Verordening jeugdhulp Dinkelland 2025 DEF.pdf
Tekst van het document
De raad van de gemeente Dinkelland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2024 gelet op het advies van de raadscommissie Sociaal Domein en Bestuur van 10 december 2024; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; en het Beleidsplan Omzien Naar Elkaar 23 december 2016 overwegende dat: • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt, • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: - de door het college te verlenen jeugdhulp met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren, - de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen; - de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen, - de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, - de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en - regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit voor de
levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; • het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk; • het noodzakelijk is om kaders en criteria vast te stellen ter uitvoering van de jeugdwet, en • daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving,
besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening jeugdhulp gemeente Dinkelland 2025
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP ............................................. 4 Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen....................................................................................................................... 4 Artikel 1.2 Reikwijdte verordening...................................................................................................................... 5 Artikel 1.3 Vormen van jeugdhulp ...................................................................................................................... 5
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP .................................................................................... 7 § 1. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon ............................................................................................. 7 Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon ................................................................................... 7 § 2. Wettelijke verwijzers .................................................................................................................................... 7 Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts ................................................................................ 7 § 3. Via de gemeente: Aanvraag ......................................................................................................................... 7 Artikel 2.3 Aanvraag om jeugdhulp ..................................................................................................................... 7 Artikel 2.4 Criteria deskundigheid ....................................................................................................................... 7 Artikel 2.5 Identificatie ........................................................................................................................................
8 Artikel 2.6 Het onderzoek ................................................................................................................................... 8 Artikel 2.7 Het verslag ......................................................................................................................................... 8 § 4. Advisering ..................................................................................................................................................... 8 Artikel 2.8 Advisering .......................................................................................................................................... 8 Artikel 2.9 Advisering na wettelijke verwijzing ................................................................................................... 8
HOOFDSTUK 3. EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN ................................................................... 9 Artikel 3.2 Criteria eigen kracht .......................................................................................................................... 9 Artikel 3.3 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp ............................................................................................... 9 Artikel 3.4 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp .................................................................................... 9 Artikel 3.5 Afwegingsfactoren vervoer ............................................................................................................. 10 Artikel 3.6 Afwegingsfactoren overig ................................................................................................................ 10 Artikel 3.7 Uitgangspunten indicatie jeugdhulp ................................................................................................ 10 Artikel 3.8 Afstemming andere diensten en voorzieningen .............................................................................. 10
HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN............................................................................. 11 Artikel 4.1 Ambulante jeugdhulp ...................................................................................................................... 11 Artikel 4.2 Ambulante alternatieven voor verblijf ............................................................................................ 13 Artikel 4.3 Wonen ............................................................................................................................................. 14 Artikel 4.4 Verblijf ............................................................................................................................................. 14 Artikel 4.5 Crisiszorg .......................................................................................................................................... 16
2
Artikel 4.6 Jeugdhulpvervoer ............................................................................................................................ 17 Artikel 4.7 Heroverweging besluit individuele voorziening .............................................................................. 17
HOOFDSTUK 5. PERSOONSGEBONDEN BUDGET .......................................................................... 18 Artikel 5.1 Algemeen ......................................................................................................................................... 18 Artikel 5.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget ..................................................................................... 18 Artikel 5.3 Besteding en declaratie ................................................................................................................... 18 Artikel 5.4 Kwaliteit derde aan wie het pgb wordt besteed ............................................................................. 18 Artikel 5.5 Hoogte persoonsgebonden budget ................................................................................................. 19
HOOFDSTUK 6. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK .............................................. 19 Artikel 6.1 Bevoegdheid .................................................................................................................................... 19 Artikel 6.2 Informatieplicht en fraudepreventie ............................................................................................... 20 Artikel 6.3 Medewerkingsplicht ........................................................................................................................ 20 Artikel 6.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget ............................................................................. 20 Artikel 6.5 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank ........................... 20 Artikel 6.6 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget .. 21 Artikel 6.7 Opschorting inzet individuele voorziening ...................................................................................... 21
HOOFDSTUK 7. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING .......................... 21 Artikel 7.1 Beëindiging ...................................................................................................................................... 21 Artikel 7.2 Herzien of intrekken van besluiten .................................................................................................. 21 Artikel 7.3 Terugvordering ................................................................................................................................ 22
HOOFDSTUK 8. KWALITEIT EN INSPRAAK .................................................................................... 22 Artikel 8.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp ................................................................................................................ 22 Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit ........................................................................................................... 22 Artikel 8.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid ....................................................................................... 23
HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN ............................................................................................... 23 Artikel 9.1 Hardheidsclausule ........................................................................................................................... 23 Artikel 9.2 Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................................................ 23
Bijlage. Richtlijn gebruikelijke hulp ............................................................................................. 24 Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2025 ................................................... 26
3
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Algemene voorziening: een jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s); b. Andere voorziening: voorziening - anders dan in het kader van de Jeugdwet - op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. boven-gebruikelijke hulp: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en omvangrijker en mogelijk intensiever is dan de gebruikelijke hulp; d. Budgethouder: de persoon aan wie het pgb is toegekend; e. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft; f. Budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening; g. Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet gebaseerd op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 3; h.
Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; i. Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; j. Gebruikelijke hulp: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en zich uitstrekt over ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder, onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte, volgens de bijlage bij deze verordening; k. Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen; l. Gezinssysteem: een leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of meer jeugdigen. Hieronder vallen bijvoorbeeld: een traditioneel gezin, een éénoudergezin, samengesteld gezin, een pleeggezin en/of een adoptiegezin; m.
