CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

t_Bijlage 3 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan (PIP) “Springendal en Dal van de Mosbeek”26.535 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Provinciaal Inpassingsplan Springendal – Dal van de Mosbeek

Opdrachtgever: LTO Noord

Lievense Milieu B.V.

Documentnummer

SLM008755.RAP001.DB KvK

Telefoon

Versie

30152124

+31 (0)88 910 20 00

1a

Postadres

Internet

Datum

Gaetano Martinolaan 50 6229 GS Maastricht

www.lievense.com

27 oktober 2020

Colofon Rapporthistorie V0a 15-03-2019 V0b 14-05-2019 V1 01-09-2020 V1a 27-10-2020

Verantwoording

Contactgegevens Dilly Boer 06 23 22 7485 dboer@lievense.com

Autorisatie Documentnummer

Versie

Status

SLM008755.RAP01.DB

1a

definitief

Paraaf

Opgesteld door

Functie

Datum

Dilly Boer

Jurist omgevingsrecht

1 september 2020, aangepast 27 oktober 2020

Geverifieerd door

Functie

Datum

Paraaf

Paraaf

Jurist omgevingsrecht Akkoord projectleider

Functie

Datum

Dilly Boer

Projectleider

27 oktober 2020

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Aanleiding vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.2 Plangebied 1.3 Leeswijzer

5 5 7 9

2

m.e.r.-beoordeling 2.1 Een m.e.r.(-beoordelingsplichtige) activiteit 2.2 Procedure en beoordelingscriteria

10 10 10

3

Kenmerken en plaats van het project 3.1 Huidige situatie 3.2 Toekomstige situatie; maatregelen 3.3 Conclusie

12 12 14 15

4

Kenmerken van mogelijke effecten 4.1 Natuur 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Archeologie, landschap en cultuurhistorie (ruimtelijke kwaliteit) 4.5 Hinder tijdens uitvoering (geluid, stikstof en verkeer) 4.6 Uitvoeringsaspecten niet-gesprongen-explosieven (NGE) en kabels en leidingen 4.7 Klimaat en duurzaamheid 4.8 Vernatting en agrarisch grondgebruik 4.9 Vernatting en insecten

16 16 20 20 22 23

5

Cumulatie overige projecten

26

6

Monitoring 6.1 Algemeen 6.2 SNL-monitoring 6.3 Natuurmonitoring specifiek voor stikstof 6.4 Gebiedsspecifieke natuurmonitoring

27 27 27 27 28

7

Conclusie

29

8

Literatuur en overige bronnen

30

Overzicht bijlagen Bijlage 1 1. Inrichtingsplan (losse bijlage) Bijlage 2 2. Maatregelenkaarten (losse bijlagen)

24 24 24 25

31 32 33

Bijlage 3

34

3. Natuurtoets Bijlage 4

35

4. Onderzoek muggen en knutten

1

Inleiding

1.1

Aanleiding vormvrije m.e.r.-beoordeling

De provincie Overijssel werkt met het programma ‘Ontwikkelopgave /Natura 2000’ aan de wettelijke natuurherstelopgaven vanuit Natura 2000 en de PAS (Programma Aanpak Stikstof). Samen met partners zet zij zich in om de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en –soorten te behalen. In het kader van het PAS worden maatregelen genomen om de effecten van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen te verminderen. Eén van de Natura 2000-gebieden in provincie Overijssel is “Springendal – Dal van de Mosbeek’. In de PAS-gebiedsanalyse voor dit gebied zijn specifieke maatregelen opgenomen om de gewenste instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied te behalen. Om deze instandhoudingsdoelstelling te behalen zijn maatregelen voorzien binnen én buiten het Natura 2000-gebied. De gebiedsanalyse is vertaald in het beheerplan.

Figuur 1 Natura 2000-gebied “Springendal – Dal van de Mosbeek” (bron: www.synbios.alterra.nl)

Het gebied Springendal - Dal van de Mosbeek is een gebied wat wordt gekenmerkt door de sterke verwevenheid van landbouw en natuur. Met het oog hierop treedt LTO Noord op als bestuurlijk trekker voor het gebiedsproces Springendal - Dal van de Mosbeek en het opstellen van het Inrichtingsplan, waarin de maatregelen voor het Natura 2000-gebied verder zijn uitgewerkt.

5/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

De maatregelen worden planologisch mogelijk gemaakt in een provinciaal inpassingsplan ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ (verder: PIP). Hiervoor is een (vormvrije) m.e.r.beoordeling nodig (zie hiervoor uitgebreider het volgende hoofdstuk). Dit document is de aanmeldnotitie op grond waarvan het bevoegd gezag voor het vaststellen van het PIP (Provinciale Staten) de m.e.r.-beoordeling uitvoert.

6/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

1.2

Plangebied

Het Natura 2000-gebied Springendal-Dal van de Mosbeek, dat aan de noordzijde grenst aan Duitsland, is in te delen in zeven stroomgebieden, afgeleid van de aanwezige beeksystemen. Op de westflank van de stuwwal stromen de Mosbeek, het Hazelbekke, de Elsbeek, de Roezebeek en de Eendenbeek. Deze beken wateren uiteindelijk af op de Regge en de Vecht. Op de oostflank van de stuwwal liggen de Brunninkhuizerbeek en de Springendalse beek. Die wateren af op de Dinkel. Dit inrichtingsplan heeft betrekking op: • Mosbeek • Hazelbekke • Elsbeek • Roezebeek • Brunninkhuizerbeek • Springendalse beek

Figuur 2 beeksystemen in het Natura 2000-gebied

Het plangebied van het inpassingsplan omvat voornamelijk gronden buiten het natuurgebied. Rondom het Natura 2000-gebied ligt een groot gebied met andere functies. Om de doelstellingen uit het Natura2000 beheerplan te kunnen behalen moeten namelijk ook maatregelen worden getroffen op de omliggende gronden, de zogenaamde externe maatregelen. Ook ín het N2000 gebied zijn maatregelen nodig, maar deze worden door de terreinbeherende organisaties uitgevoerd en deze gronden en maatregelen maken geen deel uit van het PIP.

7/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

Het deelgebied Manderheide, niet in figuur 2 opgenomen, neemt een aparte plaats in. Voor dit deelgebied is een apart inrichtingsplan gemaakt. Het deelgebied maakt geen onderdeel uit van het nu voorliggende (ontwerp) PIP.

