TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Buitengebied, Tramweg 11 Rossum.pdf
Tekst van het document
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (uitgezonderd de maaiveldinspectie)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Geo- & Milieutechniek B.V..
september ’25
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Tramweg nr. 11 te Rossum
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen.................................................................................................................................... 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ......................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek.............................................................................................................. 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................... 4
1.5
Opbouw van het rapport ............................................................................................................. 4
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1
Hypothese en onderzoeksstrategie .......................................................................................... 14
3.1 Uitvoering van het veldonderzoek ............................................................................................. 16 3.2 Resultaten van het veldonderzoek ............................................................................................ 18 4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 21 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ........................................................ 21
4.2
Toetsingscriteria ....................................................................................................................... 22
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ............................................................................................ 25
4.3.1
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740.............................................................. 25
4.3.2
verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 ........................................ 29
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 31
6
LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 35
7
COLOFON ...................................................................................................................................... 36
Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Toetsing analyseresultaten 6. Concrit berekening 7. Onafhankelijkheidsverklaring
september ’25
2
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van is in juli 2025 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 uitgevoerd op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Tramweg 11 te Rossum (gemeente Dinkelland). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO).
Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s. De veldwerkzaamheden van Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters), 2002 (het nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem) (uitgezonderd de maaiveldinspectie), van toepassing. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de voorgenomen functiewijziging van de onderzoekslocatie.
1.3
Doel van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.
september ’25
3
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
Het verkennend onderzoek asbest in bodem volgens NEN-5707+C2 heeft tot doel om na te gaan of de locatie t.p.v. de aanwezige druppelzones onder de asbestverdachte daken al dan niet verdacht zijn op het voorkomen van asbesthoudende materialen op of in de bodem. 1.4
Referentiekader van het onderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN-5725 (versie 2023); 'Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN 5740+C1 (versie 2024); strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond'. Het verkennend bodemonderzoek asbest in grond is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017. 1.5
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • vooronderzoek, (hoofdstuk 2) • veldonderzoek, (hoofdstuk 3) • chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4) • conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).
september ’25
4
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is uitgevoerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. In de NEN-5725 (2023) zijn negen aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens
Eigendomssituatie
A O
B O
✓
✓
✓
✓
✓
✓
Aanleiding tot vooronderzoek C D1 D2 E F G ✓
Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem of bijzondere bestanddelen in de grond Geohydrologie
3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Geval van ernstige bodemverontreiniging? bodemkwaliteit o.b.v. bodemkwaliteitskaart bodemkwaliteit o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken
H
✓
✓ ✓
✓
O
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
✓
Oa
Oa
✓
✓
✓b
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓b
✓
✓
✓
✓
✓
Ob
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
Oc
O
Od
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ Asbestverdacht? ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect gelet op de achtergrond van het onderzoek niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd
✓
4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte activiteiten, activiteiten, ongewoon voorval Voormalig Huidig Toekomstig
✓
✓
✓
O
0 Optioneel a) b) c) d)
ingeval de grondwaterstand zich dieper dan 25 cm onder het ontgravingsvlak bevindt, kan geohydrologie buiten beschouwing blijven het betreft hierbij de herkomstlocatie van de te beoordelen partij bij eindonderzoek bodem verplicht, bij nulonderzoek bodem optioneel bij nulonderzoek bodem verplicht, bij eindonderzoek bodem optioneel
2.1 afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte onderzoekslocatie, zoals weergegeven in bijlage 2.
september ’25
5
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.2 aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek in het kader van de geplande functiewijziging van de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.3.2 “uitvoeren van een bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie” uit de NEN-5725 (2023). 2.3 geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Dinkelland (email d.d. 17-12-2024); • informatie van de asbestdakenkaart van de gemeente Dinkelland; • informatie van de omgevingsrapportage van de Omgevingsdiensten Overijssel; • informatie van de bodematlas van de provincie Overijssel; • informatie van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Dinkelland • Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter.
De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt. 2.4 locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven. tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onbebouwde deel) Algemene omschrijving
september ’25
Tramweg 11 Rossum Dinkelland Zie bijlage 1 X = 261.119 Y= 485.069 (middelpunt) Perceel Weerselo sectie E nr. 905 Niet nagegaan. ca. 2.640 m2 De onderzoekslocatie betreft het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Tramweg nr. 11 te Rossum. Op de locatie bevindt zich een vm. kleiontkleuringsfabriek (pottenfabriek), een bijgebouw en een schuur. Ten westen van de vm. fabriek bevindt zich een parkeerplaats en een toegang die is verhard met halfverharding. Achterop het terrein is de locatie deels verhard met betonklinkers en tegels en deels onverhard (gras). Naast het bestaande bijgebouw bevindt zich een overkapping die gedeeltelijk in gebruik is voor de opslag van brandhout. De opdrachtgever is voornemens om de bedrijfsfunctie te wijzigen naar een woonfunctie.
