CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2_Bijlagen bij de regels_Bijlage 3 (bij locatie Rossum Noord 2) Waterstructuurplan

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘Rossum Noord 2”18.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek) Projectgebied Rossum Noord 2

Opdrachtgever Anacon-Infra De heer R. Mengerink Korenbree 34 A 7271 LH BORCULO Adviesbureau Geofoxx Eektestraat 10 Postbus 221 7570 AE OLDENZAAL 0541 - 58 55 44 Status versie 3 Datum 26 november 2024 Projectnummer 20221275/ADEK Documentkenmerk 20221275_d3RAP

Auteur De heer R.H. (Rob) Rekveldt Paraaf:

Controle / vrijgave Mevrouw A. van Asch Paraaf:

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens en onderzoeksopzet 2.1 Locatiegegevens 2.2 Gewenste herinrichting 2.3 Onderzoeksopzet

2 2 3 4

3

Beleid 3.1 Waterschap 3.2 Gemeentelijk beleid

6 6 7

4

Geohydrologisch onderzoek 4.1 Maaiveldhoogte 4.2 Bodemopbouw 4.3 Doorlatendheid 4.4 Grondwater 4.5 Oppervlaktewater 4.6 Riolering (vuilwater) 4.7 Natuurgebieden 4.8 Grondwaterbeschermingsgebied 4.9 Klimaatatlas Twente/Klimaateffect atlas 4.10 Vastgestelde geohydrologische situatie

9 9 10 13 14 17 18 19 19 19 20

5

Toekomstige situatie waterhuishouding 5.1 Algemeen 5.2 Infiltratiemogelijkheden algemeen 5.3 Infiltratiepotentie en geschiktheid hemelwaterinfiltratie 5.4 Berging hemelwater 5.5 Ontwerp watersysteem

21 21 21 22 22 23

6

Bouw- en woonrijp maken 6.1 Voorstel vloerpeilen 6.2 Aandachtspunten bouwrijp maken

27 27 27

7

Samenvatting en conclusie

29

Bijlagen 1 Situatietekening 1.1 Inrichting 1.2 Ontwerptekening 1.3 Veldwerktekening 2 Boorstaten 3 Watertoets

projectnummer

datum

20221275/ADEK

juli 2024

-/-

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

1

Inleiding

In opdracht van Anacon-Infra heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau1, een waterhuishoudkundig plan opgesteld en een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd op de planlocatie “Rossum Noord fase 2” in de gemeente Dinkelland. Onderhavige rapportage betreft versie d3, opgesteld naar aanleiding van enkele aanpassingen op de eerdere (concept)rapportage van juni 2024 (versie d1) en wijzigingen op de definitieve rapportage (d2) van juli 2024 . De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en de voorgenomen functiewijziging van de locatie. In verband met de geplande woningbouw is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Achtergrond Om water bij ruimtelijke ontwikkeling een prominentere rol te geven, is op grond van het besluit op de ruimtelijke ordening de watertoets verplicht gesteld. Dit komt er op neer dat bij elk ruimtelijk plan vooraf moet worden aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en dat onderlinge afstemming plaatsvindt tussen ontwikkelaar en waterbeheerders (watertoetsproces).

De doorvertaling van het watertoetsproces zal in het omgevingsplan worden opgenomen in de vorm van een waterparagraaf, waarin verantwoording wordt afgelegd over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Watertoets(proces) De essentie van het watertoetsproces is een vroegtijdig contact tussen zogeheten initiatiefnemers en waterbeheerders. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. De toets is verplicht voor ruimtelijke plannen waarin 'waterbelangen' spelen. In een waterparagraaf wordt door de initiatiefnemer uitgelegd hoe wordt omgegaan met de waterhuishouding binnen het plan (Bij grotere plannen wordt het opstellen van de waterparagraaf veelal voorafgegaan door een vooroverleg met waterschap, gemeente en/of Rijkswaterstaat). Het waterschap kijkt vervolgens of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse (beoordeling waterparagraaf) en geeft een wateradvies. Het resultaat van het watertoetsproces is een tussen de initiatiefnemer en waterbeheerder afgestemde waterparagraaf in het ruimtelijk plan.

Afhankelijk van de omvang van het plan alsmede relevante wateraspecten / -belangen komt het watertoetsproces in aanmerking voor de korte procedure dan wel normale procedure. Procedures: Geen belang: Functiewijziging zonder relevante wateraspecten / -belangen; Korte procedure: Klein plan met weinig of geen relevante wateraspecten / -belangen; Normale procedure: Groot plan met meerdere relevante wateraspecten / -belangen.

Doel Om goed onderbouwde en weloverwogen keuzes te kunnen maken bij het ontwerp van het plangebied is het raadzaam om inzicht te hebben in de grondwaterhuishouding (grondwaterstanden, fluctuaties en stromingsrichting) en bodemopbouw ter plaatse. De resultaten van het onderzoek kunnen gebruikt worden als input voor de in een latere fase op te stellen waterparagraaf. Tevens wordt de digitale watertoets reeds ingevuld, om te bepalen welke procedure doorlopen moet worden dan wel een wateradvies te verkrijgen. In het rapport komt het volgende aan de orde: het vooronderzoek en geohydrologisch onderzoek, de veldwerkzaamheden inclusief gemeten doorlatendheid, de vigerende regels voor de waterhuishouding bij ruimtelijke ontwikkeling en de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies.

1

De opdrachtgever en terreineigenaar zijn geen zuster- of moederbedrijf en komen niet uit de eigen organisatie zodat de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd.

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

2

Locatiegegevens en onderzoeksopzet

2.1

Locatiegegevens

Het projectgebied Rossum Noord 2 sluit aan op Rossum Noord 1. Het plangebied is gelegen aan de Reuvenkamp aan de noordwestzijde van Rossum. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie Q, nummer 1087. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 18.000 m2. Het terrein is momenteel in gebruik als weiland. In het midden van het plangebied loopt van west naar oost een watergang (sloot) met een lengte van circa 150 meter, welke aansluit op de Rossumerbeek. De Rossumerbeek is gelegen aan de oostzijde van het plangebied, en stroomt af in noordelijke richting. Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de bebouwde kom van Rossum en wordt aan de zuid(west)zijde begrenst door de wegen Reuvenkamp en Hooimaat en woningen, onderdeel van fase 1. Aan de westzijde ligt een bosstrook en aan de noord- en oostzijde landbouwgrond.

Figuur 2.1: Plangebied Rossum fase 2 gezien vanuit de oostzijde, met op de achtergrond plangebied Rossum fase 1.

Tabel 2.1: Overzicht topografische gegevens Topografische gegevens Locatie Gemeente Waterschap Huidig gebruik Oppervlakte onderzoekslocatie Coördinaten midden plangebied Maaiveldhoogte1 Toekomstig gebruik 1

Plangebied Rossum Noord 2 Dinkelland Vechtstromen Weiland Circa 1,8 ha X: 259.356 en Y: 486.248 23,8 – 24,5 m +NAP Wonen

Gemiddelde maaiveldhoogte op basis van AHN.nl, aflopend van zuid naar noord

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

2 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

2.2

Gewenste herinrichting

Op de locatie is een herverdeling in 29 verschillende kavels voorzien (zie figuur 2.2). Rondom de twee te realiseren bouwblokken is een wegtracé ingetekend om toegang te geven tot de percelen. Aan de randen (zuid en oostzijde) is ruimte voor waterberging voorzien. De bestaande sloot, welke centraal door het plangebied loopt, wordt omgelegd langs de westen noordzijde. Aan de zuidzijde van het plangebied, grenzend aan de Hooimaat en de Reuvenkamp, worden enkele wadi’s welke zijn aangelegd als onderdeel van Rossum Noord fase 1, opgenomen in het plan voor -fase 2. Dat betekent dat enkele bestaande wadi’s vergroot worden of wijzigen in ligging.

