CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum.pdf

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 10 juni 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum”20.720 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Status: ontwerp

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

ontwerp NL.IMRO.1774.TAMBUIOOTMDIJK31-OW01

TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Inhoudsopgave Motivering

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging 1.3 Leeswijzer

7 7 8 9

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

11 11 12

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

13 13 13

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

15 15 19

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.2 m.e.r.-beoordeling 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

21 21 22 22

5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11

23 24 25 27 27 29 30 31

Gebiedsbescherming en soortenbescherming Luchtkwaliteit Geluid Geur Omgevingsveiligheid Archeologie en Cultuurhistorie Bodem Waterbelang

Hoofdstuk 6

Financiële haalbaarheid

33

Hoofdstuk 7 Toelichting planregels 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels

35 35 35 36

Bijlagen bij de toelichting

37

Bijlage 1

Participatieverslag

38

Bijlage 2

luchtkwaliteitsonderzoek

41

Bijlage 3

Reactienota zienswijzen

47

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 2

53 Inleidende regels Begripsbepalingen

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

55 55

Artikel 2 Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik

56 57

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5

Functies en gebiedsaanwijzingen Agrarisch - 2 Leiding - Gas

59 59 63

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene ruimtelijke bouwregels Planologische gebruiksactiviteiten Regels parkeren Overige regels

65 65 66 67 68 69

Hoofdstuk 4 Artikel 11

Overgangsrecht Overgangsrecht

71 71

Bijlagen bij de regels

73

Bijlage 1

74

Begripsbepalingen

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

3

4

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Motivering

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

5

6

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Aan de Ootmarsumsedijk 29-31 in Rossum ligt een agrarisch erf, waar momenteel een actief agrarisch bedrijf en twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. De initiatiefnemer is sinds enkele jaren woonachtig op Ootmarsumsedijk 31. In de praktijk heeft initiatiefnemer echter geen betrokkenheid in de aanwezige bedrijvigheid, waardoor er een strijdigheid is met het omgevingsplan van rechtswege. De wens is dan ook om Ootmarsumsedijk 31 in Rossum aan te wijzen als plattelandswoning, zodat het formeel toegestaan is om de woning te laten bewonen door derden (in dit geval initiatiefnemer). De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling en toont een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan. Ligging plangebied De planlocatie ligt in het buitengebied van Rossum. De dorpskern van Rossum is ten zuidoosten van de planlocatie gelegen. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie Q met perceelnummers 1025 en 1026. Een luchtfoto met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding.

Afbeelding 1.1: luchtfoto met planlocatie (in rood) ten opzichte van Rossum (bron: geo.overijssel.nl)

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

7

Afbeelding 1.2: luchtfoto, ingezoomd op de planlocatie (bron: geo.overijssel.nl)

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.

Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie.

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een 8

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

9

10

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Hoofdstuk 2

Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling Huidige erfindeling Het erf aan de Ootmarsumsedijk 29-31 in Rossum bestaat uit een agrarisch bedrijf met twee bedrijfswoningen. Het erf is aan de zuidkant voorzien van agrarische bedrijfsbebouwing. Richting de noordzijde ligt het woongedeelte met een rijksmonumentale (woon)boerderij (Ootmarsumsedijk 29) als eerste bedrijfswoning en Ootmarsumsedijk 31 als tweede bedrijfswoning. Opvallend is dat het erf geen centraal erfdeel heeft maar op vier plekken ontsloten wordt op de Ootmarsumsedijk. Onderstaand is dit zichtbaar in twee straataanzichten.

