CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening jeugdhulp Dinkelland 2026.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 18 november 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen verordening Maatschappelijke ondersteuning en verordening Jeugdhulp Dinkelland 202625.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

HOOFDSTUK 3. ZORGPLICHT, EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN Artikel 3.1 Zorgplicht en aanspraak op jeugdhulp Eerste lid De zorgplicht van ouders op grond van art. 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek vormt de basis voor het uitgangspunt van eigen kracht. Verwezen wordt naar de algemene toelichting bij deze verordening en de begripsbepaling van eigen kracht. De zorgplicht kan worden vertaald naar kernpunten voor goed ouderschap (Handelingen II 2018/19, 33836, nr. 45, p. 2). Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind en om in eerste instantie ook te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. Tweede lid Dit lid bepaalt dat het college geen individuele voorziening hoeft te verlenen als de eigen kracht toereikend is (onder a) en het gebruik van algemene voorzieningen passend zijn (onder b). Artikel 3.2 Criteria eigen kracht Dit artikel bepaalt in het eerste lid wat onder de eigen kracht valt. In tweede lid is bepaald dat de eigen kracht ook van toepassing is op ouders die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgen en opvoeden. Artikel 3.3 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de richtlijn die als bijlage is opgenomen bij de verordening.

Er zijn (slechts) twee afwegingsfactoren bij gebruikelijke hulp omdat het normale oudertaken betreft, ongeacht

38

het hebben van problemen van het kind(eren) in de zin van de Jeugdwet. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen ouders zelf het hoofd moeten bieden. Beschikken ouders (tijdelijk) niet over de capaciteiten (onder a) om invulling te geven aan de ‘zorgplicht’, kan opvoedondersteuning aangewezen zijn. De beschikbaarheid van ouders is ook een criterium (onder b). Bij het niet beschikbaar kunnen zijn van ouders moet sprake zijn van een acute situatie. Bijvoorbeeld het (plotseling) overlijden van één van de ouders. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Artikel 3.4 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp Het gaat bij boven-gebruikelijke hulp niet om de normale oudertaken, maar om taken die omvangrijker en mogelijk intensiever zijn. Dat betekent echter niet dat geen sprake kan zijn van eigen kracht. Ook bovengebruikelijke hulp kan onder de eigen kracht (zorgplicht) van ouders vallen. In dit artikel staan de afwegingsfactoren om dat te boordelen. Verder wordt verwezen naar de algemene toelichting bij de verordening. Artikel 3.5 Afwegingsfactoren vervoer Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Het is normaal dat ouders hun kinderen naar school, kinderopvang, sportclub brengen en ook naar een jeugdhulpaanbieder.

Het vervoeren van je eigen kind is van belang voor het onderlinge contact, delen van bijzonderheden en betrokkenheid van ouders bij de situatie. In dit artikel staan afwegingsfactoren genoemd die een rol spelen bij de vraag of sprake is van eigen kracht. Uit de wet volgt dat het college eerst moet vaststellen of er een medische noodzaak is of dat de jeugdige beperkingen heeft in de zelfredzaamheid (art. 2.3 tweede lid van de wet). Artikel 3.6 Afwegingsfactoren overig Van ouders wordt verwacht dat zij zich in hoge mate inspannen om hun sociaal netwerk aan te spreken (onder a). Ook organisaties of instellingen binnen de gemeente kunnen mogelijk hulp bieden (onder b). Denk bijvoorbeeld aan Scouting Denekamp. Beschikken ouders over een aanvullende zorgverzekering die voorziet in een oplossing, dan zullen zij die moeten aanspreken (onder c). In geval van letselschade (onrechtmatige daad) wordt van ouders verwacht dat in de procedure verzoeken om een tegemoetkoming verband houdend met inkomensderving (onder d). Artikel 3.7 Uitgangspunten jeugdhulp Eerste lid Het college is niet gehouden om jeugdhulp in te zetten als de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet (art. 1.2 van de wet). Hoewel het gaat om een generieke wettelijke bepaling is deze voor de volledigheid in de verordening opgenomen.

Tweede lid Het uitgangspunt in dit lid sluit aan op het uiteindelijke doel van het jeugdwetstelsel: het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving. Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid. Derde lid In dit lid zijn de wettelijke jeugdhulpdoelen opgenomen die het sluitstuk vormen van de beschikking.

39

Vierde lid Voor de kenbaarheid en rechtszekerheid is de verplichting van het college opgenomen zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, van de wet. Vijfde lid Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende individuele voorziening te bieden. Zijn er meerdere individuele voorzieningen die als passende jeugdhulp kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van 'passende jeugdhulp' (art. 2.5 van de wet). Het kan voorkomen dat het college toch duurdere jeugdhulp moet toekennen omdat artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) een rol speelt. Op de overheid rust namelijk ook de plicht een ongestoord familie- en gezinsleven te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan jeugdhulp in de gezinssituatie in plaats van (goedkopere) jeugdhulp in een instelling (TK 2012/13, 33684, nr. 3, p. 17).

HOOFDSTUK 4 AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN Artikel 4.1 Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert meestal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz). Gelet op deze afbakening is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (art. 2.7, vierde en vijfde lid, van de wet). Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlzindicatie kan krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (art. 1.2, eerste lid 1 onder c, van de wet). Als dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Artikel 4.2 Afstemming met gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen besluiten welke jeugdhulp nodig is bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader).

Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. In de Jeugdwet staat ook dat zo'n samenwerkingsprotocol verplicht is (zie artikel 3.5, derde lid, van de wet). Artikel 4.3 Afstemming justitiedomein In de strafrechtelijke beslissing kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. Meestal zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen is de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen.