Figuur 2.2: Onderzoekslocatie huidige situatie (met sloot) en schets nieuwe situatie (respectievelijk links en rechts). Gebaseerd op de tekening aangeleverd door de opdrachtgever zal het verhard oppervlak in de toekomst toenemen. Dit bestaat uit circa 5.310 m2 voor de toekomstige rijbaan, trottoirs en parkeerplaatsen (verhardingen). Daarnaast zal de bebouwing zorgen voor een toename van het verhard oppervlak met circa 3.440 m2. Dit is inclusief inritten en een parkeerplaats op particulier terrein. Van een gebied ter grote van circa 1.600 m2 is op dit moment niet bekend wat de exacte invulling wordt. Voor dit gebied is aangenomen dat circa 1.000 m2 wordt verhard. In figuur 2.1 en in onderstaande tabel is de toekomstige verharding weergegeven.

Tabel 2.1: Oppervlaktes en kavelindeling (m2) Situatie

Kavels2

Voormalig Toekomstig

-4 st. vrijstaand 10 st. 2-o.-1-kap/ geschakeld 14 st. rijwoningen Nader in te vullen

Totaal onverhard binnen plangebied Totaal verhard binnen plangebied 1 Rijbaan, parkeerplaatsen en voetpad 2 Inclusief bestrating en oprit conform

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

Globale oppervlakte (m2) 18.000

1.600

Oppervlak bebouwd

Oppervlak verharding

Totaal

0 640 1400 1400 1000

0

0 9.750

5.310

8.250 (56%) 9.750 (54%)

3 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

2.3

Onderzoeksopzet

2.3.1

Geohydrologisch onderzoek

Bureaustudie Eerst zal een bureaustudie worden uitgevoerd waarbij op basis van alle beschikbare openbare data de lokale bodemopbouw en geohydrologie wordt beschreven. Omdat deze gegevens vaak van regionale aard zijn, dienen deze te worden door vertaald naar de lokale situatie. Hiervoor zijn aan verschillende openbare bronnen gegevens ontleend omtrent de geohydrologie en waterhuishouding. De verzamelde gegevens zijn afkomstig van:           

het Actueel Hoogtebestand van Nederland 3 (AHN 3); KLIC-melding en relevante kadastrale kaarten van het Kadaster; de database DINOloket van TNO; openbare datasets beschikbaar via het Nationaal Georegister; openbare datasets van de Provincie Overijssel (Atlas van Overijssel); openbare datasets van Twents Waternet; Grondwatertools.nl; Verkennend bodemonderzoek en hydrologisch onderzoek Haarstraat, Reimersweg en Boschweg te Rossum, Geofoxx, projectnummer 20050777, augustus 2005; Waterhuishoudingsplan Rossum Noord, Geofoxx, projectnummer 20131841, december 2015; Herziening Waterhuishoudingsplan Rossum Noord, Geofoxx, projectnummer 20160463, mei 2016; Waterhuishoudingsplan ‘Plan Vos’ te Rossum, projectnummer 20190999, januari 2019.

Veld- en laboratoriumonderzoek Op de locatie zijn al diverse bodemonderzoeken uitgevoerd in het verleden. Hiermee is inzicht verkregen in de lokale bodemopbouw. Om inzicht te krijgen in de actuele doorlatendheid (kwaarde) van de onverzadigde zone van de bodem worden doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. De k-waarde is van belang voor het bepalen van de infiltratiemogelijkheden op de locatie. In lijn met de leidraad riolering Module C2510 (Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage), met een GHG (gemiddeld hoge grondwaterstand >1,5 m-mv), zijn vijf doorlatendheidsmetingen (falling head testen) uitgevoerd op een diepte van circa 0,5 tot 1,0 m-mv. Daarnaast zijn drie pomproeven verricht in de geplaatste peilbuizen ter bepaling van de doorlatendheid van de bodem onder de grondwaterstand. Op basis van de bij de boringen vrijkomende grond wordt een gedetailleerde boorbeschrijving gemaakt (boorprofielen). Dit geeft inzicht in de bodemopbouw (samenstelling en doorlatendheid). De ligging van de boorpunten is weergegeven op de situatietekeningen in bijlage 1. Voor gedetailleerde boorstaten wordt verwezen naar bijlage 2.

Kwaliteitsborging De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de richtlijnen en kwaliteitseisen zoals genoemd in de Beoordelingsrichtlijn veldwerk voor milieuhygiënisch bodem en waterbodemonderzoek van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, nummer 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek" (kortweg: BRL SIKB 2000) en vigerend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

4 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

2.3.2

Digitale watertoets

In dit kader van de (verplichte) watertoets is het van belang om in de planvormingsfase na te denken over de waterhuishoudkundige aspecten op de locatie. Een eerste stap hierin is het doorlopen van de digitale watertoets. Met behulp hiervan kan worden bepaald welke wateraspecten er spelen en welke procedure op basis hiervan moet worden doorlopen. Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing van de ontwikkeling dient in de toelichting van het bestemmingsplan een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt een beschrijving gemaakt van onder andere de geohydrologische uitgangspunten, de beleidsmatige uitgangspunten van gemeente en waterschap, de benodigde bergingsopgave, infiltratiemogelijkheden en de toekomstige invulling van de waterhuishouding (op hoofdlijnen). Afhankelijk van de uitkomsten van de digitale watertoets, wordt de waterparagraaf in een later stadium geschreven. De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in onderhavige rapportage.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

5 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

3

Beleid

In de navolgende paragraaf is het huidige beleid ten aanzien van stedelijk waterbeheer beknopt toegelicht. Het stedelijk waterbeleid wordt ingevuld door de gemeente Dinkelland en waterschap Vechtstromen.

3.1

Waterschap

Het waterschap heeft een aantal normen en uitgangspunten opgenomen in het ‘Waterbeheerplan 2022-2027, Waterschap Vechtstromen’. De grootste opgaven waar het Waterschap mee te maken krijgt bestaat uit de Omgevingswet, het klimaat, algehele waterkwaliteit, duurzaamheid en beleving. Het algemene uitgangspunt van het waterschap Vechtstromen is dat het omliggende watersysteem niet extra belast wordt door de ontwikkelingen op de locatie. Er mag géén afwenteling op de omgeving (en in de tijd) plaatsvinden. Daartoe hanteert het waterschap de volgende twee tritsen voor waterkwantiteit en waterkwaliteit: Vasthouden – bergen – afvoeren De trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht dient te worden het (gebiedseigen) water zo lang mogelijk – daar waar het valt – vast te houden (infiltratie in de bodem). Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in laatste instantie - wanneer noch vasthouden, noch bergen afdoende is - kan overwogen worden het water zo traag mogelijk af te voeren naar de omgeving.

Schoon houden – scheiden – schoonmaken De trits ‘schoon houden – scheiden – schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de waterkwaliteit verslechtert (schoon houden), vervolgens het scheiden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. De hydrologische ordeningsfuncties voor deze trits zijn:  Cascadering, waarbij vuile gebiedsfuncties benedenstrooms van schone worden gelegd;  Buffering, waarbij tussen schone en vuile gebiedsfuncties een bufferzone wordt aangelegd;  Differentiatie per stroomgebied, waarbij elk (deel)stroomgebied een richtinggevende functie krijgt. Onder deze bovengenoemde trits heeft het waterschap Vechtstromen een aantal specifieke uitgangspunten met betrekking tot het stedelijk waterbeheer. Deze zijn afkomstig uit het Hydraulisch handboek 2020 van waterschap Vechtstromen2: 

Bergingseis (bergingsvijvers, waterlopen, straat en infiltratie- en randvoorzieningen3): o o o o o o o

 

