TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum.pdf
Tekst van het document
5.7 Geur In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol: bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid; geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties; aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit; historie van het bedrijf en het klachtenpatroon; bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit; kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Beoordeling van de plannen: De plattelandswoning wordt niet beschermd tegen milieueffecten voor geur van het bedrijf waartoe het behoort. Dit volgt uit artikel 5.96 Bkl. Hiertoe wordt in de regels van het TAM-omgevingsplan opgenomen dat de vaste afstanden bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2 en subparagraaf 22.3.6.4 en artikel 22.245 niet van toepassing is. De wetgever heeft geoordeeld dat met de regeling voor plattelandswoningen dat een bewoner bekend is met een hogere geur- en geluidsbelasting dan een reguliere woning. Voor de plannen binnen het plangebied geldt dat de woning Ootmarsumsedijk 31 op minstens 65 meter van de dichtstbijzijnde stal is gelegen. De afstand in combinatie met de dierenaantallen (16 koeien) is ruim voldoende om aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor geur te garanderen. Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf (buiten het eigen bedrijfsperceel) betreft de locatie Ootmarsumsedijk 25-25a in Rossum. De onderlinge afstand tussen de bouwvlakken bedraagt 170 m. Als gevolg van voorliggende plannen worden geen wijzigingen in de onderlinge afstanden beoogd. Bovendien is bij de bouw van de woning Ootmarsumsedijk 31 reeds de afweging van aanvaardbaarheid vanuit geur verricht.
Er blijft dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt geen belemmering voor het voornemen.
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
27
Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Situatie plangebied
Afbeeld ing 5.1: uitsnede risicokaart ter plaatse van planlocatie (bron: Atlas Leefomgeving) De planlocatie ligt binnen het invloedgebied van een gasleiding die onder de Ootmarsumsedijk is gelegen. Uit de zienswijze is gebleken dat de gastransportleidingen buiten het plangebied liggen, maar dat de invloedssfeer tot binnen het plangebied reikt. Voorliggend plan maakt geen extra nieuwe verblijfsobjecten mogelijk. Het plan voorziet in een functiewijziging van reguliere bedrijfswoning naar plattelandswoning voor de woning Ootmarsumsedijk 31. Beide functies betreffen kwetsbare objecten als bedoeld in het kader van omgevingsveiligheid. Er worden geen fysieke wijzigingen aangebracht, waardoor voor het aspect omgevingsveiligheid ook geen wijzigingen optreden. Er is derhalve geen aanleiding voor het uitvoeren van een onderzoek naar omgevingsveiligheid, het groepsrisico neemt immers niet toe en aan de situering van het kwetsbare object wijzigt niets ten opzichte van de huidige situatie. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
28
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
5.9 Archeologie en Cultuurhistorie In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.
Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie plangebied 5.9.1
Archeologie
Op de locatie worden als gevolg van de planwijziging geen bodemingrepen gepleegd. Een bestaand gebouw wordt qua gebruik gewijzigd naar plattelandswoning. Onderstaand is voor de planlocatie een uitsnede van de gemeente verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeelding 5.2: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, planlocatie aangegeven met blauw (bron: gemeente Dinkelland) Binnen het plangebied gelden twee verwachtingswaarden voor wat betreft archeologie. De meest hoge waarde komt toe aan dekzandhoogten en -ruggen. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is vanaf 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Zoals gesteld zijn er geen bodemingrepen die worden uitgevoerd als gevolg van de plannen.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
29
5.9.2
Cultuurhistorie
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het gaat om de rijksmomnumentale boerderij en twee bijgebouwen op het bedrijfsperceel waar Ootmarsumsedijk 31 ook onderdeel van uit maakt. Zie onderstaande uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart, waarin de betreffende rijksmonumentale objecten met een rode punt zijn aangeduid.