40

Artikel 4.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De wet draagt het college ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (art. 2.7 van de wet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij de gemeente, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten wordt hierbij ook de leerplichtambtenaar betrokken. Jeugdigen hebben recht op onderwijs, tenzij vrijstelling is verleend. Om de noodzaak van jeugdhulp tijdens het onderwijs vast te stellen heeft het college het ontwikkelingsperpectiefplan nodig. Dat plan wordt school opgesteld in samenspraak met ouders. In het verslag van het onderzoek staan de afspraken tussen alle partijen. Artikel 4.5 Afstemming Veilig Thuis Twente Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 4.6 Afstemming Wmo 2015 Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18 e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo 2015. Het college is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18 e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig bekeken wordt wat gaat veranderen na het 18 e jaar. Zodat de continuïteit van ondersteuning geborgd is. Ouders van jeugdigen kunnen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij niet zelfredzaam zijn). Artikel 4.7 Afstemming werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.

HOOFDSTUK 5 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 5.1 Ambulante jeugdhulp Eerste lid De situaties waarin jeugdhulp nodig is kunnen zowel stabiel (planbaar) als crisisgevoelig (niet planbaar) zijn. Begeleiding kan plaatsvinden op geplande en ongeplande momenten. Psycho-educatie toegepast in de praktijk kan onderdeel zijn van ambulante jeugdhulp. Tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Verwezen wordt naar de begripsbepaling in artikel 1.1 van de verordening. Derde lid De methode van de behandeling is systeemgericht. Een deel van de individuele behandeling kan in een groep worden ingezet als een behandelaar gelijktijdig meerdere jeugdigen behandelt en er geen sprake is van een pedagogisch leefklimaat. Het college kan aanvullende modules inzetten (ambulante alternatieven).

41

Vierde lid Forensische behandeling is (hoog)specialistische zorg die zich richt op de veiligheid van de samenleving. Het gaat om diagnostiek, risicotaxatie en/of ambulante behandeling van de jeugdige met (dreigend) ernstig grensoverschrijdend gedrag en/of (dreigend) delict gedrag. Het gevaarscriterium van (dreigend) ernstig grensoverschrijdend gedrag en/of delictgedrag is leidend in de bepaling of Forensische jeugdhulp - behandeling nodig is. Vijfde lid Als sprake is van een stabiele situatie, dan gaat de jeugdhulpaanbieder in overleg met de huisarts of deze de medicatiecontrole over wil nemen. Indien wenselijk kan de betrokken jeugdhulpaanbieder een consultatiefunctie voor de huisarts vervullen. Als voorliggende mogelijkheden ontstaan om medicatiecontrole uit te voeren voor de jeugdige, dan kan dit effect hebben op de inzet van medicatiecontrole. Bij voorliggende mogelijkheden kan worden gedacht aan het overdragen van langdurige medicatiecontrole naar de betrokken huisarts. Zesde lid Deze medicatiecontrole gebeurt door het ziekenhuis. Zevende lid Begeleiding groep basis voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele ontwikkelings- en begeleidingsomgeving. Er wordt gewerkt met een duidelijk beschreven doel van de begeleiding en de methode is systeemgericht.

De begeleiding groep vindt plaats op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder en niet in de thuissituatie. Achtste lid Begeleiding groep intensief voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele ontwikkelingsen begeleidingsomgeving. Er wordt vanuit een methode gewerkt met een duidelijk beschreven doel van de begeleiding. De methode is systeemgericht. De begeleiding groep vindt plaats op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder en niet in de thuissituatie. Negende lid Behandeling groep basis voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele en stimulerende ontwikkelings- en behandelomgeving. Deze problematiek kan van pedagogische en/of psychologische aard zijn zoals gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand en/of sociaal emotionele problemen. De behandeling groep vindt plaats op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder en niet in de thuissituatie. De sociale interactie in een groep, leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbehandeling als instrument gebruikt Tiende lid Behandeling groep intensief voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele en stimulerende ontwikkelings- en behandelomgeving.

De problematiek van de jeugdige kan van pedagogische en/of psychologische aard zijn zoals gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand en/of sociaal emotionele problemen. De behandeling groep vindt plaats op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder en niet in de thuissituatie. De sociale interactie in een groep, het leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbehandeling als instrument gebruikt.

42

Elfde lid KDC/ODC Basis voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele en stimulerende ontwikkelings- en behandelomgeving, gevestigd op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder. Op de locatie is (individuele) behandeling en proces- en basis diagnostiek beschikbaar. Aanvullend zijn paramedici zoals logopedie, ergotherapie en fysiotherapie op locatie beschikbaar. De begeleiding/behandeling is gericht op ontwikkeling. Er wordt waar mogelijk en nodig nauw samengewerkt met het onderwijs. De jeugdige (vroegere MDC, infantgroepen) van 0-6 jaar heeft ontwikkelingsproblematiek en/of gedragsproblematiek of de jeugdige ouder dan 5 jaar die niet naar het onderwijs door kan stromen vanwege een forse handicap en/of externaliserend gedrag. Denk aan: snel boos worden, geïrriteerd raken, moeilijk met anderen in een ander groepje kunnen zitten. Twaalfde lid KDC/ODC Intensief voorziet in een pedagogisch leefklimaat dat bestaat uit een stabiele en stimulerende ontwikkelings-en behandelomgeving, gevestigd op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder. De begeleiding/behandeling is gericht op ontwikkeling. Er wordt waar mogelijk en nodig nauw samengewerkt met het onderwijs. Op de locatie is (individuele) behandeling en proces- en basis diagnostiek beschikbaar. Aanvullend zijn paramedici zoals logopedie, ergotherapie en fysiotherapie op locatie beschikbaar.

