CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Wmo Dinkelland 2025 DEF.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 10 december 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Dinkelland24.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2025

De raad van de gemeente Dinkelland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2024; gelet op het advies van de algemene commissie van 10 december 2024; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet, en het Beleidsplan Omzien Naar Elkaar 23 december 2016 overwegende dat: • burgers regie nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen ontplooiing, • van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan, • voor burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie de wet een ondersteuningsplicht schept voor gemeenten met als doel het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, • Noaberschap in de gemeenten Dinkelland en Tubbergen daar een belangrijke bijdrage aan levert, • het noodzakelijk is om kaders en criteria vast te stellen ter uitvoering van de wet, en • daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving,

besluit: vast de stellen de volgende verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2025

1

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE .................................................................... 5 Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen....................................................................................................................... 5 Artikel 1.2 Reikwijdte verordening...................................................................................................................... 6

HOOFDSTUK 2. PROCEDUREGELS .................................................................................................. 7 § 1. Melding en onderzoek.................................................................................................................................. 7 Artikel 2.1 Melding hulpvraag ............................................................................................................................. 7 Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en indienen persoonlijk plan ............................................................................ 7 Artikel 2.3 Identificatie ........................................................................................................................................ 7 Artikel 2.4 Het onderzoek ................................................................................................................................... 7 Artikel 2.5 Het verslag ......................................................................................................................................... 7 § 2. De Aanvraag ................................................................................................................................................. 7 Artikel 2.6 De aanvraag .......................................................................................................................................

7 § 3. Advisering ..................................................................................................................................................... 8 Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag.................................................................................................... 8

HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK ..................................................................... 8 Artikel 3.1 Algemeen ........................................................................................................................................... 8 Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget ............................................ 9 Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen ...................................................................................... 9 Artikel 3.4 Beginsel van primaat ......................................................................................................................... 9

HOOFDSTUK 4. MAATWERKVOORZIENINGEN ............................................................................. 10 Artikel 4.1 Algemeen ......................................................................................................................................... 10 Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning ............................................................................................ 10 Artikel 4.3 Criteria begeleiding individueel ....................................................................................................... 10 Artikel 4.4 Criteria dagbesteding en vervoer .................................................................................................... 11 Artikel 4.5 Criteria kortdurend verblijf .............................................................................................................. 12 Artikel 4.6 Criteria wonen algemeen ................................................................................................................ 12 Artikel 4.7 Criteria wonen specifiek .................................................................................................................. 12 Artikel 4.8 Criteria verplaatsen in en om de woning.........................................................................................

13 Artikel 4.9 Criteria bezoekbaar maken van de woning ..................................................................................... 13 Artikel 4.10 Criteria deelname maatschappelijk verkeer .................................................................................. 13 Artikel 4.11 Criteria financiële tegemoetkoming .............................................................................................. 13

HOOFDSTUK 5. PERSOONSGEBONDEN BUDGET .......................................................................... 14

2

Artikel 5.1 Algemeen ......................................................................................................................................... 14 Artikel 5.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget diensten ...................................................................... 14 Artikel 5.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget overig .......................................................................... 14 Artikel 5.4 Besteding en declaratie ................................................................................................................... 15 Artikel 5.5 Kwaliteitseisen derde aan wie het pgb wordt besteed ................................................................... 15 Artikel 5.6 Hoogte persoonsgebonden budget diensten niet zijnde beschermd wonen of opvang................. 16 Artikel 5.7 Hoogte persoonsgebonden budget overig ...................................................................................... 16

HOOFDSTUK 6. BIJDRAGE IN DE KOSTEN, KOSTPRIJS, RITBIJDRAGE EN RESERVERINGSTOESLAG ... 17 Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget .................................................................... 17 Artikel 6.2 Algemene voorziening ..................................................................................................................... 17 Artikel 6.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag .................................................................................................. 17 Artikel 6.4 Kostprijs ........................................................................................................................................... 17

HOOFDSTUK 7. TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN SPORTVOORZIENING ..................................... 18 Artikel 7.1 Aanspraak sportvoorziening ............................................................................................................ 18 Artikel 7.2 Hoogte en uitbetaling ...................................................................................................................... 18