Hulpvraag: de behoefte van de jeugdige en/of de ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet waarvoor een aanvraag wordt gedaan; n. Individuele voorziening: een op de jeugdige en/of de ouder(s) toegesneden voorziening die op aanvraag wordt verstrekt; o. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld; p. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; q. Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde jeugdhulpverlener en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid van de medewerkers die bij de organisatie in dienst zijn en die gebruik maken van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken. Andere kwaliteitseisen zijn bijvoorbeeld: een keurmerk of protocol, het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering en naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers. Het gaat om kwaliteitseisen die ook gelden voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Er geldt voor jeugdprofessionals de SKJ-registratie en voor
4
vaktherapeuten inschrijving in het Register Vaktherapie én aangesloten zijn bij een beroepsvereniging (FVB of NVRG); r. SKJ: het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals; s. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en/of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt; t. Spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; u. Vaktherapie: de overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Vaktherapie is een behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren; v. Wet: Jeugdwet; w. Zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde jeugdhulpverlener of vaktherapeut en voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid en die gebruik maakt van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken. Andere kwaliteitseisen zijn bijvoorbeeld een keurmerk of protocol die ook gelden voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Voor jeugdprofessionals geldt SKJ-registratie en voor vaktherapeuten inschrijving in het Register Vaktherapie én aangesloten bij een beroepsvereniging (FVB of NVRG).
Voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden: 1 niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en 2 door de Belastingdienst aangemerkt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en/of de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Deze verordening is van toepassing voor in Nederland verblijvende jeugdigen en hun ouders waar de gemeente Dinkelland verantwoordelijk voor is op grond van het woonplaatsbeginsel. Artikel 1.3 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar: a. informatie en advies; b. voorlichting, cursussen LOES; c. trainingen KIES en SamenSterk; d. praktijkondersteuners jeugd huisartsenpraktijken; e. steungezinnen; f. schoolmaatschappelijk werk; g. jongerenwerk; h. jeugdgezondheidszorg (GGD); i. scheiding advies team; f. Veilig Thuis Twente. 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar en worden op aanvraag verstrekt: a. Ambulante jeugdhulp in de vorm van: 1. Begeleiding Individueel; 2. Vaktherapie; 3.
Behandeling Individueel; 4. Forensische jeugdhulp - behandeling; 5. Medicatiecontrole exclusief medische co morbiditeit;
5
6. Medicatiecontrole inclusief medische co morbiditeit; 7. Begeleiding Groep Basis; 8. Begeleiding Groep Intensief; 9. Behandeling Groep Basis; 10. Behandeling Groep Intensief; 11. Kinderdagcentrum (KDC)/ orthopedagogisch dagcentrum (ODC) groep basis; 12. Kinderdagcentrum (KDC)/ orthopedagogisch dagcentrum (ODC) groep intensief; 13. Ernstige Dyslexiezorg (ED); 14. Screening. b. Ambulante alternatieven voor verblijf in de vorm van: 1. Zeer Intensieve Traumabehandeling (ZIT); 2. Flexible Assertive Community Treatment (FACT); 3. Multisysteem Therapie (MST); 4. Crisis Systeem Interventie (CSI). c. Wonen in de vorm van: 1. Pleegzorg; 2. Gezinshuis; 3. Woongroep; 4. Hoog specialistische kleinschalige woonvoorziening. d. Verblijf in de vorm van: 1. Kamertraining; 2. Ouder-kind groep; 3. Behandelgroep; 4. Driemilieuvoorziening; 5. Jeugd GGZ verblijf; 6. JeugdzorgPlus; 7. Deeltijd verblijf / logeren; 8. Extra Verblijfsbegeleiding. e. Crisiszorg in de vorm van: 1. Crisisdienst GGZ-Jeugd; 2. Ambulante crisiszorg: i. Families First (FF); ii. Ambulante spoedhulp (ASH). 3. Crisisverblijf: i. Crisisverblijf Licht verstandelijke beperkt (LvB); ii. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp (J&O); iii. Crisisverblijf Jeugd GGZ; iv. Jeugdhulp crisis pleegzorg. f. Advies en Expertise; g. Jeugdhulpvervoer.
6
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP § 1. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van jeugdigen en ouders uitgangspunt is. 2. Het college stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen als bedoeld in paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet. 3 Het college draagt er zorg voor dat de jeugdigen, ouders en pleegouders zelfstandig, zonder tussenkomst van derden, contact kunnen hebben met een vertrouwenspersoon. § 2. Wettelijke verwijzers Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, die geboden wordt door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 2. Het college kan afspraken maken met de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in het eerste lid over de inzet van aangewezen specialistische jeugdhulp. 3. Het college vergoedt alleen de jeugdhulp van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. § 3. Via de gemeente: Aanvraag Artikel 2.3 Aanvraag om jeugdhulp 1. Een aanvraag om jeugdhulp wordt gedaan op een door het college beschikbaar gesteld (elektronisch) formulier. 2.
Na ontvangst van de aanvraag wijst het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid: a. cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon; b. een familiegroepsplan op te stellen welke twee weken na indiening van aanvraag wordt overhandigd. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoekt, zorgt het college voor bepaalde ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 3. Na ontvangst van de aanvraag voert het college een onderzoek uit naar de hulpvraag. 4. Het college is bevoegd de beslistermijn van de aanvraag te verlengen of op te schorten als de beoordeling van de hulpvraag daartoe aanleiding geeft. 5. In spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b, van de wet: a. verstrekt het college zo spoedig als nodig een passende tijdelijke maatregel; of b. vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. 6. Tijdens de procedure kan het college gebruik maken van de Jeugd Beschermingstafel. 7. Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. 8. De indicatie om een individuele voorziening gaat niet eerder in dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag, tenzij het college de jeugdhulpaanbieder (natura) toestemming geeft de jeugdhulp eerder te starten.
Artikel 2.4 Criteria deskundigheid 1. De toeleiding naar en advisering over de aanspraak op een individuele voorziening wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde persoon. 2. Uit hoofde van de deskundigheid van de SKJ-er wordt bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om de aanspraak op een individuele voorziening te beoordelen.
