziening 1. Het college kan de inzet van een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de cliënt niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Gedurende de periode waarin de inzet van de maatwerkvoorziening is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit.
HOOFDSTUK 9. BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 9.1 Beëindiging Behoudens artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen, als: a. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van of krachtens de verordening; b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dat gebeurt in het kader van de te bieden maatschappelijke ondersteuning; c. de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in de gemeente Dinkelland; d. de cliënt is overleden. Artikel 9.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Behoudens artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een herziening of intrekking van de beslissing als bedoeld in de artikelen 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2.
Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de cliënt niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb, de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst. 3. Het college kan overeenkomstig het eerste lid een besluit tot toekenning tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening herzien of intrekken als achteraf blijkt dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Artikel 9.3 Terugvordering geldswaarde 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming dan wel pgb is herzien of ingetrokken, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde: a. van een maatwerkvoorziening of financiële tegemoetkoming; en/of b. van het ten onrechte genoten pgb, terugvorderen van de cliënt als de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt heeft plaatsgevonden en van de derde, conform het bepaalde in de wet.
20
2. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet. Artikel 9.4 Terugvordering overig 1. Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening of het pgb terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d of e, van de wet. 2. Het college kan de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening terugvorderen als de persoon onjuiste inlichtingen of gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van juiste inlichtingen of gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 3. Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 4.
De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn of met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 5. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet.
HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 10.1 De wijze van waardering Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten die hun hoofdverblijf hebben in de gemeente Dinkelland. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 10.2 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen en kunnen dit na vaststelling aan het college sturen. 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleg met de aanbieders. 3. Het college verricht jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek. Artikel 10.3 Regeling voor medezeggenschap 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van (alle) maatwerkvoorzieningen. 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders. § 3. Kwaliteit en continuïteit Artikel 10.4 Kwaliteitseisen en continuïteit voorzieningen 1. Het college draagt zorg voor de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning en de werkzaamheden van Veilig Thuis Twente.
21
2. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 van de wet, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. In geval van diensten gelden verder in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de ondersteuning die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger besproken; b. de ondersteuning is veilig: de relatie tussen de cliënt en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c. de ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere ondersteuners en onderhoudt contacten met de sociale omgeving van de cliënt; d. het leefklimaat past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 4. In geval van hulpmiddelen geldt dat het geïndiceerde hulpmiddel: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; b. wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt waaronder diens privacy. 5.
Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde maatwerkvoorzieningen. Artikel 10.5 Prijs kwaliteitsverhouding 1. Het college stelt voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. De vaste prijs of de reële prijs voor een dienst is ten minste gebaseerd op de volgende kostprijselementen: a. de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid aanhef en onderdeel c, van de wet; b. de mate waarin de aanbieder rekening houdt met de continuïteit in de ondersteuning, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken ondersteuners; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 3. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten als bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 5. Het college houdt bij het verlenen van de opdracht voor te leveren overige voorzieningen door een derde (niet zijnde diensten) rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier/aanbieder worden gevraagd, zoals: 1° noodzakelijke individuele aanpassingen (aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening);
22
2° instructie over het gebruik; 3° WA verzekering van vervoersvoorzieningen; 4° onderhoud van de voorziening. Artikel 10.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet. 3. De toezichthoudende ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. § 4. Betrekken van ingezetenen Artikel 10.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan Nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 11.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026. 2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2025 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken. 3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2026. 4. Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van aan deze verordening voorafgaande verordeningen in te trekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 25 november 2025. De raadsgriffier, L.J.H. Engelbertink
De voorzitter, J.G.J. Joosten
23
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2026 Algemene toelichting De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) draagt gemeenten onder meer op te zorgen voor maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang. Eigen verantwoordelijkheid De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing. Dat wil zeggen hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers wordt verwacht dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wmo 2015 brengt de rechten en plichten van de burgers meer met elkaar in evenwicht.