Afbeelding 2.1: recent aanzicht planlocatie Ootmarsumsedijk 31 (bron: Google Maps)

Afbeelding 2.2: recent aanzicht zuidkant erf, met stallen en rijksmonumentale boerderij (Bron: Google Maps) Gewenste ontwikkeling Initiatiefnemers hebben vanwege het ontrekken van betrokkenheid in het bedrijf de wens uitgesproken om de woning nr. 31 ook bewoonbaar te maken voor bewoning door derden. In voorliggend geval is het de bedoeling van de betreffende familie om zelf woonachtig te blijven op de locatie. Het is echter denkbaar dat de woning op enig moment over zal gaan op nieuwe bewoners (bijvoorbeeld de kinderen van de familie). Om mogelijke discussie en onzekerheid weg te nemen willen initiatiefnemers dan ook een zogenoemde 'plattelandswoning' realiseren. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

11

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving In de nieuwe situatie worden in fysiek opzicht geen wijzigingen beoogd. De woning Ootmarsumsedijk 31 wordt door initiatiefnemers bewoond, maar betreft formeel een bedrijfswoning behorend bij het bedrijf aan de Ootmarsumsedijk 29. Van deze binding is echter geen sprake meer, waardoor het wenselijk is om de Ootmarsumsdijk 31 aan te wijzen als zogenoemde plattelandswoning (in de Omgevingswet aangeduid als 'een gebouw dat eerder functioneel verbonden was met een activiteit'). De woning kent reeds een eigen inrit, tuin en aanverwante voorzieningen ten behoeve van het wonen. Het voorliggend plan voorziet dan ook enkel in een benodigde wijziging van functie. Voor wat betreft milieukundige aandachtspunten geldt dat de woning reeds enigszins afgezonderd ligt van de overige bedrijfsbebouwing op het perceel. In een omgevingsplan kan worden bepaald dat een geluidgevoelig gebouw dat voorheen functioneel verbonden was met een activiteit, niet beschermd wordt tegen het geluid, trilling, etc. dat veroorzaakt wordt door die (bedrijfsmatige) activiteit.

Het bevoegd gezag kan in het omgevingsplan de waarden voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw vanwege een activiteit niet laten gelden voor een woning met een voormalige functionele binding met die activiteit (artikel 5.62 (geluid), 5.85 (trilling), 5.89e (windturbines) en 5.96 (geur) van het Bkl). Voor de locatie Ootmarsumsedijk 31 wordt voor geur en geluide gekozen om de bepalingen uit de bruidschat niet te laten gelden. Voor luchtkwaliteit geldt dat middels een andere beschouwing de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aangetoond. De omgevingsaspecten zijn nader uitgewerkt in Hoofdstuk 5.

12

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Zoals in hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor het omzetten van een tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning aan de Ootmarsumsedijk 31 in Rossum. Deze ontwikkelingen is niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.

3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.2.1

Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’

Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Dinkelland met onderdelen 'Buitengebied 2010' en 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland'.. De locatie is voorzien van de functie ‘Agarisch - 2’. Daarnaast geldt 'Leiding - Gas', een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf''. In de praktijk is gebleken dat de gasleiding feitelijk op een andere locatie ligt.

Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: omgevingswet.overheid.nl) Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past de gewenste ontwikkeling voor het gebruiken van de tweede bedrijfswoning Ootmarsumsedijk 31 als plattelandswoning niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk. 3.2.2

Bruidsschat

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: begrippen (hoofdstuk 1) voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1) regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2) regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4) regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5) De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig voor zover deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Het voorliggende plan voorziet niet in een bouwproject. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

13

De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen geen milieubelastende activiteiten. Indien dit wel het geval blijkt te zijn, dan worden de regels van afdeling 22.3 van toepassing. 3.2.3

Gemeentelijke verordeningen

Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in hoofdstuk 5 van dit TAM-omgevingsplan.

14

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling van het plan: De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een tweede bedrijfswoning kan daarbij ingezet worden als plattelandswoning om toekomstige leegstand te voorkomen en de bewoners een verbeterde uitgangspositie te geven, zonder dat het naastgelegen agrarisch bedrijf in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt wordt. Het plan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 4.1.2

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

15

stappen centraal: 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag) Doorwerking plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik); artikel 4.55 (Nationaal landschap Noordoost-Twente). Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.

Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.

Beoordeling van het plan: Het plan is niet in strijd met generieke beleidskeuzes. Het betreft een planologische omzetting zonder relevante gevolgen voor de omgeving of ruimtebeslag. Zo is er bijvoorbeeld geen strijd met de het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik aangezien het plan betrekking heeft op een bestaand erf. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.