7
Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet. 3. De ingeschakelde deskundigen worden vermeld in het verslag als bedoeld in artikel 2.7. Artikel 2.5 Identificatie Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, kan het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vaststellen aan de hand van bijvoorbeeld een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.6 Het onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd tussen vakbekwame personen en de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of personen uit zijn sociaal netwerk. 2. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de jeugdige en/of zijn ouder(s), als dat nodig is, om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens met in achtneming van de privacyregels. 3. Heeft de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 2.3 overhandigd, dan betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het eerste lid. 4.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) verstrekken desgevraagd de noodzakelijke inlichtingen dan wel gegevens en verlenen desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. In principe geldt als uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Artikel 2.7 Het verslag Het college verstrekt een verslag van het onderzoek waaruit de jeugdige en/of ouder(s) tevens een advies van het college kan afleiden over hoe de vastgestelde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en aan de stoornissen verwante problemen kunnen worden opgelost dan wel worden verminderd. § 4. Advisering Artikel 2.8 Advisering 1. Het college vraagt om deskundigenadvies voor zover dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag. 2. Het college kan screening vragen aan een jeugdhulpaanbieder over welke jeugdhulpaanbieder het best passend is voor de jeugdige en/of diens ouder(s). De screening wordt uitgevoerd door een gedragswetenschapper of een regiebehandelaar. 3. Het college kan advies en expertise vragen, waaronder diagnostische instrumenten, aan een jeugdhulpaanbieder voor brede vraagverheldering in complexe casuïstiek. Als leidraad wordt de Richtlijn Samen beslissen met ouders en jeugdige over passende hulp van het Nederlands Jeugdinstituut gehanteerd.
Advies en expertise wordt uitgevoerd door een deskundige met kennis en specialisatie over Jeugd-GGZ, (licht)-verstandelijke beperking of Specialistische jeugdhulp. 4. De jeugdige en/of zijn ouder(s) verleent zijn medewerking aan het onderzoek. 5. In principe geldt als uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Artikel 2.9 Advisering na wettelijke verwijzing 1. Na de verwijzing naar jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2 kan het college: a. op verzoek van de jeugdhulpaanbieder screening aanbieden om te bepalen welke jeugdhulpaanbieder het best (goedkoopst) passend is. Deze screening wordt uitgevoerd door een gedragswetenschapper of een regiebehandelaar. b. advies en expertise inzetten, waaronder diagnostische instrumenten, door een specialistische jeugdhulpaanbieder voor brede vraagverheldering in complexe casuïstiek. Als leidraad wordt de Richtlijn
8
Samen beslissen met ouders en jeugdige over passende hulp van het Nederlands Jeugdinstituut gehanteerd. Advies en expertise wordt uitgevoerd door een deskundige met kennis en specialisatie over Jeugd-GGZ, (licht)-verstandelijke beperking of Specialistische jeugdhulp. 2. De jeugdige en/of zijn ouder(s) verleent zijn medewerking aan het onderzoek.
HOOFDSTUK 3. EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN Artikel 3.1 Zorgplicht en aanspraak op jeugdhulp 1. De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan: a. de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede b. het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid, c. de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen; d. het bieden van een beschermende woonomgeving. Het college neemt in beleidsregels op wat onder goed ouderschap wordt verstaan. 2. Jeugdigen of ouders kunnen op aanvraag slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover: a. de eigen kracht niet toereikend is; b. het gebruik van een algemene voorziening de vastgestelde problemen of aan de stoornissen verwante problemen niet in voldoende mate kan wegnemen. Artikel 3.2 Criteria eigen kracht 1. Onverminderd de zorgplicht als bedoeld in het artikel 3.1 eerste lid valt onder eigen kracht: a. gebruikelijke hulp; b. boven-gebruikelijke hulp; c. vervoer van en naar de jeugdhulplocatie; d. hulp van personen uit het sociaal netwerk; e. hulp van niet door het college gecontracteerde organisaties of instellingen binnen de gemeente Dinkelland; f. gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 2.
Het bepaalde in dit artikel is ook van toepassing op niet-gezaghebbende ouders in de zin van de wet. Artikel 3.3 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp Afwegingsfactoren die een rol spelen bij gebruikelijke hulp zijn: a. de opvoedkundige capaciteiten van ouders; b. de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen. Artikel 3.4 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp Afwegingsfactoren die een rol spelen bij boven-gebruikelijke hulp zijn: a. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; b. de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c. de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders die verband houdt met de zorgplicht. Waarbij geldt dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken; d. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; e. het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen waar inkomensderving verband houdend met een onrechtmatige daad onderdeel van uitmaakt (letselschade).
9
Artikel 3.5 Afwegingsfactoren vervoer Onder eigen kracht valt ook het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie(s). Afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen in geval van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid bij de jeugdige zijn: a. of de jeugdige in staat is om zelf te reizen; b. de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer; d. de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is; e. het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden; f. het aantal dagen dat vervoer nodig is; g. draagkracht en draaglast in het gezin. Artikel 3.6 Afwegingsfactoren overig In het kader van de eigen kracht wordt van ouders verwacht dat zij: a. zich in hoge mate inspannen om hulp van personen uit het sociaal netwerk te krijgen; b. zich inspannen om hulp van niet door het college gecontracteerde organisaties of instellingen binnen de gemeente Dinkelland te krijgen. Het college kan voorbeelden aandragen van organisaties of instellingen; c. gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten; d. verzoeken om een vergoeding voor inkomensderving verband houdend met een onrechtmatige daad (letselschade). Artikel 3.7 Uitgangspunten indicatie jeugdhulp 1.
