TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie.pdf
Tekst van het document
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. 5.6.2
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Het voorliggende plan staat geen geluidgevoelige objecten toe. Het beoogde plan staat enkel bosaanplant toe in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 33
Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat 5.6.3
Geluid afkomstig van project op omgeving
Het voorliggende plan staat geen geluidgevoelige objecten toe. Het beoogde plan staat enkel bosaanplant toe in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat). In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets Het beoogde plan staat geen geurgevoelige objecten toe aan het plangebied. Daarnaast voegt het beoogde plan ook geen geurhinder toe aan de omgeving. Conclusie Het plangebied staat geen geurgevoelige objecten toe en voegt geen geurhinder toe aan de omgeving door de aanplanting van bos. Verdere toetsing aan het Bkl is niet benodigd.
5.8 Omgevingsveiligheid Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); 34
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Conclusie Volgens bijlage VI bij artikel 5.3, tweede en derde lid van het Bkl valt het bos niet onder kwetsbare locaties. Het beoogde initiatief voegt geen kwetsbare locatie toe. Verdere toetsing van de omgevingsveiligheid op het beoogde initiatief is niet nodig.
5.9 Trilling De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. Conclusie Met het beoogde project worden er geen trilling gevoelige objecten toegevoegd. Ook voegt het te planten bos geen trilling toe aan de omgeving. Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.
5.10
Archeologie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 35
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Toets Archeologie Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat op de percelen verschillende archeologische waarden liggen. Binnen het plangebied liggen verschillende archeologische verwachtingswaarden: 1. Dekzandhoogten en – ruggen met een plaggendek: Archeologisch onderzoek bij 2.500 m² en dieper dan 40 cm; 2. Dekzandwelvingen en -vlakten: Archeologisch onderzoek bij 5.000 m² en dieper dan 40 cm; 3. Beekdalen en overige laagten: vrijstelling Figuur 5.1 toont een uitsnede van de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland met het plangebied in het blauw gemarkeerd.
Figuur 5.1 Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart gemeente Dinkelland. Plangebied in blauw gemarkeerd (Bron: gemeente Dinkelland) Het gebied die betrekking heeft op de functiewijziging heeft een lage archeologische waarden (zuidzijde) en een middelmatige verwachting van archeologische waarden. Echter ligt het zuidelijke gedeelte wel in een bufferzone van een erf, adellijk huis of watermolen, waar een hoge verwachting is voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Hiervoor geldt dat er archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij 36
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
bodemingrepen van groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm. Cultuurhistorie Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect cultuurhistorie. Toets In voorliggend geval gaat het om de aanplant van nieuw bos en/of natuur, hierbij zal door het omploegen van de grond, de bodem geschikt worden gemaakt voor de nieuwe aanplant. Bij het omploegen zal de maximaal toegestane diepte bij bodemingrepen van 40 cm niet worden overschreden, omdat het jonge aanplant betreft is het niet nodig om dieper te gaan. Hierdoor zal de ontwikkeling geen archeologisch waardevolle grond verstoren. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig op de betreffende percelen. Het gaat om gronden met een agrarische functie en ook als zodanig in gebruik zijn, die worden omgezet naar de functie 'Bos - Natuur'. Er wordt hierom geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. Conclusie Met voorliggend plan zullen er geen negatieve gevolgen zijn m.b.t. de archeologische en cultuurhistorische waarden ter plaatse. Het onderdeel archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.11
Bodem
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Voor het wijzigen van een agrarische functie naar de functie 'Bos - Natuur' ten behoeve van de aanplant van bos is geen bodemonderzoek nodig. Er worden geen gebouwen of ruimtes gerealiseerd waar mensen minimaal 2 uur verblijven op grond waarvan een bodemonderzoek vereist is. Daarnaast is het gezien de aard van de locatie niet aannemelijk dat er sprake is van een (ernstige) bodemverontreiniging. Daarbij komt dat geen sprake is van aanzienlijke bodemingrepen of wijziging naar een meer gevoelig gebruik. Er worden geen bouwactiviteiten uitgevoerd en ook geen handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging en/ of het beïnvloeden van de structuur of de kwaliteit van de bodem. Daarom wordt een bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk geacht. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 37
Conclusie Er is voor het beoogde project geen bodem onderzoek nodig en vormt het milieuaspect bodem geen belemmering voor het beoogde project.