Afbeelding 5.2: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, monumenten aangegeven middels een puntmarkering (bron: provincie Overijssel) het gaat om: boerderij met waterput: De BOERDERIJ MET WATERPUT is van algemeen architectuur- en cultuurhistorisch belang vanwege de bijzondere gaafheid van zowel interieur als exterieur van de boerderij en de relatie met de andere samenstellende onderdelen van het complex. vakwerkschuur: De VAKWERKSCHUUR is van algemeen architectuur- en cultuurhistorisch belang vanwege de gaafheid van zowel interieur als exterieur en de relatie met de andere samenstellende onderdelen van het complex. aardappelkelder: De AARDAPPELKELDER is van algemeen architectuur- en cultuurhistorisch belang vanwege de redelijke gaafheid, de relatie met de andere samenstellende onderdelen van het complex. De ontwikkeling brengt geen fysieke wijzigingen met zich mee. De huidige bebouwing aan de Ootmarsumsedijk 31 evenals de omliggende bebouwing zal behouden blijven. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan, mede gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
5.10
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). 30
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Situatie plangebied Het toevoegen van de aanduiding plattelandswoning aan de (voormalige) bedrijfswoning betreft enkel een planologisch verandering (wijziging gebruik).
Er worden geen extra functies mogelijk gemaakt waarbij sprake is van langdurig menselijk verblijf. Ook zijn er geen bodemingrepen voorzien die nog niet mogelijk zijn op basis van het geldende omgeivngsplan van rechtswege. Nader onderzoek is niet nodig.
5.11
Waterbelang
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Situatie plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 05-11-2024 de digitale watertoets uitgevoerd voor de planlocatie. In de vragen is aangegeven dat er enkel sprake is van functiewijziging en geen extra verharding wordt aangebracht. Uit de vragen blijkt dat er geen waterschapsbelang is als gevolg van de plannen. Het waterschap Vechtstromen heeft daarom ook op 07-11-2024 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen plannen en nader overleg is niet noodzakelijk. Het aspect water vormt met inachtneming van vorenstaande geen belemmering voor het planvoornemen.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
31
32
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning OF het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
33
34
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Hoofdstuk 7
Toelichting planregels
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht.
7.2.2
Preambule
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-omgeivngsplan wordt geraadpleegd, is de preamublie direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3
Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
35
7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 7): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van een afstandaardwaarde tot de as van de weg rondom de functie ‘Verkeer’ bij het realiseren van gebouwen en overkappingen; Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 8): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. Regels parkeren (Artikel 9): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen; Overige regels (Artikel 10): In de overige regels wordt verklaard dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland van toepassing zijn. 7.2.5
Overgangsregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
7.3 Verantwoording van de regels Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2010”. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe. Agrarisch - 2 (Artikel 4) Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft geldig ter plaatse van agrarisch bedrijf. Voor de huidige tweede bedrijfswoning is in de verbeelding een functie aanduiding opgenomen om aan te geven dat de functie wijzigt naar plattelandswoning. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan Buitengebied 2010''. Op grond van artikel 5.62 (geluid), 5.85 (trilling) en 5.96 (geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bepaald dat de waarden voor geluid, trilling en geur vanwege een agrarische activiteit niet gelden voor een woning met een voormalige functionele binding met die activiteit. Het agrarisch bedrijf Ootmarsumsedijk 29 hoeft niet te voldoen aan de waarden die gelden op de plattelandswoning Ootmarsumsedijk 31. Daarom is in de functie agrarisch ten behoeve van het betreffende bedrijf geregeld dat de normen voor geluid, geur en trilling niet van toepassing zijn op de betreffende plattelandswoning.
Leiding - Gas (Artikel 5) Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'Leiding - Gas' wordt uitgegaan van het in stand houden van de aanwezige gasleiding. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'.
36
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
37
Bijlage 1
38
Participatieverslag
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Format participatieverslag 1. Wat is uw plan? Het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning aan de Ootmarsumsedijk 31, 7596 PB, Rossum
2. Welke invloed heeft uw plan op de omgeving? De wijziging heeft geen invloed op de omgeving. De desbetreffende woning wordt bewoond en zal ook zo blijven.
3. Wie heeft u wanneer gesproken over uw plannen? Adres/omschrijving* Naaste buren Tijdens het zetten van de buurtkerstboom
Bezoekdatum 14-12-2025
*In verband met privacy noemt u hier niet de volledige namen van de betrokkenen
4. Wat waren de reacties van de mensen die u heeft gesproken en wat is uw antwoord op deze reacties? Reacties Wij hebben de naaste buren geïnformeerd over de wijziging van bedrijfswoning naar plattelandswoning. De reden daarbij aangegeven betreffende de mogelijke komst van het munitiedepot.
Antwoord Er waren vanuit de naaste buren geen op- of aanmerkingen en ze begrijpen volledig onze stappen om deze planwijziging voor de mogelijke komst van het munitiedepot geregeld te krijgen. De meeste buren zitten zelf ook in onzekerheid.