Dertiende lid Dyslexie is een specifieke en hardnekkige lees- en spellingstoornis met een basis in de neurobiologische ontwikkeling, die niet verklaard kan worden door een algemeen leerprobleem, inadequaat onderwijs of sensorische beperkingen. Ernstige Dyslexiezorg (ED) richt zich op diagnose en behandeling. De diagnostiek en eventuele behandeling wordt pas ingezet als de begeleiding vanuit het onderwijs (ondersteuningsniveau 1 t/m 3) aantoonbaar tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Ernstige Dyslexie ondersteuning is aanvullend op de onderwijsondersteuning die gelijktijdig blijft plaatsvinden. Artikel 5.2 Ambulante alternatieven voor verblijf met behandeling Eerste lid De Ambulante alternatieven omvatten intensieve begeleiding, behandeling, oudertraining en andere ondersteunende programma’s om het gezinssysteem te versterken, veiligheid te waarborgen en de noodzaak van uithuisplaatsing te verminderen. Ambulante alternatieven zijn gericht op: a. complexe/ ernstige problemen op meerdere domeinen(psychiatrische problematiek, en/of licht verstandelijke beperking, gedragsproblemen, delinquentie, alcohol- of drugsmisbruik, ernstig antisociaal en/of grensoverschrijdend gedrag, ernstige opvoed- en opgroeiproblemen); b. (acute) onveiligheid binnen het gezinssysteem. Tweede lid ZIT wordt veelal ingezet bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking.

Jeugdigen krijgen individuele behandeling, maar verblijven gezamenlijk op de groep. De jeugdige verblijft twee weken achter elkaar van maandag tot en met donderdag op de behandellocatie van de ZIT en gaat daarna weer naar huis of naar de locatie waar hij/zij verblijft/woont. De behandeling vindt plaats op locatie bij de betreffende jeugdhulpaanbieder en niet in de thuissituatie. Derde lid Ambulant alternatief FACT Jeugd / GezinsFACT biedt multidisciplinaire behandeling, begeleiding en ondersteuning op maat. FACT Jeugd/ GezinsFACT is flexibel in tijd en intensiteit en richt zich op het weerbaar maken van de jeugdige en zijn gezinssysteem in en mét de maatschappij. De begeleiding en behandeling is

43

outreachend en de inzet is gericht op wat de jeugdige en het gezinssysteem nodig hebben. Jeugdigen kunnen 24 uur per dag met hun vragen terecht bij de jeugdhulpaanbieder. Vierde lid Het MST-team biedt gedurende 4 tot 5 maanden ondersteuning aan het gezin. Het MST-team is daarnaast het hele traject 24/7 beschikbaar, zodat ook hulp geboden kan worden in avonden en weekenden. MST is bedoeld voor het gezinssysteem met één of meerdere jeugdigen die ernstige gedragsproblemen hebben. Bijvoorbeeld fysieke agressie, verbale agressie, het plegen van delicten, weglopen, intimideren, middelenmisbruik of omgang met verkeerde vrienden. Het grensoverschrijdende probleemgedrag komt voor op meerdere levensgebieden van de jeugdige, zoals thuis, op school of op straat. Soms mondt het uit in criminaliteit, zoals diefstal en vandalisme. De toekomst van de jeugdige staat op het spel en opname in een open of gesloten setting dreigt. Artikel 5.3 Wonen en verblijf Eerste lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Tweede lid De pleegzorgaanbieder biedt begeleiding aan pleegouders. De jeugdige kan door omstandigheden een korte of langere tijd niet thuis wonen en er is sprake van laag complexe factoren bij de jeugdige op moment van plaatsing. Bij deeltijdpleegzorg (onder c) kan de inzet variëren van een enkele dag tot maximaal drie dagen per week.

Derde lid Binnen een gezinshuis wordt de jeugdige geplaatst die als gevolg van beschadigde ervaringen en/of complexe problematiek (tijdelijk) niet bij het gezinssysteem of zelfstandig kan wonen. De jeugdige is onderdeel van de gezinsstructuur, cultuur en het bredere netwerk van het gezinshuis. Gezinshuisouders wonen in hetzelfde huis als de jeugdige. De jeugdigen binnen een gezinshuis doen naast verzorging en alledaagse opvoeding, structureel een beroep op specifieke opvoedingsvaardigheden van de gezinshuisouders. Daarnaast betreft het ook het ondersteunen binnen de gezinshuissituatie en de reguliere ondersteuning aan de jeugdige in het dagelijks leven, zoals school en sporten. Het is uitgesloten dat de gezinshuisouder(s) en/of pedagogisch medewerker(s) betrokken bij het gezinshuis zelf behandeling biedt aan jeugdigen binnen het gezinshuis. Vierde lid Binnen een woongroep wordt een pedagogisch leefklimaat geboden waarbinnen een vaste groep jeugdigen 24 uur per dag wordt begeleid door een beperkt aantal jeugdprofessionals. De jeugdige heeft de beschikking over een eigen kamer. Jeugdigen worden opgevoed door meerdere medewerkers (beroepsopvoeders) die in wisselende diensten werken. De begeleiders en opvoeders zijn zelf niet woonachtig in het pand of op het terrein. Voor het wonen binnen de woongroep kan geen individuele begeleiding of begeleiding groep worden ingezet.