2 3

T=100 gebeurtenis maatgevend voor toetsing; Neerslagstatistiek volgens Stowa rapport nr. 19, 2019; Neerslag volgens huidige klimaat +10% (klimaat) 3 mm berging op straat, dak etc. Maatgevende bui-duur is 48 uur, neerslaghoeveelheid 122 mm. Deze waarde komt overeen met de neerslaghoeveelheid inclusief klimaatverandering volgens Stowa rapport nr 19; Maatgevende afvoer (lozingscapaciteit berging): 1,6 l/s/ ha ofwel 28 mm bij bui-duur 48 uur; Dit betekent 91 mm waterberging voor het gebied dat is toegenomen in verhard oppervlak;

Ondergrondse infiltratievoorzieningen moeten worden voorzien van een inspectiemogelijkheid en worden voorzien van blad- en zandvangers; Het hemelwater wordt bij voorkeur zichtbaar afgevoerd naar de berging- en/of infiltratievoorziening;

Augustus 2020, afdeling ontwikkeling en advies, Waterschap Vechtstromen; Bepaal de omvang en het type berging in bestaand stedelijk gebied in overleg met de gemeente;

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

6 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

3.2

In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien de uitlogende materialen toch worden toegepast, dienen ze jaarlijks gecoat te worden om diffuse verontreinigingen te voorkomen; Het waterschap is er voorstander van om zo min mogelijk schoon regenwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Nieuw aan te leggen gebieden dienen gescheiden gerioleerd te worden; Om afwenteling op de omgeving (o.a. piekafvoeren) te voorkomen mag de maximale afvoer vanuit het (nieuwe) stedelijk gebied niet toenemen ten opzichte van de oorspronkelijk in het onbebouwde gebied optredende agrarische afvoeren (hierna ook wel “maatgevende landelijke afvoer” genoemd). Hiervoor dient een maatgevende afvoernorm van 2,4 liter per seconde per hectare te worden gehanteerd; Het waterschap is geen voorstander van het creëren van nieuwe onderbemalingen t.b.v. het realiseren van voldoende ontwateringsdiepte bij nieuwbouwprojecten.

Om voldoende ontwateringsdiepte te bereiken, en toch aan te sluiten bij bestaande grond- en oppervlaktewaterpeilen kan overwogen worden het terrein integraal op te hogen, dan wel om over te gaan op selectief ophogen in combinatie met kruipruimteloos bouwen. Voor een overzicht van de gangbare ontwateringnormen wordt verwezen naar het gemeentelijk beleid, paragaaf 3.2.

Gemeentelijk beleid

Hemelwater (HWA) De planontwikkeling heeft na realisatie een totale hoeveelheid verhard oppervlak van 9.750 m2 tot gevolg. Hiervan wordt 4.440 m2 verharding in de openbare ruimte gerealiseerd. Om te voldoen aan het voorkeursbeleid van de waterbeheerders, wordt hemelwater van verharding en bebouwing bij voorkeur bovengronds afgevoerd naar een infiltratievoorziening. Indien bovengrondse afvoer niet mogelijk of wenselijk is, dienen regenpijpen boven het maaiveld te worden voorzien van een bladvanger welke tevens kan dienen als noodoverloop. Op basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan Dinkelland 2019-2024 (GRP) kan worden uitgegaan van een minimale berging van 20 mm (voor de bestaande verharding) en een bergingseis van 40 mm voor het aandeel verharding dat toeneemt. Bij extreme situaties mag geen waterschade ontstaan. Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en waar mogelijk ook infiltreren. Ontwateringsdiepte In figuur 3.1 zijn de definities van ontwateringsdiepte en drooglegging weergegeven.

Figuur 3.1: Definities ontwateringsdiepte en drooglegging

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

7 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

De ontwateringsdiepte is het verschil tussen maaiveldhoogte4 en grondwaterstand. Het uitgangspunt voor het stedelijk gebied is dat voldoende ontwateringsdiepte wordt gerealiseerd voor de gewenste functie. In tabel 3.1 zijn de ontwateringsdiepten weergegeven (de beoogde ontwateringsdiepte is geen vaste te garanderen grondwaterstand omdat de grondwaterstand een sterk dynamisch karakter heeft).

Tabel 3.1: Gewenste ontwateringsdiepte per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie

Gewenste ontwateringsdiepte (m)*

Woningen/gebouwen met kruipruimte 1,0 m t.o.v. vloerpeil Woningen/gebouwen zonder kruipruimte 0,5 m t.o.v. vloerpeil Wegen 0,7 m t.o.v. maaiveld Openbaar groen 0,5 m t.o.v. maaiveld Wadi 0,3 m t.o.v. de wadibodem *Op basis van overleg met gemeente Dinkelland/Tubbergen (Noaberkracht) op 6 maart 2023 te Tubbergen

Bouwperiode Bij de aanleg en het onderhoud van het gebouw en bestrating mag geen gebruik gemaakt worden van uitloogbare bouwmaterialen, chemische bestrijdingsmiddelen en dient het gebruik van strooizout te worden beperkt. Indien er toch uitlogende materialen worden toegepast, dient het desbetreffende materiaal jaarlijks gecoat te worden om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Inrichting De straatpeilen dienen bij de straatpeilen in de omgeving van het plangebied aan te sluiten. Rondom de bouwkavels is voldoende ruimte om hoogteverschillen met de omgeving op te vangen. Het vloerpeil van de bebouwing dient normaal 0,2 m boven de kruin van de weg gelegen te zijn, echter is dit eveneens afhankelijk van de inrichting van het straat tracé (drempels, type wegprofiel, afstand tot straat, etc). In hoofdstuk 6.1 zal verder worden ingegaan op de vloerpeilen. Deze vloerpeilen zijn gebaseerd op de minimale drooglegging en benodigde straatpeilen.

4

De maaiveldhoogte zelf heeft vrijwel geen directe invloed op de grondwaterstand (afhankelijk van een bepaalde drooglegging werkt de maaiveldhoogte, via het oppervlaktewaterpeil, wel door in de grondwaterstand). De maaiveldhoogte is wel van belang voor de ontwateringsdiepte. projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

8 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

4

Geohydrologisch onderzoek

4.1

Maaiveldhoogte

Regionaal In de omgeving van het projectgebied zijn relatief grote gradiënten te vinden. De aanwezige enkeerdgronden liggen op oude dekzandruggen en zijn tot 29,5 m +NAP hoog. Het projectgebied, dat zich grotendeels in een beekdal bevind, ligt relatief laag tussen deze enkeerdgronden (essen) in. In figuur 4.1 is de regionale maaiveldhoogte weergegeven, met daarin de regionale hoogtegerelateerde accenten als beekdal en hoge enkeerdgronden.

Figuur 4.1: Hoogtekaart van de omgeving Rossum, met ingetekende hoogtegerelateerde accenten (bron: AHN) en globale ligging plangebied in rood. Lokaal Binnen het plangebied zijn recent hoogtemetingen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de maaiveldhoogte varieert van 23,8 tot 24,8 m +NAP. Het maaiveld loopt in noordelijke richting af. De laagste gedeelten van het plangebied liggen in de dalvormige laagte in de noordelijke hoek langs de Rossumerbeek. Het zuidelijke deel heeft een maaiveldhoogte van circa 24,8 m +NAP. Op het centrale deel rond de watergang bedraagt de maaiveldhoogte 24,1 m +NAP. In tabel 4.1 zijn enkele hoogtes aangegeven, deze zijn tevens weergegeven in figuur 4.2.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

9 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Tabel 4.1: Hoogtes gebaseerd op lokale inmeting met GPS nr

Locatie

1 2 3 4 6 7 8

Hooimaten, einde straat oostzijde (lantaarnpaal) Aansluiting Hooimaat – Reuvenkamp (put) Bestaande wadi Reuvenkamp, einde straat westzijde Puthoogte Hooimaat Oostzijde sloot, grenzend aan Rossumerbeek Noordoostelijke hoek plangebied, grenzend aan Rossumerbeek Noordwestelijke hoek plangebied, nabij bosstrook Sloot (bovenzijde slootbodem), westzijde Sloot(bovenzijde slootbodem), oostzijde