5. Welke aanpassingen heeft u concluderend aangebracht aan uw plan aan de hand van de gesprekken die u heeft gevoerd met betrokkenen? Geen wijzigingen benodigd. 1
Bijlage 2
luchtkwaliteitsonderzoek
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
41
ISL3a berekening Locatie: Ootmarsumsedijk 31 7596 PB Rossum
Opgesteld door:
26-11-2024 Gewijzigd: 7-1-2025 ISL3a-berekening Ootmarsumsedijk 31 te Rossum
1
Inleiding Het voornemen is om de huidige bedrijfswoning Ootmarsumsedijk 31 te Rossum om te zetten naar een plattelandswoning. De bedrijfswoning is gelegen nabij de rundveestal aan de Ootmarsumsedijk 29. Figuur 1 geeft de situatie weer. Om het omzetten van bedrijfswoning naar plattelandswoning mogelijk te maken moet worden uitgesloten dat de veehouderij een ontoelaatbare concentratie fijnstof veroorzaakt die een goed woon- en leefklimaat kan schaden.
Figuur 1: Situering woningen en veehouderij
Wettelijk kader In artikel 2.5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving staan de omgevingswaarden voor fijnstof beschreven. Lid 1 van Artikel 2.5 beschrijft grenswaarden voor verschillende stoffen in de lucht. Voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3, die niet mag worden overschreden. Daarnaast geldt er een daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3, die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De regeling in artikel 2.5 is gegrond op Artikel 2.15 van de Omgevingswet.
Emissie Voor veehouderijen zijn emissiefactoren vastgesteld. De emissiefactoren die voor dit onderzoek gebruikt zijn, zijn afkomstig uit bijlage V van de Omgevingsregeling. In tabel 1 zijn de gebruikte codes en emissiefactoren weergegeven. Aan de hand van deze waardes is per stal de emissie in gram per jaar berekend, wat door Geomilieu is omgerekend naar PM10-emissie in gram per seconde.
ISL3a-berekening Ootmarsumsedijk 31 te Rossum
2
Tabel 1: Fijnstofemissie in gram per jaar stal te Ootmarsumsedijk 29
Diersoort Stieren Jongvee Zoogkoeien
Code bijlage V van de Omgevingsregeling
Emissie (gram/dier/jaar)
HA5.100 HA2.100 HA4.100
170 38 86 Totaal
Aantal dieren
Totaal (gram/jaar)
7 6 3 16
1.190,0 228,0 258,0 1.676,0
Methode De concentratie fijnstof is berekend door middel van rekenmodel ISL3a, versie 2024. De coördinaten van de stal en de coördinaten van de bedrijfswoning zijn vastgesteld met behulp van een luchtfoto op de website van AERIUS. De invoergegevens van de berekening zijn weergegeven in bijlage 1. Als te beschermen object is de gevel van Ootmarsumsedijk 31 genomen, op minstens 65 meter afstand van de stal.
Resultaten De resultaten van de berekening zijn (evenals de invoergegevens) weergegeven in bijlage 1. Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de te beschermen woningen de maximale jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) 12,8 µg/m3 is. De grenswaarde is 40 µg/m3. De berekende concentratie overschrijdt de grenswaarde niet. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt zes. Dat is ruimschoots lager dan het maximaal aantal toegestane overschrijdingsdagen van 35.
Conclusie Uit de resultaten blijkt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. De woning aan Ootmarsumsedijk 31 te Rossum voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen voor PM10. Het goede woon- en leefklimaat is daarmee gegarandeerd.