16

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied is rood gearceerd (bron: overijssel.tercera-ro.nl) Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

De plannen van initiatiefnemers dienen er juist voor te zorgen dat er geen belemmeringen voor het agrarisch ondernemen ontstaan door de betreffende woning aan te duiden als plattelandswoning. Het initiatief is passend in de wet- en regelgeving voor plattelandswoningen en levert geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving.

Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

17

toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken: natuurlijke laag: dekzandvlakte en ruggen; laag van het agrarisch cultuurlandschap: overgang jonge heide- en broekontginningslandschap en essenlandschap; stedelijke laag: niet van toepassing lust- en leisurelaag: donkerte Het voornemen heeft betrekking op de planologische omzetting van een (2e) agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Er treden dan ook geen relevante effecten op ten aanzien van de gebiedskenmerken van het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3

MijnOmgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 30 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wilt een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Omdat er in het buitengebied veel verschillende functies voorkomen, is het belangrijk om de goede functies op de goede plek te realiseren.

Voor het buitengebied gelden de volgende speerpunten: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij samenwerking moet worden gezocht met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Beoordeling van de plannen: Met voorliggend plan wordt de mogelijkheid geboden aan derden om de huidige bedrijfswoning aan Ootmarsumsedijk 31 in Rossum te bewonen in de vorm van een plattelandswoning. Vanwege de aanduiding plattelandswoning gaat dit niet ten koste van ontwikkelingsmogelijkheden voor het grondgebonden bedrijf aan de Ootmarsumsedijk 29, aangezien een plattelandswoning evenveel bescherming geniet als een bedrijfswoning. Daarbij is voor wat betreft luchtkwaliteit aantoonbaar gemaakt dat er geen belemmeringen te verwachten zijn. Er liggen tevens geen andere bedrijven in de buurt die beperkt zouden kunnen worden. Daarmee wordt geacht dat er een goede functie op een goede plek in het buitengebied wordt gerealiseerd. 4.1.4

Buitengebied met kwaliteit

Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende passages uit het beleid zijn relevant: 4.6 Plattelandswoning 18

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Voor het toekennen van de status ‘plattelandswoning’ aan een agrarische bedrijfswoning binnen de functie ‘Agrarisch bedrijf’ gelden de volgende voorwaarden: 1. Er moet sprake zijn van een agrarische bedrijfswoning op een functionerend agrarisch bedrijf die ook als zodanig is bestemd; 2. De (oorspronkelijke) bedrijfswoning moet minimaal 10 jaar geleden zijn opgericht; 3. De betrokken partijen, de eigenaar van het agrarische bedrijf en de (toekomstige) eigenaar van de woning, moeten een schriftelijke akkoordverklaring hebben ondertekend dat men de voormalige agrarische bedrijfswoning van de status “plattelandswoning” wenst te voorzien; 4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 geldt dat als er geen sprake is van overeenstemming tussen de agrarische ondernemer en de eigenaar van de woning, maar de afsplitsing al langjarig gaande is (meer dan 10 jaar), er medewerking kan worden verleend voor het toekennen van een status ‘plattelandswoning’; 5. Indien het de enige bedrijfswoning betreft dan kan er alleen een status “plattelandswoning” worden toegekend als de situatie is ontstaan vóór 1 januari 2013. In dit geval is het niet meer mogelijk om bij het de functie ‘Agrarisch bedrijf’ een nieuwe bedrijfswoning op te richten. Beoordeling van de plannen: ad 1. Er is geen sprake van huidige bedrijfswoning op een functionerend agrarisch bedrijf; ad 2.

De woning is conform de BAG gebouwd in 1984 en daarmee ruim langer dan 10 jaar geleden opgericht; ad 3. Er is een akkoordverklaring ondertekend; ad. 4 n.v.t. ad 5. Het gaat om de tweede bedrijfswoning, daarmee n.v.t. Een toetsing aan de voorwaarden laat zien dat het plan voldoet aan de gestelde criteria voor de toewijzing van een plattelandswoning. Het plan past binnen het beleid buitengebied met kwaliteit. 4.1.5

Nota Omgevingskwaliteit

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Beoordeling van de plannen: Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwac- tiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. In onderhavig geval gaat het om een functiewijziging van bestaande bebouwing. Het aanvragen van bouwactiviteiten is niet noodzakelijk en er worden geen fysieke wijzigingen aangebracht.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1

