TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Buitengebied, Rossumerstraat 19 en 19a Agelo_Motivering.pdf
Tekst van het document
5.11.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied door Kruse Groep een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze toelichting. Verder wordt opgemerkt dat op een onderdeel van het plangebied nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd. Dit betreft het gebied dat in afbeelding 2.2 is aangegeven met het paarse vlak. Dit betreft een locatie dat reeds een bedrijfsfunctie heeft, of heeft gehad. Hiermee wordt er vanuit gegaan dat de bodem ter plaatse reeds geschikt is voor een bedrijfsfunctie. Resultaten verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Bovengrond voormalig agrarisch erf - de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met minerale olie; - de bovengrond (BG II) is licht verontreinigd met lood; - de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; - mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend; - mengmonster MM FF - 02 is niet asbesthoudend; - mengmonster MM FF - 03 is niet asbesthoudend. Bovengrond weiland - de bovengrond (BG IV) is niet verontreinigd.
Ondergrond en grondwater voormalig agrarisch erf en weiland - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 401) is zeer licht verontreinigd met barium (natuurlijke achtergrondwaarde Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 401) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar paragraaf 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de mengmonsters van boven- en ondergrond (BG III, BG IV en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. In de mengmonsters van de fijne fractie (MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03) is geen asbest aangetoond. 44
5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12 Waterbelang 5.12.1 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art.
5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. 5.12.2 Situatie plangebied In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de weging van het waterbelang. Het doel hiervan is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de weging van het waterbelang moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.hetwateradvies.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘korte procedure’ van toepassing is (zie bijlage 10). Het waterschap heeft bevestigd dat het voorliggend plan geen waterschapsbelangen raakt. Hierna wordt kort ingegaan op de wateraspecten in het plangebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. De gemiddelde grondwaterstand (GHG) ligt op circa 0,3 meter onder het maaiveld. Hemelwater De voorgenomen ontwikkeling resulteert per saldo in een afname van het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied. Hierdoor krijgt het hemelwater meer kans om in de bodem te infiltreren. Het hemelwater wordt bovendien niet afgevoerd naar het rioolstelsel.
45
Afvalwater Het afvalwater en regenwater worden apart afgevoerd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemeentelijke gemengde rioleringssysteem. Het rioolstelsel wordt dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd. 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13 Spuitzonering 5.13.1 Algemeen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers.
Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht.
Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. 5.13.2 Situatie plangebied Rondom het plangebied zijn diverse agrarische gronden aanwezig, waar het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet is uitgesloten. Om ervoor te zorgen dan het onderdeel spuitzonering geen belemmering vormt, is in voorliggend omgevingsplan door middel van een aanduiding vastgelegd dat binnen 50 meter van de nieuwe bedrijfsfunctie geen bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt. Hierbij is nadrukkelijk rekening gehouden met een zone rondom de nieuwe ontwikkelingen. Daar waar een bedrijfsfunctie is opgenomen, maar deze functie niet nieuw is, spuitzonering niet geregeld. Deze planologische inperking is met de betreffende grondeigenaren afgestemd en akkoord bevonden.
46
5.13.3 Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande, vormt spuitzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
47
6.
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
48
7.
Toelichting planregels
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.
Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Functieregels en gebiedsaanwijzingen; • Algemene regels aan activiteiten; • Overgangsregels. 7.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.
De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
49
Preambule Dit plan beoogt de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Rossumerstraat 19 in Agelo. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. • • •
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22o van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22o’ gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22o bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3 Juridisch ponsen Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels: Artikel 3 (Toepassingsbereik) a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Rossumerstraat 19, Agelo waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIROSSMRSTRT19-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels.
Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (artikel 8): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. • Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 9): in dit artikel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. • Regels parkeren (artikel 10): in dit artikel zijn de regels omtrent parkeereisen opgenomen. • Overige regels (artikel 11): in dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen. 7.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
50
7.3 Verantwoording van de regels Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch - 1 (Artikel 4) Daar waar binnen het plangebied, op basis van het vorige planologisch regime, een agrarisch bouwvlak, danwel een functieaanduiding m.b.t. agrarische bedrijfsactiviteiten waren opgenomen, is de functie ‘Agrarisch – 1’ opgenomen. Binnen deze functie zijn de agrarische bedrijfsfuncties wegbestemd. Daarnaast is ter bescherming van de gezondheid een contour van 50 meter rondom de functie bedrijf opgenomen. Binnen de functie ‘Agrarisch – 1’ is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen’, verboden. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’. Bedrijf (Artikel 5) Om de voorgenomen uitbreiding van het bedrijfsperceel mogelijk te maken, is de functie ‘Bedrijf’ opgenomen.
Binnen deze functie zijn bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, te behoeve van de productie/reparatie/inkoop/verkoop/verhuur van generatoren toegestaan. Tevens zijn bedrijfswoningen toegestaan. De locatie van de toegestane bedrijfswoning zijn vastgelegd middels de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Verder is in de functie het maximum oppervlak aan bedrijfsgebouwen en overkappingen vastgelegd. Tot slot is in deze functie een voorwaardelijke verplichting, voor de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het inrichtingsplan, opgenomen. Bos – Natuur (Artikel 6) Deze functie is opgenomen op de locaties waar op basis van het inpassingsplan bos en natuurelementen zijn beoogd. Binnen deze functie mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn beoordelingsregels opgenomen. Overige zone – Landschap (Artikel 7) Daar waar op basis van het geldend planologisch regime de gebiedsaanwijzing ‘Overige zone – Landschap’ (voorheen: ‘Waarde – Landschap’) geldt, is deze gebiedsaanwijzing overgenomen. Gronden binnen de gebiedsaanwijzing 'Overige zone - Landschap' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), aangewezen voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen.
51
Bijlagen bij de ruimtelijke motivering Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12
Ruimtelijk kwaliteitsplan Participatieverslag Notitie Ladder voor duurzame verstedelijking Stikstofonderzoek Quickscan flora & fauna Nader onderzoek huismus Nader onderzoek vleermuis Akoestisch onderzoek geluid door wegen Bodemonderzoek Watertoets Berekening en inzet sloopmeters Zienswijzennota
52
53