Bijlage:
invoergegevens van de berekening
ISL3a-berekening Ootmarsumsedijk 31 te Rossum
3
Bijlage: invoergegevens van de berekening
ISL3a-berekening Ootmarsumsedijk 31 te Rossum
4
ISL3a - PM10 - Fijnstof
Eerste model
Model gegevens Model Versie PreSRM versie Stof: Referentiejaar: Terreinruwheid
: : : : : :
Eerste model ISL3a 2024.1 2.401 PM10 - Fijnstof 2024 0.200
Rekenpunt resultaten Object
Gevoelig object Oostmarum
258255.00
486705.00
12.8
12.8
0.0
6.0
Emis PM10 Mid X Gebouwhoek
0.00005311 258244.00 85.0
6.0
2.0
Agrarische bronnen X Snelheid Lengte
Geomilieu V2024
258246.00 4.00 19.0
Y Gas temp Breedte
486642.00 285.0 14.0
Hoogte Geb.bron Hoogte
5.00 T 7.0
Int.diam. Mid Y
0.50 486633.00
23 Nov 2024, 18:33 · blz. 1
Bijlage 3
Reactienota zienswijzen
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
47
REACTIENOTA ZIENSWIJZEN WIJZIGING OMGEVINGSPLAN ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum’
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2
2. Behandeling zienswijzen 2.1 Reclamant 1
4 4
3. Wijzigingen
5
1
1. INLEIDING
In dit document worden de binnengekomen zienswijzen behandeld, die zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum’. Na voorafgaande publicatie op 27 februari 2025 is in overeenstemming met artikel 16.29 en artikel 16.30 Omgevingswet met ingang van 28 februari 2025 het ontwerpbesluit voor een ieder ter inzage gelegd. Het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken kon tijdens de openingsuren in het gemeentehuis worden ingezien. Ook was het ontwerpbesluit te raadplegen op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en in het Omgevingsloket, viewer Regels op de Kaart. Plan Het plan is opgesteld voor het toekennen van de status ‘plattelandswoning’ aan de tweede agrarische bedrijfswoning. Dit maakt het mogelijk om de woning Ootmarsumsedijk 31 te laten bewonen door een derde die geen binding heeft met de agrarische bedrijfsvoering aan de Ootmarsumsedijk 29. Zienswijzen Gedurende de hiervoor genoemde termijn kon een ieder mondeling dan wel schriftelijk zienswijzen kenbaar maken. Er is een reclamant die gebruik heeft gemaakt van het recht om een zienswijze in te dienen. Beoordelingskader wijziging omgevingsplan De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt op grond van artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet primair bij de gemeenteraad.
De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie: - de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Bij de beoordeling van het initiatief is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de raad haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat het initiatief ook hieraan is getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden in de toelichting. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit initiatief aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn afgewogen. Initiatiefnemer wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken.
De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
2
Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om wel of niet af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het besluit niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit besluit aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Zoals uit de toelichting blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente hiervoor heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het initiatief. Verder is het initiatief afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in de toelichting de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de relevante (individuele) belangen, levert het besluit geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het besluit is evenwichtig en geschikt om het initiatief te realiseren. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Opzet reactienota In hoofdstuk 2 worden de ingekomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit samengevat en vervolgens van een gemeentelijk standpunt voorzien. Tenslotte wordt elke zienswijze afgesloten met een conclusie. In hoofdstuk 3 worden de wijzigingen aan het omgevingsplan op een rij gezet.
3
2. BEHANDELING ZIENSWIJZEN
2.1 Reclamant 1 Datum brief: 27 maart 2025 Datum ontvangst: 28 maart 2025
1 Belemmeringenstrook van twee gastransportleidingen niet correct opgenomen Buiten het plangebied liggen twee gastransportleidingen waarvan de invloedsfeer tot binnen het plangebied reikt. De belemmeringenstrook van de leidingen is niet correct opgenomen binnen het vlak van de gebiedsaanwijzing ‘Leiding – Gas’. Verzocht wordt om het vlak van de gebiedsaanwijzing ‘Leiding -Gas’ te wijzigingen aan de hand van de juiste leidinggegevens. Daarnaast wordt verzocht de voorbeeldregels voor het landelijke gasnet te hanteren die zijn opgesteld door Netbeheer Nederland in de Staalkaart ‘Elektriciteit en gas in het omgevingsplan’. Indien de voorbeeldregels niet één op één overgenomen worden en de vigerende planregels aangehouden worden, dan wordt verzocht een aantal wijzigingen door te voeren in de planregels. Gemeentelijk standpunt Het vlak van de gebiedsaanwijzing ‘Leiding – Gas’ blijkt niet correct opgenomen te zijn in het ontwerp TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum. In het voorliggende vast te stellen omgevingsplan wordt de hiervoor genoemde gebiedsaanwijziging verschoven aan de hand van de juiste leidinggegevens van de twee transportleidingen. Voor de aanpassing van de planregels wordt ervoor gekozen om nog zoveel mogelijk aan te sluiten op het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’.
