Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Planstatus: vastgesteld Datum: 2023-08-31 IMRO code: NL.IMRO.1774.BUIBPDROSTEWEG28-VG01 Auteur: De Omgevingsadviseurs
2
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
3
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld’
4
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding .......................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................... 7 1.2 Ligging plangebied ............................................................................................................... 7 1.3 Planologische regeling .......................................................................................................... 8 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................... 9 Hoofdstuk 2 Huidige situatie ............................................................................................. 10 Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ............................................................................................ 12 3.1 Beoogde situatie ................................................................................................................ 12 3.2 Verkeer en parkeren .......................................................................................................... 14 3.3 Landschappelijk inpassingsplan ...........................................................................................
15 3.4 Strijdigheid bestemmingsplan ............................................................................................. 15 Hoofdstuk 4 Beleidskader .................................................................................................. 16 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................... 16 4.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 18 4.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................ 24 Hoofdstuk 5 Onderzoek ...................................................................................................... 28 5.1 Geluid ............................................................................................................................... 28 5.2 Bodem .............................................................................................................................. 28 5.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 28 5.4 Externe veiligheid...............................................................................................................
29 5.5 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................ 31 5.6 Ecologie ............................................................................................................................ 33 5.7 Archeologie & Cultuurhistorie .............................................................................................. 34 5.8 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................. 35 Hoofdstuk 6 Wateraspecten ............................................................................................... 37 6.1 Vigerend beleid .................................................................................................................. 37 6.2 Waterparagraaf.................................................................................................................. 38 Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording ................................................. 39 7.1 Opzet van de regels ........................................................................................................... 39 7.2 Verantwoording van de regels ............................................................................................
40 Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 42 8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 42 8.2 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................. 42
5
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Toelichting
6
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie Drosteweg 28 bevindt zich Boomkwekerij Slangenbeek. Boomkwekerij Slangenbeek is opgericht in 1998 vanuit de hobbysfeer. In 2005 is het agrarisch bedrijfsperceel aan de Drosteweg 28 gekocht. Na aankoop van het bedrijf in 2005 is het bedrijf omgezet naar een boomkwekerij. De initiatiefnemer wil zijn boomkwekerij verder ontwikkelen doormiddel van het aanleggen van een extra waterbassin. Het extra waterbassin is niet mogelijk binnen de planologische kaders van het geldende bestemmingsplan. Teneinde de gewenste ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. In voorliggende toelichting wordt aangetoond dat deze gewenste uitbreiding in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noordoosten van Saasveld, aan de Drosteweg 28. De ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1. De omgeving kenmerkt zich door vele veehouderijen. Daarnaast liggen er verspreid burgerwoningen en een aantal bedrijven.
Afbeelding 1: Ligging plangebied Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan. De plantoelichting gaat voornamelijk in op het realiseren van het waterbassin inclusief pomphuisje.
7
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
1.3 Planologische regeling Dit plan heeft betrekking op het perceel ten noorden van de bedrijfslocatie. Afbeelding 2 geeft, door middel van de rode bullit, de ligging van het perceel weer.
Afbeelding 2: Ligging nieuw waterbassin t.o.v. bestaande bedrijfslocatie Drosteweg 28 Op de grond waarop het nieuwe waterbassin wordt gerealiseerd is het Bestemmingsplan Buitengebied 2010 (vastgesteld 18 feb 2010) van toepassing. De locatie heeft de bestemming en aanduiding: • •
Enkelbestemming Agrarisch -1 Functieaanduiding – specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – boom- en sierteelt
Ten noorden van de stippellijn geldt de functieaanduiding niet. Daarnaast is voor het bedrijf van de initiatiefnemer op 30 mei 2017 het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Drosteweg 28 Saasveld’ vastgesteld. Afbeelding 3 geeft de ligging van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Drosteweg 28 Saasveld’ weer.