Geen individuele voorziening wordt verstrekt voor zover sprake is van een andere voorziening. 2. Jeugdhulp is primair gericht op het herstellen dan wel versterken van de eigen kracht. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak gericht op het herstel of versterken van de eigen kracht. 3. De individuele voorziening is gericht op het realiseren van een situatie, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 3.5, waarmee de jeugdige in staat wordt gesteld tot: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met de leeftijd en ontwikkelingsniveau. 4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 5. Er bestaat aanspraak op een individuele voorziening die als de goedkoopst passende individuele voorziening is aan te merken. Artikel 3.8 Afstemming andere diensten en voorzieningen 1. Om te zorgen dat een individuele voorziening, als dat nodig is, kan worden afgestemd op andere diensten en/of voorzieningen zorgt het college voor afspraken met onder meer: a.
partijen in het kader van gezondheidszorg waaronder Zorgverzekeraars; b. gecertificeerde instellingen; c. instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; d. onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; e. de betreffende gemeentelijke afdelingen die belast zijn met de uitvoering van de Wmo 2015 en de Participatiewet (werk en inkomen), waarbij het belang van de jeugdige en/of ouder(s) centraal staat gelet op de behoefte aan jeugdhulp.
10
2. Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. 3. Het college draagt zorg voor de continuïteit van gemeentelijke ondersteuning wanneer de jeugdhulp eindigt op grond van de leeftijd (18 jaar).
HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 4.1 Ambulante jeugdhulp 1. Begeleiding Individueel is bestemd voor de jeugdige met enkelvoudige of meervoudige problematiek en/of zijn gezinssysteem. Bij Begeleiding Individueel staat het bevorderen, het behouden of het compenseren van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezinssysteem voorop. De begeleiding richt zich voornamelijk op het aanleren van vaardigheden en/of het leren omgaan met een beperking als gevolg van lichamelijke, zintuigelijke en verstandelijke problemen. De doelen van Begeleiding Individueel zijn: a. dat de jeugdige en het gezinssysteem in staat zijn zo zelfstandig mogelijk binnen sociale relaties en in de maatschappij te functioneren; b. het aanleren van psychosociale en sociaal-emotionele vaardigheden van de jeugdige; c. het aanleren van leeftijds- en ontwikkelingsadequate Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) van de jeugdige; d. ondersteunen bij opvoedvaardigheden van ouders bij lichte tot zware opvoedproblemen; e. veiligheid voor de jeugdige en/of het gezinssysteem, bijvoorbeeld in gedrag, zorgbehoefte of in het gezin of netwerk. 2. Vaktherapie. De doelen van Vaktherapie zijn: a. dat de jeugdige uiting kan geven aan zijn problemen of over zijn problemen wil praten; b.
klachtgericht, namelijk om de jeugdige te ondersteunen om lichamelijke, verstandelijke, psychische, psychosomatische, psychosociale of psychiatrische problematiek te verhelpen, te verminderen of te accepteren en om terugval en hernieuwde klachten zoveel mogelijk te voorkomen; c. persoonsgericht, namelijk om het welbevinden en de kwaliteit van leven en de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige te bevorderen. 3. Behandeling Individueel is gericht op de jeugdige en/of het gezinssysteem met milde en ernstige enkelvoudige (opvoed) problematiek of ernstige meervoudige problematiek, veiligheid en onderzoek en diagnostiek. De doelen van Behandeling Individueel zijn: a. het oplossen of hanteerbaar maken van de problematiek en/of beperking; b. het verbeteren, verminderen of voorkomen van verergering van de problematiek; c. het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (bij jeugdige of gezinssysteem); d. het wegnemen van klachten; e. het op gang brengen van een gestagneerde ontwikkeling; f. veiligheid voor de jeugdige en/of het gezinssysteem, bijvoorbeeld in gedrag, zorgbehoefte of in het gezin of netwerk. Binnen Behandeling Individueel kan het college de volgende modules inzetten: a. Kind In Gezond Systeem (KINGS); b. Intensive Home Treatment (IHT); c. Zeer Intensieve Gezinsbehandeling (ZIG); d. Multi Dimensionale Familie Therapie (MDFT); e.
Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (IPG); f. Crisis Systeem Interventie (CSI) voor wat betreft behandeling thuis; g. Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG). 4. Forensische jeugdhulp - behandeling is voor de jeugdige die: • een strafbaar feit heeft gepleegd of;
11
• risico loopt om een strafbaar feit te plegen of; • grensoverschrijdend gedrag heeft gepleegd en/of; • gediagnosticeerd is met een gedragsstoornis, vaak in combinatie met andere stoornissen of een licht verstandelijke beperking. De stoornis die mogelijk ten grondslag ligt aan de zorg is geen in- of exclusiecriterium voor de inzet van jeugdhulp in het strafrechtelijk kader. De doelen van Forensische jeugdhulp - behandeling zijn: a. het terugdringen van recidive en de kans verkleinen dat een jeugdige (opnieuw) een strafbaar feit pleegt en (weer) in aanraking met justitie komt; b. het voorkomen van delicten en/of grensoverschrijdend gedrag; c. dat de jeugdige weer perspectief op een goede toekomst wordt geboden. 5. Medicatiecontrole exclusief medische co morbiditeit is voor de jeugdige die tijdens of na de behandeling op basis van de wet afzonderlijke medicatiecontrole krijgt. De doelen zijn medicatiecontrole bij gedragsproblemen of psychische problemen. 6. Medicatiecontrole inclusief co morbiditeit is gericht op de jeugdige die tijdens of na de behandeling op basis van de wet afzonderlijke medicatiecontrole krijgt. De jeugdige is in behandeling bij een ziekenhuis wegens een medische diagnose en daarnaast is sprake van ADHD en/of gedragsproblemen waar medicatiecontrole voor nodig is. 7.