De Wmo 2015 biedt in dat kader meer mogelijkheden dan de Wmo (oud) om burgers op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen zonder dat dit altijd hoeft te leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Inwoners van de gemeente Dinkelland die zelf, dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op de door gemeente Dinkelland georganiseerde ondersteuning. Als de cliënt dat wenst, kan de noodzakelijke ondersteuning ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Samen met de professional van de gemeente Dinkelland bespreekt de cliënt de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen. Maatwerk Bij de beoordeling of het bieden van ondersteuning nodig is, gaat het om maatwerk, rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Hierover gaan de professionals van de gemeente Dinkelland met de cliënt en eventueel zijn mantelzorger in gesprek. De eventuele behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger bij de uitvoering van taken maakt daar ook onderdeel van uit. Daarbij staan de eigen mogelijkheden (eigen kracht) van de cliënt en het te bereiken resultaat centraal en wordt zoveel mogelijk een integrale benadering nagestreefd.
Dat wil zeggen dat de ondersteuning zo nodig wordt afgestemd op het cliëntsysteem waar de cliënt onderdeel van uit maakt. Andere wetten zoals de Participatiewet en de Jeugdwet kunnen daar ook een rol bij spelen. Van dat gesprek ontvangt de cliënt een verslag. De gemeente Dinkelland voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in het besluit is vastgesteld. Opdracht gemeenteraad Artikel 2.1.3 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet, van het beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Dinkelland. Voor de inwoners van Dinkelland biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Dinkelland biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de inwoner die zich meldt met een hulpvraag.
24
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: abonnementstarief Vanaf 1 januari 2020 is het abonnementstarief voor eigen bijdragen in de Wmo 2015 van kracht. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: budgetplan (diensten) Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: collectieve maatwerkvoorziening Deze maatwerkvoorziening wordt individueel verstrekt maar kan wel door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Voorbeelden zijn: maatwerkvoorziening collectief vervoer, financiële tegemoetkoming in de vorm van individueel (rolstoel)taxivervoer en dagbesteding. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: dagbesteding Het betreft begeleiding in de vorm van dagbesteding met een omschreven doel (zie art. 4.4 Verordening).
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). De definitie van maatwerkvoorziening in de wet (art. 1.1.1 van de wet) is naar het oordeel van de CRvB zo ruim dat hieronder ook een financiële tegemoetkoming kan vallen. Het gaat in de praktijk vaak om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college niet in alle gevallen een oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: gewaarborgde hulp Cliënten kunnen afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is.
Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het te bereiken resultaat en de financiële verantwoording rondom het pgb. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: huishoudelijke ondersteuning Met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRVB:2016:1402) is duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning, net als huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo (oud), binnen het bereik
25
van de Wmo 2015 valt. De wet geeft echter geen definitie van huishoudelijke ondersteuning. Deze definitie sluit daarom zoveel mogelijk aan bij de wettelijke definitie zoals die tot 1 januari 2015 luidde in de Wmo (oud). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt feitelijk de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.4 van de Verordening). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: hoofdverblijf Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Dinkelland te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid (zie art. 4.7, eerste lid, Verordening). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: instelling Voor de toepassing van artikel 9.1, eerste lid onder b, van de verordening is van belang te weten wat onder een instelling wordt verstaan. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: leefeenheid De begripsbepaling vloeit rechtstreeks voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp.
Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren. Het college kan na het onderzoek tot het oordeel komen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: nadere regels Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: normale gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: pgb Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: professionele organisatie De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden voor bijvoorbeeld de vakbekwaamheid spelen een rol om als professional aangemerkt te kunnen worden. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder t: spoedeisende situatie Het is in beginsel aan de cliënt om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisende situatie.
Het college beoordeelt of er in het individuele geval tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura moet worden verstrekt, dit in afwachting van de resultaten van het onderzoek.
26
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder u: verslag Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder v: vervoersvoorziening Spreekt voor zich. Voorbeelden zijn een scootmobiel of een driewielfiets. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder w: voorliggende voorziening Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat, die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2023:1046, CRVB:2023:1508). Zie ook toelichting bij artikel 3.3, tweede lid aanhef en onder c, van de Verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder x: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder y: woning De wet kent geen definitie van een woning. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving, niet onder het begrip woning. Een woning voldoet (minimaal) aan het niveau van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden.
Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een door de gemeente afgegeven persoonlijke gedoogd verklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder z: woonvoorziening De wet kent geen definitie van een woonvoorziening. Voor de leesbaarheid wordt dit begrip in de verordening gebruikt. In deze verordening kan het een woningaanpassing of hulpmiddel zijn voor de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder aa: Zzp’er De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden voor bijvoorbeeld de vakbekwaamheid spelen een rol om als professional aangemerkt te kunnen worden. Artikel 1.1 tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Eerste en tweede lid Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Dinkelland. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden aangemerkt. Derde lid Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang.
Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo (oud), geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij vooralsnog ook
27
de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Dinkelland treedt de gemeente Enschede op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Enschede de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen om beschermd wonen en opvang namens de gemeente Dinkelland af te handelen. Het college zorgt voor een zorgvuldige overdracht in het geval een cliënt zich meldt bij de gemeente Dinkelland. Vierde lid Aanvragen worden afgehandeld op basis van het te voeren beleid van de gemeente Enschede.
HOOFDSTUK 2. PROCEDUREGELS § 1. Melding en onderzoek Artikel 2.1 Melding van de hulpvraag Eerste en tweede lid Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. De melding van de hulpvraag moet op de eerste plaats gekwalificeerd kunnen worden als een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een verzoek om informatie en/of advies wordt niet als hulpvraag aangemerkt. Dit is van belang omdat alleen een melding van een hulpvraag leidt tot een onderzoek. Zoals bij wet is voorgeschreven registreert en bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de cliënt. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet (zie verder art. 2.4 van de verordening). Derde lid De hoofdregel is dat het college na de melding van de hulpvraag eerst een gesprek voert met de cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties (zie begripsbepaling van de verordening). Het college verstrekt in voorkomende gevallen (zo spoedig als mogelijk én nodig blijkt) een tijdelijke maatwerkvoorziening, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en indienen persoonlijk plan Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo 2015. Dit maakt integrale dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar cliënten moeten zich ook kunnen laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen. Voordat het onderzoek wordt gedaan, wijst het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger ook op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (art. 2.3.2, tweede lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het college dat plan betrekt bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag.
Artikel 2.3 Identificatie Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet). Voor de mantelzorger en de vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet het geval. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid regelt dit artikel dat ook zij zich op verzoek van het college moeten kunnen legitimeren.
28
Artikel 2.4 Het onderzoek Eerste lid Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden en zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) zijn en wat mogelijke oplossingen zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan: de vertegenwoordiger, de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk. Het kan zijn dat meerdere gesprekken nodig zijn, dat is afhankelijk van het individuele geval. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken wat betreft zijn zelfredzaamheid of participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt worden opgelost of verminderd. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning nodig heeft in verband met het bieden van mantelzorg. Dat is een wettelijke opdracht van het college.
Niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek telefonisch kan worden gedaan als het college voldoende bekend is met de situatie van de cliënt. Bijvoorbeeld als recent een persoonlijk gesprek bij de cliënt thuis heeft plaatsgevonden. Overigens schrijft de wet niet voor hoe het onderzoek moet worden gedaan. Tweede lid Het is van belang dat de cliënt weet hoe de procedure na de melding van de hulpvraag zal verlopen. Verder is het beschikken over bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Daarbij is het van belang dat de cliënt tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van het verwerken of het uitwisselen van persoonsgegevens én dat het college aan de cliënt daarvoor zonodig toestemming vraagt. Het kan ook zijn dat het college de cliënt daarover alleen hoeft te informeren. Derde en vierde lid De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen (art. 2.3.2, vierde lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven.
Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de uiteindelijke beslissing op aanvraag. Vijfde lid Er zijn situaties denkbaar dat de ondersteuningsbehoefte bekend is bij het college en dat een gesprek daar niets aan toevoegt. Toch mag het college alleen met toestemming van de cliënt afzien van het gesprek. Dat geldt dan ook voor het niet hoeven opstellen van het verslag. Artikel 2.5 Het verslag Eerste lid Overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet wordt voor de cliënt een verslag van het onderzoek opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de cliënt, en als aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen die zijn geïnventariseerd. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger hier onderdeel van uitmaken. Dit verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag.
29
Tweede lid De wet bepaalt niet tot wanneer de cliënt zijn aanvraag kan indienen. Strikt genomen betekent dit dat bijvoorbeeld twaalf maanden nadat het college het verslag aan de cliënt heeft verstrekt, de aanvraag nog kan worden gedaan terwijl de feiten en omstandigheden gewijzigd zouden kunnen zijn. De wetgever meent daarom dat het onder de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad valt om te bepalen tot wanneer het verslag geldig is (TK 33 841, nr. 34, p. 219). § 2. De aanvraag Artikel 2.6 De aanvraag Eerste en tweede lid In artikel 2.5, tweede lid, van de verordening is neergelegd hoe lang het verslag geldig is en wanneer er dus sprake is van een (nieuwe) melding van de hulpvraag. Zijn er volgens het college echter geen gewijzigde feiten of omstandigheden, dan neemt het college het ‘eerste’ verslag van het onderzoek als uitgangspunt. Derde en vierde lid Om administratieve lasten te voorkomen kan het verslag van het onderzoek ook als aanvraag worden aangemerkt als de cliënt dat op voorgeschreven wijze aangeeft. Wordt de aanvraag ook daadwerkelijk ingediend, dan kan de cliënt eventuele opmerkingen over het verslag toevoegen. Het college weegt die opmerkingen mee bij de beslissing op de aanvraag. De verordening beoogt niet de wettelijke regels in te perken die het mogelijk maken een aanvraag via de elektronische weg in te dienen.
Vijfde en zesde lid Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een deskundigenadvies nodig heeft (zie art. 2.7 van de verordening). Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de wettelijke beslistermijn. Het college heeft daarom de bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag op te schorten onder toepassing van artikel 4:14 van de Awb en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de cliënt het besluit tegemoet kan zien. Uit de wet vloeit (ook) voort om de beslistermijn op te schorten als de cliënt niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft aangeleverd of onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek, voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. In die gevallen is artikel 4:15, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb van toepassing. § 3. Advisering Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag Eerste en tweede lid Voor de uitvoering van de wet vraagt het college (medisch) advies als het zelf niet ter zake deskundig is. In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is.
Het kan namelijk zijn dat een woningaanpassing inpandig kan worden opgelost in plaats van met een aanbouw. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt zijn medewerking verleent aan het onderzoek door bijvoorbeeld gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college de noodzaak van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen (bijv. CRVB:2019:224). Daarbij geldt wel dat het college de noodzaak niet op andere wijze kan vaststellen dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging (bijv. CRVB:2012:BY0448). Via de cliënt geldt de hier bedoelde medewerkingsplicht ook voor de huisgenoten. Denk in dit verband aan de beoordeling of wel/geen
30
gebruikelijke hulp kan worden geboden. Het college kan ook advies vragen als dat nodig is om duidelijkheid te krijgen over de (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. De mantelzorger kan immers ondersteuning nodig hebben bij de uitvoering (het volhouden) van de mantelzorgtaken. Deze ondersteuning is niet gericht op het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan de mantelzorger (RBNHO:2017:1022). Omdat mantelzorg niet verplicht is, kan het zijn dat de mantelzorger geen medewerking wil verlenen aan het onderzoek. Dat staat de mantelzorger vrij. Derde lid Het college kan ook een aanbieder om advies vragen.
HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel 3.1 Algemeen Eerste en tweede lid In dit artikel zijn voor de kenbaarheid de algemene criteria van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgenomen voor de beoordeling van de aanspraak door het college. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het onderzoek is afgerond. Het tweede lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet en bepaalt dat het college maatwerk moet bieden. Eerste lid aanhef en onder b Per 1 januari 2020 is het bepaalde onder b opgenomen in de wet. De strekking daarvan is dat er geen compensatieplicht geldt voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 147-148). Deze wettelijke bepaling is gecodificeerd op basis van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Dat wil zeggen dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt zijn beperkingen kan oplossen dan wel verminderen met een algemeen gebruikelijke voorziening.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat er vier criteria gelden op grond waarvan sprake kan zijn van een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, 2. daadwerkelijk beschikbaar is, 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Derde en vierde lid De strekking van het derde lid is gelijk aan de strekking van het eerste lid met dien verstande dat dit lid betrekking heeft op de personenkring van beschermd wonen en opvang. Het vierde lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet en bepaalt dat maatwerk geboden moet worden. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Eerste lid Dit lid regelt de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening. Het kan voorkomen dat het college de aanbieder toestemming geeft om de ondersteuning in natura eerder in te zetten. Hiermee wordt ook bereikt dat indicaties op elkaar aansluiten en de cliënt niet zonder hulp komt te zitten. Deze bepaling geldt niet voor cliënten.