9 10 11

Hoogte in m +NAP 25,06 24,77 24,02 24,69 24,81 24,01 23,73 24,21 23,50 23,05

.8 .1

.9 .1

.7 . 11

.1

.1

. 10 .4

.1

.1

.3

.5

.1

.1

.1

.2 .1 Figuur 4.2: Hoogtekaart met ingemeten GPS punten

4.2

Bodemopbouw

Regionale bodemopbouw De opeenvolging van slecht doorlatende lagen en goed doorlatende watervoerende pakketten bepaalt de grondwaterstroming in een gebied. De opeenvolging wordt de geohydrologische opbouw genoemd. In figuur 4.3 en in tabel 4.2 is de geohydrologische opbouw weergegeven (gebaseerd op het geohydrologische model van het DINOloket, REGIS v2.2).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

10 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Locatie

Figuur 4.3: Regionale bodemopbouw (REGIS V2.2, DINOloket)

Tabel 4.2 : Regionale bodemopbouw (REGRIS V2.2, DINOloket) Diepte (m-mv) 0 - 22

Formatie

Samenstelling

Boxtel

22 - 25

Drente

25 - 38

Gestuwde afzettingen

38 - >120

Dongen

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand Complexe eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van grof en midden zand, zandige klei, fijn zand en grind Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit klei en zandige klei

Geohydrologische eenheid Watervoerend pakket Watervoerend pakket Scheidende laag

k-waarde (m/dag) 5 - 10

Basis

0

25 - 50 -

Ter plaatse van het plangebied is tot circa 25 m –mv sprake van zandige lagen met een relatief goede doorlatendheid. Op grotere diepte is sprake van gestuwde afzettingen tot circa 38 m-mv. Er is sprake van een complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van leem, zandige en kleiige afzettingen. Hieronder bevindt zich de eerste kleiige eenheid, de Formatie van Dongen, echter heeft deze geen invloed meer op het grondwatersysteem op de projectlocatie. Lokale bodemopbouw In het kader van de herontwikkeling is door Geofoxx een geohydrologisch onderzoek op de locatie uitgevoerd. De boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 2. Uit de profielbeschrijvingen van de grondboringen volgt dat de bodem tot 3,2 m –mv bestaat uit matig tot sterk siltig zand. De bovengrond is matig humeus. Op het oostelijke deel van de locatie is vanaf 0,2 m –mv een kleilaagje aanwezig met een dikte van circa 0,4 m. Op het zuidoostelijke terreindeel is deze kleilaag aangetroffen van 1,1 – 1,3 m –mv. Dit is tevens waargenomen tijdens het bodemonderzoek uit 2005 (zie figuur 4.4).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

11 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Rossum fase 2

Rossum fase 1

Figuur 4.4: aangetroffen kleilagen (grijs gearceerd) uit: Geohydrologisch onderzoek 2005)

Tabel 4.3: Lokale bodemopbouw Diepte (m-mv) 0,0 - max. 1,3 0,5 à 1,3 - 3,2

Bodemsamenstelling

Opmerkingen

Matig fijn, sterk siltig zwak tot matig humeus zand Matig fijn, matig tot sterk siltig zand

De bovengrond is humeus tot een wisselende diepte van 0,15 tot 1,3 m -mv. Plaatselijk is een kleilaag of een grindige laag aanwezig.

De grondwaterstand ten tijde van de veldwerkzaamheden (uitvoeren boringen en plaatsen peilbuizen, 19 december 2022) is aangetroffen op 1,3 à 1,5 m –mv. Tijdens de bemonstering van het grondwater op 16 januari 2023 is de grondwaterstand op het centrale en noordelijke deel van het plangebied gemeten op circa 0,25 m-mv. In de peilbuis aan de zuidoostzijde is een grondwaterstand gemeten van 0,8 m-mv. Opgemerkt wordt dat in de tussenliggende periode veel regen is gevallen. Er zijn roestverschijnselen aangetroffen van 0,4 tot circa 1,1 à 1,5 m-mv. De nadere onderbouwing van de grondwaterstanden wordt beschreven in hoofdstuk 4.4.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

12 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

4.3

Doorlatendheid

Onverzadigde zone: Om een indruk te krijgen van de doorlatendheid (k-waarde) van de onverzadigde zone (boven de grondwaterstand) is in vijf boringen een doorlatendheidsproef uitgevoerd. De proeven zijn verricht in de zandlagen ter plaatse van de geplande terreindelen voor wadi’s. De doorlatendheid van de onverzadigde bodemlagen is bepaald met behulp van de Falling head-methode, ook wel omgekeerde Hooghoudmethode genoemd. Bij de Falling head-methode wordt de grondwaterspiegel eenmalig verhoogd waarna de daling van de grondwaterspiegel wordt gemeten (zie figuur 4.5). De metingen worden uitgevoerd om een indicatie te verkrijgen van de mogelijkheden voor de infiltratie van hemelwater in de bodem. De rekenbladen zijn toegevoegd in bijlage 5. De resultaten zijn samengevat in tabel 4.4. Figuur 4.5: Falling-Head methode Tabel 4.4: Gemeten doorlatendheid onverzadigde zone (m/dag) Boorpunt Filtertraject (m-mv) 02 (west) 0,50 - 1,00 12 (west) 0,50 - 1,00 14 (oost) 0,50 - 1,00 15 (oost) 0,50 - 1,00 25 (oost) 0,50 - 1,00 Gemiddelde doorlatendheid

Samenstelling bodem Zwak humeus, matig fijn, matig siltig zand Matig fijn, matig siltig zand Matig fijn, zwak siltig zand Matig fijn, matig siltig zand Matig fijn, matig siltig zand

K-waarde (m/dag) 1,2 0,8 0,3 0,1 0,1 Oostelijk deel: 0,2 Westelijk deel: 1,0

De lage waarden voor de doorlatendheid op het oostelijke deel kunnen verklaard worden door de aanwezigheid van de kleilaag op dit terreindeel. Deze kleilaag is op het westelijke deel niet aanwezig, waardoor de grond daar beter doorlatend is. Verzadigde zone: In de peilbuizen op het terrein zijn drie doorlatendheidsmetingen (constant flow-head test volgens module C2510 uit leidraad Riolering 2011) uitgevoerd voor het vaststellen van de doorlatendheid in de verzadigde zone. De resultaten zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

Tabel 4.5: Gemeten doorlatendheid verzadigde zone (m/dag) Peilbuis

Filtertraject (m-mv)

06 2,1 – 3,1 11 2,1 – 3,1 22 2,1 – 3,1 Gemiddelde doorlatendheid

Samenstelling bodem Zeer fijn, sterk siltig zand Matig fijn, matig siltig zand Matig fijn, zwak siltig zand

K-waarde (m/dag) 1,2 1,8 1,0 1,3

De gemeten doorlatendheden komen overeen met de waarden welke in 2005 zijn vastgesteld. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden de plangebieden Rossum fase 1 en 2. Onderzoek 2005:  De onverzadigde zone bestaat uit een enkele decimeters dikke deklaag, bestaande uit matig fijn zand met een matige tot redelijke doorlatendheid: 0,5 á 1 m/d. Daaronder bevindt zich een beter doorlatende zandlaag met een k-waarde van 2 á 3 m/d. Langs de Rossummerbeek zijn kleilagen aanwezig met een slechte doorlatendheid: circa 0,05 m/d;

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

13 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

4.4

De verzadigde zone van de bodem bestaat uit matig fijn zand met een relatief goede doorlatendheid: 1 á 3 m/d (vergelijkbaar met het onderste deel van de onverzadigde zone). De bodem nabij de Rossemerbeek is daarbij het minst doorlatend.