Vijfde lid Het dagelijkse leefklimaat wordt geboden door een zo klein mogelijk en vast team jeugdprofessionals/beroepsopvoeders. Het wonen heeft geen maximale duur en jongeren jeugdigen worden in principe niet doorgeplaatst naar een andere woonplek. De jeugdhulpaanbieder draagt bij aan een doorlopende schoolgang van jeugdige waarbij de meest dichtbij zijnde en passende school het uitgangspunt is. Indien de jeugdige tijdens het wonen school volgt of werk heeft wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd.

44

Bijvoorbeeld op tijd klaar zijn, brood meenemen, boekentas, etc. Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van vervoer naar school. Wel stemmen jeugdhulpaanbieders met jeugdigen/ouders hierover af. Indien de jeugdige niet naar school/werk gaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), vangt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op de locatie zelf op. Dit maakt onderdeel uit van het leefklimaat. Er wordt gewerkt aan het onderhouden of verbeteren van het contact met ouders/opvoeders en/of sociaal netwerk. Het wonen binnen deze voorziening is perspectief biedend tot 18 jaar. Vanaf het 16de levensjaar wordt door jeugdhulpaanbieder samen met het jeugdige en netwerk gericht gewerkt aan een toekomstige vervolg-woonsituatie. Er wordt gewerkt met een Toekomstplan voor én met jeugdigen. Hierbij is tenminste aandacht voor de volgende leefdomeinen: wonen, werk/school, inkomen, welzijn en support. Artikel 5.4 Wonen en verblijf tijdelijk Eerste lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Tweede lid Kamertraining is een vorm van zelfstandigheidstraining. De jeugdige kan 24/7 binnen deze verblijfvorm verblijven. Indien de jeugdige tijdens de kamertraining scholing volgt of werk heeft wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd. Bijvoorbeeld op tijd klaar zijn, brood meenemen, boekentas, etc.

Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van vervoer naar school/werk. Wel stemmen jeugdhulpaanbieders met jeugdigen/ouders hierover af. Indien de jeugdige niet naar school/werk gaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), vangt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op de locatie zelf op. Dit maakt onderdeel uit van het leefklimaat. Er wordt gewerkt aan het onderhouden of verbeteren van het contact met ouders/opvoeders en/of sociaal netwerk. Het wonen binnen deze voorziening is perspectief biedend tot 18 jaar. Vanaf het 16de levensjaar wordt door jeugdhulpaanbieder samen met het jeugdige en netwerk gericht gewerkt aan een toekomstige vervolg-woonsituatie. Er wordt gewerkt met een Toekomstplan voor én met jeugdigen. Hierbij is tenminste aandacht voor de volgende leefdomeinen: wonen, werk/school, inkomen, welzijn en support. Derde lid De ouder(s) en jeugdige(n) beschikken per gezin over een eigen ruimte/kamer. Indien een jeugdige tijdens het verblijf op de ouder-kind groep gebruik maakt van de opvang of scholing volgt, wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd. Bijvoorbeeld ouders ondersteunen gericht op tijdig klaar zijn van jeugdige, brood meenemen, tas, etc. Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van vervoer naar de opvang of school. Wel stemmen jeugdhulpaanbieders met ouders hierover af.

Indien de jeugdige niet naar de opvang of schoolgaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), ondersteunt de jeugdhulpaanbieder de ouder bij het opvangen van de jeugdige op de locatie. De ondersteuning is daarnaast vaak gericht op meerdere domeinen en passend bij de leeftijd- en ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Indien nodig wordt nauw samengewerkt met ketenpartners, bijvoorbeeld het consultatiebureau en de kinderopvang. Vierde lid Een behandelgroep biedt een leefklimaat aan dat bestaat uit een stabiele ontwikkelings- en behandelsituatie. De behandeling gaat altijd samen met intensieve ondersteuning in de thuissituatie. De jeugdige kan 24/7 op een behandelgroep verblijven. De behandeling is altijd multidisciplinair ingebed. De jeugdige kan te maken hebben met complexe uitdagingen, zoals gedragsproblemen, emotionele moeilijkheden of crisissituaties, waarbij intensieve multidisciplinaire behandeling essentieel is. Indien de jeugdige tijdens de behandeling scholing volgt of werk heeft wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd. Bijvoorbeeld op tijd klaar zijn, brood meenemen, boekentas, etc. Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van

45

vervoer naar school. Wel stemmen jeugdhulpaanbieders met jeugdigen/ouders hierover af. Indien de jeugdige niet naar school/werk gaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), vangt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op de locatie zelf op. Dit maakt onderdeel uit van het leefklimaat. Het verblijf gaat altijd samen met intensieve ondersteuning in de thuissituatie ten behoeve van en voornamelijk gericht op de terugkeer van de jeugdige naar de ouders/verzorgers of naar het netwerk. De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor een goede afstemming met ambulante ondersteuning in de thuissituatie of biedt het zelf. Vijfde lid Bij de Driemilieuvoorziening wordt behandeling binnen verblijf, onderwijs en vrijetijdsbesteding gecombineerd aangeboden. Er is sprake van een orthopedagogisch behandel- en leefklimaat. Er is continue sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig. Bij de jeugdige is sprake van verbaal agressief, destructief, manipulatief, ongecontroleerd en/of ongeremd gedrag en vaak ook grensoverschrijdend seksueel gedrag waardoor er sprake is van een groot veiligheidsrisico. Dat wil zeggen: de jeugdige is een gevaar voor zichzelf of anderen en/of gevaar voor zichzelf onvoldoende herkent, dan wel wordt bedreigd door derden. Er is een hoge mate van toezicht, veiligheid en voorspelbaarheid binnen de drie leefsferen (wonen, onderwijs en vrije tijd).