6
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
Hieronder wordt in figuur 1 de onderzoekslocatie weergegeven en rood omlijnd.
figuur 1: onderzoekslocatie (rood omlijnd)
Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG) Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Geplande herinrichting bijzonderheden: -
september ’25
Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. De fabriek en de bestaande schuur op de onderzoekslocatie dateren van 1978. Volgens andere informatie zou de fabriek rond 1910 zijn gebouwd. Het bestaande bijgebouw dateert van 1982 De oprit en de parkeerplaats zijn verhard met halfverhardingslaag. Daarnaast is diverse klinkerverharding (erf, paden rondom de bebouwing, terras) aanwezig. Het overige deel van de onderzoekslocatie is onverhard (tuin). Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden. Geplande bestemmingswijziging.
7
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.5 bodemgebruik op basis van topografische kaarten In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis)
Op basis van oude topografische kaarten is vanaf 1935, voor zover te beoordelen, enige bebouwing zichtbaar op de onderzoekslocatie. De bebouwing is in de loop der jaren meermaals uitgebreid / gewijzigd. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevond zich in het verleden een vm. trambaan van Oldenzaal naar Denekamp. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op Vanaf 1935 is er rondom de onderzoekslocatie bebouwing basis van te herkennen. Deze bebouwing is in de loop der jaren topografische verder uitgebreid / gewijzigd. kaarten, Topotijdreis) Huidig en De onderzoekslocatie is gelegen in een omgeving met bostoekomstig en agrarische percelen en enkele woningen. Noordzijde: Tramweg Oost- en zuidzijde: omliggende bospercelen Westzijde: vijver
september ’25
►oude kleifabriek/ pottenfabriek ►ligging nabij vm. trambaan
Geen.
Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
8
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.6 bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik
Op basis van oude topografische kaarten is vanaf 1935, voor zover te beoordelen, enige bebouwing zichtbaar op de onderzoekslocatie. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevond zich in het verleden een vm. trambaan van Oldenzaal naar Denekamp. Op basis van BAG Viewer dateert de bestaande bebouwing op de locatie uit de periode van 1978 tot 1982. In het verleden was de locatie in gebruik als klei- en ontkleuringsfabriek (Decolora). Ten zuidoosten van de oude kleifabriek is een bijgebouw aanwezig. Voor het bijgebouw bevindt zich een overkapping welke in gebruik is voor de opslag van brandhout. Aan de noordzijde van de locatie is een bestaande schuur aanwezig. De activiteiten zijn rond 1910 gestart en omvatte de winning van een ontkleuringsmiddel uit klei. Zogenaamde rupelklei, was in poedervorm uitstekend bruikbaar om te worden gebruikt als bleekaarde (een zuiveringsmateriaal) voor het raffineren en filteren van onzuivere spijs- en minerale oliën. In de periode 1915-1965 is er uit drie kleigaten gedolven en de verwerking van de gedroogde klei heeft nog geduurd tot 1973. In de voormalige fabriek, waarin nog de maalmolen met twee kolossale stenen staat, woonde nog lange tijd een pottenbakker.
Bouwvergunning
Er is geen andere informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten, (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied geen andere concrete aanwijzingen van bodembedreigende milieubelastende activiteiten die geleid zouden kunnen hebben tot bodemverontreiniging. T.b.v. de bestaande bebouwing zijn bouwvergunningen verleend.
Milieuvergunning
Niet bekend op basis van de door de gemeente verstrekte informatie.
Handelsregister
De onderzoekslocatie wordt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermeld onder: • Het Buitenbos • N. Schoorl (uitgeschreven) Er is geen informatie bekend over de eventuele aanwezigheid van zowel boven- als ondergrondse brandstoftanks. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en/of ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding/ De aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie.