HOOFDSTUK 8. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK .............................................. 18 Artikel 8.1 Bevoegdheid .................................................................................................................................... 18 Artikel 8.2 Informatieplicht en fraudepreventie ............................................................................................... 18 Artikel 8.3 Medewerkingsplicht ........................................................................................................................ 19 Artikel 8.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget ............................................................................. 19 Artikel 8.5 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank ........................... 19 Artikel 8.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget .. 19 Artikel 8.7 Opschorting inzet maatwerkvoorziening ......................................................................................... 19

HOOFDSTUK 9. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING .......................... 20 Artikel 9.1 Beëindiging ...................................................................................................................................... 20 Artikel 9.2 Herzien of intrekken van besluiten .................................................................................................. 20 Artikel 9.3 Terugvordering geldswaarde ........................................................................................................... 20 Artikel 9.4 Terugvordering overig ..................................................................................................................... 20

HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN ...................................................................................... 21 § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers .................................................................................................. 21 Artikel 10.1 De wijze van waardering................................................................................................................ 21 § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap ................................................................................................... 21 Artikel 10.2 Regeling voor klachtenafhandeling ............................................................................................... 21 Artikel 10.3 Regeling voor medezeggenschap .................................................................................................. 21 § 3. Kwaliteit ..................................................................................................................................................... 21

3

Artikel 10.4 Kwaliteitseisen voorzieningen ....................................................................................................... 21 Artikel 10.5 Prijs kwaliteitsverhouding ............................................................................................................. 22 Artikel 10.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld ..................................................................................... 22 § 4. Betrekken van ingezetenen ........................................................................................................................ 23 Artikel 10.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid ..................................................................................... 23

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN ............................................................................................. 23 Artikel 11.1 Hardheidsclausule ......................................................................................................................... 23 Artikel 11.2 Inwerkingtreding en citeertitel ...................................................................................................... 23

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2025 ................. 24

4

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Abonnementstarief: de hoogte van de maximale bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen; b. Budgethouder: de persoon aan wie het pgb is toegekend; c. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft; d. Budgetplan (diensten): een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening; e. Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt. De maatwerkvoorziening collectief vervoer kan ook als individueel (rolstoel)taxivervoer worden verstrekt; f. Dagbesteding: dagbesteding in groepsverband als structurele tijdsbesteding met een doel dat gericht is op het bevorderen van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt; g. Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; h.

Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten die rechtstreeks aan de cliënt kan worden uitbetaald en waarvoor geen oordeel wordt gegeven over de kwaliteit, tenzij het gaat om eenvoudige woningaanpassingen of woonvoorzieningen; i. Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen; j. Huishoudelijke ondersteuning: het in overwegende mate overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van de cliënt dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort voor zover de huisgenoten naar oordeel van het college geen gebruikelijke hulp kunnen bieden; k. Hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, niet zijnde informatie en advies, waarvoor een melding wordt gedaan; l. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Als de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; m.

Instandhoudingskosten: een door het college te bepalen bedrag dat bestemd is voor onderhoud, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, waaronder ook een WAverzekering bij vervoersvoorzieningen kan worden gerekend; n. Instelling: een instelling die verblijf in verband met geneeskundige zorg biedt op grond van een zorgverzekering of op grond van artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg; o. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en een huishouden voert; p. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld; q. Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het kunnen verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, het kunnen doen van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de toegang tot de berging, de tuin of het balkon van de woning worden verstaan; r. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; s.

Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat

5

betreft de vakbekwaamheid voor de medewerkers die bij de organisatie in dienst zijn. Andere kwaliteitseisen zijn bijvoorbeeld: een keurmerk of protocol, het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering en naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers. Het gaat om kwaliteitseisen die ook gelden voor gecontracteerde aanbieders; t. Spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; u. Verslag: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet; v. Vervoersvoorziening: een maatwerkvoorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen; w. Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan; x. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. Woning: een woonruimte welke volgens algemeen maatschappelijk aanvaarde maatstaven bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.

Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen, mits bestemd én nog tenminste vijf jaar geschikt voor permanente bewoning; z. Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning; aa. ZZP-er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid. Andere kwaliteitseisen zijn bijvoorbeeld een keurmerk of protocol die ook gelden voor gecontracteerde aanbieders. Voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden: 1 niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en 2 door de Belastingdienst aangemerkt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en/of de daarop gebaseerde lagere regelgeving en/of de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning in de vorm van maatwerkvoorzieningen, voor ingezetenen van de gemeente Dinkelland. 2.

Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland. 3. Voor ingezetenen van Nederland met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of opvang geldt dat zij zich melden bij, en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de gemeente Enschede. Het college van de gemeente Dinkelland zorgt zonodig voor een zorgvuldige overdracht. 4. Namens de gemeente Dinkelland beslist de gemeente Enschede op aanvragen om beschermd wonen en maatschappelijke opvang op basis van de geldende verordening(en) en de daarop gebaseerde lagere regels.

6

HOOFDSTUK 2. PROCEDUREGELS § 1. Melding en onderzoek Artikel 2.1 Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college registreert de melding en bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of digitaal. 3. In spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en indienen persoonlijk plan 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn eventuele mantelzorger na de melding op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van: a. cliëntondersteuning; en b. de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 2.3 Identificatie 1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 van de verordening, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2.

Het college is tevens bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.4 Het onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, en/of zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger en/of personen uit zijn sociale netwerk. 2. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt, als dat nodig is, om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens met in achtneming van de privacyregels. 3. De onderwerpen van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. 4. Heeft de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening overhandigd, dan betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het eerste lid. 5. Als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college, kan alleen in overeenstemming met de cliënt worden afgezien van een gesprek. Artikel 2.5 Het verslag 1. Het college verstrekt het verslag van het onderzoek waaruit de cliënt tevens een advies van het college kan afleiden over hoe de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie kunnen worden opgelost dan wel verminderd.

2. Het verslag is drie maanden geldig. § 2. De Aanvraag Artikel 2.6 De aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding van de hulpvraag.

7

2. De aanvraag die wordt ingediend nadat de geldigheid van het verslag is verstreken wordt als (nieuwe) melding aangemerkt, tenzij er naar oordeel van het college geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden. 3. Een op voorgeschreven wijze ingevuld en door de cliënt ondertekend verslag merkt het college aan als aanvraag. 4. De cliënt die een aanvraag indient, kan opmerkingen aan het verslag toevoegen. 5. Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet op te schorten als voor de beoordeling van de aanspraak een deskundigenadvies nodig is. 6. De bevoegdheid als bedoeld in het vorige lid is ook van toepassing als de cliënt geen of onvoldoende gegevens heeft verstrekt als bedoeld in artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. § 3. Advisering Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek. 3. Het college kan ook deskundigenadvies vragen aan een aanbieder over welke ondersteuning het best (goedkoopst) passend is voor de cliënt.

HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel 3.1 Algemeen 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met een algemeen gebruikelijke voorziening; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van voorliggende of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 2. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en daardoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.

Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 4. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met het verslag en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang

8

en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld zich weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 1. De indicatie om een maatwerkvoorziening gaat niet eerder in dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag, tenzij het college de aanbieder (natura) toestemming geeft de ondersteuning eerder te starten. 2. Het college weigert een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb, als deze is gerealiseerd: a. vóór de melding van de hulpvraag; b. ná de melding van de hulpvraag maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. 3. Het college weigert een pgb voor de kosten van een maatwerkvoorziening als de cliënt binnen de budgetperiode opnieuw een aanvraag doet omdat: a. de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening niet meer bruikbaar of beschikbaar is door aan de cliënt te verwijten omstandigheden; en b. er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. 4. Als de afschrijvingstermijn van een geïndiceerde maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken kan deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt. 5.

De cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt (al dan niet in de vorm van een pgb), zorgt voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de verstrekte woningaanpassing dekt voor het risico van schade. 6. De cliënt zorgt voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, wordt meegenomen naar het buitenland. Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze: a. noodzakelijk is om de cliënt in redelijke mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; c. in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat als: a. een maatwerkvoorziening, waarop de aanvraag betrekking heeft, al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling aan de cliënt is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij deze verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b.

de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid of participatie; c. de cliënt gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Artikel 3.4 Beginsel van primaat 1. Het college kan maatschappelijke ondersteuning verstrekken als collectieve maatwerkvoorziening en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2. Het college beoordeelt of de cliënt die een woning bewoont (huurder of eigenaar), kan verhuizen als: a. de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift; en

9

b. voor zover een passende of een goedkoper aanpasbare woning in de gemeente Dinkelland binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar is. 3. Als het verstrekken van een woningaanpassing en/of woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt, dan wordt aan de cliënt die (toch) verhuist naar een andere (geschikte) woning geen financiële tegemoetkoming verstrekt als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid aanhef en onder c, van de verordening.

HOOFDSTUK 4. MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.1 Algemeen 1. Behoudens het bepaalde in hoofdstuk 3 van de verordening kan het college in ieder geval een maatwerkvoorziening verstrekken gericht op: a. het in overwegende mate overnemen van huishoudelijke activiteiten en/of het aanleren daarvan (huishoudelijke ondersteuning); b. het kunnen uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden (begeleiding individueel); c. het kunnen voeren van regie over de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden (begeleiding individueel); d. dagbesteding en het vervoer van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden; e. kortdurend verblijf; f. het wonen; g. het zich in en om de woning verplaatsen; h. het bezoekbaar maken van de woning; i. de deelname aan het maatschappelijk verkeer; j. een financiële tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van de verordening. 2. Het college kan in plaats van een maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid individueel gerichte maatregelen treffen of laten treffen gericht op de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op de afstemming als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid aanhef en onder a tot en met h, van de wet. Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Huishoudelijke ondersteuning is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: a.

een schoon en leefbaar huis; b. wasverzorging, tenzij de algemene voorziening een passende oplossing biedt; c. maaltijdverzorging (klaarzetten of bereiden en zonodig aanreiken van maaltijden); d. boodschappen voor het dagelijks leven; e. het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het gezin behoren (die nog niet voor zichzelf kunnen zorgen); f. organisatie van het huishouden. 2. Het college kan een tijdelijk huishoudelijke ondersteuning verstrekken gericht op het aanleren van huishoudelijke activiteiten. 3. Huishoudelijke activiteiten gericht op het schoonhouden van de woning worden slechts verstrekt als dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. 4. De algemene voorziening was- en strijkservice bestaat uit: het wassen en drogen en zonodig strijken van het wasgoed en een haal- en brengservice. Artikel 4.3 Criteria begeleiding individueel 1. Begeleiding individueel basis is bestemd voor de cliënt die matige beperkingen ondervindt op één of meerdere leefgebieden en voldoet aan twee of meer criteria:

10

a. de cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; b. de cliënt kan de hulpvraag voldoende begrijpelijk maken; c. de cliënt is gemotiveerd om aan de hulpvraag te werken; d. de cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; e. er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek; f. de leefsituatie van de cliënt is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalaties; g. de cliënt is staat tot het uitstellen van de hulpvraag. 2. Begeleiding individueel plus is bestemd voor de cliënt die ernstige beperkingen ondervindt op meerdere leefgebieden en voldoet aan twee of meer criteria: a. de cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; b. de cliënt kan de hulpvraag onvoldoende begrijpelijk maken; c. de cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de hulpvraag te werken; d. de cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; e. de cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; f. de leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; g. de cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de hulpvraag. 3. De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Er kan gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen. 4.

De begeleiding wordt geïndiceerd in tijd en frequentie. Artikel 4.4 Criteria dagbesteding en vervoer 1. Dagbesteding basis is bestemd voor de cliënt die matige beperkingen op één of meerdere leefgebieden ondervindt en voldoet aan meerdere van de volgende criteria. De cliënt: a. heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; b. kan de hulpvraag voldoende begrijpelijk maken; c. kan beperkt of geen inzicht hebben in de eigen beperkingen, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; d. vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. 2. Dagbesteding plus is bestemd voor de cliënt die ernstige beperkingen ondervindt op meerdere leefgebieden en voldoet aan twee of meer van de volgende criteria. De cliënt: a. heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; b. kan de hulpvraag onvoldoende begrijpelijk maken; c. heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; d. vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; e. is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen. 3. Dagbesteding basis of dagbesteding plus vindt plaats in groepsverband op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie (woning) van de cliënt. 4. De dagbesteding wordt geïndiceerd in dagdelen.