De jeugdige heeft een sterke neiging zich aan begeleiding te onttrekken. Dit toont zich in complexe problematiek en vaak al meerdere mislukte hulppogingen. Veelal zijn de problemen sterk verweven met die in het gezin/netwerk en is eerder ingezette specialistische hulp (met verblijf) niet in staat (gebleken) om die belemmeringen weg te nemen. Indien de jeugdige tijdens de behandeling scholing volgt of werk heeft wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd (bijvoorbeeld op tijd klaar zijn, brood meenemen, boekentas). Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van vervoer naar school. Wel stemmen jeugdhulpaanbieders met jeugdigen/ouders hierover af. Indien de jeugdige niet naar school/werk gaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), vangt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op de locatie zelf op. Dit maakt onderdeel uit van het leefklimaat. Een driemilieuvoorziening is uitsluitend een driemilieuvoorziening en kan niet gelijktijdig een woon- of verblijfsgroep zijn. Zesde lid Ondersteuning is gericht op de jeugdige en de ouders. De zelfredzaamheid van de jeugdige is laag. Het betreft een (korte) klinische opname voor de jeugdige en eventueel het gezinssysteem als onderdeel van de GGZbehandeling. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dagstructurering met continu individueel (opvoedkundig) toezicht.

Verpleegkundig, opvoedkundig, verzorgend (VOV) personeel is permanent beschikbaar. Een (tijdelijke) opname is noodzakelijk. Zevende lid Jeugdhulp is noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Dat betekent ook dat er vrijheidsbeperkende en controlerende maatregelen ingezet kunnen worden tegen de wil in van de jeugdige (en wettelijk vertegenwoordigers). Het leefklimaat is erop gericht om de impact van de beperkende maatregelen zo passend mogelijk te maken. Achtste lid Indien de jeugdige tijdens het Deeltijd verblijf/logeren scholing volgt of werk heeft wordt dit door jeugdhulpaanbieder gefaciliteerd (bijvoorbeeld op tijd klaar zijn, brood meenemen, boekentas). Jeugdhulpaanbieders zijn niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van vervoer naar school. Wel stemmen aanbieders met jeugdigen/ouders hierover af. Indien de jeugdige niet naar school/werk gaat (bijvoorbeeld vanwege ziekte), vangt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op de locatie zelf op. Dit maakt onderdeel uit van het leefklimaat. Tijdens logeren/deeltijdverblijf zal jeugdige veelal geen gebruik maken van vrijetijdsbesteding

46

buiten de locatie. Er wordt gewerkt aan het onderhouden of verbeteren van het contact met ouders/opvoeders en/of sociaal netwerk. Negende lid Bij de noodzaak van extra verblijfsbegeleiding kan gedacht worden aan een zeer hoog risico op suïcide, zeer ernstige fysieke agressie of zeer ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Extra verblijfsbegeleiding wordt kortdurend ingezet wanneer de begeleiding of behandeling die valt binnen het pedagogisch leefklimaat onvoldoende de veiligheid van de jeugdige en/of de groep kan waarborgen. Artikel 5.5 Crisiszorg Eerste lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Tweede lid De jeugdhulpaanbieder realiseert een 24 uurs Crisisdienst GGZ-Jeugd die 24 uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar is voor wettelijke verwijzers. Op basis van de crisismeldingen vindt er bij de jeugdhulpaanbieder een triage plaats. Zo nodig komt de ambulante voorwacht voor de beoordeling ter plekke, indien nodig samen met een arts of psychiater. Derde lid De hulp duurt vier tot maximaal zes weken en bestaat uit drie fasen. Die bestaan uit: 1. het opbouwen van een werkrelatie met de gezinsleden, taakverlichting, het verzamelen van informatie en het stellen van doelen, 2.

concretisering van de doelen in een plan van aanpak, nieuwe vaardigheden aanleren, stabiliseren en vergroten van de veiligheid in het gezin, activeren en benutten van het netwerk en de gezinsleden leren gedachten en emoties die hun gedrag beïnvloeden te onderkennen en 3. het opstarten van eventuele vervolghulp. Vierde lid Kenmerkend voor ASH is dat jeugdhulpaanbieders binnen 24 uur en dag en nacht de ondersteuning kunnen starten en geven. De hulp wordt in de woonsituatie ingezet bij crisis en spoedeisende situaties in de opvoedingssituatie. De hulpverlener kan vaak al binnen een paar uur bij het gezinssysteem zijn. Soms kan het gezinssysteem na een dag weer zelf verder, regelmatig is het ook nodig om nadat het ASH-traject is afgerond vervolghulp in te zetten. Vijfde lid Het crisisverblijf wordt ingezet als er sprake is van een zodanige balansverstoring dat het handhaven van de natuurlijke gezinssituatie (en soms ook school, vrije tijd) (tijdelijk) niet mogelijk is en voor de jeugdige als gevolg van ontwikkelings- en of gedragsproblemen een gestructureerde opvoedingsomgeving noodzakelijk is. Tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige en/of het gezinssysteem is noodzakelijk.