Figuur 3 Natura 2000-gebied (geel) en percelen met maatregelen (onderdeel PIP, in grijs) (bron: www.atlasvanoverijssel.nl)

De nu voorliggende aanmeldnotitie ziet op het plangebied, zoals dat in het (ontwerp) PIP ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ is opgenomen. Voor de maatregelen in dit plangebied is een inrichtingsplan1 opgesteld. Bij deze maatregelen hoort ook het ver- of ontgraven van terreinen (vergravingen enz. van ca. 5000 m2) en het wijzigen van de functie van gronden (bijvoorbeeld van agrarisch naar natuur). Het nieuwe inpassingsplan vormt het ruimtelijke besluit tot functiewijziging van gronden en het kader voor de activiteit ‘ontgrondingen’. Te zijner tijd wordt bij de aanvraag om een ontgrondingsvergunning/melding ontgrondingen een aparte (project-)m.e.r.-beoordeling gedaan.

1

Inrichtingsplan, d.d. juli 2020

8/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

In deze aanmeldnotitie voor de (deels vormvrije) plan-m.e.r. beoordeling voor het PIP wordt op basis van de inrichtingsplannen en beschikbare onderzoeken en informatie beoordeeld of er belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. De notitie dient als basis voor een besluit van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. 1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van deze notitie wordt het algemene kader voor de m.e.r.-beoordeling en de procedure geschetst. In hoofdstuk 3 en 4 worden de criteria uit de Europese m.e.r.-richtlijn behandeld: de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, in relatie tot de huidige situatie in het plangebied. In hoofdstuk 5 komt de eventuele cumulatie met overige projecten in de omgeving aan bod en hoofdstuk bevat de conclusie naar aanleiding van de beoordeling van alle relevante criteria. Hoofdstuk 6, ten slotte, bevat de bronnen die zijn gebruikt voor de inhoud van deze notitie.

9/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

2

m.e.r.-beoordeling

2.1

Een m.e.r.(-beoordelingsplichtige) activiteit

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De activiteiten binnen de deelgebieden vallen onder de volgende categorieën van bijlage II bij het Besluit milieueffectrapportage 1994: 1. categorie D 16.1: delfstoffenwinning Het oppervlak van de werkzaamheden (ca 5000 m2) overschrijdt niet de drempelwaarde van 12,5 hectare; 2. categorie D 9: een landinrichtingsproject, functiewijziging van gronden De functiewijziging van gronden omvat een oppervlakte van ca. 210 ha en overschrijdt de drempelwaarde van 125 ha.

Voor wat betreft de delfstoffenwinning is een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Ook onder de drempelwaarde zijn nadelige effecten namelijk niet bij voorbaat uit te sluiten. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De drempelwaarde van categorie D9 wordt wel overschreden, waardoor een ‘reguliere’ m.e.r.beoordeling nodig is. Het inpassingsplan vormt, voor wat betreft de functiewijziging, geen kader voor latere m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten. Een plan-m.e.r. is daarom niet aan de orde. Omdat een vormvrije en formele m.e.r.-beoordeling inhoudelijk niet verschillen zijn beide in één aanmeldnotitie verwerkt en op milieueffecten beoordeeld. Op deze aanmeldnotitie kan de (deels vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd. 2.2

Procedure en beoordelingscriteria

De m.e.r. beoordeling hoort bij het inpassingsplan (plan), waarin de hiervoor genoemde activiteiten mogelijk worden gemaakt. Provinciale Staten is bevoegd gezag voor het vaststellen van het PIP en bevoegd te besluiten op de m.e.r.-beoordeling. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling doorloopt een bepaalde procedure. Een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit

10/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gedaan aan de hand van drie hoofdcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Deze drie hoofdcriteria zijn: • kenmerken van het project; • plaats van het project; • kenmerken van het potentiële effect. In deze notitie is de informatie opgenomen op basis waarvan het bevoegd gezag (provincie Overijssel) kan beoordelen of sprake is van mogelijk belangrijk nadelige gevolgen van de ontgrondingen/functiewijziging van gronden voor het milieu. In het geval belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan het bevoegd gezag besluiten dat een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Als geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden of te verwachten zijn, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen milieueffectrapportage hoeft te wordt doorlopen. Voor het opstellen van deze aanmeldnotitie is gebruik gemaakt van het Inrichtingsplan voor het Natura 2000-gebied en de in het kader daarvan uitgevoerde onderzoeken.

11/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

3

Kenmerken en plaats van het project

3.1

Huidige situatie

3.1.1 Huidig gebruik Het huidige landgebruik in Springendal - Dal van de Mosbeek kenmerkt zich door een afwisseling van natuur, landbouw en wonen (bebouwing). Bebouwing is vooral geconcentreerd in de kernen Tubbergen, Ootmarsum, Mander en Vasse. Binnen deze kernen is ook kleine bedrijvigheid / industrie aanwezig. Ook bevindt zich een aantal campings en vakantieparken in het gebied; in heel het gebied zijn recreatieve voorzieningen te vinden. Daarnaast staan verspreid door het gebied veel vrijstaande boerderijen. De landbouw in de gemeenten Tubbergen en Dinkelland bestaat vooral uit veehouderij, met name melkveehouderij. Landbouw is voor het buitengebied van de gemeenten een belangrijke economische pijler. Het natuurgebied Springendal - Dal van de Mosbeek kent een afwisseling van naaldbos, loofbos, heide, beken en grasland. 3.1.2 Landschap Het Natura 2000-gebied Springendal - Dal van de Mosbeek ligt in Noordoost-Twente, tussen de kernen Vasse en Ootmarsum en in het noorden tegen de grens met Duitsland. Het gebied is ruim 1225 hectare groot. Het dankt haar grote landschappelijke verscheidenheid aan het aanwezige reliëf met door landijs hoog opgestuwde heuvelruggen (stuwwal van Ootmarsum) en diep uitgesleten erosiedalen. Het is een oud cultuurlandschap met akkers, beekdalen met meerdere bronnen en beken, heiden en jonge ontginningsgronden.

De stuwwal OotmarsumUelsen bestaat uit een afwisseling van zand-, grind-, klei- en leemlagen, die door de opstuwing meer en minder zijn scheef gesteld. Als gevolg daarvan is de geohydrologische situatie zeer complex en komen bronnen zowel binnen als buiten de erosiedalen / beekdalen voor en ook de daarvan afhankelijke natte en vochtige bossen en beekdalgraslanden. Springendal-Dal van de Mosbeek kent een grote afwisseling in het landschap tussen open en beslotenheid gebied en hoogteligging. Het coulisselandschap met de houtwallen en ‘kamers’ van grasland wordt vanuit landschappelijk oogpunt hoog gewaardeerd. Ook de variatie tussen rechte verkaveling en slingerende bosranden geeft het gebied een hoge visueel-ruimtelijke kwaliteit.