Een dagdeel bestaat uit 3,5 uur waarbij de cliënt minimaal drie uur aanwezig is op de locatie waar de dagbesteding wordt geboden. 5. Onder dagbesteding kan tevens het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. 6. Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt noodzakelijk geacht als de cliënt: a. niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de dagbesteding te bereiken of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen; b. niet met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen naar de dagbesteding kan worden begeleid.

11

Artikel 4.5 Criteria kortdurend verblijf 1. De cliënt die geen indicatie heeft of kan krijgen op grond van de Wet langdurige zorg kan slechts in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als: a. dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en b. de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning die gepaard gaat met het overnemen van permanent toezicht dan wel 24 uurs ondersteuning in de nabijheid, niet zijnde het bieden van intramurale geneeskundige zorg. 2. Kortdurend verblijf omvat een etmaal. Het college kan kortdurend verblijf ook voor een aaneengesloten periode per kalenderjaar verstrekken. Artikel 4.6 Criteria wonen algemeen 1. Woonvoorzieningen worden slechts verstrekt als deze zijn gericht op: a. het verminderen of wegnemen van beperkingen voor het kunnen uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen (normale gebruik van de woning); en/of b. het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n), in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 2. Een cliënt kan alleen voor een woningaanpassing, een traplift of een andere huislift in aanmerking komen wanneer het primaat van verhuizen niet wordt toegepast en deze langdurig noodzakelijk is. 3. Een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.

4. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woonvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. 5. Het college verstrekt geen woningaanpassing of woonvoorzieningen bestemd voor gemeenschappelijke ruimten anders dan: automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren en het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. 6. Het college verstrekt geen hulpmiddelen of een woningaanpassing als de cliënt woonachtig is of gaat wonen in een woning of wooncomplex waarvan verwacht mag worden dat deze geschikt is voor de bewoners gelet op een (te verwachten) ondersteunings- of zorgbehoefte. Artikel 4.7 Criteria wonen specifiek 1. De aanvraag voor een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift of andere huislift kan in ieder geval worden geweigerd als: a. de noodzaak tot het verstrekken van deze maatwerkvoorziening(en) het gevolg is van een verhuizing waartoe geen aanleiding bestond gelet op belemmeringen in het normale gebruik van de woning en er geen andere dringende reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de, gelet op de (te verwachten) beperkingen, op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c.

de cliënt is verhuisd naar een woning die niet bestemd of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; e. de noodzaak van de woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud van de woning en/of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. 2. Het college kan Nadere regels stellen over het bepaalde in het vorige lid onderdeel e.

12

3. Het college weigert een woonvoorziening waaronder een financiële tegemoetkoming voor verhuizen indien geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning. Artikel 4.8 Criteria verplaatsen in en om de woning Hulpmiddelen voor het zich verplaatsen in en om de woning worden slechts verstrekt als: a. deze zijn gericht op het in staat stellen de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken voor het normale gebruik van de woning waaronder met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik of een traplift; b. deze noodzakelijk zijn voor de verplaatsingen om de woning. Artikel 4.9 Criteria bezoekbaar maken van de woning 1. In afwijking van artikel 1.2, eerste lid, van de verordening kan het college een woonvoorziening waaronder een woningaanpassing verstrekken gericht op het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente Dinkelland, als: a. de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg; en b. er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt; en c. de woonvoorziening niet verstrekt wordt op grond van bestuurlijke afspraken (landelijk). 2. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. 3.

Het college stelt de maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning vast in het Financieel besluit. Artikel 4.10 Criteria deelname maatschappelijk verkeer 1. Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken gericht op deelname aan het maatschappelijk verkeer in de vorm van een: a. vervoersvoorziening; b. gebruikerspas voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer; c. financiële tegemoetkoming als de cliënt geen gebruik kan maken van maatwerkvoorzieningen in natura of deze niet als (goedkoopst) passende bijdrage kunnen worden aangemerkt, als de cliënt geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer. 2. De maatwerkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn slechts gericht op het zich lokaal kunnen verplaatsen. 3. Onder lokaal wordt 15 tot 25 kilometer rondom de woning verstaan waarbij deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk is met een omvang van 1500-2000 kilometer per jaar. 4. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het vorige lid: a. tot 30 kilometer om een regionaal ziekenhuis te kunnen bereiken; b. als de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte meer is dan 2000 kilometer per jaar.