8
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Afbeelding 3: Bestemmingsplan 'Buitengebied, Drosteweg 28 Saasveld'
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de gewenste ontwikkelingen en de strijdigheid met het huidige bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 worden de wateraspecten getoetst. In hoofdstuk 7 worden de juridische aspecten en planverantwoording nader toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project besproken.
9
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Hoofdstuk 2 Huidige situatie Het bedrijf beschikt in de huidige situatie over circa 110 hectare grond, deels eigendom en deels gehuurd, die gebruikt wordt voor vollegrondsteelt van bomen en heesters. Daarnaast beschikt het bedrijf over grond die gebruikt wordt voor containerteelt. In de loop der jaren is de boomkwekerij verder gegroeid en inmiddels heeft het bedrijf 50 medewerkers en part-timekrachten voornamelijk uit de gemeente Dinkelland in dienst. In drukke periodes zijn er ook nog uitzendkrachten in dienst. De initiatiefnemer maakt gebruik van meerdere percelen. Een aantal percelen grenzen direct aan het bouwvlak en een aantal percelen liggen op korte afstand. Afbeelding 4 laat de omgeving van het bedrijf zien.
Afbeelding 4: Omgeving Drosteweg 28 te Saasveld
10
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Op het bedrijf is momenteel een waterbassin aanwezig ten behoeve van de pot- en containervelden. Het waterbassin ligt aan de noordzijde van het erf. Het waterbassin is noodzakelijk om de pottenvelden te bewateren. In de omgeving van het bedrijf is er geen grondwater. Om die reden gebruikt de initiatiefnemer oppervlaktewater vanuit de beek. Hiervoor zijn de nodige vergunningen van het waterschap aanwezig. Het water voor in het waterbassin wordt gepompt uit de Spikkersbeek en uit de beek, gelegen ten noorden van het bestaande bassin. De afgelopen zomers waren erg droog. Tijdens deze droge periodes mocht de initiatiefnemer geen water uit de beek halen. Tijdens deze periode bood het bestaande bassin te weinig opslagcapaciteit, waardoor hij water uit de omgeving moest halen. Hiervoor zijn grote tankwagens ingezet. De tankwagens haalden water uit de omgeving en brachten het water in het bestaande bassin. Deze ‘operatie’ kost veel tijd, veel geld en veel brandstof. Tevens genereert het veel onnodige vervoersbewegingen wat een belasting geeft op het omliggende wegennet. Het aantal bewegingen loopt in zeer droge perioden op tot wel 60 vervoersbewegingen per dag. Deze situatie is niet wenselijk. Daarom wil de initiatiefnemer meer opslagcapaciteit realiseren doormiddel van een extra waterbassin.
Initiatiefnemer wil het extra waterbassin aan de andere kant (noordkant) van de beek realiseren. Op dit moment wordt deze grond door initiatiefnemer gebruikt voor teelt. Direct langs de beek ligt een strook gras. In de afbeelding hieronder is de locatie in de huidige situatie van het plangebied weergegeven. Het plangebied is globaal weergegeven met rode arcering.
Afbeelding 5: Huidige situatie
11
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Beoogde situatie Het bestaande waterbassin ligt aan de beek. Aan de andere kant van de beek wil de initiatiefnemer het nieuwe waterbassin realiseren. De afmeting van het nieuwe waterbassin is circa 200 meter bij 50 meter. Het waterbassin heeft een oppervlakte van 10.000 m2. De initiatiefnemer wil een pompleiding aanleggen tussen het bestaande bassin en het nieuwe bassin. Het water uit het nieuwe bassin kan door middel van die pompleiding worden overgepompt naar het bestaande bassin. Vanuit daar worden de potten bewaterd. In natte tijden wordt water opgevangen en opgeslagen. Daarom is in de winterperiode extra opslagcapaciteit nodig. Dit water wordt in de zomer gebruikt voor het bewateren van de pot- en containervelden. Het bewateren werkt in een kringloop. De velden worden beregend vanuit het bassin, het water van de velden wordt opgevangen in een sloot en teruggepompt in het waterbassin. Tevens wordt het bassin bijgevuld met water uit de beek. Het bewateren van de planten gebeurt automatisch (computergestuurd). Doordat dit automatisch gebeurt, herbergt het bestaande pomphuis grotere en meer geavanceerde machines. Omdat die apparatuur, maar ook de waterbakken voor het toedienen van kunstmest, in het bestaande pomphuis staan, hoeven deze niet in het nieuwe pomphuis gerealiseerd te worden. Hierdoor komt in het nieuwe pomphuis enkel een pomp.
In afbeelding 6 is de nieuwe situatie weergegeven. In de legenda hieronder wordt dit verder toegelicht.
Afbeelding 6: Ligging nieuw waterbassin
12
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
De bestaande houtopstanden die ten oosten van het nieuwe waterbassin liggen, hebben in het ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’. Deze houtopstanden wijzigen niet. Er worden twee bomen verwijderd in de bestaande houtopstanden tussen het bestaande en het nieuwe pomphuis. Deze bomen worden verwijderd ten behoeve van de bereikbaarheid van het nieuwe waterbassin. De initiatiefnemer wil boven op het talud een afscheiding/hekwerk maken van ongeveer 1,2 meter hoog. Het bestaande waterbassin heeft ook een afscheiding. Een foto van het bestaande bassin, en dus een visualisatie van het nieuwe bassin, is weergegeven in afbeelding 7.
13
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Afbeelding 7: Bestaand waterbassin en hekwerk
3.2 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Binnen de gemeente Dinkelland is de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' van toepassing, die is gebaseerd op de reeds beschreven publicatie van het CROW.
14
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Situatie plangebied Het water voor in het waterbassin wordt gepompt uit de beek, gelegen ten noorden van het bestaande bassin. De afgelopen zomers waren erg droog. Tijdens deze droge periodes mocht de initiatiefnemer geen water uit de beek halen. Tijdens deze periode bood het bestaande bassin te weinig opslagcapaciteit, waardoor water uit de omgeving gehaald moest worden. Hiervoor zijn grote tankwagens ingezet. De tankwagens haalden water uit de omgeving en brachten het water in het bestaande bassin. Deze ‘operatie’ genereert veel onnodige vervoersbewegingen wat een belasting geeft op het omliggende wegennet. Door het extra waterbassin zijn de grote tankwagens niet meer nodig en vervallen de onnodige vervoersbewegingen. In de beoogde situatie zullen de verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie afnemen. Hierdoor zal aan de hand van de CROW-kengetallen geen extra verkeersgeneratie berekend hoeven te worden. Het voornemen ziet niet toe op het wijzigen danwel toevoegen van een nieuwe ontsluiting. De bestaande verkeersveilige en overzichtelijke in- en uitritten op de Drosteweg 28 blijft gehandhaafd. Gelet op het vorenstaande vormen de aspecten 'verkeer en parkeren' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de herziening van het bestemmingsplan.
3.3 Landschappelijk inpassingsplan De gemeente Dinkelland eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 en bijlage 2 bij deze toelichting bijgevoegd. De aanleg en de instandhouding van de landschappelijke verplichting wordt geborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
3.4 Strijdigheid bestemmingsplan De gewenste ontwikkeling is strijdig met het huidige bestemmingsplan, omdat binnen de bestemming ‘Agrarisch-1' de bouw- en gebruiksmogelijkheden ontbreken voor het aanleggen van het waterbassin met pomphuisje. De realisatie van het plan kan worden gerealiseerd door middel van een bestemmingsplanherziening waarbij de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – waterbassin’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – pomphuis’ worden toegevoegd. De functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt' verdwijnt.
15
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.
Sterke en gezonde steden en regio's. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
16
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generatie. Toetsing aan de NOVI In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten.
Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.” Toetsing aan de ladder Onderhavig initiatief behelst de realisatie van een waterbassin en een pomphuisje ten behoeve van de ontwikkeling van een bomenkwekerij in het buitengebied. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking, zodat een toets aan deze ladder niet hoeft plaats te vinden.