12/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

3.1.3 Ecologie In het gebied zijn verschillende habitattypen en habitatsoorten aanwezig. In onderstaande tabellen zijn deze weergegeven, met de bijbehorende instandhoudingsdoelstelling. Habitattypen

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden H5130 Jeneverbesstruwelen H6230 *Heischrale graslanden H6410 Blauwgraslanden H7140 Overgangs- en trilvenen (trilvenen H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H7230 Kalkmoerassen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H91E0 *Vochtige beekbegeleidende bossen

= > > > > > = > = >

> > > > > > = > > >

Habitatsoorten

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Doel populatie

H1083 Vliegend hert H1096 Beekprik H1166 Kamsalamander H1831 Drijvende waterweegbree

> > > =

> > > =

> > > =

Symbool

Betekenis

> =

Toename Blijft gelijk

De natuurwaarden zijn gevoelig voor stikstof. In het N2000-beheerplan zijn voor het Natura 2000-gebied Springendal - Dal van de Mosbeek (provincie Overijssel, 2015) herstelmaatregelen uitgewerkt die nodig zijn voor de instandhouding van de in het aanwijzingsbesluit 2 aangewezen habitattypen en habitatsoorten in dit gebied. Deze maatregelen zijn in het inrichtingsplan verder uitgewerkt. Gedurende de uitwerking van de maatregelen uit het N2000-beheerplan en het opstellen van het inrichtingsplan werd duidelijk dat het gebied waar de maatregelen nodig zijn, enigszins afwijkt van het N2000-beheerplan en Omgevingsvisie en - verordening (Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000). Enerzijds komt dit door de perceelsspecifieke uitwerking waardoor op een andere wijze invulling is gegeven aan de maatregelen en anderzijds komt dit doordat invulling is gegeven aan de onderzoeksopgave M15 3. In het inrichtingsplan worden de maatregelen uit het N2000-beheerplan genuanceerd en gebiedsgericht toegepast. De wijzigingen ten opzichte van de huidige het N2000-beheerplan worden in de eerstvolgende actualisatieronde doorgevoerd in het N2000-beheerplan en de Omgevingsvisie en -verordening. 3.1.4 Archeologie, cultuurhistorie Alle deelgebieden hebben hun eigen ontginningsgeschiedenis en daarmee gebied specifieke cultuurhistorische elementen. Van hooiwegen in de hooilanden en karrensporen op de 2 3

De habitattypen die in het veegbesluit zijn toegevoegd, zijn niet opgenomen in dit inrichtingsplan M15 Onderzoeksopgave: Het gaat om een onderzoek in de eerste beheerplanperiode naar percelen die door landbouwkundig gebruik van invloed kunnen zijn via de grondwaterstroming richting de kwelafhankelijke habitats in de beekdalen.

13/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

heidevelden tot houtwallen en schaapskooien in de buurtschappen. Ook kent het gebied een aantal grafheuvels. Omdat de regio van Mander, Vasse en Hezingen prehistorisch gezien in de ondergrond bijzonder gaaf bewaard is gebleven, heeft dit Natura 2000-gebied een unieke archeologische waarde. Naast grafheuvels zijn op de Vasserheide, raatakkers (celtic fields) ontdekt, prehistorische akkers die bestaan uit veldjes van ongeveer 40 bij 40 meter, omgeven door wallen. Ook herbergt het gebied een aantal watermolens in de beekdalen. 3.1.5 Recreatief gebruik Het gebied Springendal - Dal van de Mosbeek is vanwege de omgeving en natuurwaarden aantrekkelijk voor recreanten. In het gebied zijn tal van overnachtingsmogelijkheden op de campings en in hotels. Ootmarsum is een authentiek middeleeuws stadje en trekt jaarlijks vele bezoekers. Hier is op het gebied van natuur, cultuur en kunst een ruim aanbod aan monumentale bebouwing, galeries en musea. Ook treft men hier midgetgolf, huifkarverhuur, klootschietbanen, sportvelden en ijsbanen aan. Een intensief netwerk van wegen en paden biedt volop gelegenheid om te wandelen en te fietsen. Overal in het gebied zijn knooppunten aangegeven waarbij fietsers van de ene route op de andere kunnen overstappen. Ook zijn er ruiterpaden, kanoroutes en viswateren in het gebied. 3.2

Toekomstige situatie; maatregelen

Er zijn maatregelen binnen en buiten het Natura 2000-gebied Springendal – dal van de Mosbeek voorgesteld. In het inrichtingsplan is per deelgebied aangegeven welke maatregelen zijn voorzien en wat daarvan de effecten zijn. De maatregelen bestaan grotendeels uit: • verondiepen van beken en het dempen van sloten; • herstellen meanderend profiel beken; • stoppen van bemesting; • verwijderen van drainage/ontwateringsmiddelen; • aanleggen van waterretentie en -berging/randdammen/knijpconstructies; • uitmijnen/verschralen van gronden. Daarnaast zijn er nog enkele specifieke maatregelen, zoals het vrijmaken van een bestaande bronvijver (verwijderen slib), het vrijmaken van bronnen, enz.. De maatregelen moeten leiden tot het hydrologisch herstel en dus tot het behalen van natuurdoelen binnen het Natura 2000gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek”. In bijlage 2 bij deze aanmeldnotitie zijn kaarten met daarop de maatregelen opgenomen. Bij wijze van illustratie is hieronder de maatregelenkaart van een deel van het deelgebied Hazelbekke opgenomen.

14/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

Figuur 4 maatregelenkaart centrale Hazelbekke (bron: inrichtingsplan). Zie ook bijlage 2.

3.2.1 Relatie met Duitsland Het deelgebied Brunninkhuizerbeek wordt aan de noordzijde begrensd door Duitsland. Er is ook een inhoudelijke link met Duitsland: het grondwatervoedingsgebied van de Mosbeek en Brunninkhuizerbeek omvat ook de hogere delen in Duitsland (zie Inrichtingsplan, paragraaf 2.3.2). Verder is gebleken dat ten noorden van het dal van de Brunninkhuizerbeek in Duitsland een beekdalsysteem met meerdere waterlopen ligt. De afvoer van het oppervlaktewater van de deelsystemen is west-oost gericht en de hoofdloop van de bronbeek is noordwest gericht tot aan de Nederland-Duitse grens. Vanaf daar ligt de beek aan de noordzijde in het zijdal van de Brunninkhuizerbeek. Het oppervlaktewater stroomt pas benedenstrooms van de habitats in de Brunninkhuizerbeek. Een relatie van het oppervlaktewater met de habitats is niet aanwezig. Een deel van de maatregelen is er op gericht om de instroom van nutriëntrijk water vanuit Duitsland te stoppen en te onderzoeken wat de invloed is van het intrekgebied in Duitsland. Uit het Inrichtingsplan blijkt niet dat de maatregelen in Nederland leiden tot gevolgen in Duitsland. 3.3

Conclusie

Op de gronden in het plangebied worden maatregelen genomen om verdroging en eutrofiëring terug te dringen. Het bestaande landbouwkundig gebruik wordt deels beëindigd. Er worden voorwaarden gecreëerd voor habitatsoorten/-typen. In het volgende hoofdstuk wordt verder ingegaan op (kenmerken van) de mogelijke effecten van de maatregelen, zowel tijdens als na de uitvoering.