Artikel 4.11 Criteria financiële tegemoetkoming 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor kosten die verband houden met: a. het gebruik van een (eigen) auto voor deelname aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 4.10 van de verordening; b. een maatwerkvoorziening collectief vervoer voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer; c. de toepassing van het primaat van verhuizen als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de verordening; d. het aanbrengen van eenvoudige woonvoorzieningen of het realiseren van eenvoudige woningaanpassingen; e. andere maatregelen als geen maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt of kan worden.

13

2. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken tegen huurderving welke gelijk is aan de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van het huurbedrag waarvoor een huurtoeslag kan worden toegekend. Het college stelt in het Financieel besluit de omvang en de duur vast. 3. De financiële tegemoetkoming voor: a. deelname aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in het eerste lid onder a, wordt vastgesteld op basis van de lokale vervoersbehoefte van de cliënt rekening houdend met: 1 beschikbare mogelijkheden of verstrekte maatwerkvoorzieningen zoals een scootmobiel; en/of 2 samenvallende vervoersbehoefte tussen echtgenoten of daarmee gelijkgestelden; b. kosten van tijdelijke huisvesting worden gebaseerd op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag; c. een woonvoorziening of woningaanpassing als bedoeld in het eerste lid onder d wordt gebaseerd op een realistische kostenindicatie waarbij kwaliteitseisen in aanmerking worden genomen. 4. De financiële tegemoetkoming kan betaalbaar worden gesteld op basis van een door het college goedgekeurde declaratie. 5. De cliënt dient de declaratie voor deelname aan het maatschappelijk verkeer uiterlijk binnen vier weken na het kwartaal in waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft. 6.

De financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten wordt in principe niet eerder uitbetaald dan nadat de cliënt is verhuisd of zal verhuizen naar een door het college geschikt bevonden woning. 7. De cliënt is desgevraagd verplicht verantwoording af te leggen over de besteding van de financiële tegemoetkoming in de vorm van een factuur. 8. Het college kan in het Financieel besluit de hoogte van bedragen vaststellen of waar de hoogte van de financiële tegemoetkoming op wordt gebaseerd.

HOOFDSTUK 5. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en het bepaalde in deze verordening. 2. Het college stelt Nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb in het geval van verblijf buiten de gemeente Dinkelland en het buitenland. Artikel 5.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget diensten 1. Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college stelt een format voor dit Budgetplan beschikbaar. 2. De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. Artikel 5.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget overig 1. Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een pgb ter realisatie van een woningaanpassing geldt dat: a. met de werkzaamheden waarop de maatwerkvoorziening betrekking heeft, geen aanvang mag worden gemaakt voordat het college positief heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college daar schriftelijk toestemming voor heeft verleend; b. de cliënt het college desgevraagd toegang verleent tot de woning of het gedeelte van de woning waar de aanpassing wordt aangebracht; c. de cliënt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen verstrekt die betrekking hebben op de woningaanpassing; d.

aan het college desgevraagd de gelegenheid wordt geboden tot het controleren van de woningaanpassing.

14

2. Het pgb voor het realiseren van een woningaanpassing moet binnen 12 maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het pgb is verstrekt en voldoen aan het programma van eisen als bedoeld in artikel 5.7, vierde lid, van de verordening. Bij de zogeheten gereed melding overlegt de cliënt een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de woningaanpassing voldoet aan het programma van eisen. 3. Bij de verstrekking van een pgb voor een hulpmiddel geldt dat de cliënt: a. verplicht wordt een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier, waarin tenminste zijn opgenomen de kosten van reparaties (inclusief arbeidsloon, administratiekosten, onderdelen, voorrijkosten), vervangende hulpmiddelen en het preventieve onderhoud; b. bij aanschaf van een vervoersvoorziening een daarvoor vereiste wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af moet sluiten; c. het college desgevraagd in de gelegenheid moet stellen de met het pgb aangeschafte hulpmiddel te (laten) beoordelen. Artikel 5.4 Besteding en declaratie 1. Het pgb mag niet worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening. 2. Het pgb mag niet aan een persoon worden besteed die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3.