5.12
Waterbelang
5.12.1 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. 5.12.2 Waterparagraaf Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging.
Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. Het waterschap voert het beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
38
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel van het waterschap is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets. Toets Voor de realisatie van het stuk bos is ervoor gekozen om de digitale watertoets in te vullen, zie Bijlage 3 voor de ingevulde watertoets. Na het invullen van de digitale watertoets is ervoor gekozen om direct contact te zoeken met het waterschap. Op 25 maart 2025 is de watertoets ingevuld.
Hierop is op 2 april 2025 direct contact gezocht met de gemeente en is de waterparagraaf uit dit plan voorgelegd aan het waterschap. Op 17 april 2025 is een reactie vanuit het waterschap gekomen waarbij een positief advies wordt gegeven m.b.t. voorliggend plan. Onderstaande toets is in overeenstemming met waterschap Vechtstromen opgenomen. Voorgenomen plan voorziet in het wijzigen van agrarische functie naar de functie 'Bos en Natuur' op het perceel nabij de Plegtsweg 1. Binnen het plangebied is sprake van verschillende grondwaterstanden. Zo ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het westen van het perceel tussen de 0,2 en de 0,4 meter onder het maaiveld. In het oosten van het perceel ligt de GHG op ongeveer 0,2 meter onder het maaiveld tot op het maaiveld. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) op het perceel ligt tussen de 0,8 en de 1 meter onder het maaiveld. Langs het zuiden en oosten van het perceel loopt een sloot. Door het perceel lopen verder geen sloten of paden. Bij de bosaanplant worden geen watergangen gedempt of aangepast. Door het vochtige karakter van het zuidelijke en oostelijke deel van het perceel, leent dit gebied zich het beste voor het creëren van een vochtig bostype. Langs het vochtige bos worden struiksoorten aangeplant om een geleidelijke bosrand te creëren.
Langs het west van het perceel loopt een houtwal, deze wordt versterkt door het aanplanten van verschillende boom- en struikvormers. De bomen worden in een rij aangeplant op een afstand van 1,5 meter van elkaar. De struikvormers worden rondom de bomen geplant. Daarnaast helpen bomen om water beter te laten infiltreren in de bodem en dragen ze bij aan het watervasthoudend vermogen van de bodem. Door het aanplanten van meer bos kan de grondwaterstand ter plaatse verbeterd worden. Hierdoor kan eventuele wateroverlast worden tegengegaan. Tevens draagt het voorgenomen plan bij aan de hoofdlijnen uit het waterbeheerprogramma. Het vasthouden van water in de bodem wordt met voorliggend plan bevorderd en door het aanplanten van meer bos wordt een bijdrage geleverd om klimaatverandering tegen te gaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'waterbelang' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Er worden met het initiatief geen belangen van het waterschap geraakt.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 39
40
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 41
42
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Hoofdstuk 7
Toelichting planregels
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen. Met het ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie' wordt een stuk agrarische grond omgezet naar 'bos en natuur'. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
7.2 Opzet regels Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.
Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie nabij Plegtsweg 1 te Weerselo, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIBOSSENSTRTG-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 7.2.1
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 7.2.2
Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in meet- en rekenbepalingen uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 43
omgevingsplan.
7.2.3
Functies en activiteiten
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 7.2.4
Algemene regels voor activiteiten
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelbepalingen; Planologische gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Overige regels;
7.2.5
Nadere toelichting op de regels
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Toelichting op de regels 'Bos - Natuur' De functie ‘Bos - natuur’ betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, namelijk de bestaande natuurgebieden (zoals aangegeven in de omgevingsvisie) en de gebieden die reeds in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties en aangewezen als nieuwe natuur. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staanvoorop.