Grondwater

Om een volledig beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden op het plangebied, zijn diverse bronnen geraadpleegd. Regionale grondwaterstroming In figuur 4.6 is het isohypsenpatroon van het 1e watervoerende pakket weergegeven. Hieruit kan afgeleid worden dat de grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket globaal noordwestelijk is gericht. De diepere grondwaterstanden in het 1e watervoerend pakket, ten westen van Rossum, worden verklaard door de grondwateronttrekkingen nabij Weerselo (Vitens).

Figuur 4.6: Grondwaterstroming m NAP (Grondwatertools; isohypsen 1e watervoerend pakket) Op het noordelijke deel van het plangebied rond de Rossumerbeek is sprake van kwel (0,5 – 1mm/dag). Op het zuidelijke deel is juist sprake van infiltratie (0,1 – 0,5 mm/dag) (zie afbeelding 4.7).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

14 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Afbeelding 4.7: Situatie kwel en infiltratie (bron: Klimaatatlas) Grondwatermeetnetten Dinoloket (TNO) en Twente (Twents Waternet) Om inzicht te krijgen in de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) is gebruik gemaakt van grondwaterstandmeetreeksen zoals bijgehouden door TNO en het Twents Waternet. De ligging van deze peilbuizen is weergegeven in figuur 4.8. B28H0296 B28H0697

B28H0682

B28H0240

B28H0214

Figuur 4.8: Ligging peilbuizen rondom plangebied Rossum-Noord Op basis van de meetgegevens zijn de gemiddelde grondwaterstanden per peilbuis berekend. Hierbij is onderscheid gemaakt in GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand), GG

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

15 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

(gemiddelde grondwaterstand) en GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand. De resultaten zijn opgenomen in tabel 4.6. Tabel 4.6: Regionale grondwaterstandsgegevens (m+NAP) Peilbuis

Peilbuis t.o.v. locatie

Maaiveldhoogte

Afstand (m)

Ligging

(m+NAP)

B29C0240

1.225

zuidoost

27,50

GHG (m+ NAP)

GG

GLG

m -mv

(m+ NAP)

mmv

(m+ NAP)

m– mv

27,1

0,4

26,7

0,8

26,3

1,2

DINO-loket B29C0214

1.504

oost

27,26

26,1

1,2

25,5

1,8

25,0

2,3

B28H0697

748

noordoost

25,54

24,3

1,2

24,0

1,5

23,7

1,8

B28H0682

1.249

west

22,17

21,5

0,7

21,0

1,1

20,5

1,6

B28H0296

1.046

noord

23,11

22,4

0,7

21,9

1,3

21,3

1,8

Twents waternet ROS101

80

zuid

25,42

24,38

1,04

23,87

1,55

23,36

2,06

ROS102 ROS103

400

zuid

27,40

25,54

1,86

25,02

2,42

24,51

2,89

200

zuidoost

25,60

24,50

1,10

25,03

1,63

23,44

2,16

Geconcludeerd kan worden dat in het lager gelegen landbouwgebied (peilbuizen TNO (B29-) de grondwaterstanden hoger staan dan in de bebouwde kom van Rossum (ROS101/3). De afwijking kan worden verklaard doordat Rossum relatief hoog gelegen is, en mogelijk als onderdeel van het bouw/woonrijp maken is opgehoogd. Hierdoor zijn tevens straat- en groenstroken hoger komen te liggen, en daarmee ook de maaiveldhoogte ter plaatse van de peilbuizen. Lokale grondwatermetingen Door Geofoxx zijn in het kader van het bodem- en infiltratieonderzoek drie peilbuizen op het terrein geplaatst. De waterstanden zijn bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden op 16 januari 2023 aangetroffen op circa 0,4, à 0,8 m-mv. Opgemerkt wordt dat ten tijde van het plaatsen van de peilbuizen op 19 december 2022 de grondwaterstand is gemeten op 1,4 à 1,5 m –mv. In de tussenliggende periode was sprake van veel regenval. De aangetroffen grondwaterstanden liggen vermoedelijk tussen de GG en GHG situatie in, wat overeenkomt met het jaargetijde waarin de grondwaterstanden gemeten zijn.

Maatgevende grondwaterstanden Op basis van de verkregen gegevens worden de volgende grondwaterstanden verwacht:  gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG): 23,5 tot lokaal 24,0 m+NAP  gemiddelde grondwaterstand (GG): 22,5 m+NAP  gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG): 22,0 m+NAP De GHG is bepaald op basis van de eerder uitgevoerde grondwatermonitoringen van het grondwatermeetnet Twente, de eerdere uitgevoerde geohydrologische onderzoeken en de roestverschijnselen welke voorkomen in het boorpofiel. Op het noordelijke deel van de locatie nabij de Rossumerbeek is sprake van lichte kwel. Op het zuidelijke deel is sprake van enige infiltratie.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

16 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

GHG: 23,9

GHG: 24,0

GHG: 23,90 Figuur 4.9: GHG situatie plangebied (m + NAP)

4.5

Oppervlaktewater

Het plangebied Rossum-Noord fase 2 is gelegen in het beekdal van de Rossumerbeek ten noordwesten van het dorp. De beek heeft door de ruilverkaveling in het verleden het typische gestrekte karakter van een afwateringssloot. In de loop der jaren is de beek in de huidige kern van Rossum verduikerd. De afvoercapaciteit van de watergang is in 2011 vastgesteld op 0,64 m3/uur bij een afwaterend oppervlak van 401 ha5. De beek heeft naar verwachting een overwegend drainerende werking op de grondwaterstanden en stroomt af in noordwestelijke richting. Volgens het onderhoudsbeheersplan Middensloot (2004) kunnen in droge perioden delen van het systeem droogvallen, waardoor de beek op dat moment geen drainerende functie meer heeft. In de huidige situatie stroomt de Rossumerbeek langs de oostzijde van het plangebied, over een lengte van circa 180 meter (zie afbeelding 4.10). De beek maakt geen deel uit van het plangebied. Figuur 4.10: Huidige ligging Rossumerbeek naast de planlocatie, in stroomafwaartse (noordelijke) richting

5

Memo Waterschap Vechtstromen; Afdeling BBW, J. van der Scheer, 1 juni 2011.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

17 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

In figuur 4.11 is een uitsnede van de legger van waterschap Vechtstromen weergegeven. Ter hoogte van het plangebied is een stuw aanwezig (zie ingevoegde foto). Het stuwpeil is zowel zomers als winters circa 23,5 m +NAP.

Figuur 4.11: Legger oppervlaktewateren nabij plangebied met sloot (

)

Binnen het plangebied loopt momenteel een sloot van west naar oost. Ten tijde van het veldwerk in december 2022 / januari 2023 stond deze droog. Deze sloot wordt bij de ontwikkeling van het plangebied richting het noorden verplaatst. De slootbodem heeft een diepte van circa 23,7 tot 22,8 m NAP m +NAP (circa 1,0 m –mv). Zie hiervoor tevens de onlangs uitgevoerde inmeting. In de Rossummerbeek worden boven- en benedenstrooms van de stuw (ST00281) de volgende waterpeilen verwacht:  benedenstrooms; T100 23,90 m+NAP; T10 23,75 m+NAP  bovenstrooms T100 24,00 m+NAP; T10 23,80 m+NAP

4.6

Riolering (vuilwater)

De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en afvoer van afvalwater en daarmee de aanleg, het onderhoud en het beheer van het hoofdrioolstelsel. Het vuilwaterriool dient te worden aangesloten op het bestaande stelstel. Dit zal gebeuren aan de zuidzijde van het plangebied. Hier heeft het bestaande riool een b.o.b. hoogte van 21,5 m+NAP. Het betreft een PVC riool met een diameter van 250 mm. Vanuit het gemengde rioolstelsel van Rossum wordt periodiek, bij veel neerslag, ongezuiverd rioolwater op de Rossumerbeek geloosd. Er zitten nu nog drie overstorten op de Rossumerbeek. De overstort, benedenstrooms van de kern, is in 2011 voorzien van een randvoorziening (bergbezinkleiding) van 250 m3.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

18 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

4.7

Natuurgebieden

De Rossumerbeek is aangewezen als waardevolle kleine waterloop en als verbindingszone binnen het Natuurnetwerk (zie figuur 4.12).

Figuur 4.12: Fragment kaart Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving) met in rood de projectlocatie

4.8

Grondwaterbeschermingsgebied

De locatie is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied dan wel een intrekgebied.

4.9

Klimaatatlas Twente/Klimaateffect atlas

Op basis van de klimaatatlas Twente blijkt dat bij extreme neerslag (70 mm, T=100) ter plaatse van het huidig plangebied tot max 0,25 cm water aan de oppervlakte aanwezig is. Opgemerkt dient te worden dat ondanks “water op maaiveld aanwezig is”, het plangebied geen waterbergende functie heeft ten tijde van extreme neerslag. In figuur 4.13 is de situatie weergegeven welke ontstaat bij 70 mm neerslag. De volledig donderblauwe vlakken in het zuiden van het plangebied betreffen wadi’s.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

19 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Figuur 4.13: Klimaateffect atlas, waterdiepte bij 70 mm neerslag in 1 uur

4.10

Vastgestelde geohydrologische situatie

Bodemopbouw Binnen het plangebied bestaat de bodem tot 3,2 m –mv uit matig tot sterk siltig zand. De bovengrond is matig humeus. Op het oostelijke deel van de locatie is vanaf 0,2 m –mv een kleilaagje aanwezig met een dikte van circa 0,4 m. Op het zuidoostelijke terreindeel is deze kleilaag op grotere diepte aangetroffen van 1,1 – 1,3 m –mv. Hoogteligging Uit de terrein-inmeting volgt dat de maaiveldhoogte varieert van 23,8 tot 24,8 m +NAP. Het maaiveld loopt in noordelijke richting af. Grondwaterniveau Op basis van de verkregen gegevens worden de volgende grondwaterstanden verwacht:  gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG): 23,4 tot lokaal 24,0 m+NAP  gemiddelde grondwaterstand (GG): 22,5 m+NAP  gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG): 22,0 m+NAP Op het noordelijke deel van de locatie nabij de Rossumerbeek is sprake van lichte kwel. Op het zuidelijke deel is sprake van enige infiltratie. Doorlatendheid De doorlatendheid van de onverzadigde zandlagen is ‘slecht’ en voor de diepere zandlagen “matig tot goed”. De gemeten k-waardes op basis van doorlatendheidsproeven bedragen gemiddeld 0,5 m/dag. In het oostelijk terreindeel is de doorlatendheid door de aanwezigheid van klei lager. In de ondergrond (verzadigde zone) ligt de doorlatendheid een fractie hoger. Waterhuishoudkundige inrichting Centraal door het plangebied is een sloot gelegen.

De sloot watert af op de Rossumerbeek, en heeft een bodempeil van 23,7 tot 22,8 m NAP. De Rossumerbeek is gelegen direct ten oosten van het plangebied. De waterpeilen worden in extreme gevallen (T=100) 24,0 m NAP bovenstrooms van de stuw. Nabij de aansluiting op plangebied Rossum Noord fase 1 is een aansluiting op het vuilwaterriool te maken (b.o.b. 21,5 m NAP, ø250 mm PVC riool).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

20 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

5

Toekomstige situatie waterhuishouding

5.1

Algemeen

In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden voor het verwerken van hemelwater binnen de plangrenzen bekeken.

5.2

Infiltratiemogelijkheden algemeen

De mogelijkheid voor het infiltreren van hemelwater in de bodem is onder ander afhankelijk van de bodemopbouw, de doorlatendheid van de bodem en de heersende grondwaterstanden. In figuur 5.1 is schematisch de afweging tussen het wel of niet infiltreren van hemelwater in de bodem en de keuze voor een bepaalde infiltratietechniek weergegeven. Het betreft een algemene beslismethodiek. Infiltratiesysteem

- Doorbreken van

-

eventuele aanwezige slecht doorlatende lagen verlagen gws ophogen terrein

nee

GHG > 0,7 m-mv t.p.v. voorziening

ja

nee

k > 9 m/dag

ja

nee

Afvoer naar oppervlaktewater infiltratie niet zonder meer mogelijk k > 2 m/dag

ja

- diepploegen -

open verharding

grondverbetering grondvervanging ophogen terrein

Infiltratie: - veld - put * - koffer / - krat - riool - greppel

nee

k > 0,4 m/dag

ja

wadi

nee Afvoer naar oppervlaktewater

gws: GHG: m-mv: k: *

grondwaterstand gemiddeld hoogste grondwaterstand meter beneden het maaiveld doorlatendheid van de bodem voor een infiltratieput moet de grondwaterstand lager zijn dan 1,5 m-mv

Figuur 5.1: Mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater (bron: Hemelwater binnen perceelgrens, SBR/ISSO, publicatie 70_1, 2011). Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) De GHG is als eerste criterium toegepast bij de afweging tussen het infiltreren in de bodem, het bergen van het hemelwater, óf het afvoeren van hemelwater naar elders. Indien de GHG op de locatie hoger is dan 0,7 meter beneden maaiveld is infiltratie niet zonder meer mogelijk en blijven de volgende mogelijkheden over:  bufferen en hergebruik van het hemelwater op de locatie;  het nemen van maatregelen ter verbetering van de geohydrologische omstandigheden;  het ophogen van de locatie;  het afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

21 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

Doorlatendheid (k-waarde) Indien de doorlatendheid van de bodem groter is dan 9 m/dag kunnen in principe alle typen infiltratievoorzieningen worden toegepast. Indien de doorlatendheid van de onverzadigde zone kleiner is dan 9 m/dag, maar groter dan 2 m/dag, kunnen infiltratietechnieken als een infiltratieveld, -koffer, -riool en –greppel goed worden toegepast. Indien de doorlatendheid van de bodem tussen de 2 en 0,4 m/dag ligt, kan het hemelwater met behulp van een wadi in de bodem worden geïnfiltreerd. In geval van een doorlatendheid van minder dan 0,4 m/dag is het infiltreren van hemelwater niet goed mogelijk.

5.3

Infiltratiepotentie en geschiktheid hemelwaterinfiltratie

Op basis van de onderzoeksresultaten kan voor de locatie worden uitgegaan van de situatie zoals opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 5.1: Infiltratiepotentie Plangebied

GHG m NAP 23,4 – 24,0

GG m NAP 22,5

GLG m NAP 22,0

k-waarde m/dag 0,5 (gemiddeld)

Op basis van de doorlatendheid van de ondiepe bodem (matig tot slecht) is infiltratie van hemelwater op de planlocatie beperkt mogelijk. Om hemelwater te infiltreren is op basis van de aangetroffen geohydrologische situatie infiltratie middels een wadi (eventueel in combinatie met drainage) of een zaksloot het meest geschikt. Afhankelijk van de gekozen locatie binnen het plangebied is bodemverbetering noodzakelijk, om daarmee de plaatselijke doorlatendheid te verbeteren en/of de kleilaag te doorbreken om hangwater, er daarmee wateroverlast, te voorkomen. Opgemerkt dient te worden dat de keuze voor het type infiltratievoorziening ook afhankelijk is van de ruimtelijke inrichting van het terrein.

5.4

Berging hemelwater

Op basis van het Gemeentelijk Riool Plan (GRP) kan worden uitgegaan van een minimale berging van 40 mm (uitbreidingslocatie), minus 3 mm inloopverlies (= 37 mm). Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en waar mogelijk ook infiltreren. Aangezien op dit moment onbekend is hoe de particuliere terreinen worden ingedeeld, wordt enkel bergingscapaciteit gerealiseerd voor het openbaar terrein. Tabel 5.2: Berging Verhard oppervlak afgerond (m2) 5.310 4.440 9.750

Verharding Bebouwing Totaal:

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

Bergingseis (mm) 37 37

Berging afgerond (m3) 196 164 360

22 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

5.5

Ontwerp watersysteem

Binnen het plangebied worden in drie clusters woningen gebouwd. Rond deze clusters worden wegen, parkeerplaatsen en trottoirs aangelegd. Binnen de percelen worden 14 tweeonder-één-kap, 7 vrijstaande en 17 rijwoningen gerealiseerd. Daarnaast is voorzien in een woonerf met een oppervlakte van circa 1.600 m2 aan de zuidoostzijde van het plangebied. De planontwikkeling heeft hiermee een toename van verhard oppervlak met 9.750 m2 tot gevolg. Compenserende maatregelen zijn derhalve noodzakelijk (verhard oppervlak >1.500 m2). Aanpassingen watersysteem Rossum noord fase 1: Het hemelwatersysteem dat als onderdeel van Rossum noord fase 1 is aangebracht, wordt door de ontwikkeling van -fase 2 aangepast. Van de twee wadi’s direct ten noorden van fase 1 (rood gearceerd in figuur 5.2) worden de contouren van de grote westelijke wadi aangepast. De andere, oostelijk gelegen wadi, blijft zoals deze nu is ingericht. In totaliteit was voor de ontwikkeling van Rossum fase 1 een bergingsopgave van 300 m3 benodigd, er is voor 350 m3 berging gerealiseerd. De delen waar de bestaande wadi’s worden verkleind, hebben een omvang van 50 m3, waarmee voor fase 1 nog voldaan wordt aan de bergingsopgave (van de 350 m3 blijft 300 m3 capaciteit over).

Groenzone Rossumerbeek: Momenteel worden tussen Waterschap Vechtstromen en de gemeente Dinkelland gesprekken gevoerd over de invulling van de groenzone tussen het plangebied en de Rossumerbeek (groen gearceerd in afbeelding 5.2). Deze zone kan een functie hebben voor waterberging, maar ook als (verlaagde) groenzone wordt aangebracht.

Figuur 5.2: Watersysteem planlocatie Navolgend wordt per watersysteemonderdeel een korte uitwerking gegeven. Door de opdrachtgever wordt tevens een technische ontwerptekening ter beschikking gesteld. Deze is bijgevoegd in bijlage 1. projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

23 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

5.5.1

Verhard oppervlak en afstroming

Hemelwater dat afstroomt op openbaar terrein kan via een bovengrondse afvoergoot naar de wadi worden geleid over het verhard oppervlak. Er zal gebruik worden gemaakt van het natuurlijke afschot op locatie. Dimensionering goten: Voor het afschot van de weg wordt 2,5% gehanteerd (dwarsafschot / verkanting). Een gestrate molgoot dient minimaal 0,5% afschot te hebben (lengteafschot). Er is bij het bepalen van de bouwpeilen (straat) rekening gehouden met deze norm. In de onderstaande figuur is aangegeven op welke wijze water richting de wadi geleid wordt. De paarse vlakken worden richting wadi 1 geleid (zuidzijde). De gele vlakken stromen af naar de Rossummerbeek (groenzone), de blauwe vlakken stromen af naar de noordelijke wadi. Binnen het gele vlak worden in de groenstroken verlaagde groenstroken aangebracht, waarmee circa 100 kuub waterberging wordt gerealiseerd. Dat is te weinig om het afstromende water te kunnen bergen. Het overige water kan in overleg met het waterschap worden geborgen in de groenzone (groen gearceerd), hiervoor is ruim voldoende ruimte aanwezig. Enkel het rood gearceerde deel stroomt middels een berm af naar de sloot aan de westzijde van het plan.

Figuur 5.3: vlakken met afwateringsrichting (paars, rood, geel, blauw).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

24 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

5.5.2

Wadi’s

Bij de dimensionering van de wadi dienen de volgende uitgangspunten van kracht te zijn:  De wadi mag een maximale waterstand van 30 cm bevatten met een minimale wake van het waterpeil van 10 cm;  De wadi moet in 24 uur weer leeg zijn doormiddel van infiltreren dan wel vertraagd afvoeren;  Het talud mag een maximaal verhang bevatten van 1:3 of flauwer;  Wadi’s dienen ten allen tijde voorzien te zijn van een overstort en eventueel drainage om de infiltratiecapaciteit te bevorderen;  De wadibodem moet minimaal 0,3 m boven de GHG gelegen zijn. Er zijn diverse wadi’s voorzien binnen het plangebied. In onderstaande tabel is per wadi aangegeven wat de totale (bodem)oppervlakte en de bergingscapaciteit is. Tevens is de bodemhoogte per wadi aangegeven.

Mogelijkheid voor extra waterberging (groen)

3.

Drainage onder de wadi (paars) ø125mm

Overstort vanuit wadi 1: 24,3 m NAP

Bestaande overstorten / duikers

1. 1.

2.

Figuur 5.4: Wadistructuur Rossum noord 2

Tabel 5.3: Aanleggegevens-/ inhoud wadi’s Wadi

Inhoud

Effectief te Bodemhoogte Hoogte drainage GHG benutten m+NAP (totaal) m3 m3 m+NAP m+NAP m-wadibodem* 1 450 240 24,0 (bestaand) 23,4 (bestaand) 23,9 0,1 (bestaand) 2 70 0 24,2 (bestaand) 23,3 (bestaand) 24,0 0,2 (bestaand) 3 183 183 23,6 23,2 23,8 -0,2 Totaal 423 * De drooglegging van 0,3 m-wadibodem wordt ter plaatse van wadi’s niet behaald. Het betreffen deels bestaande wadi’s, waar in de huidige situatie geen klachten zijn over wateroverlast in natte perioden.

De totale bergingscapaciteit van de wadi’s is 423 m3. Dit voldoet aan de benodigde capaciteit voor de inbreidingslocatie waarbij 37 mm hemelwater geborgen moet worden. Daar dient bij opgemerkt te worden dat tussen de wadi’s verbindingen gemaakt dienen te worden zodat overstort van water mogelijk is. projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

25 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

5.5.3

DWA riool

Het DWA riool wordt uitgevoerd als PVC riool met een diameter van 315 mm en start met een b.o.b. hoogte van 21,5 m+NAP aan de zuidzijde. Het vuilwaterriool wordt hier aangesloten op de bestaande riolering, welke hier reeds gelegen is. Binnen het plangebied worden 28 woningen gerealiseerd, daarnaast is een gebied ingetekend waarvan de invulling op dit moment niet definitief is. Voor onderhavige berekening wordt aangenomen dat hier maximaal 10 wooneenheden worden gerealiseerd. Toetsing buisvulling De toetsing van het stelsel vindt derhalve geheel benedenstrooms plaats ter hoogte van put ROS210. Totaal stroomt het water van 38 huishoudens door het riool. Uitgaande van een gemiddelde van 3 inwoners per woning komt het aantal gebruikers van dit riool op 115. De afvalwaterproductie per inwoner op 135 l/dag gesteld, met een maximale afvoer van 13,5 l/inw/uur. De totale hoeveelheid huishoudelijk afvalwater komt daarmee op 15,5 m3/dag, met een maximum van 1,6 m3/uur. De buisvulling van een leiding met een diameter van Ø 315 mm en een bodemverhang van 1:315 bij een debiet van circa 1,6 m3/uur bedraagt circa 7% van de buisdiameter. Dit is ruim acceptabel.

Figuur 5:5: Buisvulling bij een gemiddelde afvoer van 1,6 m3 / uur

Aanbevolen wordt om de leiding vanaf het gemaal in noordelijk richting, relatief diep aan te leggen. Op deze manier zijn in de toekomst meer mogelijkheden om bij nieuwe uitbreidingen aan te sluiten op het bestaande rioolstelsel. Zie hiervoor tevens de schets in bijlage 1 met b.o.b. peilen.

5.5.4

Sloot

De bestaande sloot dient te worden omgelegd om ruimte te maken voor de woningbouw. In lijn met de bestaande slootpeilen wordt aanbevolen de sloot gemiddeld 1 m diep te maken tov. het huidig maaiveldniveau. Hierbij dient de aansluiting op de bestaande sloot (zuidelijk) plaats te vinden op een hoogte van circa 23,7, waarbij deze kan dalen tot 22,8 m NAP ter plaatse van de Rossumerbeek. Bij de instroom van de Rossumerbeek dient een deugdelijke in/uitstroomvoorziening te worden aangebracht bestaande uit bijvoorbeeld stampbeton of breuksteen (e.e.a. in overleg met Waterschap Vechtstromen).

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

26 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

6

Bouw- en woonrijp maken

6.1

Voorstel vloerpeilen

Op basis van de (toekomstige) maaiveldhoogtes, gemeten grondwaterstanden en vloerpeilen van omliggende bebouwing is een voorstel gedaan voor de te hanteren vloerpeilen voor de nieuwe vloer. 24,5 m NAP

24,8 m NAP

24,8 m NAP 24,8 m NAP 24,85 m NAP

24,7 m NAP

24,8 m NAP

25 m NAP

24,9 m NAP

24,95 m NAP

Figuur 6.1: Bouw en vloerpeilen Op basis van de bovenstaande vloerpeilen is het mogelijk om te bouwen met kruipruimten. De gekozen straatpeilen sluiten aan op de bestaande straatpeilen in Rossum noord fase 1.

6.2

Aandachtspunten bouwrijp maken

Tuinen In de tuinen moet grond worden verwerkt die geschikt is om vegetatie te laten groeien en voldoende doorlatend is om regenwater voldoende snel te laten wegzakken. De bestaande bodem wordt voldoende doorlatend geacht. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden kan het voorkomen dat verslemping van de bodem optreedt met wateroverlast (plasvorming) in de nieuwe situatie. Het is ter overweging van de bewoners de tuinen te spitten na uitvoering van de (bouw)werkzaamheden. Ophoging i.r.t. grondwateroverlast Door de ophoging van het maaiveld wordt de grondwaterstand (beperkt) beïnvloed. De zandlagen in het gebied fungeren als buffer voor het vallende regenwater. Door de ophoging zal de capaciteit van de tijdelijke buffer toenemen en de grondwaterstand in theorie enigszins hoger worden (capillaire opstijging). De invloed van kleilagen in de bodem wordt echter groter geacht dan ophoging van maaiveld. Door het voorkomen van kleilagen op het oostelijk terreindeel kan hangwater ontstaan. Geadviseerd wordt om ter plaatse van wadi’s, wegtracés, groenstroken en de projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

27 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

bouwblokken kleilagen in de ondergrond te doorbreken. Op deze manier kan water infiltreren in de (beter doorlaatbare) ondergrond. Bebouwing: Indien onder de te realiseren woningen kruipruimten aanwezig zijn, dienen deze bij voorkeur ondiep te zijn (< 1 m t.o.v. vloerpeil). Op deze manier wordt (grond)wateroverlast zoveel mogelijk voorkomen. Bij diepere kruipruimten dient de bodem voorzien te zijn van goed doorlatend zand. Op deze manier kan water ten tijde van de bouw en ontwikkeling van de woonwijk infiltreren in de bodem en kan in later stadium eventueel water in de kruipruimte in de bodem kan infiltreren. Infiltratievoorzieningen: De bodem van de wadi’s moet een zodanige samenstelling hebben dat hierop vegetatie kan groeien en het water voldoende snel kan wegzakken. De samenstelling van de wadibodem moet daarom voldoen aan:  Doorlatendheid bodem > 0,5 m/dag;  Humusgehalte 3-5% ;  Lutumgehalte <1% ;  M50-getal 200-300 µm. Overige aandachtspunten zijn:  Drainage: Omdat de doorlatendheid van de bodem overwegend matig tot slecht is, is drainage in de wadi’s noodzakelijk. In figuur 5.4 is een voorstel gedaan voor uitbreiding van het bestaande drainagenetwerk. Aanbevolen wordt het netwerk te voorzien van voldoende doorspuitputten om verstopping door roest en slib te voorkomen. 

Drooglegging: In lijn met de verwachte GHG liggen wadi’s te laag. Het betreffen deels bestaande wadi’s. De vereiste drooglegging van 0,3 m-wadibodem wordt hier niet behaald. In de huidige situatie zijn echter geen aanwijzingen dat hier sprake is van wateroverlast in natte perioden. Aanbevolen wordt om extra aandacht te hebben voor het aansluiten van het nieuwe drainagestelsel op de bestaande drains in de wadi, zodat de situatie niet verslechterd. Daarnaast zal de nieuw aan te leggen drainage ervoor zorgen dat de grondwaterstanden in de natte winterperiode worden ‘afgetopt’. Gezien de natte omstandigheden buiten het groeiseizoen, wordt dit acceptabel geacht.

Extreme situaties: Wanneer de intensiteit van de regenval de ontwerpintensiteit overschrijdt, of de totale neerslaghoeveelheid groter is dan de te bergen inhoud van de bergingsvoorzieningen (bergingseis 40 mm), dan raakt het hemelwatersysteem overbelast. Opgemerkt dient te worden dat de bergingsvoorzieningen zijn gedimensioneerd op 40 mm berging, bij een waterhoogte van 0,3 m. In de praktijk kan een waterhoogte van 0,5 m ontstaan, wat maakt dat de werkelijke bergingscapaciteit van het systeem hoger is. Het hemelwater stroom af naar het laagste punt. De ontwerphoogtes in het plan zijn zo gekozen dat het laagste punt op de rand van het plangebied ligt. Overtollig regenwater zal in dat geval van extreme neerslag afstromen naar de oostzijde van het plangebied.

projectnummer

datum

20221275/ADEK

november 2024

28 / 29

Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek)

Projectgebied Rossum Noord 2

7

Samenvatting en conclusie

In opdracht van Anacon-Infra heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau, een waterhuishoudkundig plan opgesteld en een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd op de planlocatie “Rossum Noord fase 2” in de gemeente Dinkelland. Aanleiding en doel De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en de voorgenomen functiewijziging van de locatie. In verband met de geplande woningbouw is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Resultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar verschillende wadi’s binnen het plangebied. Een deel van de straten wordt hiervoor voorzien van molgoten. In combinatie met de plantontwikkeling van fase 3 worden de wadi’s welke bij de eerdere ontwikkeling van Rossum noord (fase 1) zijn aangelegd, aangepast en uitgebreid. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 9.750 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (37 mm) is binnen het plangebied 360 m3 bergingscapaciteit benodigd.

In verband met de slechte doorlatendheid van de (onverzadigde) bodem en de kleilagen aan de oostzijde van het plangebied, wordt aanbevolen drainage aan te leggen onder de infiltratiemiddelen en kleilagen te doorbreken. Hiervoor is een voorstel gedaan in hoofdstuk 5.5 en 6.2. Centraal het plangebied is een afwateringsloot gelegen. Deze sloot wordt omgeleid langs de west- en noordzijde van het plangebied. Er zijn voldoende mogelijkheden om de sloot onder vrij verval te laten afstromen op de Rossumerbeek. Vanuit de wadi’s wordt eveneens een overstort gerealiseerd op de Rossumerbeek, welke in werking treedt op moment dat de wadi’s gevuld zijn. In tabel 6.1 zijn de vloerpeilen opgenomen, het is mogelijk te bouwen met kruipruimten. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen. Watertoets Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl in juni ’24. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. De aanvraag is bijgevoegd in bijlage 3.

Disclaimer Het onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd met behulp van de voor het onderzoek gangbare technieken, inzichten en methodes. Bij het uitvoeren van onderzoek streven wij optimale representativiteit na. Het blijft mogelijk dat er plaatselijk afwijkingen voorkomen. Deze afwijkingen komen door het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek niet aan het licht. Geofoxx is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit bovengenoemde aspecten. projectnummer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25296