17
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende plan in overeenstemming is met het rijksbeleid.
4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. 4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel Op 13 november 2019 is door de Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 vastgesteld. De aanpassingen van de Omgevingsvisie die met de Actualisatie 2018/2019 zijn doorgevoerd zijn op 1 december 2019 in werking getreden. Met de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsvisie weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert.
Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De laatste actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van december 2021. Met de vaststelling van de Tussentijdse Actualisatie 2020/2021 is de Omgevingsverordening weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. Of - generieke beleidskeuzes 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
18
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vormgegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn.
Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De afbeelding hieronder geeft dit schematisch weer.
19
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
4.2.4 Toetsing aan het uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuze Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit), uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: •
•
Dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; Dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: • •
Dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; Dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 lid 2
20
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
In voorliggend plan is voornamelijk lid 2 van belang aangezien de voorgenomen ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Dinkelland zal plaatsvinden. De realisatie van een extra waterbassin is noodzakelijk en binnen het huidige bedrijfsperceel is hier geen ruimte voor. Daarnaast is uitbreiding direct grenzend aan de bestaande locatie vanuit kwalitatief en landschappelijk oogpunt de meest verantwoorde gebleken. Gezien de behoefte aan uitbreiding en het gebruik van eigen gronden (na ruil) om in deze behoefte te voorzien wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.3. lid 2. Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1: In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2: In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vierlagenbenadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing. Lid 3: In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 Lid 1: In het kader van de realisatie van het waterbassin en het pomphuisje is een Ruimtelijk Kwaliteitsplan opgesteld waarin met woord en beeld duidelijk wordt gemaakt welke landschapsmaatregelen in dit kader worden getroffen. In paragraaf 3.3 is dit plan toegelicht, kortheidshalve wordt voor een nadere toelichting hierop hiernaar verwezen. Hier wordt geconcludeerd dat de te treffen landschappelijke maatregelen per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Lid 2: Hieronder wordt nader ingegaan de wijze waarop de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt.
Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Lid 3: Hieronder wordt nader ingegaan op het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Hier wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. In de hierop volgende paragrafen blijkt dat de ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, hoe toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel, dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief en op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering en Catalogus Gebiedskenmerken. Artikel 2.1.6: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Lid 1: Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Lid 2: Lid 1 is niet van toepassing op de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op zelfstandige opstelling van zonnepanelen. Lid 3: In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door
21
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 Lid 1: Artikel 2.1.3, artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 zijn in acht genomen voor de gewenste ontwikkeling. De sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen zijn aangetoond en het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden worden in voldoende mate gecompenseerd door investeringen doormiddel van een landschappelijke inpassing. Hierbij is aansluiting gezocht bij het gemeentelijk beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’. Dit is uitgewerkt in het uitgewerkte Ruimtelijk kwaliteitsplan (KGO), wat is toegevoegd als bijlage 3). Lid 2: n.v.t. Lid 3: n.v.t. 4.2.4.2 Hoe -Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (Natuurlijke laag, Laag van het agrarischcultuurlandschap, Stedelijke laag en Lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ‘Stedelijke laag’ en de ‘Lust- en leisurelaag’ worden buiten beschouwing gelaten, omdat vanuit deze lagen geen bijzondere eigenschappen ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn. 1. De Natuurlijke laag Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen.
Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. De locatie waar het waterbassin en het pomphuis worden gerealiseerd is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met de gebiedstypen ‘Beekdalen en natte laagtes’. In afbeelding 8 is dit aangegeven.
Afbeelding 8: Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) ‘Beekdalen en natte laagtes’
22
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Toetsing initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ Het waterbassin draagt bij het vasthouden van water in dit gebied. Daarnaast is bij de landschappelijk inpassing rekening gehouden met de ligging van het gebied. Door middels het Ruimtelijk Kwaliteitsplan landschapsmaatregelen te treffen in de omgeving, wordt het verschil tussen hoog en laag, droog en nat versterkt. Hier wordt geconcludeerd dat het initiatief goed aansluit bij de gebiedskenmerken van de ‘Natuurlijke laag’ 2. ‘De laag van het agrarische cultuurlandschap’ In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld.
Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype ‘Essenlandschap’. In afbeelding 9 wordt dit weergegeven.
Afbeelding 9: Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Essenlandschap (Bron: Provincie Overijssel) ‘Essenlandschap’ ‘Essenlandschap’ Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lagergelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stal mest - heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Als ontwikkelingen plaats vinden in het
23
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ De planlocatie ligt naast een es en ligt daarmee lager dan de omgeving. Dit is een logische plek voor een waterberging. Op de planlocatie van het nieuwe waterbassin met pomphuisje geen sprake van de aanduiding ‘Waarde – Essen’. Het plangebied zal landschappelijk worden ingepast. Een uitgangspunt is dat de landschappelijke inpassing min of meer traditioneel moet zijn, in de sfeer van versterking van het authentieke landschap. Het uitgangspunt voor de verschillende ontwikkelde landschappelijke elementen is dat deze met het authentieke landschap verwant zijn, maar ook voor de bedrijfsvoering functioneel kunnen zijn. De beeldreferentie die hierbij betrokken kan worden is het beeld van boomgaarden, kwekerijen en andere agrarische activiteiten een zicht – maar juist ook een windkerende omkadering nodig hebben. Dat is in voorliggend geval ook zeker aan de orde. Hier wordt geconcludeerd dat het ter plaatse geldende gebiedskenmerk van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ geen belemmering vormt.
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende plan in overeenstemming is met het provinciaal beleid.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 MijnOmgevingsvisie Dinkelland De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.
De uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); Hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); Hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); Welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: • • • •
We doen het samen; We geven het goede voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties.
Toetsing aan MijnOmgevingsvisie Dinkelland Waardenkaart Binnen de waardenkaart van MijnOmgevingsvisie Dinkelland, ligt het plangebied in het Middelgroen landschap', waar beperkte ontwikkeling afgestemd op de schaal van het landschap mogelijk is. In de gebieden met de middelgroene kleur zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. De realisatie van een
24
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
waterbassin met pomphuisje kan gezien worden als een beperkte ontwikkeling, welke aansluit op het agrarisch gebruik. Door de landschappelijke inpassing als voorwaarde op te nemen vindt een afstemming met het landschap plaats. Speerpunten Eén van de speerpunten uit MijnOmgevingsvisie Dinkelland is de 'toekomstgerichte agrarische sector'. De gemeente vindt het van belang dat in het buitengebied gezonde en toekomstbestendige agrarische bedrijven blijven. De huidige landbouw loopt tegen grenzen aan. Zo is de kwaliteit van het landschap en de natuur afgenomen. Ook is verdroging een steeds groter wordend probleem. De gemeente zet de komende jaren in op gebiedsprocessen waarbij een economisch gezonde bedrijfsvoering het uitgangspunt is. Hierbij wordt ruimte gegeven voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. De huidige (nieuwere) opgaven die in het buitengebied spelen zijn opslag van CO2, waterberging of onderhoud van landschap en/of natuur. In voorliggend geval draagt het nieuwe waterbassin bij aan een duurzame en toekomstgerichte vorm van bedrijfsvoering. Doordat de waterberging zorgt voor minder verkeersbewegingen en het duurzaam (her)gebruiken van water.
4.3.2 Casco beleid Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de gemeenten van Noordoost Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen van het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In de praktijk werk de casco-benadering met het principe dat landschapselementen die tot het casco behoren niet verplaatst mogen worden. De landschapselementen buiten het casco mogen wel verplaatst worden, mits voldaan is aan de spelregels voor compensatie. Toetsing aan het Casco beleid De bestaande houtwallen aan de oostzijde van het plangebied maken onderdeel uit van het Casco. Deze houtwallen vallen echter buiten het plangebied. Het Casco wordt niet aangetast door de ontwikkeling van een waterbassin met pomphuisje. 4.3.3 Buitengebied met kwaliteit Op 25 januari 2022 is het beleid 'Buitengebied met Kwaliteit' vastgesteld. In dit beleid zijn meerdere beleidsnota's samengevoegd. Het doel hiervan is de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied van de gemeente te verbeteren en meer (economische) ontwikkelingen mogelijk te maken. Artikel 4.4 uitbreiding bedrijfsperceel Voor het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel met de functie 'Agrarisch bedrijf' is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren.
Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Op basis van de overzichtstabel 'basisbedragen waardevermeerdering en -vermindering' dient voor de functieverandering van 'Agrarisch' naar 'Agrarisch bedrijf' het verschil in waarde per m2 te worden aangehouden. De functie 'Agrarisch' heeft een waarde bedrag van € 6,- per m2. De functie 'Agrarisch bedrijf' heeft een waarde bedrag van € 22,- per m2. Dit is een waardevermeerdering van € 16,- per m2. Zie ook onderstaande tabel.
25
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Tabel waardeverandering uit beleid 'Buitengebied met Kwaliteit' KGO-berekening voor de ruimtelijke investering:
26
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Nieuw: aanduiding waterbassin en aanduiding natuur/bos
De verplichte kwaliteitsinvestering in de omgeving bedraagt €36.031,04. De bijdrage kan in zijn geheel worden besteed aan 2 verschillende doeleinden. Aan de zuidzijde van het oorspronkelijke erf (Drosteweg 24) is een oude weg gelegen. Wegen die van oorsprong van erf tot erf liepen om de afstanden te verkorten. Dit pad wordt in ere hersteld met de aanplant van bomen en het verbeteren van het pad. Daarnaast wordt de basisinspanning rondom het waterbassin aangevuld met zware bomen om de groenstructuur eerder aan te laten sluiten bij haar omgeving. In de bijlage ‘Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO’ is de KGO-investering verder toegelicht. 4.3.4 Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in de voorgenomen ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
27
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Hoofdstuk 5 Onderzoek 5.1 Geluid Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een geluidsgevoelig object, danwel het toevoegen van een grote geluidsbron. De aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het bedrijf op de omgeving. Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.2 Bodem Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Situatie plangebied Op de locatie van het waterbassin en pomphuisje zullen niet voor langere periode mensen verblijven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.3 Luchtkwaliteit Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
28
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Situatie plangebied Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een waterbassin en pomphuisje ten behoeve van de boomkwekerij. Deze uitbreiding is gewenst in verband met een meer efficiënte en rendabele wijze van exploitatie van het bedrijf waardoor beter kan worden ingespeeld op veranderende weersomstandigheden. Daarnaast kan door deze uitbreiding de constante toevoer van tankwagens komen te vervallen, hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen minder worden.
Verwezen wordt naar de verkeersparagraaf waar dit nader beschreven wordt. Gezien het vorenstaande wordt derhalve geconcludeerd dat de fijn stof emissies dalen en dat het project is aan te merken als een project welke ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke
29
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); De Regeling externe veiligheid (Revi); Het Registratiebesluit externe veiligheid; Het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); Het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); De Regeling basisnet; De (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Situatie plangebied Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 10 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is met de gele pijl aangegeven.
Afbeelding 10: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: •
30
Zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
• • •
Zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; Niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; Niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
31
Bestemmingsplan Buitengebied, uitbreiding Drosteweg 28 te Saasveld
Situatie plangebied De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De boomkwekerij ter plaatse van het plangebied kan het best worden vergeleken met de functie ‘Tuinbouw (kassen zonder verwarming)’ uit de VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Dit betreft een milieucategorie 2 bedrijf, met een grootste richtafstand van 30 meter voor mogelijke geluidshinder. Voor de aspecten geur, stof en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter. Aan de oostzijde van het plangebied is op de locatie Gunnerstraat 48 een woonperceel gevestigd. In de bestaande situatie ligt het woonperceel binnen een afstand van 30 meter.