15/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

4

Kenmerken van mogelijke effecten

In dit hoofdstuk worden de (mogelijke) effecten van de maatregelen beschreven. Hierbij wordt ingegaan op de effecten op natuur, bodem en water, archeologie, landschap en cultuurhistorie (ruimtelijke kwaliteit), hinder tijdens uitvoering, klimaat en duurzaamheid en vernattingseffecten. Effecten worden bepaald ten opzichte van de huidige situatie, zonder uitvoering van maatregelen, en worden afhankelijk van de effecten kwantitatief of kwalitatief gedaan. De kwalitatieve beoordeling is gedaan op basis van expert beoordeling en beschikbare onderzoeken/QuickScans voor de aspecten ecologie, water en bodem. Kwantitatieve beoordelingen hebben een rapport met referentie als onderbouwing. Per effect wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke effecten en onomkeerbare effecten om zo te bepalen hoe ingrijpend de werkzaamheden zijn. 4.1

Natuur

Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” is aangewezen voor 10 habitattypen en 4 habitatsoorten. Het gaat onder andere om kalkmoerassen, beekbegeleidende bossen, de Beekprik, Vliegend hert (Lucanus cervus), vochtige en droge heiden, heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, bronnen en beekdalgraslanden. Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het plangebied.4 Het doel van deze rapportage is het in kaart brengen van de mogelijk aanwezige beschermde plant- en diersoorten, die in (de nabijheid van) het plangebied voorkomen, en de te verwachten effecten op deze beschermde soorten. Daarnaast is getoetst aan de eisen aan gebiedsbescherming uit de Wnb. De activiteiten in, maar ook buiten het Natura 2000-gebied kunnen in beginsel een negatief effect hebben (externe werking). De resultaten uit de Quickscan zijn hieronder weergegeven. 4.1.1 Soortenbescherming Op basis van de quickscan wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied potentieel habitat biedt aan een groot aantal beschermde soorten. Met de voorgenomen werkzaamheden worden echter geen negatieve effecten op deze soorten verwacht mits rekening worden gehouden met de soorten veldspitsmuis, beekprik, hazelworm en broedvogels.

• Veldspitsmuis Bij de planning van de werkzaamheden (met name het dempen en verondiepen van sloten in agrarische percelen), moet rekening worden gehouden met de seizoenactiviteiten van de veldspitsmuis om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen. De voortplantingsperiode van de veldspitsmuis loopt globaal van 15 maart tot 1 oktober. Het is niet bekend of de veldspitsmuis ook een echte winterrust houdt. In deze periode is de soort vooral kwetsbaar bij vorst en een sneeuwlaag. Afhankelijk van het seizoen en de weeromstandigheden kunnen deze perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden moet worden bepaald door een deskundige

4

Eelerwoude, Quickscan Wet natuurbescherming 2017

16/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

op het gebied van de veldspitsmuis. Tijdens de graafwerkzaamheden moet bij voorkeur één kant opgewerkt worden. In open water moet altijd naar een open einde gewerkt worden. • Hazelworm Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van de hazelworm (aprilaugustus). Ter hoogte van de voormalige camping t’ Lippert worden dood liggend hout en puin of stenen voor de werkzaamheden handmatig verwijderd. Hierdoor zijn er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm aanwezig tijdens de werkzaamheden. • Beekprik Zandsuppletie in de Springendalse beek moet niet op modderige delen uitgevoerd worden, omdat daar larven aanwezig kunnen zijn. • Broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Hiervoor is geen standaardperiode aan te wijzen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn uitsluitend mogelijk, als door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals het vroegtijdig kappen van bomen, of het maaien van beplanting. 4.1.2 Gebiedsbescherming Binnen het plangebied komen de volgende habitattypen voor. 1. H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden); 2. H4030 Droge heiden; 3. H5130 Jeneverbesstruwelen; 4. H6230 Heischrale graslanden; 5. H6410 Blauwgraslanden; 6. H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen); 7. H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen; 8. H7230 Kalkmoerassen; 9. H9120 Beuken-eikenbossen met hulst; 10. H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). De maatregelen die in het gebied worden voorzien, zijn voornamelijk gericht op het hydrologisch herstel, leiden niet tot oppervlakteverlies van habitattypen. Tijdens de werkzaamheden worden rijplaten neergelegd, waardoor de vegetatie en de bodem zo goed mogelijk wordt beschermd tegen beschadiging. Dit is met name noodzakelijk in de nattere bronbossen waar beken verondiept worden. De rijplaten worden zoveel mogelijk over en langs de bestaande paden neergelegd en niet door een habitattype heen.

17/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). Daarnaast komen onderstaande habitatsoorten voor: 1. H1083 vliegend hert 2. H1096 beekprik 3. H1166 kamsalamander 4. H1831 drijvende waterweegbree Verlies van leefgebied voor de genoemde habitatsoorten is niet aan de orde. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd rondom het verspreidingsgebied van kamsalamander en drijvende waterweegbree (als die nog aanwezig is). Voor vliegend hert geldt dat de soort sporadisch voorkomt aan de uiterste oostkant van het plangebied (ter hoogte van de watermolens Frans en Bels). Maatregelen die hier genomen worden (o.a. het verondiepen van de beek) hebben geen invloed op het areaal leefgebied van vliegend hert. Ook hebben de te nemen maatregelen geen negatief effect op het areaal leefgebied van beekprik in de Springendalse beek. Het verondiepen van een gedeelte van deze beek zorgt er juist voor dat het leefgebied geoptimaliseerd wordt. Een beperkte verstoring van het leefgebied van de beekprik kan optreden tijdens de werkzaamheden aan de Springendalse beek. Dit is een tijdelijke verstoring en is daarom niet significant. Daarbij worden mitigerende maatregelen genomen om negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen. Mogelijk is hiervoor wel een vergunning nodig.

Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, maar ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden ('externe werking'). Buiten het Dal van de Mosbeek, in de naastgelegen agrarische percelen, worden ook maatregelen getroffen om de hydrologische omstandigheden in het dal te verbeteren. Deze maatregelen hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen, maar zorgen juist voor positieve effecten door de hydrologische bufferzone die wordt gecreëerd, het waarborgen van de afvoer van bovenstrooms water en de verminderde aanvoer van meststoffen. Er zijn in de omgeving van het Natura 2000-gebied geen andere werkzaamheden bekend die kunnen zorgen voor cumulatieve invloed of externe werking waardoor de beschreven effecten anders kunnen uitpakken. Mitigerende maatregelen: Om eventuele tijdelijke effecten te mitigeren worden tijdens de uitvoeringsperiode rijplaten gelegd. Deze moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: • De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. • De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden).

• Na verwijdering van de platen dient de bodem en de vegetatie hersteld te worden. • Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te

18/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken. 4.1.3 Conclusie Soortenbescherming In het plangebied van het inpassingsplan komen de veldspitsmuis, hazelworm, beekprik en broedvogels voor. Het plan heeft in de eindsituatie positieve effecten in het Natura 2000-gebied, doordat het lokaal hogere grondwaterstanden veroorzaakt, wat bijdraagt aan het behouden/bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in dat gebied. Als gevolg van de fysieke uitvoering van de maatregelen kunnen tijdelijk effecten ontstaan, die met mitigerende maatregelen kunnen worden voorkomen. Een aanvraag om een ontheffing in kader van de soortenbescherming is niet nodig, omdat de Wet natuurbescherming een vrijstelling geeft wanneer het gaat om natuurherstelmaatregelen in het kader van de Natura 2000-gebieden. Het plan is uitvoerbaar in het licht van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) onder de voorwaarde van uitvoering van de genoemde maatregelen voor bepaalde beschermde soorten. Dit valt onder de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Deze maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol, waarmee de aannemer moet werken. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming wordt op deze manier voorkomen. In de eindsituatie treden geen effecten meer op.

Gebiedsbescherming Begin 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof in werking getreden. Deze wet bevat onder meer een vrijstelling van vergunningplicht voor projecten die direct verbandhouden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Aan deze wettelijke vrijstelling, die geldt boven provinciale regelingen over dit onderwerp, zijn in beginsel geen voorwaarden verbonden. Ondanks de vrijstelling, blijft de zorgplicht van kracht. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. Doordat de werkzaamheden niet of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. In het kader van de zorgplicht worden maatregelen (inzet licht materieel, werken met rijplaten en voorkomen verdichting van de bodem) genomen. Bij de uitvoering van de natuurherstelmaatregelen wordt materieel ingezet. Dit kan leiden tot een (tijdelijke) verhoging van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek”. Ook hiervoor geldt een vrijstelling van de vergunningplicht.

De werkzaamheden hebben uiteindelijk een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied. Ecologisch werkprotocol De maatregelen voor de soorten- en de gebiedsbescherming worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol, waarmee de aannemer moet werken. In de regels van het Provinciaal Inpassingsplan wordt opgenomen dat conform het ecologisch werkprotocol moet worden gewerkt.

19/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

4.2

Bodem

Binnen de Regio Twente heeft een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Dinkelland en Tubbergen, met uitzondering van Losser, gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam “Twents beleid veur oale groond 2.0”. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. De deelnemende gemeenten gebruiken op elkaar afgestemde lokale maximale waarden. Deze lokale maximale waarden geven de kwaliteit van de bodem in een gebied van de gemeente aan. Ze zijn onderverdeeld in de klassen ‘AW2000’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Grond uit de gebieden met klasse ‘AW2000’ is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de overige twee klassen geldt dat de kwaliteit van de bodem van deze klassen minder is dan die van de klasse ‘AW2000’ maar dat enkele licht verhoogde of matige verhoogde gehalten te verwachten en toegestaan zijn. De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben in april 2019 (respectievelijk 15 en 16 april) het beleid voor grondverzet en de toepassing van grond aangepast.

Uit een inventarisatie van de provincie Overijssel blijkt dat op de plaatsen waar maatregelen worden genomen, geen asbestverdachte gronden aanwezig zijn (kaart beschikbaar via de bodematlas van de provincie Overijssel). 4.2.1 Conclusie De bodemsituatie is zodanig van kwaliteit dat de voorgenomen maatregelen kunnen worden uitgevoerd. Voor dit aspect treden geen belangrijke nadelige milieugevolgen op, waarvoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. 4.3

Water

Vanwege de complexe bodemopbouw en hydrologie, bleek grondwatermodellering geen optie. Het gebrek aan inzicht voor een deel van de percelen vloeit voort uit de complexe en kleinschalige afwisseling van de geohydrologische situatie waardoor hydrologische berekeningen van het grondwatersysteem en bemestingsberekeningen niet met voldoende nauwkeurigheid te maken zijn. Het betreft het bepalen van de herkomst (stromingsrichting, lengte en verblijftijd) en de processen die optreden in de ondergrond (o.a. denitrificatie). Meer concreet betreft dit: 1. Stromingsrichting: Er is geen eenduidig beeld op te stellen van het isohypsenpatroon. Er zijn meerdere bronnen beschikbaar die allen een ander beeld geven. De beschikbare metingen zijn onvoldoende om het exacte beeld goed vast te stellen. Dit betekent dat de stroomrichting, de lengte van de stroombaan en daarmee de reistijden niet goed ingeschat kunnen worden; 2. Herkomst: Het plangebied kan grofweg in twee geologische laagpakketten opgedeeld worden: Een gelaagde bodemopbouw met tertiaire klei en storende lagen die deels zijn onderbroken (rondom de beek) en morene zandgronden met preferente stroombanen (op de flanken). Het water dat infiltreert in de morene gronden wordt door de

20/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

verschillende zandpakketten afgevoerd naar de beekdalen waarin de habitats liggen. Dit gebeurt over, tussen en onder de storende lagen door. Onduidelijk is door welke pakketten het water dat infiltreert exact stroomt. Dit betekent er GEEN eenduidig herkomstgebied per habitat af te leiden valt. Daarmee is onduidelijk of en welke effecten locaties met bemestingsmaatregelen hebben in relatie tot de habitats. Uiteraard geldt dat alle bemestingsmaatregelen op systeemniveau tot een reductie van de nutriëntengehalten leiden. De metingen in de beekdalen, waaruit blijkt dat er verhoogde nutriëntengehalten aanwezig zijn, bevestigen dat maatregelen noodzakelijk zijn (Aqualysis, 2018). Daarom worden hier maatregelen genomen. Met behulp van monitoring wordt de effectiviteit van de maatregelen bevestigd; 3. Denitrificatie: De mate waarin denitrificatie optreedt is afhankelijk van de reistijd, de samenstelling van de bovengrond (o.a. hoe meer organische stof hoe denitrificatie er plaats vindt. Ook de samenstelling van de ondergrond en de en de ontwateringstoestand spelen een rol. Hoe langer het water door de bodem stroomt hoe meer nitraat er wordt afgebroken. Verder blijkt dat de sortering op de morene gronden vaak groot is, dit beperkt de doorlatendheid. De doorlatendheid wordt veelal bij zandige morene gronden overschat.