Tijdens het verblijf wordt voor zover dat mogelijk is, gestimuleerd dat de jeugdige onderwijs continueert op de eigen school dan wel gebruik blijft maken van reeds lopende dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding. Zesde lid Ook bij deze vorm van jeugdhulp is tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg niet mogelijk gebleken en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige

47

en/of het gezinssysteem is noodzakelijk. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp biedt een veilige en stabiele plek met structuur en een pedagogisch klimaat. Zevende lid Het gaat om de jeugdige met acute psychiatrische problematiek waarbij een dusdanig onveilige, crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk gebleken en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige en/of het gezinssysteem is noodzakelijk. Achtste lid Bij Crisispleegzorg is er sprake van spoedeisende problematiek of een crisissituatie. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met het gezinssysteem wordt doorlopen om voor de jeugdige weer een veilige gezinssituatie te realiseren. Artikel 5.6 Jeugdhulpvervoer Het jeugdhulpvervoer vindt plaats tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en de locatie waar de jeugdige de individuele voorziening ontvangt. Het vervoer wordt collectief geboden tenzij individueel vervoer noodzakelijk is. Het gaat om een medische noodzaak of het onvoldoende zelfredzaam zijn van een jeugdige. Jeugdhulpvervoer kan ook tijdelijk worden verleend tot het moment dat wel sprake is van eigen kracht. Het college kan aan ouders een tegemoetkoming verstrekken in de kosten voor het vervoer.

Artikel 5.7 Heroverweging besluit Net als voor het pgb-besluit geldt (art. 8.1.3 van de wet), bepaalt dit artikel dat het college voor de individuele voorzieningen in natura periodiek onderzoek doet of er aanleiding is om dat besluit te heroverwegen. Het kan bij zo’n onderzoek duidelijk zijn dat ook na afloop van de indicatie nog steeds jeugdhulp nodig is. Is die gevallen is het college bevoegd om tot een ambtshalve toekenning over te gaan. Dit voorkomt administratieve lasten.

HOOFDSTUK 6. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 6.1 Algemeen Eerste lid Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening. Tweede lid Heeft het college een indicatie voor een individuele voorziening vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de individuele voorziening al voor het indienen van de aanvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de voorziening is gerealiseerd ná het indienen van de aanvraag, maar voordat het college daarop heeft beslist, tenzij zij de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend. Het college kan wel jeugdhulp toekennen naar de toekomst, maar niet met terugwerkende kracht. Derde lid Uit de wet volgt dat het verstrekken van jeugdhulp gericht is op de in Nederland verblijvende jeugdige (art. 1.3 van de wet). Ook volgt uit de wet dat jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, wordt verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) die feitelijk in de gemeente Dinkelland woonachtig is. Voor de jeugdige kan een

48

uitzondering gelden op grond van het woonplaatsbeginsel. Het kan echter voorkomen dat een jeugdige en/of zijn ouder(s) met een indicatie voor bijvoorbeeld begeleiding in de vorm van een pgb op vakantie gaat. Het college stelt voor dergelijke gevallen nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb bij verblijf buiten de gemeente Dinkelland of in het buitenland. Artikel 6.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget Eerste lid Om te zorgen dat het college kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1, tweede lid, van de wet en het bepaalde in deze verordening, geldt de verplichting om een Budgetplan op te stellen. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Een ingevuld Budgetplan kan een hulpmiddel zijn bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden. De kwaliteit van de jeugdhulp is daarbij van groot belang. De beoogde budgethouder kan de derde aan wie hij het pgb wil gaan besteden, een formulier laten invullen waaruit de kwaliteit blijkt; dat is onderdeel van het Budgetplan. Het college stelt hiervoor een format beschikbaar. Tweede lid Spreekt voor, behoeft geen toelichting. Het gaat om een wettelijke bepaling (art. 8a, tweede lid, van de Regeling Jeugdwet).

Artikel 6.3 Besteding en declaratie Eerste lid Het eerste lid zorgt ervoor dat wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan activiteiten die naar oordeel van het college onder de eigen kracht vallen (onder a). Ook mag het pgb niet worden besteed aan de genoemde personen wanneer zij overbelast zijn of dreigen te geraken voor die activiteiten (onder b). Tweede en derde lid De wetgever heeft zich nadrukkelijk uitgelaten dat met het trekkingsrecht is gewaarborgd dat het budget slechts wordt gebruikt om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die hij nodig heeft (TK 2013/13, 33 684, nr. 3, p. 220). Er geldt geen verplichting om een verantwoordingsvrij bedrag te hanteren. Vierde lid In art. 7.1, eerste lid onderdeel c van de verordening is bepaald dat het college een aanspraak op een individuele voorziening dan wel pgb kan beëindigen in geval van overlijden van de jeugdige. In de zorgovereenkomsten hanteert de SVB het overlijden van een jeugdige ook als ontbindende voorwaarde; dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De SVB wijst jeugdigen en/of zijn ouder(s) erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort.

Het college hanteert in geval van overlijden van de jeugdige geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten, dus die met een professionele organisatie, een Zzp’er, iemand uit het sociaal netwerk of een partner of familielid). Vijfde lid In dit lid is bepaald dat geen vast bedrag mag worden gehanteerd. Dat wil zeggen declaraties worden gedaan op basis van de werkelijk geboden jeugdhulp (in tijd).

49

Zesde lid Voor behandeling van bijvoorbeeld stoornissen of het bieden van specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen. Dat spreekt voor zich. Omdat deze vormen van jeugdhulp ook vragen om voldoende professionele afstand (objectief en onafhankelijk kunnen handelen) bepaalt dit lid dat ouders of personen uit het sociaal netwerk niet uit een pgb betaald kunnen worden voor het geven van deze vorm van jeugdhulp. Het ligt ook niet voor de hand dat zij dat wensen te doen. Zevende lid Dit lid geeft invulling aan de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden het pgb mag worden besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk. Hoewel de regering de inzet van het sociaal netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De huiselijke kring, waartoe in ieder geval de ouders behoren, behoort tot het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17). Achtste lid De budgethouder zal het aan hem toegekende pgb moeten aanwenden binnen de termijn genoemd in dit lid.