Aanwezigheid brandstoftanks
september ’25
9
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Aanwezigheid asbest
Op basis van de asbestdakenkaart van de gemeente Dinkelland is bekend dat de daken van de bestaande bebouwing op de onderzoekslocatie deels wel en deels niet verdacht zijn voor de aanwezigheid van asbest. De daken van de bebouwing in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest.
figuur 2: asbestdakenkaart van de gemeente Dinkelland
Ophogingen/dempingen/stortingen
Niet gesprongen explosieven
september ’25
De aanwezigheid van asbest elders in de bestaande bebouwing is niet uit te sluiten (niet onderzocht). Er is geen andere informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. In algemene zin wordt gesteld dat puinlagen en/of grondlagen waarin bijmenging van puin en/of ander sloopafval voorkomt worden verdacht voor aanwezigheid van asbest. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Er is geen informatie bekend omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen / sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel). Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie. Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens.
De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente.
10
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten PFAS-verdachtheid
PFAS is een stofgroep van persistente, giftige fluorverbindingen die zijn toegepast in coatings van consumentenproducten als textiel, tapijt, leer en papieren in industriële producten zoals verf en blusschuim. Op en nabij locaties waar PFAS is toegepast, kan de bodem (grond en grondwater) verontreinigd zijn. Op of nabij de onderzoekslocatie bevinden zich voor zover bekend geen locaties die de bodem verdacht maken voor PFAS en GenX verbindingen als gevolg van puntbronnen. De kans op verontreiniging met PFAS in de grond t.p.v. de onderzoekslocatie t.g.v. puntbronnen wordt gering geacht. De bovengrond, diepere geroerde bodemlagen en de waterbodem zijn op basis van het Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als gevolg van atmosferische depositie en mobiliteit en het feit dat de stof niet of nauwelijks afbreekt.
Calamiteiten Verdachte activiteiten < 25 m
Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie geen sprake geweest van activiteiten die de locatie verdacht maken op het voorkomen van PFAS. Zo is er op de locatie (voor zover bekend) bijv. geen sprake geweest van: ♦ brand met gebruik van blusschuim; ♦ brandblusoefenterrein; ♦ bedrijfsactiviteiten bijv. op het gebied van: - teflonproductie; - galvanische industrie, textiel, papier(verwerking), lak- en verfindustrie, cosmetica; - afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelen brandblussers). Voor zover bekend is er geen informatie over evt. calamiteiten die hebben plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk bos- en agrarische percelen en enkele woningen. Het is op voorhand onbekend of de activiteiten in de directe omgeving een negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
september ’25
11
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.7 voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie Omgeving <25 m Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart
Er is geen actuele informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem t.p.v. het onderzoeksgebied en de nabije omgeving van het onderzoeksgebied beschikbaar. ► Niet bekend.
Bodemfunctieklasse: klasse landbouw/natuur; Ontgravingskaart: boven- en ondergrond: achtergrondwaarde (AW2000) Toepassingskaart: boven- en ondergrond: achtergrondwaarde (AW2000)
2.8 bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket (www.dinoloket.nl). De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 29-42 m -/+NAP. In figuur 3 staat de geohydrologische opbouw weergegeven.
figuur 3: De geohydrologische opbouw
De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen.
september ’25
12
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.9 terreinverkenning voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd. De terreinverkenning heeft als doel om te controleren of de vooraf bekende informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie. In tabel 6 is een overzicht opgenomen van de uitgevoerde terreinverkenning. tabel 6: terreininspectie onderdeel:
uitgevoerd door:
datum:
bijzonderheden:
locatie-inspectie
dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)
25-6-2025
Tijdens de locatie-inspectie was te zien dat de bestaande schuur op de onderzoekslocatie voorzien is van asbestverdachte dakplaten. Het dak is aan de achterzijde niet voorzien van een dakgoot (zie figuur nr. 4) en aan de voorzijde deels niet voorzien van een dakgoot (zie figuur nr. 5). De daken wateren aan beide kanten af op onverharde bodem. De toplaag (druppelzones) onder deze daklijnen zijn vanwege erosie van de dakplaten potentieel verdacht voor de aanwezigheid van asbest en PCB’s in grond.
figuur 4: asbestdak zonder dakgoot
figuur 5: asbestdak zonder dakgoot
Voor het overige zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een vorm van bodemverontreiniging op de locatie.