Het pgb mag niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het pgb, - informatiemateriaal, - het vervoer (reiskosten) van de derde aan wie het pgb wordt besteed. 4. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 5. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de cliënt of de budgethouder. 6. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan. 7. Het pgb wordt binnen drie maanden na verstrekking aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen hanteert het college een langere termijn. Artikel 5.5 Kwaliteitseisen derde aan wie het pgb wordt besteed 1. De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op een professional. Daaronder vallen relevante diploma’s uit het diplomaregister DUO dan wel een daarmee gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC. 2.

Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van een professional en niet-professional is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden en niet ouder dan drie jaar. Een VOG wordt elke drie jaar opnieuw aangevraagd. Eerste graad bloedverwanten of daarmee vergelijkbare personen hoeven niet te beschikken over een VOG. 3. De kwaliteitseisen die gelden voor een professional zijn onder meer: beschikken over een keurmerk of werken volgens een protocol, het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering, naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers dat in dienst is,

15

gebaseerd op de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op een professional. Artikel 5.6 Hoogte persoonsgebonden budget diensten niet zijnde beschermd wonen of opvang 1. Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van ofwel de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. a. Voor begeleiding individueel geldt: 1 80% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag. b. voor groepsgerichte ondersteuning geldt: 1 80% van het tarief per dagdeel voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt. c. voor vervoer van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden geldt het tarief per kilometer. 3. Voor kortdurend verblijf geldt: a. voor professionals het bedrag van een door het college goedgekeurde offerte; b.

voor personen uit het sociaal netwerk en andere niet-professionals het bedrag zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg per etmaal. 4. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt: a. 80% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie; b. het uurloon van de hoogste periodiek volgens de geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag voor andere personen dan genoemd onder a. 5. Voor het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg geldt het bedrag geldend op 1 januari van elk kalenderjaar en als vakantiebijslag van toepassing is, dan is in het bedrag de vakantiebijslag als bedoeld in de Wml, verdisconteerd. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit. Artikel 5.7 Hoogte persoonsgebonden budget overig 1. De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. 2. Behoudens de kostprijs als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid aanhef en onder a, van de verordening kan het college de hoogte van het pgb vaststellen op basis van de economische levensduur van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. 3.

Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte als de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders. 4. Het college stelt het pgb voor het realiseren van een woningaanpassing vast op basis van: a. een door het college goedgekeurd programma van eisen; b. richtprijzen en normen uit Casadata en/of een of meerdere offertes; c. eventuele bijkomende noodzakelijke kosten zoals die van een architect en/of legeskosten. Het college kan Nadere regels stellen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. 5. Het college stelt Nadere regels over de omvang van de budgetperiode die geldt voor hulpmiddelen. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het individuele toekenningsbesluit.

16

HOOFDSTUK 6. BIJDRAGE IN DE KOSTEN, KOSTPRIJS, RITBIJDRAGE EN RESERVERINGSTOESLAG Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een verstrekte maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een pgb. 2. De cliënt met een actueel (gezins)inkomen ter hoogte van 120% van de toepasselijke bijstandsnorm is geen bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij het beschermd wonen of opvang betreft. 3. De maatwerkvoorziening collectief vervoer is uitgezonderd van het abonnementstarief. 4. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin de ondersteuning feitelijk is geboden, het hulpmiddel feitelijk is geleverd, de woningaanpassing is gerealiseerd of het pgb is toegekend. 5. De bijdrage in de kosten voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen blijft verschuldigd als de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel een pgb. 6. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen en/of pgb’s is gebaseerd op het maximale bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet. 7. Geen bijdrage in de kosten is verschuldigd voor: a. een rolstoelvoorziening, b. het vervoer van en naar de dagbesteding, c. maatwerkvoorzieningen voor personen in de leeftijd tot 18 jaar, d. een financiële tegemoetkoming. 8.