Provinciaal vooroverleg

De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het plan valt onder een plan voor het buitengebied onder een ontwikkeling voor woningbouw. Het gaat om een bestaande en bestemde bedrijfwoning die wordt aangewezen als plattelandswoning. Dit betreft een project waarover vooroverleg op basis van de uitzonderingslijst niet noodzakelijk is.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

19

4.2.2

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 05-11-2024 de digitale watertoets uitgevoerd voor de planlocatie. In de vragen is aangegeven dat er enkel sprake is van functiewijziging en geen extra verharding wordt aangebracht. Uit de vragen blijkt dat er geen waterschapsbelang is als gevolg van de plannen. Het waterschap Vechtstromen heeft daarom ook op 07-11-2024 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen plannen en nader overleg is niet noodzakelijk. 4.2.3

Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: Een overzicht van de participatiestappen en opgehaalde resultaten van de participatie met een beschrijving van welke onderdelen van het plan of welke alternatieven van een plan kunnen rekenen op draagvlak en waarvoor minder of geen draagvlak is; Een beschrijving wat is gedaan met de resultaten van de participatie. Heeft de inbrengen van participanten bijvoorbeeld geleid tot een aanpassing van uw plan en op welke manier?; Een beschrijving van de overwegingen wat wel en niet is meegenomen en de onderbouwing. Beoordeling van de plannen: Voorliggend plan voorziet niet in een fysieke ontwikkeling. Een bestaande woning (bedrijfswoning) wordt omgevormd naar plattelandswoning. Daarom heeft initaitefnemer tijdens een buurtbijeenkomst met de diverse buren gesproken over het voornemen. De bevindingen zijn uitgewerkt in een beknopt participatieverslag. Het verslag is bijgevoegd als Bijlage 1. Omwonenden vinden de plannen van initiatiefnemer begrijpelijk en hebben geen bezwaar tegen de plannen. Tevens zijn er geen suggesties voor planaanpassing.

De eigenaar van het agrarisch bedrijf (woonachtig aan Ootmarsumsedijk 29) is tevens bekend en akkoord met deze wijziging. Daarmee heeft participatie met de direct betrokkenen voldoende plaatsgevonden.

20

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren.

Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in een wijziging van een tweede bedrijfswoing naar een zgn. plattelandswoning. Per saldo is er geen toename in het aantal woningen. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die moet worden getoetst aan de ladder voor bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

21

duurzame verstedelijking.

5.2 m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

Beoordeling van de plannen: De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Dit plan heeft geen significante ruimtelijke gevolgen en ook geen effect op de milieustiatie ter plaatse. Een dergelijke ontwikkeling is dan ook geen activiteit zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De planologische omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt niet tot extra verkeer. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk. De verkeersdruk op de openbare weg neemt niet toe.

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. De planologische omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt niet tot extra parkeerbehoefte. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk. Parkeren zal conform de bestaande situatie plaatsvinden op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeergelegenheid te voorzien. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

22

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 1,38 km afstand (gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek). Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie plangebied Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 130 m afstand van het plangebied. Conclusie De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

23

5.4.2

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied Als gevolg van voorliggende plannen worden geen fysieke ingrepen beoogd. De gronden in het plangebied worden reeds gebruikt voor het wonen (als bedrijfswoning).

Op basis hiervan lijkt van aantasting van leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake, daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van natuurwaarden niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Bij plattelandswoning toetsing inclusief eigen bedrijf nodig Op basis van een uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201306630/5) moet bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit bij plattelandswoningen ook rekening gehouden geworden met de emissies van het bedrijf waar een plattelandswoning onderdeel van was (o.b.v. Europese Richtlijn luchtkwaliteit). De woning moet voldoen aan de grenswaarden uit het Bkl, ook als er alleen een overschrijding plaatsvindt als gevolg van het 'eigen' bedrijf. Situatie plangebied