Begeleiding Groep Basis is gericht om de jeugdige in staat te stellen de eigen regie over zijn (leeftijdsadequate) dagelijkse handelingen en vaardigheden te voeren en wordt op locatie en in groepsverband geboden. De doelen van Begeleiding Groep Basis zijn: a. het stimuleren van zelfredzaamheid op alle levensgebieden en het aanvullen van tekorten daarin; b. het aanleren en zich eigen maken van praktische en sociale vaardigheden; c. het behoud van aangeleerde vaardigheden; d. de deelname aan het maatschappelijke leven. 8. Begeleiding Groep Intensief richt zich op de jeugdige met ernstige enkelvoudige of ernstige meervoudige problematiek en er kunnen veiligheidsrisico’s zijn vanwege onvoorspelbaarheid in gedrag en zorgbehoefte. De hulp wordt op locatie en in groepsverband geboden. De doelen van Begeleiding Groep Intensief zijn: a. het stimuleren van zelfredzaamheid op alle levensgebieden en het aanvullen van tekorten daarin; b. het aanleren en zich eigen maken van praktische en sociale vaardigheden; c. het behoud van aangeleerde vaardigheden; d. de deelname aan het maatschappelijke leven. 9. Behandeling Groep Basis biedt de jeugdige behandeling van milde enkelvoudige of meervoudige problematiek die in groepsverband en op locatie wordt geboden. De doelen van Behandeling Groep Basis zijn: a.
het verminderen van (gedrags-) problemen in de omgang met andere mensen en/of het vinden van een effectieve manier van omgang met het probleem/ de beperking; b. herstel, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de beperking; c. het verbeteren van de opvoedsituatie waarin de jeugdige opgroeit door het versterken van opvoedvaardigheden van het gezinssysteem; d. het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van de jeugdige; e. het verhelpen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezinssysteem. 10. Behandeling groep intensief biedt de jeugdige behandeling van ernstige enkelvoudige of meervoudige problematiek die in groepsverband en op locatie wordt geboden. Situaties zijn crisisgevoelig (lastig planbaar) en er is een hoge mate van regie. De doelen van Behandeling Groep Intensief zijn: a. het verminderen van (gedrags-) problemen in omgang met andere mensen en/of het vinden van een effectieve manier van omgang met het probleem/de beperking;
12
b. herstel, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de beperking; c. het stabiliseren van een gezonde en/of veilige (tijdelijke) opvoedsituatie; d. het verbeteren van de opvoedsituatie waarin de jeugdige opgroeit door het versterken van opvoedvaardigheden van het gezinssysteem; e. het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van de jeugdige; f. het verhelpen van of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezinssysteem. 11. Kinderdagcentrum (KDC)/ Orthopedagogisch dagcentrum (ODC) Basis biedt de jeugdige van 0 tot 18 jaar met een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking. Doelen van het Kinderdagcentrum / Orthopedagogisch dagcentrum Basis zijn: a. de jeugdige, indien mogelijk, door te laten stromen naar (speciaal) onderwijs; b. een zo'n optimaal mogelijk ontwikkelperspectief te bieden. 12. Kinderdagcentrum (KDC) / Orthopedagogisch dagcentrum (ODC) Intensief biedt de jeugdige van 0 tot 18 jaar met een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking met zware ondersteuningsbehoeften. Het doel van het Kinderdagcentrum (KDC)/ Orthopedagogisch Dagcentrum (ODC) Intensief is de jeugdige een zo'n optimaal mogelijk ontwikkelperspectief te bieden. 13. Ernstige dyslexiezorg (ED) is gericht op de jeugdige van 7 tot 13 jaar (die de basisschool bezoekt).
De primaire doelen van het diagnostisch onderzoek zijn: a. inzicht te geven in de aard van de klachten van de jeugdige en in de factoren die een rol spelen in het ontstaan of in stand houden hiervan; b. antwoord te geven op de hulpvraag en te komen tot op het individu toegesneden handelingsadviezen. Het doel van de dyslexiebehandeling is: • het bereiken van een voldoende niveau van technisch lezen en spellen, uitgedrukt in gangbare eisen en criteria passend bij de leeftijd, schoolniveau en/of beroepsperspectief van de jeugdige en een voor de jeugdige acceptabel niveau van zelfredzaamheid. Artikel 4.2 Ambulante alternatieven voor verblijf 1. Ambulante alternatieven voor verblijf zijn interventies die worden ingezet om te voorkomen dat een jeugdige uit huis geplaatst wordt, binnen een woonvoorziening kan blijven wonen en om te bevorderen dat de jeugdige uitstroomt uit verblijf. 2. Ambulant alternatief Zeer Intensieve Traumabehandeling (ZIT) is gericht op de jeugdige en betreft een kortdurende klinische opname waarin intensief en doelgericht gewerkt wordt aan vermindering van trauma gerelateerde klachten. De behandeling omvat: a. individuele behandeling (EMDR-therapie, Imaginaire Exposure, EMDR-activatie, een traumasensitief pedagogisch klimaat), en b. lichamelijke activiteiten. 3.