september ’25
13
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
2.10 Hypothese en onderzoeksstrategie Op basis van oude topografische kaarten is vanaf 1935, voor zover te beoordelen, enige bebouwing zichtbaar op de onderzoekslocatie. Op basis van BAG Viewer dateert de bestaande bebouwing op de onderzoekslocatie uit de periode van 1978 tot 1982. In het verleden was de locatie in gebruik als klei- en ontkleuringsfabriek (Decolora) met bijbehorende gebouwen. De activiteiten zijn rond 1910 gestart en omvatte de winning van een ontkleuringsmiddel uit klei. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevond zich in het verleden, tussen 1903 en 1942, een vm. trambaan van Oldenzaal naar Denekamp. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied geen andere concrete aanwijzingen van bodembedreigende milieubelastende activiteiten die geleid zouden kunnen hebben tot bodemverontreiniging. Er is geen actuele informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem t.p.v. het onderzoeksgebied beschikbaar. Op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart geldt voor de boven- en ondergrond (ontgravingskaart/toepassingskaart) dat er op de onderzoekslocatie sprake is van de achtergrondwaarde (landbouw/natuur). Op basis van de bekende informatie uit het historisch onderzoek is in tabel 7 de uitgevoerde onderzoeksstrategie opgenomen.
Verwacht wordt dat de gekozen onderzoeksstrategie een voldoende beeld zal geven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem t.p.v. de onderzoekslocatie. tabel 7: gehanteerde onderzoeksstrategie mogelijke verontreiniging (deel)locatie
verwachte bodemkwaliteit
grond
grondwater
onderzoeksstrategie
bovengrond voldoet aan wonen/industrie, ondergrond voldoet aan landbouw/natuur, grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
PAK’s, zware metalen, PCB’s, minerale olie
-
NEN-5740 strategie VED-HE (bovengrond) (vanwege bedrijfsmatig gebruik)
NEN-5740 onderzoekslocatie (ca. 2.640 m2)
ONV-NL (grondwater, ondergrond)
NEN-5707 druppelzones asbest daken zonder dakgoot (ca. 40 m2)
de toplaag is verdacht op asbest en PCB’s**
PCB’s, asbest
-
VED-HE* (toplaag)
*=In afwijking van de strategie uit paragraaf 6.4.5. is t.p.v. druppelzones in dit onderzoek alleen de toplaag (0.00.1 m-mv) onderzocht i.p.v. de actuele contactzone tot 0.5 m-mv. **=naast het gehalte asbest is ook het gehalte PCB’s in de toplaag bepaald, door erosie en verwering van dakplaten kunnen naast asbestdeeltjes ook restanten van PCB houdende dakcoating in de bodem terecht komen.
september ’25
14
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Er is in dit onderzoek vooralsnog, behoudens t.p.v. de genoemde druppelzones onder de asbestdaken, geen onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond uitgevoerd. Het opgeboorde monstermateriaal op de onderzoekslocatie is in dit onderzoek visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Opgemerkt dient te worden dat asbestanalyses geen deel uitmaken van uitgevoerde analyses in het kader van de NEN5740. Onderhavig onderzoek betreft geen asbest onderzoek in bodem volgens NEN-5707+C2 of NEN-5897+C2. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. in de bodem terecht gekomen is of is begraven. Alleen een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 kan een uitspraak doen over de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem. Tevens dient opgemerkt te worden dat aanwezig puinmateriaal en/of (half)verhardingsmaterialen niet chemisch-analytisch zijn onderzocht.
september ’25
15
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
3
VELDONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocollen 2001, 2002 en 2018 (uitgezonderd de maaiveldinspectie). In tabel 8 zijn de uitvoeringaspecten opgenomen. tabel 8: uitvoeringsaspecten onderdeel:
uitgevoerd door:
uitvoeren van boringen, het plaatsen van de peilbuizen en het nemen van grondmonsters (protocol 2001) het graven van inspectiegaten (protocol 2018) nemen van grondwatermonsters (protocol 2002)
datum:
bijzonderheden:
17-7-2025
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
24-7-2025
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
)
Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Rijkswaterstaat (https://www.rijkswaterstaat.nl). Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 6. Alle geplaatste boringen zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2. Het veldwerkprogramma staan weergegeven in tabel 9. tabel 9: veldwerkprogramma Onderdeel
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
12
ca.0.5
4 t/m 15
2
ca.2.0
2+3
1
ca.3.0
1
NEN-5740 onderzoekslocatie (ca. 2.640 m2) Boringen Peilbuis
NEN-5707 druppelzones asbestverdachte daken zonder dakgoot die afwateren op onverharde bodem (totaal ca. 40 m2) inspectiegaten
september ’25
8
ca. 0.1
G1 t/m G8
16
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
veldwerkzaamheden in het kader van NEN-5707 Het veldonderzoek in het kader van de NEN-5707 heeft bestaan uit het inspecteren van de toplaag in combinatie met het graven van inspectiegaten. Opgemerkt wordt dat het verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 slechts betrekking heeft gehad op een beperkt deel van de locatie, zie bijlage 2 Conform de NEN-5707 wordt voor landbodem t.p.v. de druppelzones onder de asbestdaken onderscheid gemaakt tussen de volgende te onderzoeken bodemlagen: 1) het maaiveld 2) de toplaag (0.0 m-mv-0.1 m-mv) maaiveldinspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. de onderzochte terreindeel een inspectie van het maaiveld uitgevoerd. De inspectie heeft niet plaatsgevonden als is voorgeschreven in het protocol 2018. Tijdens de visuele inspectie van de toplaag is een ruimtelijke eenheid onderverdeeld in ‘inspectie stroken’ van maximaal 1.5 meter waarbij de toplaag strook voor strook in twee richtingen is geïnspecteerd. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen wordt de vindplaats gemarkeerd en wordt het materiaal verzameld. Bij de visuele inspectie is geen grond geroerd of onder (vaste) obstakels gekeken. Bij het aantreffen van asbestverdachte materialen zijn deze bemonsterd (door middel van “hand-picking”). Tevens is de inspectie-efficiëntie ingeschat.