44
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Bijlagen bij motivering
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 45
Bijlage 1
46
Inrichtingsplan
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Bijlage 2
68
Ecologische voortoets
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Nederlandse namen Blauwe reiger Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Bosuil Buizerd Gekraagde roodstaart Gierzwaluw Groene specht Grote bonte specht Havik
Huismus Huiszwaluw Oeverzwaluw Ooievaar Sperwer Spreeuw Steenuil Torenvalk Wulp Zwarte roodstaart
Bijlage 3
Watertoets
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 81
Het wateradvies
Het wateradvies Het wateradvies helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van hhelpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen vanet Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure 2. Regenwater wordt niet gescheiden van het afvalwater afgevoerd.
Op basis van onderstaande locatie
28-03-2025 10:10
1
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies
Vragen en antwoorden uit de check 1 Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?
nee
Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?
nee
Is er in of rondom het plangebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of grondwateroverlast?
nee
Ligt binnen plangebied (een beschermingszone) van een watergang of waterkering?
nee
Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie?
nee
Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?
nee
Wordt recreatief medegebruik van watergangen of gronden in beheer van het waterschap mogelijk gemaakt?
nee
Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de bovenzijde van de begane-grondvloer kleiner dan 80cm?
nee
Zijn er kansen voor afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
nee
Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen nee in de ondergrond? Worden bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd, waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?
nee
Wordt regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd?
nee
Ligt in of nabij het plangebied een zonering zuiveringtechnisch werk?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering Natura 2000?
nee
28-03-2025 10:10
2
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies
Details 1. Normale procedure Op basis van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waterschapsbelangen raakt.
Wat moet ik doen?
28-03-2025 10:10
3
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies Gebruik alstublieft de knop ““DIRECT AANVRAGEN”” om een advies aan te vragen bij het waterschap. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. In een startoverleg kan gezamenlijk bepaald worden welke wateraspecten een rol spelen en tot welk detailniveau deze uitgewerkt dienen te worden. Dit kan ook betekenen dat er een waterhuishoudkundig plan, een geohydrologisch onderzoek of een uitgebreide analyse van het huidige watersysteem noodzakelijk is. Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateraspecten. Als er overeenstemming is over de inhoud van de waterparagraaf kan u de tekst opnemen in de toelichting van het ruimtelijk plan.
U kunt ook contact opnemen via info@vechtstromen.nl of met onze adviseurs:
Ben van Veenen b.van.veenen@vechtstromen.nl • • • • •
gemeente Hardenberg gemeente Twenterand gemeente Ommen gemeente Hoogeveen gemeente De Wolden
Jantine Langenhof j.langenhof@vechtstromen.nl • • • •
gemeente Borger-Odoorn gemeente Emmen gemeente Midden-Drenthe gemeente Coevorden
Els Boerrigter e.boerrigter@vechtstromen.nl • • • •
gemeente Borne gemeente Berkelland gemeente Haaksbergen gemeente Hof van Twente
Heral Hesselink h.hesselink@vechtstromen.nl • • • •
gemeente Almelo gemeente Rijssen-Holten gemeente Wierden gemeente Hellendoorn
Henry Legtenberg h.legtenberg@vechtstromen.nl • gemeente Dinkelland • gemeente Losser • gemeente Tubbergen • gemeente Oldenzaal
Tom Pikkemaat T.pikkemaat@vechtstromen.nl •
gemeente Hengelo
28-03-2025 10:10
4
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies •
gemeente Enschede
Telefonisch bereikbaar via mailverzoek of algemeen telefoonnr. 088-2203333.
Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.
Copyright Digitale watertoets - http://www.dewatertoets.nl//. Dit document is gegenereerd via de website http:// www.dewatertoets.nl//. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve van het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document.
28-03-2025 10:10
5
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies 2. Regenwater wordt niet gescheiden van het afvalwater afgevoerd. We willen watersysteem zo inrichten, dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden.
We streven naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies sluiten aan bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee willen we structurele overlast door te hoog grondwater voorkómen en verdroging door te laag grondwater tegengaan.