Zeker Indien de morene zandgronden bestaan uit verweerd keileem (zoals het Springendal en delen van de Hazelbekke) waardoor zand relatief veel lutum- en leemdeeltje bevat geldt dat de verblijftijd langer is waardoor het proces van denitrificatie beter plaatsvindt. Samen met het zeer grillige verloop van de grondwaterstanden op de veldpodzolgronden met een GT IIIa als ook GT VIIId (Badus 2017) is zeker dat de diversiteit in mate van denitrificatie groot is. Het in beeld brengen van de exacte situatie van de bodemopbouw vraagt door de enorme afwisseling en kleinschaligheid van de bodem om een (onevenredig) grote inspanning qua veldwerk (aanvullende boringen, geochemisch onderzoek en grondwaterstandsmetingen). Om deze reden, in combinatie met enkele leemten in kennis op het gebied ecologie en eutrofiëring en gebrek aan actuele gegevens omtrent (grond)waterkwantiteit en -kwaliteit, is een team van drie onafhankelijke deskundigen (het Fieldlab) ingeschakeld. Het Fieldlab bestaat uit deskundigen die op basis van kennis en ervaring de drie hoofdpijlers van dit project – hydrologie, ecologie en landbouweconomie – met elkaar combineren. Op basis van de beschikbare informatie hebben de deskundigen een uitwerking van de berging, de runoff en ondiepe grondwaterstromen in het bovenste zandpakket die in rechtstreeks contact staan met de habitats gemaakt.

Hiermee is tot een sluitende onderbouwing van de maatregelen gekomen. Dit geeft een stabiele basis om de afwijkingen ten opzichte de maatregelen in de gebiedsanalyses te beargumenteren. Ten aanzien van de grondwaterstroming in diepere ondergrond en de (morene) zandgronden is geconstateerd dat er inmiddels veel informatie beschikbaar is over de bodemchemische- en hydrologische processen in deze stuwwalbodems. Echter biedt deze informatie nog onvoldoende houvast en inzicht over de werking van de stuwwal om afwijkingen van de maatregelen uit de gebiedsanalyse te onderbouwen. Dit betekent dat hiervoor teruggegrepen moet worden op de maatregelen uit de gebiedsanalyse. 4.3.1 Conclusie De maatregelen zorgen voor het – voor de natuur – gewenste effect: een verhoging van de grondwaterstand en daardoor een verbetering van hydrologische omstandigheden in het Natura

21/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

2000-gebied “Springendal – Dal van de Mosbeek”. Negatieve effecten voor landbouw of infrastructuur, in of buiten het gebied, zijn onderzocht. Met de eigenaren worden afspraken gemaakt over schadevergoeding. Eventuele restschade komt voor vergoeding in aanmerking en als vangnet geldt de provinciale nadeelcompensatieregeling. Dit onderdeel zorgt niet voor belangrijke nadelige milieueffecten, zodat het doorlopen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. 4.4

Archeologie, landschap en cultuurhistorie (ruimtelijke kwaliteit)

4.4.1 Archeologie De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben in 2008 een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Voor het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek gelden verschillende maten van archeologische verwachtingen en daaraan gekoppeld beleid. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen terreinen van archeologische (verwachtings-)waarde moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. De maatregelen binnen het plangebied vinden plaats binnen gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde. Als in deze gebieden ingrepen met een oppervlakte van 5.000 m2 respectievelijk 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m –mv worden uitgevoerd, moet eerst een archeologisch vooronderzoek worden uitgevoerd. Voor ingrepen kleiner dan 5.000 m2 en 2.500 m2 is geen archeologisch onderzoek nodig. In het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek worden enkele fysieke maatregelen uitgevoerd, maar deze beslaan een kleinere oppervlakte dan 2.500 m2. Een aantal maatregelen heeft een afwijkende diepte.

Hieronder volgt een overzicht van deze maatregelen en een toelichting op de invloed van deze maatregelen op de archeologische waarden in het gebied: • Werkzaamheden aan/bij watergangen, aanleggen en/of vervangen duikers Deze maatregelen vinden plaats in een al geroerd bodemprofiel en de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische resten is zeer klein. • Verwijderen buisdrainage Bij het plaatsen van buisdrainage is de bodem al verstoord geraakt. Voor het verwijderen van de buisdrainage is daarom geen archeologisch onderzoek nodig. • Vergraven van grond om oorspronkelijk reliëf te herstellen Op sommige stukken wordt het maaiveld (0-40 cm -mv) aangepast tot het oorspronkelijk reliëf. Aanpassingen vinden alleen plaats in de bovenlaag waardoor er conform gemeentelijk beleid geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. 4.4.2 Conclusie De uitvoering van de maatregelen leidt niet tot een onevenredige aantasting van archeologische verwachtingswaarden in het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek, en dus ook niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.

22/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

Als bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet (juli 2016) worden gemeld bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding via ARCHIS), of bij de regioarcheoloog. 4.4.3 Landschap en cultuurhistorie Het landschapsbeeld in Overijssel kenmerkt zich door reliëf en kleinschaligheid. Er zit veel afwisseling tussen (kleine) bossen, akkers en graslanden. Hier tussendoor lopen verschillende beken, met bijbehorende flora en fauna. De inrichtingsmaatregelen dragen bij aan het behoud en versterken (van het functioneren) van het beeksysteem. Hiermee worden de condities voor het daarbij passend leefgebied van plant- en diersoorten versterkt. Het plan draagt bij aan de ambitie van een en continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel (Provincie Overijssel, 2016). 4.4.4 Conclusie Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht voor de onderdelen archeologie, cultuurhistorie en landschap als gevolg van deze plannen. Door de inrichtingsmaatregelen wordt de ruimtelijke kwaliteit behouden, dan wel versterkt. Voor het onderdeel archeologie wordt nader onderzoek uitgevoerd. Het doorlopen van een milieueffectrapportage is niet aan de orde. 4.5

Hinder tijdens uitvoering (geluid, stikstof en verkeer)

Tijdens de uitvoer van de werkzaamheden is er een tijdelijke toename van de geluidsemissie te verwachten door het gebruik van machines, voor de vergravingen in het gebied. In de gebruiksfase is dit weer zoals voor de uitvoering. De maatregelen hebben onder andere tot doel om de stikstofbelasting in Natura 2000-gebied terug te dringen en hebben daarmee, in de eindsituatie, een positief effect op stikstofdepositie. Een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie door het gebruik van gemotoriseerd materieel voor de plag- en graafwerkzaamheden is, ook vanwege de relatief kleine oppervlakte van de ontgravingen, verwaarloosbaar. Los daarvan geldt een vrijstelling van de vergunningplicht, omdat de maatregelen direct verbandhouden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Er worden in dit gebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd en vrijkomende grond wordt, waar mogelijk binnen het plangebied gebruikt. 4.5.1 Conclusie Op het gebied van geluid ontstaan geen blijvende nadelige milieugevolgen. Een eventuele tijdelijke toename van stikstofdepositie is mogelijk, maar omdat dit een gevolg is van noodzakelijke maatregelen ter uitvoering van het beheerplan geldt hiervoor een vrijstelling van de vergunningplicht. Ten slotte wordt er niet of nauwelijks verkeershinder voorzien als gevolg van de uitvoering van maatregelen.