Ambulant alternatief Flexibel Assertive Community Treatment (FACT Jeugd/ GezinsFACT) is gericht op de jeugdige die vaak al verschillende vormen van hulpverlening heeft gehad. Tegelijkertijd is er sprake of een vermoeden van psychiatrische problematiek en ook zorgwekkend en/of zorgmijdend gedrag. FACT Jeugd/ GezinsFACT biedt multidisciplinaire behandeling, begeleiding en ondersteuning op maat, voornamelijk in de eigen omgeving van de jeugdige. 4. Ambulant alternatief Multisysteem Therapie (MST) is behandeling gericht op de jeugdige tussen de 10 en 18 jaar met (grensoverschrijdende) gedragsproblemen en vindt plaats in de thuissituatie. MST is bedoeld voor het gezinssysteem met één of meerdere jeugdigen die ernstige gedragsproblemen hebben. 5. Ambulant alternatief Crisis Systeem Interventie (CSI) is bedoeld voor een gezinssysteem in crisis waar een uithuisplaatsing dreigt en is gericht op: a. het gezinssysteem met tenminste één jeugdige tot 18 jaar met meervoudige en ernstige problemen en een lange hulpverleningsgeschiedenis, en
13
b. minimaal één van de gezinsleden een licht verstandelijke beperking heeft. Het doel is dat de jeugdige thuis kan blijven wonen en een uithuisplaatsing wordt voorkomen. Artikel 4.3 Wonen 1. Wonen kenmerkt zich doordat het perspectief biedend is op een thuis, waardoor het langdurig ingezet kan worden. 2. Pleegzorg is een gezinsvervangende of gezinsondersteunende voorziening waarbij de jeugdige door één of meerdere pleegouders tijdelijk of structureel opgevoed en verzorgd wordt. Pleegzorg bestaat uit de volgende vormen: a. Hulpverleningspleegzorg. Dit is een vorm van tijdelijke pleegzorg, met de verwachting dat de jeugdige weer terug naar huis kan; b. Opvoedingspleegzorg. Dit is een vorm van pleegzorg voor langere tijd, als de jeugdige niet terug naar huis kan. De doelen van Opvoedingspleegzorg zijn: continuïteit, opvoedzekerheid en optimale kansen voor de jeugdige creëren; c. Deeltijdpleegzorg. Dit is is een variant van pleegzorg waarin een jeugdige een aantal dagen per week wordt opgevangen door pleegouders. Deeltijdpleegzorg wordt ingezet om: i. het gezinssysteem te ontlasten, ii. om een uithuisplaatsing of doorstroom naar een zwaardere vorm van hulp te voorkomen. 3. Gezinshuis is een kleinschalige woonvorm van jeugdhulp waar professionele gezinshuisouders de vaste basis vormen voor de jeugdige.
Een gezinshuis is gericht op de jeugdige die ondanks eigen beperkingen en/of doorgemaakte gebeurtenissen in staat wordt geacht om in een gezinsstructuur te kunnen functioneren met de gezinshuisouders in de nabijheid. Doelen van het Gezinshuis zijn: a. de jeugdige een veilige plek te bieden waar aandacht, ondersteuning en begeleiding/zorg continu geboden worden en positieve omgangsvormen worden gestimuleerd; b. werken aan het onderhouden of verbeteren van het contact met het gezinssysteem en/of sociaal netwerk. 4. Woongroep is gericht op de jeugdige veelal in de leeftijd tussen de 12 en 18 jaar met: a. een licht tot zwaar opgroeiprobleem die vanwege eigen problematiek niet in een pleeggezin of gezinshuis kan wonen, waarbij b. voor de jeugdige de nadruk ligt op opgroeien en ontwikkelen en niet op behandeling. Het doel van de Woongroep is duurzaam wonen totdat zelfstandig (begeleid) wonen of terugkeer naar een gezinssysteem mogelijk is. 5. Hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening is gericht op de jeugdige van wie de problemen complex zijn, zoals ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen of suïcidaliteit of er is sprake van een (licht) verstandelijke beperking. De zorg in een pleeggezin, gezinshuis of woongroep is voor de jeugdige niet voldoende of er is sprake van meerdere mislukte hulppogingen.
Een hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening is een 24-uurs-voorziening binnen een open residentiële jeugdzorginstelling, op een instellingsterrein of in een woonwijk. Daarbij wordt een intensieve, individuele behandeling en/of begeleiding op maat - en zolang als nodig -gegeven. Het doel van de hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening is perspectief op wonen, zorg en onderwijs/arbeid tijdens verblijf en/of daarna. Artikel 4.4 Verblijf 1. Het college kan een individuele voorziening verblijf verlenen. 2. Kamertraining is gericht op de jeugdige met psychosociale- en/of gedragsproblemen, veelal in de leeftijd vanaf 16 jaar, die: • niet langer bij het gezinssysteem of binnen een gezinshuis of andere vormen van de individuele voorziening Wonen of Verblijf kan verblijven, • maar nog niet over de benodigde vaardigheden beschikt om zelfstandig te wonen.
14
Het doel van Kamertraining is het bieden van hulp en begeleiding bij het ontwikkelen van vaardigheden om zelfstandig te kunnen wonen. 3. Ouder-kind Groep is gericht op ouder(s) met jeugdige(n) tot circa 4 jaar en/of met een ongeboren kind voor wie 24-uurszorg noodzakelijk is om de veiligheid van de jeugdige te kunnen waarborgen. De ouder-kind groep is tijdelijk. De doelen van de Ouder-kind Groep zijn: a. gericht op zelfstandig wonen van ouder(s) en de jeugdige(n) buiten de instelling; b. werken aan het leren omgaan met de eigen problematiek of beperking van ouder(s) ten behoeve van de eigen opvoedvaardigheden. 4. Behandelgroep is gericht op de jeugdige die behoefte heeft aan een gestructureerde en ondersteunende omgeving om aan de ontwikkelingsbehoeften en gedragsverandering te werken. De doelen van Behandelgroep zijn: a. het bieden van herstel; b. het voorkomen van verdere escalatie van problemen; c. het creëren van een perspectief voor de toekomst, altijd in combinatie met ondersteuning in de thuissituatie om uiteindelijk terugkeer naar het gezinssysteem of het netwerk mogelijk te maken. 5. Driemilieuvoorziening is gericht op de jeugdige met: • LvB-problematiek, en • met (zeer) ernstige meervoudige gedrags- en vaak gecombineerd met psychische/psychiatrische problematiek, • die niet thuis kan verblijven, en • 24-uurs actief toezicht nodig heeft.