Wat moet ik doen? Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
28-03-2025 10:10
6
https://hetwateradvies.nl
Bijlage 4
88
Participatieverslag
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Format participatieverslag 1. Wat is uw plan? Van de kavels WSL02 T2012 en T545 willen we van 1,3 ha de bestemming wijzigen van Agrarisch naar Bos.
2. Welke invloed heeft uw plan op de omgeving? Het betreffende perceel kan na wijziging niet meer als landbouwgrond gebruikt worden. Dit is met de huidige huurder besproken. Verder is de invloed op de omgeving niet erg groot.
3. Wie heeft u wanneer gesproken over uw plannen? Adres/omschrijving* Hollinkweg 4 huurder/ eigenaar perceel T503 Eigenaar T542 Eigenaar T2059 Plegtsweg 2
Bezoekdatum September 2023 April 2024 April 2024 April 2024
*In verband met privacy noemt u hier niet de volledige namen van de betrokkenen
4. Wat waren de reacties van de mensen die u heeft gesproken en wat is uw antwoord op deze reacties? Reacties De huidige huurder van het perceel vindt het jammer dat de grond niet meer als landbouwgrond gebruikt kan worden. Dat met name de “slechtere” hoeken van het perceel gebruikt worden stemt haar tevreden. Eigenaar T542 Enthousiast over de plannen. Eigenaar T2059. Aan de ene kant jammer dat landbouwgrond verloren gaat, aan de andere kant is het voor de natuur een mooi plan. Plegtsweg 2 Mooi plan, geen bezwaar. 1
Antwoord Ik ben met huurder naar een vergelijkbaar plan in Markelo geweest en als natuurliefhebber werd huurder daar enthousiast over. Het is jouw grond en je mag er mee doen wat je wilt.
5. Welke aanpassingen heeft u concluderend aangebracht aan uw plan aan de hand van de gesprekken die u heeft gevoerd met betrokkenen? Geen.
Planregels Preambule Dit plan beoogt het omzetten van agrarische grond naar bos-natuur grond in het kader van de Bossenstrategie Overijssel ten zuiden van de Plegtsweg 1 te Weerselo. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22n bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 91
92
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Hoofdstuk 1
Regels
Artikel 1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie', tenzij in bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 93
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt. Voor zover de meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 in strijd zijn met de meet- en rekenbepalingen in dit artikel, gaan deze meeten rekenbepalingen voor. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druip-lijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buiten-zijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van on-dergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
afstand tot de (bouw)perceelgrens
tussen de grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst; 2.7
de afstand tot de weg
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de rand van de wegberm aan de zijde van de weg; 2.8
de hoogte van een molen
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de molen; 2.9
bedrijfsvloeroppervlak
de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen, trappenhuizen, gangen en overige dienstruimten.
94
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Artikel 3 Toespassingsbereik 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22n nabij Plegtsweg 1, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIBOSSENSTRTG-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 95
96
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie
Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzing Artikel 4 Bos - Natuur 4.1
Functieomschrijving
Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Bos - Natuur' mogen worden gebruikt voor: a. natuur, bosbouw en houtproductie; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden; c. waterhuishoudkundige voorzieningen. met daaraan ondergeschikt: a. b. c. d. e.
het extensief agrarisch medegebruik; het extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik; wegen en paden; openbare nutsvoorzieningen; terreinen voor evenementen;
met de daarbijbehorende: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2
Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels; 4.2.2 Algemeen Binnen de voor 'Bos - Natuur' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 4.1. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen of overkapping zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van overige bouwwerken ten behoeve van vogelobservatie zal ten hoogste 15,00 m bedragen. b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. 4.2.4 Verbodsbepaling Het is verboden op of in deze gronden gebouwen of overkappingen te bouwen.
4.3
Specifieke functieregels
4.3.1 Verboden gebruik Het is verboden om binnen deze functie de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; b. het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten; c. het scheuren, het omzetten en/of anderszins ingrijpend wijzigen van gronden ten behoeve van een permanent ander gebruik; d. het dempen van beken, plassen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie 97