In de planregels worden de door reclamant voorgestelde wijzigingen hierop overgenomen. Grotendeels gaat het daarbij om 1 op 1 overname van de wijzigingen. Alleen de voorgestelde voorrangsregel is niet overgenomen, omdat deze door een gewijzigde omschrijving van de bouwbepaling in artikel 5.2.2. niet meer nodig is. Conclusie Aan deze zienswijze van reclamant wordt tegemoetgekomen door het vlak van de gebiedsaanwijzing ‘Leiding -Gas’ te wijzigingen aan de hand van de juiste leidinggegevens. Tevens worden de planregels zo veel mogelijk aangepast aan de door reclamant voorgestelde wijzigingen. Echter, deze zienswijze leidt niet tot het niet vaststellen van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan.
4
3. WIJZIGINGEN
Mede naar aanleiding van de zienswijzen worden de volgende wijzigingen doorgevoerd. Toelichting In hoofdstukken 3.2.1 (Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’) en hoofdstuk 5.8 (Omgevingsveiligheid) wordt de informatie over de situering van de gasleiding aangepast aan de hand van de juiste leidinggegevens. Regels - In artikel 5.1 (Functieomschrijving) wordt in de aanhef het woord ‘functie’ aangepast naar ‘gebiedsaanwijzing’; - Artikel 5.2.2 (Bouwen) wordt als volgt aangepast: In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse aangewezen functies zijn op of in deze gronden geen kwetsbare gebouwen en geen zeer kwetsbare gebouwen toegelaten, tenzij die een functionele binding hebben met de gasleiding. - Artikel 5.3.1 lid a. en lid b. (Verboden gebruik) worden als volgt aangepast: a. “het opslaan van goederen anders dan het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud aan de gastransportleiding b. “het gebruik van gronden en bouwwerken als kwetsbaar gebouw anders dan bestaand gebruik binnen gronden met de gebiedsaanwijzing “Leiding – Gas” - Artikel 5.4.1 (Bouwactiviteiten) aanhef, lid b. en lid c. worden als volgt gewijzigd: Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken, geen gebouw zijnde te realiseren. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: b.
er geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen en goederen; c. er geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leidingen. - Artikel 5.4.2 (Risicogevoelige objecten) wordt verwijderd. Het verbod om kwetsbare gebouwen (tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding) en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten wordt afzonderlijk geregeld in artikel 5.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; - Artikel 5.5.1 (Vergunningplicht) aanhef, lid a. en lid d. worden als volgt gewijzigd: Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: a. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins wijzigen van de bodemstructuur; d. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; - In artikel 5.5.3 (Beoordelingscriteria) wordt het woord ‘onevenredig’ verwijderd. Verbeelding Op de verbeelding is het vlak van de gebiedsaanwijzing ‘Leiding - Gas’ verschoven aan de hand van de juiste leidinggegevens van de gastransportleidingen.
5
Regels Dit plan beoogt de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar plattelandswoning op het agrarisch bedrijfsperceel Ootmarsumsedijk 29-31 in Rossum. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22j bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
53
54
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum', tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
55
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt. Voor zover de meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 in strijd zijn met de meet- en rekenbepalingen in dit artikel, gaan deze meet- en rekenbepalingen voor. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3
de inhoud van een bouwwerk:
Tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
afstand tot de (bouw)perceelsgrens:
tussen de grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is; 2.7
de afstand tot de weg:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de rand van de wegberm aan de zijde van de weg;
56
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Artikel 3 Toepassingsbereik 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Ootmarsumsedijk 29-31 te Rossum waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIOOTMDIJK31-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
57
58
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen Artikel 4 Agrarisch - 2 4.1
Functieomschrijving
Gronden binnen de functie 'Agrarisch - 2' mogen worden gebruikt voor: a. het agrarisch gebruik; b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf”; c. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering al dan niet in combinatie met mantelzorg, dagbesteding en educatie, voorzover de gronden zijn voorzien van een bouwperceel; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; e. doeleinden van agrarisch natuurbeheer; f. extensief dagrecreatief medegebruik; met daaraan ondergeschikt: g. cultuurgrond; h. openbare nutsvoorzieningen; i. wegen en paden; j. beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen; met de daarbijbehorende: k. l.
bedrijfsgebouwen en overkappingen; bedrijfswoningen, bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; m. plattelandswoningen, bijbehorende bouwwerken bij plattelandswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning"; n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2
Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik a. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels. 4.2.2 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd; b. de gebouwen, waaronder overkappingen, zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd op de gronden die zijn voorzien van een bouwperceel; c. per gebied, dat is voorzien van een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf', mogen binnen een bouwvlak uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf dan wel de plattelandswoning worden gebouwd; d. in aanvulling op het bepaalde onder b wordt de plattelandswoning en daarbij bijbehorende bouwwerken uitsluitend gebouwd op gronden die zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen plattelandswoning'; e. er is per bouwvlak hoogstens één bedrijfswoning toegelaten; f. er is per bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' hoogstens één plattelandswoning toegelaten; g. er zullen, behoudens de bestaande, geen kassen, tunnelkassen, blaastunnels en torensilo’s worden gebouwd; h.
indien er sprake is van een productiegerichte paardenhouderij mag een rijhal worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m²; bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
59
i.
j.
de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning/plattelandswoning zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning en/of plattelandswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, de bedrijfswoning op meer dan 50 m van de weg is gesitueerd, dan wel de gebouwen vóór de voorgevel van een bedrijfswoning zijn gebouwd, in welk geval de bestaande afstand dan wel de bestaande situering ten opzichte van de voorgevel van de bedrijfswoning geldt; de maatvoering van een gebouw of een overkapping zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld;
* tenzij de bestaande maatvoering in geval van bewoning van een boerderijpand met een woongedeelte en een deel meer bedraagt, in welk geval de maatvoering van het boerderijpand inclusief de deel ten hoogste de bestaande maatvoering zal bedragen, waarbij de inhoud van het woongedeelte binnen het boerderijpand ten hoogste 750 m³ zal bedragen, tenzij de bestaande inhoud van het woongedeelte meer bedraagt, in welk geval de inhoud van het woongedeelte binnen het boerderijpand ten hoogste de bestaande inhoud zal bedragen. ** de bouwhoogte van een bijbehorende bouwwerk zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning/plattelandswoning. k.
kelders zullen uitsluitend loodrecht onder de bedrijfswoning/plattelandswoning worden gebouwd, waarbij de kelders uitsluitend inpandig vanuit de bedrijfswoning/plattelandswoning bereikbaar mogen zijn. De inhoud van een bedrijfswoning/plattelandswoning wordt berekend exclusief de kelderruimte;
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. silo’s, platen en bassins zullen uitsluitend worden gebouwd binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf'; b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,50 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van de bedrijfs- en plattelandswoning en/of bedrijfsgebouw(en) binnen de bouwvlakken ten hoogste 2,00 m zal bedragen; c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal binnen het bouwvlak ten hoogste 10,00 m bedragen; d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal buiten het bouwvlak ten hoogste 2,00 m bedragen. 4.3
Specifieke functieregels
4.3.1 Verboden gebruik Het is verboden om binnen deze functie de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van mestvergisting en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid anders dan de in lid 4.1 toegelaten bedrijvigheid en waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; c. het opslaan van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten buiten het bouwperceel, met uitzondering van tijdelijke opslag van landbouwproducten (maximaal zes maanden per jaar); d. het opslaan van agrarische producten binnen het bouwperceel voorzover het gronden betreft die gelegen zijn voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van een bedrijfswoning/plattelandswoning en/of bedrijfsgebouw of, indien geen bedrijfswoning/plattelandswoning aanwezig is, het dichtst bij de weg 60
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
gelegen bedrijfsgebouw; e. het opslaan van zand, steen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen materialen, langer dan zes maanden per jaar; f. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en/of de aanleg van wegen en paden anders dan ten behoeve van het agrarisch gebruik (buiten het bouwvlak) of de bereikbaarheid van bebouwde percelen en veldschuren; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten; h. het splitsen van een bedrijfswoning/plattelandswoning in meer dan één woning; i. het gebruik van de bedrijfswoning/plattelandswoning voor de huisvesting van meer dan één huishouden; j. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan de verkoop van eigen en streekeigen producten, dan wel detailhandel vanuit een sierteelt- en/of boomteeltbedrijf, indien de verkoopvloeroppervlakte groter is dan 10% van de bestaande bedrijfsgebouwen, met een maximum van 100 m²; k. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; l. het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning/plattelandswoning, inclusief bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning/plattelandswoning, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien: 1.