31
Tweede lid Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd (onder a). Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend (onder b). Het spreekt voor zich dat voordat het college toestemming geeft de noodzaak van de maatwerkvoorziening wel moet zijn vastgesteld. Derde lid Dit lid is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2018:818, CRVB:2016:2052, CRVB:2015:4918). De strekking hiervan is dat het college (bij ongewijzigde omstandigheden) niet verplicht is om binnen de budgetperiode (looptijd) opnieuw een pgb te verstrekken als het pgb volledig door de cliënt is besteed. De cliënt maakt de keuze voor een pgb en aanvaardt tevens de daaraan verbonden risico's en kosten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verloren gaan van het vervoermiddel. Vierde lid Het kan voorkomen dat de cliënt ná het verstrijken van de budgetperiode opnieuw bij het college een melding doet van een hulpvraag.
Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt, al dan niet met pgb, heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Is dat het geval, dan kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een nieuwe maatwerkvoorziening. Vijfde lid Dit lid verplicht de cliënt een opstalverzekering af te sluiten zodat de mogelijke schade middels deze verzekering is gedekt. Deze verplichting geldt ook als aan de cliënt een pgb wordt verstrekt voor de realisatie van een woningaanpassing. Zesde lid Van de cliënt die een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, meeneemt naar het buitenland of buiten de gemeente, wordt verwacht dat hij een adequate verzekering afsluit tegen verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Cliënten die gebruik maken van hulpmiddelen die in natura zijn verstrekt, kunnen op verzoek bij de leverancier een groene kaart opvragen waarmee ze WA-verzekerd zijn. Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen Eerste lid aanhef en onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in redelijke mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid of participatie.
In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn of moet kunnen participeren, is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt. Het gaat om maatwerk. De wet schrijft voor dat de maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had
32
(TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Een voorbeeld is wat onder deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt verstaan (art. 4.10 van de Verordening). Als uitgangspunt geldt dat de cliënt zich 1500-2000 kilometer (op jaarbasis) lokaal moet kunnen verplaatsen op basis van een noodzakelijke vervoersbehoefte. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als de cliënt zijn participatieprobleem niet ‘zelf of met hulp van anderen’ kan oplossen. Eerste lid aanhef en onder b Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals in de Wmo (oud) werd gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Eerste lid aanhef en onder c Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag individueel verstrekt, het is een individuele voorziening die in overwegende mate op de cliënt gericht is.
Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan een huisgenoot of mantelzorger van de cliënt tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht. Denk bijvoorbeeld aan het aanleren van het uitvoeren van huishoudelijke taken door de huisgenoot. Tweede lid aanhef en onder a Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte maatwerkvoorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. In deze gevallen kan een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming in de veroorzaakte kosten plaatsvinden. Tweede lid aanhef en onder b Met het oog op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen uit diens sociaal netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie.
Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Tweede lid aanhef en onder c Een cliënt kan gebruik maken van een andere wet of regeling waarmee de Wmo-problemen worden opgelost of vermindert. Het college mag van een cliënt verwachten dat hij of zij dat ook doet. Dit valt binnen de eigen kracht (CRVB:2023:1046, CRVB:2023:1508, CRVB:2018:1444, CRVB:2012:BV9433, CRVB:2011:BT7241). Is het een bewuste keuze in een andere wet of regeling om geen (volledige) vergoeding te geven? Dan volgt het college die keuze (CRVB:2024:241, CRVB:2024:267). Het college verwacht ook dat een cliënt zorgt dat afspraken in een contract worden nagekomen. Bijvoorbeeld waarin eisen staan waaraan een woning voldoet (CRVB:2011:BQ4115).
33
Artikel 3.4 Beginsel van primaat Eerste lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer of dagbesteding. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van een collectief vervoerssysteem was al bekend (en geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo (oud) en kan onder de Wmo 2015 worden voortgezet (CRVB:2018:1487). Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Tweede lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149 en zie CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602). Daarbij kan het voorkomen dat de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing én traplift (of een ander soort huislift), wat hogere kosten voor het college mee zal brengen.
Het college zal bij de toepassing van het primaat de belangen van de cliënt zorgvuldig moeten afwegen. Daarnaast zal er binnen een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moeten zijn. Kan het college het primaat toepassen, dan kan er mogelijk aanspraak bestaan op een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten (o.a. CRVB:2018:2602 en zie art. 4.11, eerste lid onder c, van de verordening). Het primaat van verhuizen en de tegemoetkoming voor eventuele verhuiskosten zijn niet bedoeld voor personen die inwonend zijn bij de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op zichzelf gaan wonen. Derde lid Het beginsel van de goedkoopst passende bijdrage geldt ook in het geval de cliënt wil verhuizen naar een andere woning terwijl dit niet als goedkoopst adequate oplossing wordt aangemerkt. Dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten.
HOOFDSTUK 4. MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.1 Algemeen Voor de leesbaarheid en kenbaarheid voor de inwoners van de gemeente Dinkelland zijn in dit artikel maatwerkvoorzieningen opgenomen die het college kan verstrekken. Daarmee is nadrukkelijk geen limitatief overzicht beoogd, dit gelet op het maatwerkprincipe. De Wmo 2015 bestaat namelijk uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan ook betrekking hebben op het treffen van individueel gerichte maatregelen met het oog op bijvoorbeeld de integrale dienstverlening binnen het sociaal domein.
34
Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning Eerste lid Dit lid bepaalt de resultaten waar de huishoudelijke ondersteuning op is gericht. Onder omstandigheden kan daar ook ondersteuning bij de organisatie van de huishouding onder vallen. Het gaat niet om begeleiding maar ondersteuning met een vorm van aansturing. Uit de genoemde resultaten volgt ook dat de huishoudelijke taken geen betrekking hebben op tuinonderhoud of het lappen van de ramen aan de buitenkant van de woning (CRVB:2017:885, CRVB:2017:1302). Tweede lid Het kan voorkomen dat de huisgenoot van de cliënt leerbaar is voor de taken die onder de gebruikelijk hulp vallen. In dat geval kan een kortdurende indicatie worden verstrekt. Derde lid Dit lid bepaalt dat voor het schoonhouden van de woning het uitgangspunt geldt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn, vallen hier dus buiten. Dat wil niet zeggen dat deze ruimten nooit gestofzuigd hoeven te worden. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vijfde lid Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente.
Daarom verwacht de gemeente dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat om overbelasting te verminderen of verder te voorkomen. Doen zij dat niet zonder reden? Dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning. Artikel 4.3 Criteria begeleiding individueel Eerste lid aanhef en onder a Met en positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de cliënt tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang. Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de cliënt een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken. De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken om tot juiste beslissingen komen. Eerste lid aanhef en onder b Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt. De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer). Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo 2015. Eerste lid aanhef en onder c De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de hulpvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner. De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen. Eerste lid aanhef en onder d De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek.
Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.
35
Eerste lid aanhef en onder e De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. Eerste lid aanhef en onder f Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen. Eerste lid aanhef en onder g Er zijn afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de cliënt is dit voldoende om de resultaten te behalen, zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn. Tweede lid aanhef en onder a Met een intensieve en proactieve benadering komt de cliënt tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie. De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang. De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen. Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen.
De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt. De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving. Tweede lid aanhef en onder b Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen. Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo 2015. Tweede lid aanhef en onder c De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen. Tweede lid aanhef en onder d De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting).
Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen Tweede lid aanhef en onder e De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen. Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf. De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst
36
wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is. Tweede lid aanhef en onder f De cliënt is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen. De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen. Tweede lid aanhef en onder g De cliënt heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven. Dit is een structureel terugkerend patroon van de cliënt. Derde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 4.4 Criteria dagbesteding en vervoer Eerste lid aanhef en onder a De cliënt heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen. Een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de cliënt om een taak te volbrengen.
De cliënt heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces. Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de cliënt een haalbare vaardigheid eigen maken. Eerste lid aanhef en onder b Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt. De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer). Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo 2015. Eerste lid aanhef en onder c De cliënt heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen. Eerste lid aanhef en onder d De client vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de ondersteuner op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de cliënt aan de dagbesteding. De cliënt verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.
37
Tweede lid aanhef en onder a De cliënt heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren. Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig. De cliënt heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de cliënt zelf. De cliënt heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig. Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de cliënt. Tweede lid aanhef en onder b Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen. Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo 2015. Tweede lid aanhef en onder c De cliënt heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen.