TAM-omgevingsplan Saasveld De Hagen 13 - 15_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering Saasveld, De Hagen 13-15
Plannaam: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Saasveld, De Hagen 13-15 Plantype: Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan IMRO: NL.IMRO.1774.TAMKKDEHAGEN1315-VG01
2
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ............................................................................................................................................ 5 1.1 1.2 1.3
2.
Toekomstige situatie ........................................................................................................................ 8 2.1 2.2
3.
4.
5.
Inleiding en aanduiding plangebied ..................................................................................... 5 Beoordelingskader en belangenafweging ........................................................................... 6 Leeswijzer ............................................................................................................................ 6 Gewenste ontwikkeling ........................................................................................................ 8 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving ............................................................ 9
Toetsing aan omgevingsplan ..................................................................................................... 10 3.1 3.2
Omschrijving nieuwe situatie ............................................................................................. 10 Toetsing aan het omgevingsplan ....................................................................................... 10
3.2.1 3.2.2
Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Saasveld’ ................................................................ 10 Bruidsschat ........................................................................................................................ 10
Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht ............................ 12 4.1
Visie en beleid voor het plangebied................................................................................... 12
4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4
Nationale omgevingsvisie .................................................................................................. 12 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ............................................ 13 Omgevingsvisie Dinkelland ............................................................................................... 16 Nota omgevingskwaliteit .................................................................................................... 19
4.2
Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ................................................. 19
4.2.1 4.2.2 4.2.3
Vooroverleg provincie ........................................................................................................ 19 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen ............................................................................ 19 Participatie omgeving ........................................................................................................ 20
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ...................................................................................... 21 5.1 5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking............................................................................... 21 m.e.r.-beoordeling.............................................................................................................. 22
5.2.1 5.2.2 5.2.3
Algemeen ........................................................................................................................... 22 Situatie plangebied ............................................................................................................ 23 Conclusie ........................................................................................................................... 23
5.3
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren .................................................................... 23
5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4
Algemeen ........................................................................................................................... 23 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) .................... 23 Parkeren ............................................................................................................................ 24 Conclusie ........................................................................................................................... 24
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming ........................................................................ 24
6. 7.
5.4.1 5.4.2 5.4.3
Natura 2000-gebieden ...................................................................................................... 24 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................. 25 Soortenbescherming ......................................................................................................... 25
5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12
Luchtkwaliteit ..................................................................................................................... 26 Geluid ................................................................................................................................. 27 Geur ................................................................................................................................... 29 Omgevingsveiligheid .......................................................................................................... 29 Trilling ................................................................................................................................. 31 Archeologie en Cultuurhistorie ........................................................................................... 32 Bodem ................................................................................................................................ 32 Waterbelang ....................................................................................................................... 33
Financiële haalbaarheid ................................................................................................................. 35 Juridische verantwoording.............................................................................................................. 36 7.1 7.2
Inleiding ............................................................................................................................. 36 Opzet van de regels........................................................................................................... 36 3
7.2.1 7.2.3 7.2.4 7.2.5
Algemeen ........................................................................................................................... 36 Juridisch ponsen ................................................................................................................ 37 Algemene regels ................................................................................................................ 37 Overgangsregels ............................................................................................................... 37
7.3
Verantwoording van de regels ........................................................................................... 38
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de locatie aan De Hagen 13-15 in Saasveld. Op het perceel bevindt zich een leegstaand pand. De gronden van deze locatie zijn aangeduid voor een maatschappelijke functie, maar in de feitelijke situatie is het pand jarenlang gebruikt als woning met een fysiotherapiepraktijk aan huis. Het voornemen is om het pand volledig in gebruik te nemen als één woning. Hiervoor dient een functiewijziging van maatschappelijk naar wonen plaats te vinden. Het voornemen is in strijd met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het plangebied ligt in de gemeente Dinkelland, in het noordoosten van de kern Saasveld. Het plangebied staat kadastraal bekend als (voormalige) gemeente Weerselo (WSL02), sectie B, perceelnummer 4686. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in afbeelding 1.1 met een rode ster en een rode omlijning.
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: plattekaart.nl, bewerkt)
5
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. Het waterschap is akkoord met het project (zie paragraaf 5.12). Verder is het project afgestemd met omwonenden. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op.
Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. 6
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
7
2.
Toekomstige situatie
2.1 Gewenste ontwikkeling Het plangebied ligt aan De Hagen 13-15 in Saasveld. Momenteel betreft het plangebied een leegstaand pand dat jaren is gebruikt ten behoeve van het wonen met een fysiotherapiepraktijk aan huis. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van deze huidige situatie weergegeven. In afbeelding 2.2 is een straatbeeldfoto weergegeven van de huidige situatie. In de gewenste situatie wordt het gehele pand in gebruik genomen als één woning. Hiermee verdwijnt de fysiotherapiepraktijk aan huis. Er vinden hierbij geen fysieke wijzigingen plaats.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK, bewerkt)
8
Afbeelding 2.2 Straatbeeldfoto huidige situatie (Bron: Google Maps, augustus 2016)
2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de functiewijziging van een bestaand gebouw. Er wordt niets gesloopt of nieuw gebouwd. Er vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Er wordt geconcludeerd dat het voornemen geen invloed heeft op bestaande landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden.
9
3.
Toetsing aan omgevingsplan
In deze paragraaf wordt het initiatief (de vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit(en) of de gevraagde wijziging van het omgevingsplan) getoetst aan het geldende omgevingsplan. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat in ieder geval uit: -
Bestemmingsplannen, wijzigingsplannen: Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland, Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland, Bestemmingsplan Saasveld; Hoofdstuk 22 Bruidsschat; Hogere waarden besluiten; Gemeentelijke verordeningen: Erfgoedverordening, Geurverordening Dinkelland, Verordening afvoer van hemelwater, Bodemkwaliteitskaart.
3.1 Omschrijving nieuwe situatie De voorgenomen ontwikkeling betreft een functiewijziging van 'maatschappelijk' naar 'wonen' aan De Hagen 13-15 in Saasveld. In de huidige planologische situatie is sprake van een woning met een fysiotherapiepraktijk aan huis. Met de functiewijziging verdwijnt de praktijk en wordt het gehele pand in gebruik genomen als één woning. Er vinden geen fysieke aanpassingen plaats. 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: -
Functiewijziging van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’
3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Saasveld’ Het voornemen betreft een functiewijziging van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’ voor het pand aan De Hagen 13-15 in Saasveld. De regels uit het bestemmingsplan Saasveld staan deze ontwikkeling niet toe, omdat het gebruik van het pand als één woning niet is toegestaan. Het plan is niet in strijd met de regels uit het paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
3.2.2 Bruidsschat Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 3 juli 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: -
Omgevingsplan gemeente Dinkelland (03-07-2024); Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland (05-07-2021); Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland (29-05-2018); Bestemmingsplan Saasveld (18-09-2012).
Voor de duiding van het planologisch regime van het plangebied is met name het bestemmingsplan ‘Saasveld’ van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Het parkeerbeleid van de gemeente is doorvertaald in het ‘Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland’. In afbeelding 3.1 is een uitsnede van de verbeelding, behorende bij het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
10
Afbeelding 3.1
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Saasveld” (Bron: Omgevingswet.overheid.nl, bewerkt)
Op basis van het bestemmingsplan ‘Saasveld’ zijn de gronden op het perceel aangemerkt met een maatschappelijke functie. Er is hierin een bouwvlak opgenomen. De maximum bouwhoogte is 10 meter en de maximum goothoogte is 6 meter. In onderstaande alinea wordt een korte functieomschrijving gegeven. Maatschappelijk De voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met daaraan ondergeschikt wonen, voor zover het de tweede en/of hogere bouwlaag betreft. Daarnaast zijn andere voorzieningen openbare nutsvoorzieningen, groen- en parkeervoorzieningen toegestaan.
11
4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie 4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte.
Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
12
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Toetsing In voorliggend geval betreft het een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgenomen ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.
4.1.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
4.1.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 4.1.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
13
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. Of - generieke beleidskeuzes; 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven; 3. Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 4.1.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
4.1.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
4.1.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
14
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
4.1.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.1.2.4.1 Of- Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” is met name het artikel 4.9 (ruimtelijke kwaliteit) van belang. Op de betreffende artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 4.9 (ruimtelijke kwaliteit) Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: • • •
het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Toetsing van het initiatief artikel 4.9 De functiewijziging draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit door een gebruik toe te staan dat beter past binnen het dorpse karakter en de woonomgeving. Met het verdwijnen van de praktijk aan huis vermindert de verkeersdruk, wat bijdraagt aan een relatief rustigere en veiligere woonomgeving. De overgang tussen het pand en de omgeving blijft behouden. Daarnaast blijft de bestaande groenstructuur onaangetast, wat bijdraagt aan de ruimtelijke beleving. Doordat er geen fysieke ingrepen plaatsvinden, blijft de karakteristieke uitstraling van de locatie behouden.
15
4.1.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’. Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bijbouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' Het initiatief past binnen het ontwikkelingsperspectief ‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’ doordat het bijdraagt aan een zorgvuldig ruimtegebruik door functieverandering binnen de bestaande bebouwing, zonder fysieke uitbreiding. Hiermee wordt ingezet op herstructurering en behoud van vitaliteit binnen de bestaande dorpsstructuur. Doordat geen nieuw ruimtebeslag plaatsvindt, blijft de open en groene omgeving behouden en wordt het watersysteem niet extra belast.
Dit maakt het initiatief passend binnen een klimaatbewuste en ruimtelijk afgewogen ontwikkeling. 4.1.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap en de laag van de beleving gelden binnen het plangebied geen gebiedskenmerken. Hierna wordt het voornemen getoetst aan de stedelijke laag. 1. De stedelijke laag Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘stedelijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Woonwijken 1955-nu’. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a.
wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Toetsing van het initiatief aan de ‘Stedelijke laag’ Het initiatief betreft enkel een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing en doet daarmee geen afbreuk aan het planmatige karakter of de verkavelingsstructuur van de wijk. De aard, maat en uitstraling van het pand blijven ongewijzigd, waardoor het ruimtelijke en groene karakter van de naoorlogse woonwijk behouden blijft. Hierdoor blijft het geheel herkenbaar als onderdeel van het wijkbeeld. 4.1.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland 4.1.3.1 Algemeen De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.
Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
16
MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. 4. We wentelen niet af op volgende generaties. 4.1.3.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema’s ‘Leefbare kernen’ van belang. Leefbare kernen De gemeente wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. Inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen.
Aan de andere kant worden ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop gezien die kernen juist krachtiger maken. Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wordt voortgezet aan de hand van vier speerpunten: • • • •
voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte.
Toetsing De functiewijziging draagt bij aan het voornemen van de gemeente voor leefbare kernen, omdat de woningfunctie beter aansluit bij de bestaande structuur van de omgeving. Het pand bevindt zich in een woongebied, waar de transformatie van een voormalige fysiotherapiepraktijk naar een volwaardige woning de wijk op een natuurlijke manier aanvult. Door het verdwijnen van de praktijk komt er meer ruimte voor woonkwaliteit in een gebied dat al voornamelijk is ingericht voor wonen. Dit zorgt voor een grotere leefbaarheid in de buurt, omdat de woningfunctie beter past bij de rustige, woonbestemming van het gebied. 4.1.3.3 Waardenkaart In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode omlijning. Het plangebied ligt in het gebied ‘landelijke kernen’.