De inspectie-efficiëntie is onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden, de conditie van de toplaag (vochtig, vegetatie, vastgereden, plassen) en het type grond (zand, klei). inspectiegaten bovengrond (0.0-max. 0.1 m-mv) In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de toplaag (in geval van druppelzones). In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond t.p.v. de onderzochte druppelzones, teneinde een betrouwbare uitspraak te kunnen doen m.b.t. het voorkomen van asbest in de grond, inspectiegaten van 0.3 m x 0.3 m tot max. ca. 0.1 meter minus maaiveld, op a-selecte wijze, gegraven m.b.v. een schop. Het uitgegraven materiaal is gezeefd over een 20 mm zeef en/of uitgeharkt (tandafstand 20 mm) en is gescreend op de volgende aspecten: • asbestverdachte restanten; • bodemsamenstelling; • afval- en puinrestanten. De evt. aanwezige (asbest)verdachte delen groter dan ca. 20 mm zijn per soort en per inspectiegat verzameld, gewogen en in gesloten plasticzakken aan het laboratorium aangeboden voor onderzoek op asbest. Van het uitgezeefde materiaal is op basis van de NEN 5707+C2 zijn representatieve monsters van ca. 10 kg uit de fractie <20 mm verzameld. De bemonstering van de fijne fractie (deeltjes < 20 mm) heeft plaatsgevonden volgens tabel 8, “Minimale greep- en monstergrootte”, uit de NEN 5707+C2.
september ’25
17
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
monstername grond en materialen Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0,5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001 en 2018. De visueel aangetroffen asbestverdachte materialen zijn op een adequate wijze verpakt en als materiaalmonster aangeleverd aan het laboratorium. Van het gezeefde materiaal <20 mm uit niet asbestverdachte inspectiegaten is een (meng)monster genomen bestaande uit twintig grepen van min. 0.5 kg. Evt. asbestverdachte inspectiegaten zijn afzonderlijk bemonsterd middels twintig grepen van ca. 0,5 kg. Na inspectie zijn de gaten weer gedicht met het uitgegraven materiaal. Alle geplaatste boringen/inspectiegaten zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2. Het veldwerkprogramma staat weergegeven in tabel 8. 3.2 Resultaten van het veldonderzoek maaiveldinspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. het onderzoeksgebied een inspectie van het maaiveld uitgevoerd.