Bij de Driemilieuvoorziening wordt behandeling binnen verblijf, onderwijs en vrijetijdsbesteding gecombineerd aangeboden. De doelen van de Driemilieuvoorziening zijn: a. het reguleren van gedrag, ondersteuning en behandeling; b. gericht op de terugkeer van de jeugdige naar het gezinssysteem of naar het netwerk. 6. Jeugd GGZ verblijf is gericht op de jeugdige met (zeer ernstige) psychiatrische problematiek, waarbij: • een intensieve behandeling (in een open of gesloten setting), en • een gedeeltelijke overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door Verpleegkundig, opvoedkundig, verzorgend personeel, noodzakelijk is. De doelen van Jeugd GGZ verblijf zijn: a. gevaar voor de jeugdige of de omgeving te voorkomen; b. de jeugdige te behandelen of stabiliseren. 7. JeugdzorgPlus is gericht op de jeugdige tot 18 jaar, met gedragsproblemen die zo ernstig zijn dat de jeugdige een gevaar is voor zichzelf, of voor anderen. JeugdzorgPlus is er voor de jeugdige met een ernstige ontwikkelingsbedreiging waarin een behandeling onontkoombaar is en beperkende maatregelen kunnen worden ingezet op basis van een machtiging van de rechter. De doelen van JeugdzorgPlus zijn: a. het voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; b. de jeugdige voor te bereiden op een tijd waarin er geen noodzaak meer is voor beperkende maatregelen; c.
de jeugdige te leren functioneren in de maatschappij. 8. Deeltijd verblijf/logeren is gericht op de jeugdige: a. waarvan de (pleeg) ouders of verzorgers ontlast dienen te worden, zodat de jeugdige thuis of in de gezinsvervangende situatie kan blijven wonen en/of jeugdige waarbij ontlasting niet geboden kan worden door middel van inzet vanuit het netwerk of reguliere dagopvang;
15
b. die als gevolg van zijn beperking en/of stoornis in meer of mindere mate directe nabijheid van een begeleider nodig heeft en/of; c. waarvan de ontwikkeling gestimuleerd kan worden door deeltijd elders te verblijven en gericht op activiteiten om de ontwikkeling te stimuleren. Doelen van Deeltijd verblijf/logeren zijn ouders of verzorgers vanwege overbelasting tijdelijk te ontlasten en/of de ontwikkeling van de jeugdige te stimuleren. 9. Extra Verblijfsbegeleiding is gericht op de jeugdige met zeer ernstig externaliserende gedragsproblemen of internaliserende gedragsproblemen en een gevaar is voor zichzelf en voor de groep. Het gaat hierbij om onvoorspelbaar gedrag en waar geen planbare begeleiding op gezet kan worden. Het doel van Extra Verblijfbegeleiding is de veiligheid van de jeugdige en/of groep te waarborgen. Extra verblijfsbegeleiding kan alleen worden ingezet bij de voorzieningen: Behandelgroep, Driemilieuvoorziening of JeugdzorgPlus. Artikel 4.5 Crisiszorg 1. Crisiszorg bestaat uit crisistriage en crisisinterventies. 2. Crisisdienst GGZ-jeugd is gericht op de jeugdige waarbij sprake kan zijn van direct gevaar voor de jeugdige en/of de omgeving. Crisisdienst GGZ-jeugd bestaat uit een psychiatrische beoordeling en/of eerste interventie bij acute en psychiatrische klachten bij de jeugdige. De doelen van Crisisdienst GGZ-jeugd zijn: a.
het bieden van een eerste kortdurende actieve interventie om acute problemen op te lossen; b. het richten op het stabiliseren en veilig maken van de situatie voor de jeugdige en/of de omgeving. 3. Ambulante crisiszorg Families First (FF) is gericht op de jeugdige en de ouder(s) die intensieve crisishulp nodig hebben. De veiligheid van de jeugdige staat voorop. De hulp: • sluit aan bij de behoeften van het gezin, • is gericht op het vergroten van de competentie van gezinsleden door middel van het versterken van datgene wat goed gaat en het aanleren van nieuwe vaardigheden. De doelen van FF zijn: a. de uithuisplaatsing van één of meerdere jeugdigen te voorkomen; b. het gezinssysteem bij elkaar te houden; c. de aanwezige crisis op te lossen; d. de veiligheid in het gezinssysteem te vergroten; e. de gedragsproblemen van de jeugdige te verminderen; f. de competenties van de gezinsleden te vergroten; g. de ervaren opvoedingsbelasting bij de ouder(s) te verminderen; h. de opvoedingsvaardigheden van de ouder(s) te verbeteren; i. de gezinsleden meer gebruik van hun sociale netwerk te laten maken; j. de veiligheid en basisroutines van de jeugdige en ouder(s) voldoende te herstellen en te werken aan urgente korte termijn doelen, en k. indien van toepassing een veiligheidsplan op te stellen en te volgen. 4.
Ambulante crisiszorg Ambulante Spoedhulp (ASH) is gericht op de jeugdige en/of het gezinssysteem die binnen 24 uur en dag en nacht kan starten. ASH is een kortdurende, intensieve, activerende hulpverleningsvorm. De doelen van ASH zijn: a. de veiligheid en basisroutines (eten, slapen, naar school/werk gaan) van de jeugdige en ouder(s) te herstellen; b. te werken aan urgente korte termijndoelen; c. indien van toepassing een veiligheidsplan op te stellen en te volgen. 5. Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt (LvB) is gericht op de jeugdige met een (licht)verstandelijke beperking, eventueel in samenhang met psychosociale- en/of psychiatrische- en/of systeemproblematiek, waarbij een dusdanige (onveilige) crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Er is sprake van een zodanige balansverstoring dat het handhaven van de natuurlijke gezinssituatie (en soms ook school,
16
vrije tijd) (tijdelijk) niet mogelijk is en gelet op de ontwikkelings- en of gedragsproblemen een gestructureerde opvoedingsomgeving noodzakelijk is. De doelen van Crisisverblijf LvB zijn: a. zorgen voor stabilisatie en rust; b. zo snel mogelijk terug te keren naar de omgeving van de jeugdige, wanneer de veiligheid voldoende gewaarborgd is. 6. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp is gericht is op de jeugdige met gedrags- en/of gezinsproblematiek eventueel in samenhang met psychosociale en/of licht verstandelijke problematiek en op het gezinssysteem en de omgeving. Hierdoor is een dusdanig onveilige, crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Doelen van Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp zijn: a. te zorgen voor stabilisatie en rust; b. het gewone leven, inclusief school (of dagbesteding) en vrijetijdsbesteding zoveel mogelijk door te laten gaan; c. zo snel mogelijk terug te keren naar de omgeving van de jeugdige, wanneer de veiligheid voldoende gewaarborgd is. 7. Crisisverblijf Jeugd GGZ is noodzakelijk crisisverblijf voor een jeugdige met acute psychische of psychiatrische problematiek eventueel in samenhang met licht verstandelijke- of gezinsproblematiek waardoor thuisblijven geen optie is. Doelen van Crisisverblijf Jeugd GGZ zijn: a. te zorgen voor stabilisatie en een zekere mate van rust, zowel voor de jeugdige als de andere leden in het gezinssysteem; b.
het realiseren van een snelle terugkeer naar huis. 8. Crisispleegzorg is gericht op de jeugdige en/of het gezinssysteem. Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of ouders besloten is (in vrijwillig of justitieel kader) tot directe plaatsing in een crisispleeggezin, wordt de zorg voor de jeugdige vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. De doelen van Crisispleegzorg zijn: a. stabilisatie van de crisissituatie; b. het realiseren van een veilige gezinssituatie; c. het ontwikkelen van een perspectief voor de jeugdige en de ouder(s); d. er komt duidelijkheid voor de jeugdige en het gezinssysteem vastgelegd in een plan. Artikel 4.6 Jeugdhulpvervoer 1. Jeugdhulpvervoer is structureel route gebonden vervoer van de jeugdige in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van en naar jeugdhulplocaties. Dit is in beginsel collectief vervoer, tenzij individueel vervoer noodzakelijk is. 2. Is de eigen kracht niet toereikend, dan kan het college een tegemoetkoming in de kosten verstrekken voor het vervoer tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het is toegestaan de tegemoetkoming te besteden aan professionals, personen uit het sociaal netwerk of andere niet-professionals. 3.
De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op het belastingvrije bedrag per kilometer of de kosten van het openbaar vervoer en wordt op declaratie uitbetaald. Artikel 4.7 Heroverweging besluit individuele voorziening 1. Naar analogie van artikel 8.1.3 van de wet onderzoekt het college periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in dit hoofdstuk te heroverwegen. 2. Het college kan de individuele voorziening na de heroverweging ambtshalve toekennen.
17
HOOFDSTUK 5. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet en het bepaalde in deze verordening. 2. Het college weigert een pgb voor de kosten van een individuele voorziening als deze is gerealiseerd: a. vóór het indienen van de aanvraag; b. ná het indienen van een aanvraag maar voordat het college daarop heeft beslist, tenzij het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend. 3. Het college stelt nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb in het geval van verblijf buiten de gemeente Dinkelland en het buitenland. Artikel 5.2 Verplichtingen persoonsgebonden budget 1. Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college stelt een format voor dit Budgetplan beschikbaar. 2. De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. Artikel 5.3 Besteding en declaratie 1. Het pgb mag niet worden besteed aan de ouder(s) dan wel personen uit het sociaal netwerk als en voor zover: a. het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen kracht van de ouder(s); b. blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken. 2.
Het pgb mag niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het pgb, - van informatiemateriaal, - het vervoer (reiskosten) van de derde aan wie het pgb wordt besteed. 3. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 4. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de jeugdige of de budgethouder. 5. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan. 6. De jeugdige met een indicatie voor jeugdhulp in de vorm van specialistische ondersteuning of behandeling, kan het pgb alleen besteden aan een daartoe gekwalificeerde beroepskracht. In dat kader worden de ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk niet als gekwalificeerde beroepskracht aangemerkt. 7. Het pgb mag slechts worden besteed aan personen uit het sociaal netwerk, waaronder de ouder(s) als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is. 8. Het pgb wordt binnen drie maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Artikel 5.4 Kwaliteit derde aan wie het pgb wordt besteed 1.
De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het pgb aan een professional wordt besteed. Daaronder valt een afgeronde zorggerelateerde opleiding of een gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC op minimaal Mbo4 niveau.
18
2. Professionals, personen uit het sociaal netwerk en anderen die als niet-professional worden aangemerkt beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 4.16 van de wet, tenzij het een ouder in de zin van de wet betreft. De VOG is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden en niet ouder dan drie jaar. Een VOG wordt elke drie jaar opnieuw aangevraagd. 3. De kwaliteitseisen die gelden voor een professional, zijn onder meer: - gebruik maken van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken, - beschikken over een keurmerk of werken volgens een protocol, - het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering, - naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers dat in dienst is, gebaseerd op kwaliteitseisen voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Artikel 5.5 Hoogte persoonsgebonden budget 1. Voor de goedkoopst passende individuele voorziening hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van ofwel de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde jeugdhulp heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. a.
Voor individuele jeugdhulp geldt: 1 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het bedrag zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt; b. voor groepsgerichte jeugdhulp geldt: 1 80% van het tarief per dagdeel voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; 2 het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt. 3. Voor wonen en verblijf geldt: a. 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn; b. het bedrag per etmaal zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a kunnen worden aangemerkt. 4. Voor het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg geldt het bedrag geldend op 1 januari van elk kalenderjaar en als vakantiebijslag van toepassing is, dan is in het bedrag de vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verdisconteerd. 5.