17
Afbeelding 4.2 Uitsnede Waardenkaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Landelijke kernen Landelijke kernen kenmerken zich door een kleinschalige bebouwing die op natuurlijke wijze verbonden is met het omliggende buitengebied. Deze dorpen en kleine woonkernen hebben een dorpse structuur waarin sociale samenhang en landschappelijke inpassing een belangrijke rol spelen. Een essentieel kenmerk is het kleinschalige bebouwingsbeeld, dat bijdraagt aan de herkenbaarheid en het dorpse karakter. Daarnaast zijn ontmoetingsplekken, zoals pleinen, dorpshuizen en andere centrale ruimten, van belang om de leefbaarheid en sociale interactie te versterken. De overgang van bebouwing naar het landschap is veelal afwisselend en niet strak afgebakend. Deze ‘rafelige’ dorpsranden zorgen voor een vloeiende verbinding tussen het dorp en het buitengebied, waarbij groene elementen en open structuren behouden blijven. Ook binnen de dorpskern zelf spelen groen en bomen een belangrijke rol in de ruimtelijke beleving en leefkwaliteit. Veel landelijke kernen hebben een kerk die het dorpssilhouet bepaalt. Het behouden van zichtlijnen naar deze beeldbepalende gebouwen draagt bij aan de herkenbaarheid en de historische waarde van het dorp. Daarnaast komt op verschillende plekken karakteristieke bebouwing voor, die de identiteit van de kern versterkt en beleefbaar gehouden wordt.
Ook het omliggende landschap speelt een belangrijke rol in de ruimtelijke beleving. Door de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het buitengebied te waarborgen, blijven waardevolle cultuurhistorische elementen, zoals oude erven, houtwallen en waterlopen, herkenbaar en beleefbaar. Deze samenhang tussen bebouwing, groen, ontmoetingsplekken en landschap maakt landelijke kernen tot herkenbare, leefbare en goed ingepaste woonomgevingen. Toetsing Het voornemen sluit aan bij de waarde ‘landelijke kernen’ doordat het bestaande pand op een passende manier wordt benut binnen het kleinschalige bebouwingsbeeld van de dorpskern. Door de 18
functiewijziging naar uitsluitend wonen ontstaat een gebruik dat beter aansluit bij de dorpse structuur en de rustige, woongerichte omgeving. De bestaande ruimtelijke opzet, groene inpassing en zichtlijnen blijven behouden, waarmee de relatie met het omliggende landschap en de kwaliteit van de dorpsrand gewaarborgd blijven. Daarnaast draagt het verdwijnen van de praktijk aan huis bij aan de leefbaarheid en rust binnen de kern, zonder afbreuk te doen aan de herkenbaarheid en beleefbaarheid van de plek. Daarmee wordt de ruimtelijke en landschappelijke samenhang van de landelijke kern versterkt. 4.1.4 Nota omgevingskwaliteit Algemeen Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art.
22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. Toetsing De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen met de omgevingskwaliteit ‘basis omgeving’. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het handhaven van basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan de omgeving niet verstoord. In voorliggend geval gaat het slechts om een functiewijziging van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’.
Er vinden geen fysieke wijziging plaats, waardoor het voornemen geen invloed heeft op de omgevingskwaliteit: het voornemen verstoord de omgeving niet. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Vooroverleg provincie De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het voorgenomen initiatief valt onder de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ (categorie woningbouw ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen in het stedelijk gebied). Hierdoor is er voor de voorgenomen ontwikkeling geen vooroverleg met de provincie nodig, en is advies of instemming niet vereist. Kennisgeving vindt plaats vlak voordat het plan ter inzage gaat. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Middels een watertoets is het waterschap op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit volgt geen belang van een verdere procedure. Het waterschap is op de hoogte gesteld van het planvoornemen. Zie ook paragraaf 5.12 van deze toelichting.
19
4.2.3 Participatie omgeving De gemeente Dinkelland heeft in ‘inwonersparticipatie gemeente Dinkelland’ haar beleid bepaald op het gebied van participatie. Hierin heeft de gemeente vorm gegeven aan de manier waarop ze haar inwoners betrekt bij gemeentelijke opgaven. Onder de Omgevingswet is het belangrijk dat de initiatiefnemer in dialoog gaat met de omgeving. In het geval van een wijziging van het Omgevingsplan geldt een motiveringsplicht voor de gemeente. Hoe zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de besluitvorming betrokken en wat zijn de resultaten. Daarnaast moet de gemeente het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen publiceren. In de publicatie moet staan hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. In het kader van het planvoornemen zijn de direct omwonenden van het plangebied geïnformeerd middels een participatieflyer. Deze flyer, opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting, is verspreid onder de bewoners van de aangrenzende en tegenoverliggende percelen aan De Hagen 7, 9, 11, 12, 17 en 21. Hiervoor is gekozen gezien de kleinschalige aard van de voorgenomen functiewijziging. In de flyer is het planvoornemen beknopt toegelicht en is de mogelijkheid geboden om vragen te stellen, opmerkingen te maken of in gesprek te gaan met de initiatiefnemer.
De contactgegevens van de initiatiefnemer zijn hierbij vermeld. Er zijn naar aanleiding van de flyer geen reacties ontvangen. Er is geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot het stellen van vragen of het voeren van een gesprek. Gezien het uitblijven van reacties mag worden geconcludeerd dat er geen bezwaren bestaan tegen het plan en dat er in voldoende mate draagvlak is binnen de directe omgeving.
20
5.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: -
de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden.
Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Het plan voorziet in een functiewijziging van maatschappelijk naar wonen. In de huidige planologische situatie is al deels sprake van een woning. Deze is ondergeschikt aan de maatschappelijke functie: 21
een fysiotherapiepraktijk. Er wordt per saldo geen nieuwe woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Wanneer een plan voorziet in niet meer dan 11 woningen dan kan dit niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtuitspraak ‘ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921’. Daarnaast geldt als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl. 5.2 m.e.r.-beoordeling 5.2.1 Algemeen Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • •
de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: •
•
De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct planmerplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-merbeoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
22
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • •
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
5.2.2 Situatie plangebied M.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig? Voorgenomen ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Ob. uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hiermee geldt geen m.e.r.-plicht. Er is ook geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien er geen sprake is van uitbreiding. Milieueffecten project Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan het omliggende netwerk deze prima verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woonen leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Tevens blijkt uit voorliggende ruimtelijke motivering dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt. 5.2.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten.
Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom; Functie: koop, huis, vrijstaand.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per functie. Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand
Verkeersgeneratie 8,2
Totaal (afgerond naar boven) 9 23
Op basis van de genoemde uitgangspunten leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een verkeersgeneratie van circa 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De Hagen en de overige wegen in Saasveld kunnen dit beperkte aantal verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier opvangen en verwerken. Daarnaast wordt opgemerkt dat in de huidige planologische situatie sprake is van een combinatie van wonen en een fysiotherapiepraktijk aan huis. Met de functiewijziging naar uitsluitend wonen zal het aantal verkeersbewegingen per saldo afnemen ten opzichte van de huidige planologische situatie. 5.3.3 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Voor de parkeerbehoefte worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Stedelijke zone: rest bebouwde kom; Functie: vrijstaand.
Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand
Parkeernorm 2,3
Totaal (afgerond naar boven) 3
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt de parkeerbehoefte afgerond drie parkeerplaatsen. Op de oprit van het pand is ruimte voor één parkeerplaats, en direct voor het pand zijn drie openbare parkeerplaatsen beschikbaar. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeerbehoefte. Daarnaast wordt opgemerkt dat in de huidige planologische situatie sprake is van een combinatie van wonen en een fysiotherapiepraktijk aan huis. Met de functiewijziging naar uitsluitend wonen neemt de parkeerbehoefte per saldo af ten opzichte van de huidige planologische situatie. 5.3.4 Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.