Artikel 6.4 Kwaliteit In dit artikel staan de kwaliteitseisen genoemd waaraan een professional en niet-professional aan wie het pgb wordt besteed moeten voldoen. Professionals die SKJ of BIG geregistreerd zijn beschikken voor de beroepscode over een VOG. Die hoeft het college niet op te vragen. Het kan voorkomen dat aan meerdere jeugdigen jeugdhulp wordt geboden. In die gevallen hoeft niet voor elke jeugdige (opnieuw) een VOG worden gevraagd. De verordening voorziet niet in een limitatieve opsomming van andere kwaliteitseisen anders dan die over de vakbekwaamheid. Het is afhankelijk van de situatie, waarbij het college aansluiting zoekt bij de wet of het contract met jeugdhulpaanbieders. Artikel 6.5 Hoogte persoonsgebonden budget Eerste tot en met vierde lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.9, onder c, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Ook het hanteren van de gedifferentieerde tarieven en/of bepalingen over bedragen moeten in de verordening geregeld worden (vergelijk CRVB:2017:1803). Naast een afgeleide van de tarieven wordt gebruik gemaakt van de bedragen in de Regeling langdurige zorg.

Er wordt verder gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de hoogte van het pgb, dat bijvoorbeeld wordt besteed aan personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige (waaronder ook zijn ouder(s)), lager vast te stellen. Die bevoegdheid vloeit voor uit artikel 8.1.1, derde lid, van de wet. De verordening bepaalt dat het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Rlz alleen op 1 januari van elk kalenderjaar kan wijzigen. Vijfde lid De tarieven die het college is verschuldigd aan de gecontracteerde partijen worden neergelegd in het Financieel besluit. Zesde lid Het pgb kan lager zijn dan het percentage van het tarief, als dat blijkt dan uit het Budgetplan en bijgevoegde stukken.

50

HOOFDSTUK 7. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 7.1 Bevoegdheid Eerste en tweede lid Artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk zijn de regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit geïntegreerd. Dat wil zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid. Het toezicht op de kwaliteit is belegd bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Maar het college is in het kader van de rechtmatigheid wel bevoegd om naleving van de contracten voor bijvoorbeeld de kwaliteit te beoordelen. Het toezicht op de rechtmatigheid is namelijk een bevoegdheid van de gemeente zelf. In de wet is echter niet vastgelegd hoe de gemeente het toezicht op rechtmatigheid moet vormgeven. Die kan bijvoorbeeld bestaan uit de verplichting voor de budgethouder en de derde om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb. Derde lid De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de mogelijkheid om een toezichthouder aan te wijzen, als dit is geregeld bij een wettelijk voorschrift (art. 5:11 Awb en verder). Een verordening is een wettelijk voorschrift. Er wordt aangesloten bij de term toezichthoudende ambtenaar zoals bedoeld in art.

6.1 van de Wmo 2015. Vierde lid Dit lid bepaalt de inhoudelijke bevoegdheid van het college over de inhoud van de controles en de personen die gecontroleerd kunnen worden. Vijfde en zesde lid Uit artikel 8.1.3 van de wet volgt al dat het college bevoegd is om pgb-besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig (vergelijk CRVB:2023:259). Zo kan het college in een klacht of een signaal over de kwaliteit van de jeugdhulp aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Dat kan over administratieve zaken gaan maar ook over de vraag of de (kwaliteit van de) geboden jeugdhulp voldoet aan de contractuele afspraken. Waar nodig vindt afstemming plaats met de inspectie. Het kan ook gaan om de vraag of de jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthoudende ambtenaar kunnen zo’n onderzoek uitvoeren. Zevende lid In dit hoofdstuk wordt onder een budgethouder en de derde nadrukkelijk ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan. Artikel 7.2 Informatieplicht en fraudepreventie Op het college rust de voorlichtingsplicht om de jeugdige en/of zijn ouder(s) te informeren over welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb (art.

8.1.6 van de wet). Deze plicht bestaat er ook uit dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze én over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit wordt gedaan tijdens het onderzoek. Artikel 7.3 Medewerkingsplicht Dit artikel regelt de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthoudende ambtenaar aan de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp, zij verplicht zijn dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het

51

recht op pgb in te trekken of om de jeugdige onder te brengen bij een andere jeugdhulpaanbieder ingeval van een individuele voorziening in natura. Artikel 7.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Eerste lid Er geldt de algemene verplichting om een Budgetplan op te stellen (zie art. 5.2 van de verordening). Ook kan het noodzakelijk zijn dat het Budgetplan met het college (nader) wordt besproken. Ook dit is niet vrijblijvend. Tweede lid In dit lid zijn situaties opgenomen die betrekking hebben op de derde. Het college is bevoegd om het pgb te weigeren. Ook deze bepalingen hebben als doel misbruik of oneigenlijk gebruik in het algemeen te voorkomen. Artikel 7.5 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank Een opschorting van de betaling aan de SVB is een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Als het recht op pgb is vastgesteld, zal het college de overeenkomst van de SVB moeten goedkeuren. De SVB beoordeelt de overeenkomst ook, voornamelijk op de toepasselijke arbeidsrechtelijke bepalingen. Het kan voorkomen dat het college de overeenkomst niet goedkeurt en om die reden het pgb vooralsnog niet aan de SVB overmaakt. Ook kan een andere reden aanleiding zijn om (nog) niet over te gaan tot uitbetaling aan de SVB.

Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van de betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke individuele voorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de jeugdige bij opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden hulp. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel en artikel 6.6 is aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb. Artikel 7.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling persoonsgebonden budget Zoals gezegd is een opschorting van betaling een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek, bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van het besluit. Artikel 8b, zesde lid aanhef onder g, van de Regeling Jeugdwet geeft de Svb de bevoegdheid tot opschorting van betaling als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. In geval van mandaat kan het college zelf overgaan tot het opschorten van de betaling. Zie verder toelichting bij artikel 5.6 van de verordening.

Artikel 7.7 Opschorting inzet individuele voorziening Naar analogie van artikel 6.5 en 6.6 van de verordening kan het college ook de inzet van een individuele voorziening tijdelijk opschorten als het gegronde vermoeden bestaat dat de jeugdige en/of zijn ouder(s): de inlichtingenplicht niet nakomt, niet voldoet aan de aan de individuele voorziening verbonden voorwaarden of de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruikt. Dat laatste zal aan de orde kunnen zijn bij een pgb. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden.

HOOFDSTUK 8. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 8.1 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht.

52

In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de individuele voorziening dan wel pgb. Er is geen limitatieve oplossing beoogd. Artikel 8.2 Herzien of intrekken van besluiten Voor de jeugdige en zijn ouder(s) geldt op grond van artikel 8.1.2 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). De wetgever heeft kennelijk verzuimd om dat ook te regelen voor de individuele voorziening in natura. Daarom regelt dit artikel deze verplichting ook voor individuele voorzieningen in natura. Uit de memorie van toelichting kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever voor ogen gehad om de inlichtingenplicht niet te laten gelden voor de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb (TK 2013/14, 33 684, nr. 11, p. 17). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.

Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder d en e, van de wet. Ook kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) de verplichtingen, uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de jeugdhulpaanbieder, niet of onvoldoende nakomt. De verordening biedt daarom een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken. Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college geen jeugdhulpplicht meer rust. Artikel 8.3 Terugvordering Eerste lid Strikt genomen is terugvordering niet geregeld in de wet, maar de bevoegdheid kan wel worden afgeleid uit artikel 8.1.4, tweede lid, van de wet). Daarom is hiervoor een grondslag opgenomen in de verordening op grond waarvan het college de bevoegdheid heeft (zie CRVB:2023:223). In dit lid is de wettelijke bevoegdheid uitgewerkt wanneer het college kan overgaan tot het terugvorderen van een ten onrechte genoten pgb. Naar analogie van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 regelt dit artikel ook de bevoegdheid tot het terugvorderen van de geldswaarde in natura. Daaronder vallen de door het college ten onrechte betaalde facturen voor de geleverde individuele voorziening.

Tweede lid Het kan ook voorkomen dat er sprake is van een onverschuldigde betaling. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om dat bedrag terug te vorderen. Uit CRVB:2006:AX5819 kan namelijk worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Of sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren. Derde en vierde lid Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels verrekening of een dwangbevel. Daarbij wordt wel opgemerkt dat de jeugdige pas vanaf 18 jaar in aanmerking kan komen voor een uitkering voor levensonderhoud.

53

HOOFDSTUK 9. KWALITEIT EN INSPRAAK Artikel 9.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp De Jeugdwet maakt met onder meer artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet de door gemeenten gecontracteerde jeugdhulpaanbieders direct verantwoordelijk voor het leveren van verantwoorde (jeugd)hulp. In dit artikel zijn ook een aantal uitgangspunten bepaald die in ieder geval gelden. De zogeheten professionals zijn geregistreerd bij de daarvoor geldende registers. Denk met name aan het BIG-register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet. Dit voor het (mogen) uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Het is echter niet in alle gevallen zo dat een verplichte SKJ-registratie geldt. Daar kan van worden afgeweken als de jeugdhulpaanbieder aannemelijk kan maken dat de inzet van een niet-geregistreerde professional niet afdoet aan de kwaliteit dan wel dat die inzet noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulp. Denk bijvoorbeeld aan vaktherapie. Vaktherapeuten kunnen zich niet registeren bij het SKJ, maar zij kunnen wel als niet-geregistreerd professional worden ingezet. Het Kwaliteitskader Jeugd geldt als leidraad voor jeugdhulpaanbieders om te bepalen wanneer een geregistreerde professional moet worden ingezet en wanneer dat niet nodig is.

Voor vaktherapeuten geldt wel de verplichting tot registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB). Het bepaalde geldt ook voor jeugdhulpverleners die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) uit een pgb worden betaald. Het college zal er op toe moeten zien dat de eisen door jeugdhulpaanbieders worden nageleefd, tenzij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd daartoe bevoegd is. Zie ook de begripsbepalingen van wat onder een professional wordt verstaan (professionele organisatie en Zzp’er). Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit In dit artikel wordt invulling gegeven aan de opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van onder meer jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit. Het gaat om de kostprijselementen van art. 2.3 van het Besluit Jeugdwet. Ook is bepaald dat het college zorgt dat de genoemde partijen een reële prijs ontvangen voor de door hen geboden jeugdhulp. Denk in dat kader ook aan onderaannemers die de jeugdhulpaanbieder in kan zetten. Artikel 9.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015.

Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Zo wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Het college kan nadere regels stellen over dit artikel.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN Artikel 10.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van hen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat jeugdige en/of zijn ouder(s) gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen.

54

Artikel 10.2 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt deze verordening. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/954/documents/24328