Tijdens de visuele inspectie van de toplaag is een ruimtelijke eenheid onderverdeeld in ‘inspectie stroken’ van maximaal 1.5 meter waarbij de toplaag strook voor strook in twee richtingen is geïnspecteerd. Door de aanwezigheid van ruige vegetatie en bladeren op een groot deel van de locatie was een maaiveldinspectie conform de NEN 5707 (par. 7.2) en protocol 2018 niet mogelijk. De uitgevoerde maaiveldinspectie is daarom indicatief. Bij een inspectie-efficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte op het maaiveld. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen vanwege de indicatieve maaiveldinspectie niet zijn opgemerkt. In tabel 10 is de inspectie-efficiëntie van het maaiveld beschreven. In tabel 10 is de inspectie-efficiëntie van het maaiveld beschreven. tabel 10: inspectie-efficiëntie maaiveld deelgebied druppelzone
inspectie-efficiëntie <50% (<25% van het maaiveld was inspecteerbaar)
conditie maaiveld ruige vegetatie/bladeren
Op basis van de indicatieve visuele locatie-inspectie is op het geïnspecteerde deel van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 11 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 11: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.5 0.5-2.0
hoofdbestanddeel
toevoeging
kleur
zand zand
donkerbruin/grijs beige/geel/grijs
2.0-3.0
zand
zwak siltig, zwak humeus, matig fijn zwak siltig, matig fijn, plaatselijk kleilagen klei, zwak siltig
september ’25
grijs
18
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
veldmetingen grondwater De resultaten van de veldwaarnemingen van het grondwater zijn weergegeven in tabel 12. tabel 12: veldwaarnemingen grondwater Peilbuis
filtertraject m-mv
grondwaterstand m-mv
voorpompen liter
pH
Pb1
2.0-3.0
1.48
5
6.7
EGV geleidingsvermogen µS/cm 132
troebelheid (NTU) 16
In het genomen grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis slechts gering is gedaald tijdens afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. zintuiglijke waarnemingen grond Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. De bemonsterde grond bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen. grondwater Het bemonsterde grondwater bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen.
september ’25
19
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
asbest In tabel 13 is een overzicht opgenomen van de aangetroffen asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de grond. tabel 13: asbest op maaiveld en inspectiegaten inspectiegat
druppelzone G1 t/m G8 * = veldvochtig
asbestverdacht
asbestverdacht materiaal
materiaal
grond in de fractie >20 mm
maaiveld
diepte (m-mv)
aantal gram
nee
0.0-max. 0.1
-
Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal. Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem, behoudens t.p.v. de onderzochte druppelzone, geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740.
Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.
september ’25
20
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van Omegam. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Omegam is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grondmonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. grondwater Uit de geplaatste peilbuis is een grondwatermonster genomen en geanalyseerd. In onderstaande tabel 14 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 14: analyseschema Monstercode NEN-5740
boringnummer(s)
diepte (mmv)
zintuiglijke waarnemingen
analysepakket
onderzoekslocatie MM1
4 t/m 6+8
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM2
2+13 t/m 15
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM3
9 t/m 12
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM4
1 t/m 3
0.6-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
1
2.0-3.0
-
NEN-grondwater(**) +AS3000
-
asbest+PCB’s
grondwater Pb1 NEN-5707 druppelzones asbestverdachte daken zonder dakgoot druppelzones
G1 t/m G8
0.0-0.1
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond
=
**NEN-water
=
Zware metalen
=
Vluchtige aromaten = PCB PAK VOH Bromoform
september ’25
= = = =
Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); Polychloorbifenylen; Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Tribroommethaan
21
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
4.2
Toetsingscriteria
De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de volgende waarden: • Kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022); • Interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving); • Signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering (Bijlage Vd, Besluit kwaliteit leefomgeving = interventiewaarden Circulaire bodemsanering 2013). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). Toetsingen zijn voorlopig uitgevoerd volgens tijdelijke kaders van de Omgevingswet, in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. De in deze tabel genoemde kwaliteitseisen hebben de volgende betekenis: Landbouw/natuur Wonen Industrie Interventiewaarde Signaleringsparameter
= = = = =
bestaande kwaliteit in ‘schone’ gebieden geschikte toestand voor functie Wonen geschikte toestand voor functie Industrie aanwezigheid van mogelijke onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu beoordeling of sanering nodig is bij historische grondwaterverontreiniging
De kwaliteitseisen voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel. Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: tabel 15: overzicht van de toegepaste termen bij de toetsing volgens het kader van de Omgevingswet. kwaliteitseis
ondergrens kwaliteitsklasse
bovengrens kwaliteitsklasse
landbouw/natuur1 wonen2 industrie matig verontreinigd sterk verontreinigd
landbouw/natuur wonen industrie interventiewaarde bodemkwaliteit
landbouw/natuur wonen industrie matig verontreinigd -
De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de kwaliteitseis landbouw/natuur. Overschrijding van de kwaliteitseis industrie houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de klasse landbouw/natuur en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen: 1 De kwaliteit van de grond overschrijdt niet de kwaliteitseis landbouw/natuur als bij meting van X stoffen in de grond het rekenkundige
gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de kwaliteitseis landbouw/natuur. De verhoging mag per stof maximaal 2x de kwaliteitseis landbouw/natuur voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen (met uitzondering van nikkel) geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de kwaliteitseis wonen van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
2 De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y
stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
september ’25
22
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
asbest in grond en puin De resultaten van het onderzoek asbest in grond worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Voor asbest in grond is een interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. vastgesteld. Aan deze waarde zijn de gewogen asbestconcentraties (mg/kg ds) getoetst. Gewogen betekent het gehalte serpentijnasbest (chrysotiel) vermeerderd met tienmaal het gehalte amfiboolasbest (amosiet, crocidoliet). Indien de gewogen asbestconcentratie in grond c.q. puin boven 100 mg/kg ds is vastgesteld, is sprake van met asbest verontreinigde grond c.q. puin. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. Indien asbest in de grond boven 100 mg/kg ds aanwezig is en deze verontreiniging vóór 1993 is ontstaan, is ongeacht de omvang van de verontreiniging sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in grond.