23/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

4.6

Uitvoeringsaspecten niet-gesprongen-explosieven (NGE) en kabels en leidingen

De maatregelen bestaan voornamelijk uit gebruikswijzigingen van percelen (scheurverbod, bemestingsverbod), waarbij niet in ongeroerde grond wordt gewerkt. Fysieke inrichtingsmaatregelen zijn het verwijderen van buisdrainage, het verondiepen van watergangen, het vrijmaken van bestaande waterbergingsgebieden en bronnen, enz. Het gaat hier om in het verleden al geroerde grond, waardoor de kans op het aantreffen van NGE minimaal is. Er is geen aanleiding om een onderzoek naar NGE uit te voeren. Dit onderwerp zorgt niet voor mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In het plangebied zijn verschillende kabels en leidingen aanwezig. Er bevinden zich geen grote of gevaarlijke leidingen (zoals hogedruk gasleidingen) in dit deelgebied. Omdat niet diep gegraven wordt, is er daarom naar verwachting geen conflict met kabels en leidingen. Voor uitvoering van de graafwerkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan. 4.6.1 Conclusie Er is, vanwege de aard en de omvang van de maatregelen, geen aanleiding een onderzoek naar NGE uit te voeren. De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van de maatregelen. 4.7

Klimaat en duurzaamheid

De realisatie van de maatregelen, het monitoren van die maatregelen en het eventueel bijsturen, leiden tot een duurzaam watersysteemherstel in de natuurgebieden.. Bij het ontwerpen van dat systeem is, in relatie tot de hydrologische aspecten, rekening gehouden met de verwachte klimaatwijzigingen; naar verwachting zal er vaker in korte perioden hevige neerslag optreden. Bij de dimensionering van beekprofielen en retentiegebieden is daarmee rekening gehouden. De realisatie van de maatregelen draagt daarmee in belangrijke mate bij aan het verbeteren van de klimaatbestendigheid van het gebied 4.7.1 Conclusie Voor klimaat en duurzaamheid zijn door het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten. De maatregelen zorgen juist voor een betere bescherming tegen overstroming en verdroging. 4.8

Vernatting en agrarisch grondgebruik

De gronden waarop de hydrologische herstelmaatregelen zijn geprojecteerd, zijn of worden in eigendom verworven, dan wel worden afspraken gemaakt met de eigenaar. De bestemming van deze gronden wordt veranderd in ‘Natuur’. Landbouwkundig gebruik wordt beëindigd. De hydrologische maatregelen kunnen in beginsel zorgen voor vernatting van omliggende landbouwgronden. Ook hierover zijn afspraken gemaakt met de gebruikers/eigenaren. Er wordt een monitoringsplan gemaakt, op grond waarvan de hydrologische effecten na de uitvoering van de maatregelen worden gemonitord.

24/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

4.8.1 Conclusie Het staat vast dat bepaalde agrarische gronden niet of niet volledig meer agrarisch kunnen worden gebruikt, als gevolg van de maatregelen. Met de individuele eigenaren zijn of worden nog concrete afspraken gemaakt. Verder is er een vangnet voor eventuele restschade en worden de grondwatereffecten van de maatregelen gemonitord op basis van een plan. Gezien deze aanpak is de conclusie gerechtvaardigd dat voor wat betreft dit aspect geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. 4.9

Vernatting en insecten

Vernattingsmaatregelen kunnen leiden tot een tijdelijke vernatting op het maaiveld (waterretentie, waterberging en het ontstaan van kwelplaatsen), met name in en rond de winterperiode en algemeen bij hevige regenval. Hierdoor kan er voor bewoners, recreanten en dieren hinder ontstaan door een toename van muggen, knutten en dazen. Deze insecten kunnen ook veeziekten overbrengen. Er is onderzoek gedaan naar dit onderwerp (34 Vragen en antwoorden over steekmuggen en knutten in relatie tot vernatting”, Piet Verdonschot, WUR, 2018). In en rond de winterperiode is de temperatuur van het water en de bodem relatief laag, waardoor voortplanting en verspreiding van muggen en knutten zeer beperkt zal zijn. In en rond de zomer is de temperatuur van water en de bodem beter geschikt voor de ontwikkeling van de larven, maar zorgt deze ook voor verdamping, waardoor plassen op maaiveld sneller op zullen drogen. Uit onderzoek blijkt dat muggen en knutten open gronden mijden. Het is dus van belang open gronden in stand te houden en eventuele vegetatie kort te houden. Veel gronden in het plangebied krijgen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – grasland, waarbij sprake is van de gewenste korte vegetatie. Dazen vliegen ook over open terreinen. Eventuele hinder kan worden voorkomen of beperkt door het plaatsen van dazenvallen en deze dagelijks te legen en paarden zomerdekens te laten dragen.

Veeziekten kunnen niet in muggeneitjes overleven. Deze kunnen alleen door muggen en knutten worden overgedragen nadat zij besmette dieren hebben gestoken, als deze al in de omgeving aanwezig zijn (invloed van veetransporten). 4.9.1 Conclusie De vernattingsmaatregelen kunnen leiden tot een toename van insecten en bijbehorende hinder. Vanwege de natuurlijke omstandigheden in winter (door lage temperatuur voortplantingsmogelijkheden beperkt) en zomer (verdamping) is de verwachting dat dit niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen leidt. Eventuele hinder kan nog verder worden beperkt door het kort houden van vegetatie en het plaatsen van dazenvallen. Het doorlopen van een milieueffectrapportage is voor dit onderwerp niet noodzakelijk.

25/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

5

Cumulatie overige projecten

Relevante gebiedsprocessen andere gebieden Het deelgebied Manderheide maakt geen deel uit van het plangebied voor het Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek. Het is op dit moment niet duidelijk hoe de procedure voor dit deelgebied verder zal verlopen. De aard van een deel van de voorgenomen maatregelen staat ter discussie. Op basis van een aparte aanmeldnotitie voor dit deelgebied (gebaseerd op het op dat moment bestaande inrichtingsplan) heeft het bestuur van de provincie Overijssel besloten dat een milieueffectrapportage voor dit deelgebied niet noodzakelijk is. Conclusie De maatregelen in deelgebied Manderheide zijn, net als in de overige deelgebieden in het plangebied, gericht op natuurontwikkeling. Ook als de oorspronkelijk bedachte maatregelen gewijzigd worden, blijft het doel natuurontwikkeling. In combinatie met de inrichtingsmaatregelen in de overige deelgebieden, zoals beschreven in deze aanmeldnotitie, ontstaan geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

26/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

6

Monitoring

Het Inrichtingsplan richt zich op het herstel, behoud en ontwikkeling van het Natura 2000gebied en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Echter, de ontwikkeling van natuur is grillig en afhankelijk van (veranderende) situaties ter plaatse. Met monitoring wordt gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het realiseren van de doelen. 6.1

Algemeen

Er zijn verschillende meetnetten die de benodigde informatie leveren. Voor de KRW en (beleids)doelen van de Waterschappen worden de waterkwaliteit en -kwantiteit gemonitord. De grondwaterkwaliteit en -kwantiteit worden gemonitord onder regie van de provincie (het Meetnet Verdroging). Daarnaast zijn er nog twee voor Natura 2000 belangrijke meetnetten over natuurkwaliteit: het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de monitoring in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De meetnetten zijn zo vormgegeven dat deze informatie opleveren die gebruikt kan worden voor het beantwoorden van verschillende vragen en ten behoeve van verschillende monitoringsvereisten. De uit de monitoring volgende informatie wordt gebruikt bij het opstellen van het Natura 2000beheerplan voor de daaropvolgende beheerplanperiode en voor de door het rijk aan de Europese Commissie te leveren natuurrapportage. De informatie is ook van belang voor vergunningverlening, handhaving en beheer van het Natura 2000-gebied. De provincie Overijssel is verantwoordelijk voor de monitoring van de natuur binnen de Natura 2000-gebieden. De provincie maakt met betrokken partijen afspraken over de uitvoering van de monitoring. De uitvoering van de aspecten vegetatie, typische soorten en structuur zal veelal uitgevoerd worden door de terreinbeheerders.

Waterschappen voeren veelal de monitoring van de waterkwaliteit en -kwantiteit uit. De provincie bewaakt de uitvoering van de afspraken. De uitkomsten van de verschillende monitoring zullen met de betrokken partijen gedeeld worden. 6.2

SNL-monitoring

Over de manier waarop de monitoring wordt uitgevoerd zijn landelijke afspraken gemaakt. De belangrijkste is dat de Natura 2000-monitoring integraal is opgenomen in de 'Werkwijze Natuurmonitoring en -beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS ' (hierna: werkwijze SNLmonitoring). In deze werkwijze wordt gedetailleerd beschreven hoe de kwaliteit van natuur moet worden gemonitord. De beschreven monitoringsmethodiek is onafhankelijk van het Natura 2000-gebied: eenzelfde habitattype wordt overal op dezelfde manier gemonitord. Deze werkwijze is te vinden op het portaal Natuur en Landschap. 6.3

Natuurmonitoring specifiek voor stikstof

Per gebied wordt jaarlijks een gebiedsrapportage opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen. De gebiedsrapportage bevat een presentatie

27/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

van de stand van zaken van de natuurontwikkeling en de uitvoering van de herstelmaatregelen op gebiedsniveau, inclusief o.a.:  Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten;  Verslagen van de jaarlijkse veldbezoeken (toets of de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten zich ontwikkelen volgens verwachting);  Proces(meet)indicatoren en de informatie die hieruit voorkomt. Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het uitvoeren van bepaalde herstelmaatregelen te volgen. 6.4

Gebiedsspecifieke natuurmonitoring

De monitoring van stikstof of de SNL zal zich, naar verwachting, beperken tot periodieke herhaalde vegetatiekarteringen, de monitoring van de populaties van de VHR-soorten (Vogelen Habitatrichtlijnsoorten) en de monitoring van stikstofemissie. Dit houdt in dat voor gebiedsspecifieke monitoring een aparte monitoring geregeld moet worden. Voor het Natura 2000-gebied " Springendal en Dal van de Mosbeek " staat dit beschreven in hoofdstuk 8.3 van het beheerplan. Specifiek voor "Springendal en Dal van de Mosbeek" wordt een monitoringsplan opgesteld. Dit plan vloeit voort uit het Inrichtingsplan.

28/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

7

Conclusie

De inrichtingsmaatregelen voor het plangebied zorgen, op zichzelf en in samenhang met projecten in de omgeving, niet voor belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een milieueffectrapportage voor plannen (bij het Provinciaal Inpassingsplan) is niet noodzakelijk.

29/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

Literatuur en overige bronnen

8 − − − − −

Inrichtingsplan (Samen werkt beter, versie 22 juli 2020) met bijlagen; “Twents beleid veur oale groond 2.0” (nota bodembeheer, bodemkwaliteitskaart); Eelerwoude quick scan natuur 2017; Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit, Provincie Overijssel, januari 2016; 30 Vragen en antwoorden over steekmuggen en knutten in relatie tot vernatting”, Piet Verdonschot, WUR, 2018.

30/35 — SLM008755.RAP001.DB — 27 oktober 2020 — Springendal – Dal van de Mosbeek – definitief V1a

Overzicht bijlagen Bijlage 1 Inrichtingsplan (losse bijlage) Bijlage 2 Maatregelenkaarten (losse bijlagen) Bijlage 3 Natuurtoets Bijlage 4 Onderzoek muggen en knutten

31/35 — SLM008755.RAP001.DB

Bijlage 1 Inrichtingsplan (losse bijlage)

32/35 — SLM008755.RAP001.DB

Bijlage 2 Maatregelenkaarten (losse bijlagen)

33/35 — SLM008755.RAP001.DB

Bijlage 3 Natuurtoets

34/35 — SLM008755.RAP001.DB

Quickscan flora en fauna PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

Quickscan flora en fauna PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

Opdrachtgever LTO Noord t.a.v. de heer M. Egging Zwartewaterallee 14 8031 DX ZWOLLE

Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor T ( 0547) 26 35 15 F ( 0547) 26 33 15 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: P8101 Datum: 25-4-2017 Projectleider: Jac Hakkens Opgesteld: Vincent de Lenne Gecontroleerd: Jac Hakkens Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische Zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken

INHOUD 1

INLEIDING ........................................................................................................... 6

1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 6

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 7

2.1 2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 7 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 8

3

NATUURWETGEVING EN BELEID ................................................................. 10

3.1 3.2 3.3 3.4

Bescherming van soorten .................................................................................. 10 Bescherming van Natura 2000-gebieden .......................................................... 12 Natuurnetwerk Nederland/ Ecologische hoofdstructuur .................................... 12 Bescherming houtopstanden ............................................................................. 13

4

METHODE ......................................................................................................... 15

4.1 4.2

Bureauonderzoek............................................................................................... 15 Terreinbezoek .................................................................................................... 16

5

BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 17

5.1 5.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/575/documents/17075