24

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen niet of nauwelijks toe ten opzichte van de huidige situatie. Een bestaande woning wordt alleen planologisch anders vastgelegd. Het plan draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeersbewegingen. Ook is er geen sprake van een nieuwe (extra) gevoelige functie en bedrijven in de omgeving worden niet extra belemmerd door de bestemming van de functieaanduiding plattelandswoning. Door Immink is een luchtkwaliteitonderzoek (d.d. 26-11-2024) uitgevoerd dat is opgenomen in Bijlage 2. Voor het berekenen van de luchtkwaliteit voor de plattelandswoning als gevolg van het 'eigen bedrijf' zijn verschillende rekenmethoden beschikbaar. De verschillende modellen die bruikbaar zijn voor het berekenen van concentraties van inrichtingen, zijn gebaseerd op de Standaardrekenmethode 3 volgens het Nieuw Nationaal Model (NNM). KEMA heeft een eenvoudig rekenmodel ontwikkelt, genaamd ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode 3 Luchtkwaliteit). Met ISL3a kunnen concentraties PM10 , ten gevolge van punt- en oppervlaktebronnen van industriële en agrarische inrichtingen worden berekend. De meest recente versie van dit rekenmodel (ISL3a 2024.1) wordt in voorliggende aanvraag gehanteerd als rekenmethode.

Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de te beschermen woningen de maximale jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) 12,8 µg/m3 is. De grenswaarde is 40 µg/m3. De berekende concentratie overschrijdt de grenswaarde niet. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt zes. Dat is ruimschoots lager dan het maximaal aantal toegestane overschrijdingsdagen van 35. Conclusie Uit de resultaten blijkt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. De woning aan Ootmarsumsedijk 31 te Rossum voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen voor PM10. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geluid 5.6.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum

25

geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). 5.6.2

Situatie plangebied

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De woning Ootmarsumsedijk 31 is een bestaande woning die in het verleden met een bouwvergunning is gerealiseerd. Er worden als gevolg van voorliggend plan geen wijzigingen beoogd aan de situering van de woning langs de Ootmarsumsedijk. Er hoeft dan ook geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Voor het aspect geluid is de afweging voor evenwichtige toedeling van functies aan locaties reeds verricht. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijventerrein gelegen die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. De instructieregels Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden (paragraaf 5.1.4.2a.4), Bkl zijn niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan, op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Solitaire bedrijvigheid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. De plattelandswoning wordt niet beschermd tegen milieueffecten voor geluid van het bedrijf waartoe het behoort. Hiertoe wordt in de regels van het TAM-omgevingsplan opgenomen dat artikel 22.59 van het omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat) niet van toepassing is. Het dichtstbijzijnde bedrijf van derden met mogelijke relevante milieu-emissies betreft een grondgebonden veehouderij aan de Ootmarsumsedijk 25-25a op circa 170 meter ten zuiden van de woning Ootmarsumsedijk 31. In dit geval wordt geconstateerd dat de afstanden ten opzichte van deze bedrijvigheid aan de Ootmarsumsedijk 25-25a niet wijzigen.

Bovendien geldt dat de huidige bedrijfswoning reeds milieubescherming geniet voor bedrijfsactiviteiten van derden, hierin brengt het voorliggende plan in feite geen wijzigingen aan als de betreffende woning aangeduid wordt als plattelandswoning. Andere bedrijven liggen nog verder weg en hebben daarmee eveneens geen relevante invloed op het woon- en leefklimaat van de woning aan de Ootmarsumsedijk 31. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat

26

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum

5.6.3

Geluid afkomstig van project op omgeving

Met de beoogde omzetting van de woonfunctie aan de Ootmarsumsedijk 31 naar plattelandswoning worden in feite geen onoverkomelijke wijzigingen aangebracht als het gaat om geluid. De omgeving kenmerkt zich als buitengebied met verspreide (woon)erven. Deze erven ondervinden geen hinder vanuit de nu voorliggende ontwikkeling. De functie wonen kent namelijk geen milieubelasting als het gaat om geluid. Er wordt één bestaande woning als plattelandswoning aangemerkt binnen het plangebied, waarbij ook de bestaande bedrijfswoning en bedrijvigheid aan de Ootmarsumsedijk 29 op de locatie gehandhaafd blijft. Daarmee blijft sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/939/documents/23578