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een indicatieve uitspraak over de mogelijke verontreiniging van het toegepaste bouw- en sloopafval of recyclinggranulaat / bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek asbest al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de grenswaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de grenswaarde gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Alleen als in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerd materiaal in de gaten en aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek is een directe toetsing aan de grenswaarde mogelijk. Als het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de grenswaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de grenswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de grenswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een(deel)locatie of (deel)partij is hiervoor bepalend.
september ’25
23
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
Van de bodemlagen waarin zintuiglijk asbesthoudende materialen zijn aangetroffen in de fractie >20 mm is een berekening gemaakt van de asbestconcentratie. Hiertoe is gebruik gemaakt van de navolgende formule: Cmi=∑ (Mk x %k,I /100) / Mlok Cmi = De concentratie aan asbest van asbestsoort ‘i’ is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg/kg d.s.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg; %k,i = het percentage aan asbest van het asbestsoort ‘i’ in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op locatie, in kg. Als het gewicht van het geïnspecteerde monster (gat of sleuf) op locatie exact is gewogen, moet het drooggewicht van het monster uitgegraven materiaal op locatie worden bepaald volgens: Mloc = Mvloc x Ma/Mva waarin: Mvloc is de massa van het uitgegraven veldvochtige materiaal op locatie, in kg; Ma is de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva is de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg. Wanneer een groot monster (toplaag of sleuf of gat) is geïnspecteerd op locatie kan dit in principe niet worden gewogen.
In deze gevallen moet het drooggewicht van het monster worden afgeleid volgens: Mloc = (1 000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva waarin: V is het volume van het geïnspecteerde monster op locatie, in m3; ns is de volumieke massa van het geconsolideerde materiaal op locatie, in kg/dm3; %E is een schatting van de inspectie-efficiëntie, in %. waarin: V (in dm3) : volume (V) van de sleuf of het gegraven gat. Mk (in mg) : massa van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type "k" (bijvoorbeeld asbestplaatjes). %k,i : gemiddeld % van asbestsoort "i" (bijv. chrysotiel) in de verzamelde asbesthoudende materialen van type "k". Ns (in kg/dm3) : stortgewicht van de grond/puin. ds : percentage droge stof
september ’25
24
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na de tabellen worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten opgenomen. In bijlage 5 zijn de toetsingsresultaten opgenomen. 4.3.1
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740
onderzoeksresultaten grond In tabel 16 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte mengmonsters van de boven en ondergrond. tabel 16: samenvatting toets resultaten boven- en ondergrond grondmengmonster/ zintuiglijk boring onderzoekslocatie
landbouw/ natuur
wonen
industrie
matig verontreinigd
sterk verontreinigd (> I)
toetsing eindoordeel
MM1 overige (4 t/m 6+8) onderzochte (0.0-0.5) parameters MM2 alle (2+13 t/m 15) onderzochte (0.0-0.5) parameters MM3 alle PCB’s1 (9 t/m 12) onderzochte (0.0-0.5) parameters MM4 alle (1 t/m 3) onderzochte (0.6-2.0) parameters druppelzones asbestverdachte daken zonder dakgoot
minerale olie, PAK’s -
-
-
industrie*
-
-
landbouw/natuur*
-
-
-
landbouw/natuur*
-
-
-
landbouw/natuur*
D1 (0.0-0.1) D2 (0.0-0.1) landbouw/ natuur wonen industrie
-
PCB’s
-
-
-
-
landbouw/natuur*
-
PCB’s
-
-
-
-
landbouw/natuur*
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse landbouw / natuur maximale waarde landbouw/natuur < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde wonen beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse wonen maximale waarde wonen < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde industrie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse industrie
matig verontreinigd
maximale waarde industrie < gehalte (gssd) ≤ interventiewaarde beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse matig verontreinigd
sterk verontreinigd >I
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse sterk verontreinigd
1= hier geldt de uitzonderingsregel zoals in paragraaf 4.2 vermeld *= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond
september ’25
25
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
onderzoeksresultaten grondwater In tabel 17 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte grondwatermonsters. tabel 17: samenvatting toets resultaten grondwater Peilbuis
zintuiglijk
Pb1 (2.0-3.0)
-
<streefwaarde >streefwaarde en <signalerings parameter >signalerings parameter
<streefwaarde
>streefwaarde
>signaleringsparameter
toetsing eindoordeel
overige barium <signaleringsparameter onderzochte beoordeling parameters grondwatersanering Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig. Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig.