het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de bedrijfswoning/plattelandswoning, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn; 2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in de bedrijfswoning/plattelandswoning meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning/plattelandswoning; 3. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² bedraagt; 4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt; 5. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel; m. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor permanente bewoning, met uitzondering van mantelzorg als bedoeld in artikel 22.35; n. het gebruik van de gronden ten behoeve van containerteelt; o. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijdbak met de daarbijbehorende bouwwerken anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; p. het gebruik van de gronden ten behoeve van de aanleg van een waterbassin. 4.4
Omgevingsplanactiviteit
4.4.1 Inwoning Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bedrijfswoning/plattelandswoning te gebruiken voor meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: a. de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de huisvesting van een tweede (huishouden van een) persoon; b. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en er geen sprake is van splitsing in meerdere woningen; c. er blijft sprake van één hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft; d. er blijft sprake van één aansluiting op de verschillende nutsvoorzieningen en er geen toename van het aantal inritten naar het perceel plaatsvindt. 4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het kappen en/of rooien en/of vellen van bomen en/of houtgewas, niet zijnde bomen en/of houtgewas deel uitmakend van een grondgebonden agrarische teelt; b. het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van bosaanplant tot een aaneengesloten oppervlakte van ten hoogste 1,00 hectare; c.
het inrichten van gronden ten behoeve van natuurontwikkeling tot een aaneengesloten oppervlakte van ten hoogste 1,00 hectare; d. het afgraven en/of ophogen van gronden; bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumse dijk 29-31 Rossum
61
e. het dempen en/of graven van sloten, poelen, en/of andere watergangen en/of -partijen; f. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik; g. het aanleggen en/of verharden van paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met uitzondering van: 1. het aanleggen en/of verharden van wegen ter ontsluiting van percelen en veldschuren; en 2. het aanbrengen van verhardingen tot ten hoogste 5,00 m rondom en aansluitend op veldschuren ten behoeve van het gebruik van veldschuren; h. het aanleggen van ondergrondse, bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen. 4.5.2 Uitzondering Het bepaalde in 4.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen; b. het eenmalig afgraven en/of ophogen van gronden met een diepte en/of hoogte van ten hoogste 30 cm betreffen, waarbij wordt gemeten vanaf de hoogte van het maaiveld; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 4.5.3 Beoordelingsregels a.
De omgevingsvergunning kan slechts verleend worden indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de waterhuishouding, de cultuurhistorische, geomorfologische en archeologische waarden en de waarden van landgoederen. b. De in 4.5.1 onder a en e voor zover het betreft het dempen, genoemde omgevingsvergunning kan slechts verleend worden indien er zodanige compensatie plaatsvindt dat de landschappelijke structuur niet onevenredig wordt geschaad. 4.6 Geluid, geur en trilling: voormalige functionele binding a. Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid van artikel 22.63 niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning'. b. Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trilling van artikel 22.88 niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning'. c. Bij een agrarische activiteit zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2 en subparagraaf 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object ter plaatse van de aanduiding aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning.
62
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22j Ootmarsumsedijk 29-31 Rossum
Artikel 5 Leiding - Gas 5.1
Functieomschrijving
Gronden binnen de gebiedsaanwijzing 'Leiding - Gas' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor: a. een gas-/waterleiding; met de daarbijbehorende: b. veiligheidszone; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2
Beoordelingsregels
5.2.1 Toepassingsbereik In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels. 5.2.2 Bouwen In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse aangewezen functies zijn op of in deze gronden geen kwetsbare gebouwen en geen zeer kwetsbare gebouwen toegelaten, tenzij die een functionele binding hebben met de gasleiding. 5.3
Specifieke functieregels
5.3.1 Verboden gebruik Het is verboden om binnen deze gebiedsaanwijzing de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: a. het opslaan van goederen anders dan het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud aan de gastransportleiding. ; b. het gebruik van gronden en bouwwerken als kwetsbaar gebouw anders dan bestaand binnen gronden met de gebiedsaanwijzing 'Leiding - Gas'. 5.4
Omgevingsplanactiviteit
5.4.1 Bouwactiviteiten Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken, geen gebouwen zijnde te realiseren. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: a. vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder; b. er geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen en goederen; c. er geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leidingen. 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: a. b. c. d. e.
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm; het in de grond brengen van voorwerpen dieper dan 40 cm; het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. ; het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 40 cm.