De bijdrage voor de opvang wordt vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. Artikel 6.2 Algemene voorziening De cliënt die gebruik maakt van de was- en strijkservice is aan de aanbieder een bedrag verschuldigd van € 5,00 per waszak. Artikel 6.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag 1. Voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd aan de aanbieder. 2. Het college stelt de bedragen als bedoeld in het eerste lid vast in het Financieel besluit. Artikel 6.4 Kostprijs 1. De kostprijs van de maatwerkvoorziening is: a. de huurprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten; b. de koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten; c. in geval van diensten het tarief dat het college verschuldigd is aan de aanbieder; d. in geval van de maatwerkvoorziening collectief vervoer: de kosten die het college verschuldigd is aan de aanbieder. 2. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het bedrag van het pgb in de betreffende budgetperiode. 3.

De kostprijs van de algemene voorziening als bedoeld in artikel 6.2 van de verordening is gebaseerd op de kosten die die het college verschuldigd is aan de aanbieder minus de bijdrage in de kosten voor de algemene voorziening die cliënten verschuldigd zijn.

17

HOOFDSTUK 7. TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN SPORTVOORZIENING Artikel 7.1 Aanspraak sportvoorziening 1. Het college kan op aanvraag aan een persoon die niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening, een tegemoetkoming meerkosten verstrekken voor de aanschaf van een sportvoorziening als: a. de beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem aantoonbare of aannemelijke meerkosten meebrengt; en b. de tegemoetkoming bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie. 2. De persoon als bedoeld in het eerste lid kan slechts aanspraak maken op een tegemoetkoming als geen aanspraak bestaat op een vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening. 3. De tegemoetkoming wordt slechts eens per drie jaar verstrekt. Artikel 7.2 Hoogte en uitbetaling 1. Het college stelt de maximale hoogte van de tegemoetkoming meerkosten vast in het Financieel besluit. 2. De tegemoetkoming wordt uitbetaald op basis van een factuur of bewijsstuk waaruit blijkt dat de betaling voor de aanschaf verschuldigd is.

HOOFDSTUK 8. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 8.1 Bevoegdheid 1. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb’s, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: a. de regels uit de wet; b. de regels uit deze verordening; c. de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. 2. De controles als bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. 3. Het college kan: a. de besteding van pgb’s, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen; b. bij de controle als bedoeld in onderdeel a ook de derde betrekken aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; c. de ondersteuning geboden door aanbieders, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de aanbieder en/of de ondersteuning nog voldoen aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. 4. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig. Het college kan bij de controles een thematische aanpak hanteren.

5. De controles kunnen worden uitgevoerd door het college of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet. Artikel 8.2 Informatieplicht en fraudepreventie Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening en/of pgb zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

18

Artikel 8.3 Medewerkingsplicht De aanbieder, budgethouder of derde aan wie het pgb wordt besteed, zijn desgevraagd verplicht aan het college of de toezichthoudende ambtenaar verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. Artikel 8.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1. Het college weigert het pgb als de budgethouder of diens vertegenwoordiger geen Budgetplan indient of een bespreking van het Budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt. 2. Het college kan het pgb weigeren als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de budgethouder ingeschakelde persoon: a. bij een eerdere verstrekking waarbij deze persoon ondersteuner was of als vertegenwoordiger optrad niet heeft ingestaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; b. blijkens de Basisregistratie Personen niet beschikt over een woonadres; c. rechtens zijn vrijheid is ontnomen; d. anderszins naar oordeel van het college geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp wat betreft het nakomen van de voor de budgethouder aan het pgb verbonden verplichtingen. 3.

Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een derde waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door dezelfde derde of door een aan die derde gelieerde (rechts)persoon wordt geboden, tenzij het wonen (verblijf) onderdeel is van de indicatie. Artikel 8.5 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank 1. Het college kan de betaling van het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank of de derde geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Ingeval van mandaat wordt onder de Sociale Verzekeringsbank het college verstaan. 3. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed en/of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 4. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort, voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 8.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/857/documents/22775