Bij overschrijding zijn er mogelijk significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig (voormalige interventiewaarde).
interpretatie onderzoeksresultaten bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Voor de toetsing van de bodemkwaliteit kan naast de toetsing aan de kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022) en de interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving) gebruik worden gemaakt van de functienormen uit de Regeling Bodemkwaliteit. De module Concrit van de Risicotoolbox bodem is de applicatie voor de berekening van de risico's voor de mens bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De module voorziet in een toetsing of een bodemgehalte of grondwaterconcentratie niet leidt tot onaanvaardbare risico's voor de mens en geeft ook een indicatie of mogelijk ecologische risico's aanwezig zijn. De uitkomst kan gebruikt worden ter onderbouwing van de waarde voor toelaatbare kwaliteit bodem. Op een bodem met een kwaliteit die niet voldoet aan de waarde die is vastgelegd als toelaatbare kwaliteit bodem mag de activiteit niet uitgevoerd worden of uitgevoerd worden onder voorwaarden. M.b.v. de module Concrit van de Risicotoolbox wordt de humane risico-index (RI-waarde) berekend.
De humane risico-index kan groter of kleiner zijn dan 1. Een Risico (RI) Index is een beleidsmatige indicator: - een waarde kleiner dan 1 (RI < 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde niet overschreden wordt; - een waarde groter dan 1 (RI > 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde overschreden wordt, en dat er potentieel problemen voor de beoordeelde vorm van bodemgebruik kunnen zijn. Bij berekening van het hoogst gemeten gehalte PAK’s in bovengrondmengmonster MM1 geldt voor de functie wonen met tuin dat de risicoindex voor carcinogene PAK’s en benzo(a)pyreen groter is dan 1 en dat het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR-humaan) wordt overschreden. Op basis van de rekenkundige benadering leveren de verhoogd gemeten gehalte PAK’s en benzo(a)pyreen mogelijk een belemmering voor het gebruik als wonen met tuin. Voor minerale olie geldt dat het gemeten gehalte onder de interventiewaarde zit. Gehalten onder de interventiewaarde gelden als waarden die voldoen aan de toelaatbare bodemkwaliteit. De interventiewaarde bodemkwaliteit is wetenschappelijk onderbouwd, gebaseerd op een (combinatie van) humane en ecologische risico's en behoeft verder geen motivering. Bovengrondmengmonster MM2 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Bovengrondmengmonster MM3 bevat een verhoogd gehalte polychloorbifenylen (PCB’s) dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Op basis van de uitzonderingsregel zoals omschreven in paragraaf 4.2 geldt in dit geval dat het eindoordeel landbouw/natuur is. september ’25
26
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 en verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 Tramweg nr. 11 te Rossum
De plaatselijk verhoogd gemeten gehalten PAK’s, minerale olie en PCB’s in de bovengrond zijn niet te relateren aan zintuiglijk waargenomen bodemvreemde afwijkingen in het opgeboorde monstermateriaal. In algemene zin geldt dat in gebieden welke reeds langere tijd door de mens in gebruik zijn (o.a. langdurige bewoning of menselijk gebruik) worden vaker verhoogde gehalten aan o.a. zware metalen en /of minerale olie in de grond gemeten. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) omvat een groep van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen, die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofbevattende materialen. Het zijn teerachtige stoffen die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofhoudende materialen als hout, fossiele brandstoffen, tabak of levensmiddelen. De aanwezigheid van PAK’s in de bodem zijn vaak het gevolg van de aanwezigheid van teerhoudende of koolstofhoudende stoffen, zoals bv. koolas, verbrandingsresten of teerresten. Ze kunnen zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s kunnen ook worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten.