t_Bijlage 1 Ecologie.pdf
Tekst van het document
H7140A overgangs- en trilvenen (trilvenen) Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het huidige oppervlakte is klein (ca 1,2 ha) en de huidige voorkomens hebben een sterk geïsoleerde ligging. Het habitattype komt voor als kwelgevoede vorm van de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge en Holpijp-gemeenschappen in de middenloop/lage
30
Quickscan flora en fauna Concept
middenloop van het Springendal. Na verondiepen van een zijbeekje is plaatselijk herstel opgetreden. Een ander voorkomen betreft het Dal van de Mosbeek. Veel kenmerkende en (bijna) alle typische plantensoorten ontbreken hier echter. Al hoewel de vegetatietypen duiden op een goede kwaliteit, is deze wegens het ontbreken van veel soorten verre van optimaal. Recente trends zijn onbekend. Trends in areaal en kwaliteit habitattype Vooralsnog onbekend. Systeemanalyse: Ecologische vereisten In de beekdalen komen de trilvenen voor op veengronden die door kwel tot in de wortelzone gevoed worden. Een flinke kwelflux is nodig om de voor deze vegetatietypen benodigde permanent hoge grondwaterstanden en voldoende hoge basenrijkdom te handhaven. In de reliëfrijke stuwwalgebieden komen dergelijke kwelsituaties ook voor op plekken waar het grondwater over klei- of leemlagen naar maaiveld gedrongen wordt. H7150 pioniervegetaties met snavelbiezen Actueel areaal en kwaliteit habitattype Over het voorkomen van dit vegetatietype is weinig gedocumenteerd. Het komt in ieder geval voor in complexen met habitattype H4010A vochtige heiden, die veelal recent geplagd zijn. Momenteel is er een aanwezig oppervlak van 1.300 m2 berekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype Onbekend, kan gedurende de korte levensduur van het successiestadium waarin dit habitattype voorkomt, snel negatief worden met verdwijning binnen enkele jaren. Doordat het type echter snel en eenvoudig verkregen kan worden door plaggen van vochtige heiden, is de trend eenvoudig beïnvloedbaar. Systeemanalyse: ecologische vereisten Het habitattype wordt aangetroffen op plagplekken in mozaïek met vochtige heiden. H7230 kalkmoerassen Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype komt met ca 0,5 ha voor vlak ten westen van de Paardenslenkte. De Associatie van Vetblad en Vlozegge is goed ontwikkeld. Er zijn soorten aanwezig als armbloemige waterbies, veenmosorchis, parnassia, vetblad (typische soort) en moeraswespenorchis. Sinds eind 20e eeuw is de kwaliteit van de vegetatie lokaal door beheer verbeterd (Tauw, 2009). Landschap Overijssel geeft in schriftelijke commentaar aan, dat lokaal ook achteruitgang optreedt. Twee mogelijke andere voorkomens (KiWa & EGG, 2007), in Hazelbekke en bij de Reuterij (vetblad), worden op de habitattypenkaart niet aangegeven en kwalificeren zodoende niet. Trends in areaal en kwaliteit habitattype De kwaliteit en de oppervlakte blijven achter bij de referentiesituatie. Landschap Overijssel en waarnemingen van F. Eysink (Bosgroep) melden ook achteruitgang.
Het type gaat in de oude kern van de Mosbeek achteruit. Soorten van lokaal grondwater nemen toe (veldrus
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
31
en beenbreek) en karakteristieke soorten van basenrijk grondwater nemen af (veenmosorchis en armbloemige waterbies). Systeemanalyse: ecologische vereisten Het kalkmoeras in de Mosbeek wordt gevoed door basenrijk grondwater, dat over een ondiep gelegen leemlaag afstroomt. H9120 beuken-eikenbossen met hulst Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype beuken-eikenbossen met hulst komt volgens de habitattypenkaart (Provincie Overijssel, 2014) over een oppervlakte van ca. 22 ha voor, in en rond het Springendal en op de Braamberg/Tutenberg. Het overgrote deel bestaat uit goed ontwikkelde vormen (Ten Den en Bremer, 2008 geciteerd in Tauw, 2009). Kleinere oppervlakten zijn ook aanwezig ten noorden van de Vasserheide, Dal van de Brunninkhuizerbeek, Hazelbekke en het Dal van de Mosbeek. Door natuurlijke successie zal de hoeveelheid Hulst in deze bossen naar verwachting verder toenemen. Het overgrote deel heeft een vegetatie die duidt op een goede kwaliteit (A&W,2011; Ten Den en Bremer, 2008 geciteerd in Tauw, 2009). Typische plantensoorten komen momenteel waarschijnlijk in een beperkt deel voor en zijn sinds de jaren ‘90 achteruitgegaan (A&W, 2011). Van de typische diersoorten is de hazelworm aangetroffen. De toestand van structuur & functiekenmerken open plekken/ zomen/ mantels binnen of op de randen van voorkomens en aanwezigheid van dood hout zijn onbekend.
Trends in areaal en kwaliteit habitattype Een trend in areaal is niet beschikbaar. Volgens Ten Den en Bremer (2008, geciteerd In A&W, 2011) gaat de kwaliteit achteruit door vermesting en verzuring. Uit Ten Den en Bremer (2008) blijkt dat er op langere termijn (tussen 1900-1930 en 1975-2000) een toename is opgetreden van kenmerkende soorten, als gevolg van het ouder worden van de bossen. Om de actuele trend beter in beeld te brengen is in 2012 aanvullend onderzoek gedaan. De 7 proefvlakken in H9120, die in 1995 en 2000 al waren opgenomen, zijn in 2012 opnieuw opgenomen. Resultaten en conclusies van dit onderzoek zijn (Bremer, 2012): de bedekking van braam is fors afgenomen, waardoor verbraming geen trend meer lijkt; ruigtesoorten zijn afgenomen; dit wordt beide verklaard door een toename van de struiklaag, waardoor minder licht voor stikstof-minnende soorten beschikbaar is; er is in de bossen een kolonisatie gaande door Hulst en Klimop. Op basis van de informatie uit Bremer (2012) blijkt dus dat er een afname optreedt van bramen en andere ruigtesoorten. Er is een geleidelijke toename van kenmerkende soorten gaande. De trend in kwaliteit van het habitattype H9120 beuken-eikenbossen met hulst is dus positief. Systeemanalyse: ecologische vereisten Onderstaande tabel toont de ecologische vereisten (Runhaar et al., 2009).
Beukeneikenbossen met Hulst komen voor op droge tot vochtige zand- en leemgronden. In het
32
Quickscan flora en fauna Concept
gebied zijn die te vinden op de stuwwalplateaus en tegen de hellingen rond de beekdalen. Deze standplaatsen worden enkel door regenwater gevoed en zijn voor buffering van de zuurgraad afhankelijk van de bodem. H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Actueel areaal en kwaliteit habitattype Verspreid over het gebied komen verschillende vegetatietypen voor behorend tot subtype C: vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Samen beslaan ze ca. 21 ha. Goed en matig ontwikkelde vormen van het Elzenzegge-Elzenbroek en lokaal Elzenbronbos komen voor langs en in de omgeving van de Mosbeek (o.a. bij de Oerbekke en in de omgeving van de Molens Bels en Frans), in het Springendal en nabij het Vasser Grafveld. Goed ontwikkelde vormen komen ook voor langs de Hazelbekke. In het gebied van de Hazelbekke komen Elzenbroeken voor, zij aan zij met vaak goed ontwikkelde vormen van het Goudveil-Essenbos en Vogelkers-Essenbos. Een groot deel van de Elzenbossen is verruigd met Grote brandnetel als gevolg van verdroging en eutrofiëring. De verhouding tussen goede en matige kwaliteit is niet duidelijk. De meeste typische plantensoorten komen in een klein deel van het oppervlak voor. Alleen Bittere veldkers en Paarbladig goudveil hebben een wijdere verspreiding binnen het habitattype.
De laatste decennia treedt een sterke afname op van de oppervlakte en kwaliteit door verdroging, eutrofiëring en verzuring. Recent is plaatselijk herstel opgetreden als gevolg van lokale herstelmaatregelen. Zo is Paarbladig goudveil in het centrale deel, Verspreidbladig goudveil in de westzijde van het gebied en Groot bronkruid in beide sterk vooruitgegaan als gevolg van herstelmaatregelen in het Hazelbekke in het kader van het project ‘Terug naar de Bron’. Ook heeft het verondiepen van het Mosbeek-traject bij Roordink tot een ongekende uitbreiding van Bittere veldkers, Gewone dotterbloem, Paarbladig en Verspreidbladig goudveil geleid (Eysink et al., 2012). De netto trend is echter nog steeds sterk negatief. Trends in areaal en kwaliteit habitattype Op veel plaatsen is de kwaliteit achteruit gegaan en vaak zodanig dat de resterende vegetatie niet meer kwalificeert en er sprake is van areaalverlies. Beide trends zijn dus negatief. Systeemanalyse: ecologische vereisten Elzenbroekbossen komen voor onderin de beekdalen waar de grondwaterstanden hoog zijn, permanent of langdurig kwel optreedt en vaak ook overstroming vanuit de beek. Verschillen in de mate van droogval en van overstroming zijn sterk bepalend voor de soortensamenstelling. Elzenbronbos komt voor op de meest kwelrijke plekken, vaak met bronbeekjes en open bronplekken.
Deze plekken liggen niet alleen onderin het dal, maar kunnen ook hoger voorkomen, als grondwater uittreedt over een dagzomende kleilaag.
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
33
6.4.1 Effecten habitattypen In Afbeelding 3 is de effectenindicator weergegeven , waarin de relevante effecten op de habitattypen en soorten worden genoemd.
Afbeelding 3 effectenindicator
Oppervlakte verlies en versnippering De te nemen maatregelen zijn voornamelijk gericht op het hydrologisch herstel, en zal niet leiden tot oppervlakteverlies van habitattypen. Rijplaten worden neergelegd, waardoor de vegetatie en de bodem zo goed mogelijk wordt beschermd tegen beschadiging. Dit is met name noodzakelijk in de nattere bronbossen waar beken verondiept worden. Deze rijplaten liggen er tijdelijk totdat de werkzaamheden zijn afgelopen. De rijplaten worden zoveel mogelijk over en langs de bestaande paden neergelegd en niet door een habitattype heen.
34
Quickscan flora en fauna Concept
De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden).
Hydrologische effecten De PAS maatregelen worden met name genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren. Diverse ingrepen en processen zorgen voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van de huidige voorkomens van kwelafhankelijke habitattypen. Ingrepen met grote invloed bestaan uit veranderingen in de waterhuishouding en sterke bemesting in de intrekgebieden van kwelafhankelijke habitattypen. Deze hebben gezorgd voor achteruitgang van habitattypen en bedreigen ook behoud van oppervlakte en de kwaliteit. Een groot deel van de kritische habitattypen (met uitzondering van droge heide, heischrale graslanden, jeneverbestruwelen en beuken-eikenbossen ) zijn gebaat bij een voldoende hoge grondwaterstand. In de habitattypen die niet gevoelig zijn voor verdroging worden geen vernattingsmaatregelen toegepast. Momenteel zorgt ontwatering voor verdroging en minder uittreding van basenrijk kwelwater. Het dempen van alle greppels en sloten met nutriëntenarme leem, het vereffenen en/of verondiepen van sloten en beken zorgen en het opheffen van drainage zorgen voor een hogere grondwaterstand en voor meer uittreding van basenrijk lokaal water. Deze maatregelen hebben geen negatieve effecten op de habitattypen, maar worden juist genomen ten behoeve van deze habitattypen.
Verdroging leidt niet alleen tot te lage grondwaterstanden, maar ook tot eutrofiering door toename van de mineralisatie (vooral in organisch stofrijke bodems) en tot verzuring doordat toevoer van basenrijk grondwater stopt. Zuur dat bij chemische processen in de bodem vrijkomt of afkomstig is van N-depositie wordt dan niet meer sterk gebufferd. Ook de verdroging zelf zorgt voor extra zuurvorming als gevolg van oxidatieprocessen (o.a. veen en sulfiden). De verdrogingseffecten zorgen voor achteruitgang van habitattype H91E0C vochtige alluviale bossen. Genoemde processen vormen een bedreiging voor behoud van de habitattypen H4010A vochtige heiden, H6230 heischrale graslanden, H6410 blauwgraslanden, H7230 kalkmoerassen, H7140A overgangs- en trilvenen (trilvenen) en H7150 pioniervegetaties met snavelbiezen. Ook voor de verbeterdoelstellingen van deze habitattypen vormen voortschrijdende verdroging, eutrofiering en verzuring een belemmering. De te nemen maatregelen zorgen indirect dus ook voor minder eutrofiering, en verzuring wat gunstig is voor de genoemde habitattypen. Mechanische effecten en verontreiniging Naast stikstof worden door de maatregelen geen andere verontreinigde stoffen in het systeem gebracht. Door de maatregelen is er geen sprake van verontreiniging van de habitattypen.
Onder mechanische effecten vallen betreding en mechanische effecten door het rijden met machines over de habitattypen. De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
35
om insporing te voorkomen. Hierdoor is er geen of zeer minimale mechanisch effect op de habitattypen, waardoor geen significante effecten te verwachten zijn. Stikstofeffecten (verzuring en vermesting) Sinds medio 2015 wordt binnen de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) geadviseerd om bij ontwikkelingen in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden (met stikstofgevoelige habitattypen) een toetsing uit te voeren van de hoogte van stikstof-emissies. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. In deze 117 Natura 2000-gebieden is de actuele depositie (dikwijls veel) hoger dan de habitats kunnen verdragen. Dit zijn de gebieden waar de PAS betrekking op heeft. Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek behoort tot deze gebieden. Dit betekent dat de actuele depositie hoger ligt dan de stikstofgevoelige habitats kunnen verdragen. Elke ontwikkeling in het gebied dient getoetst te worden op de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten, zowel in de uitvoeringsfase als in de eindfase. Op landelijk niveau is besloten dat voor de uitstoot van stikstof door de uitvoering van de PAS maatregelen geen Nbw-vergunning nodig is, omdat deze uitstoot in de berekeningen van de PAS zijn meegenomen.
Daarom wordt geen aparte berekening gemaakt van de uitstoot van stikstof door het uitvoeren van de PAS-maatregelen in het Dal van de Mosbeek. 6.4.2 Habitatrichtlijnsoorten H1083 vliegend hert Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Het Vliegend hert, een soort die landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, komt lokaal in het gebied voor in een kleinschalig landschap met veel houtwallen en eikenbomen, op en rond boerenerven. De soort is afhankelijk van inrottend hout van oude bomen. Omdat dit biotoop weinig en lokaal voorkomt in het gebied, is het voor het duurzame behoud van de populatie noodzakelijk dat op meerdere plekken geschikt biotoop ontstaat, zodat de soort zich ook daar kan vestigen. De Mandermaten vormen het belangrijkste verspreidingsgebied van het Vliegend hert. De soort komt hier voor in oude houtwallen en op erven met oude eiken. Daarnaast zijn er (minder frequente) waarnemingen van de soort in het Dal van de Mosbeek ter plaatse van het Manderstreu, de Mandercirkels, de Noordelijke Manderheide, de molen van Bels en het gebied van de Veldstraat en de Veldhoek. In de eigendommen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten is de soort tot op heden niet waargenomen.
Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De populaties het Vliegend hert in het gebied is van belang voor de instandhouding van de landelijke populatie. De bijdrage van de populaties van beide soorten in het gebied wordt geschat op 2-15 % van de landelijke populatie.
36
Quickscan flora en fauna Concept
Systeemanalyse: ecologische vereisten Het Vliegend hert vraagt om een permanent aanbod van dood ondergronds eikenhout. Daartoe behoren ook de eikenhouten palen (oudere erfafscheidingen, hekwerken). Dit hout moet aangetast zijn door schimmels. Larven hebben een ontwikkelingstijd nodig van vier tot acht jaar, gedurende periode mogen er geen veranderingen in de situatie optreden. H1096 beekprik Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De beekprik komt binnen het Natura 2000-gebied op het moment alleen voor in de Springendalse Beek, die de grootste bijdrage voor de beekprik in Twente levert. Tot 1980 werd de beekprik ook waargenomen in de Eendenbeek, maar daar is ze door droogval verdwenen. Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Geen informatie over trend beschikbaar. Systeemanalyse: ecologische vereisten De beekprik is een typische bewoner van natuurlijke beken die een afwisseling vertonen van snelstromende, zandige trajecten en luwe, slibrijkere delen. Beekprikken leven het grootste deel van hun leven als larve in de sliblaag in langzaam stromende delen van de beek, zoals binnenbochten. Daar filteren ze voedselpartikeltjes uit het langsstromende water. Na een aantal jaren (2,5-6,5 jaar) treedt metamorfose op naar het volwassenstadium, dat ongeveer een half jaar duurt.
De beekprik trekt dan stroomopwaarts naar geschikte paaigronden, plekken met een grind- of kiezelbodem en matig stromend, zuurstofrijk, ondiep water. Daar worden eieren afgezet in ondiepe nestkuilen. Na het paaien sterven de volwassen dieren. De uitgekomen larven laten zich door de beek meevoeren naar geschikte, slibrijke beekbodems. Daarmee is de cyclus rond. De dieren sterven na de eiafzet. Enige tijd na het uitkomen van de eitjes trekken de larven iets beekafwaarts op zoek naar slibrijkere bodems. De opgroeiende larven van de Beekprik hebben een beekbodem nodig die rijk is aan slib, omdat ze uit het langsstromende water voedselpartikeltjes filteren, met algen, eencellige en kleine meercellige organismen. Na de gedaanteverwisseling nemen de vissen geen voedsel meer op; hun darm groeit daarbij dicht (Profielendocument, Ministerie LNV, 2008). H1166 kamsalamander Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De kamsalamander komt verspreid voor in het gebied: aan de noordzijde van de noordelijke Manderheide (op enkele locaties) en verspreid in het Dal van de Mosbeek. De kwaliteit van het leefgebied is een punt van aandacht. Met gerichte maatregelen kan de populatie worden uitgebreid. De soort is aangetroffen in drie poelen langs de Eendenbeek in het Manderstreu en in een poel in het grasland nabij de Holtsuze (Hazelhorst, 2006).
Mogelijk komt de soort in meerdere poelen voor in het gebied; de twee poelen bij de molen van Frans zijn bijvoorbeeld niet onderzocht (Hazelhorst, 2006). In de eigendommen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten is de soort tot op heden niet waargenomen.
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
37
Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Geen informatie over trend beschikbaar. Systeemanalyse: ecologische vereisten Leefgebied: In de voortplantingsperiode (april-juli) verblijven de volwassen kamsalamanders in het water. Daar vindt de paring plaats en ontwikkelen zich de eieren en larven. Het vrouwtje zet circa 200 eieren één voor één af op de bladeren van waterplanten. De larven ontwikkelen zich in drie maanden tot jonge salamanders en verlaten dan het water. Kamsalamanders zijn na drie jaar geslachtsrijp. In kleine wateren is de kamsalamander in staat andere amfibieën weg te concurreren. De voortplantingsbiotopen zijn vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, onbeschaduwde of licht beschaduwde, voedselrijke wateren zoals poelen, vennen, sloten en overstromingsvlaktes langs oevers met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Het betreft doorgaans poelen met jonge verlandingsstadia. Belangrijk is dat de plassen en sloten niet te vroeg in het seizoen droogvallen omdat de larven dan niet de kans krijgen succesvol van gedaante te wisselen. Soms kan een zorgvuldig peilbeheer met een natuurlijk verloop kan dat verzekeren. De wateren moeten bovendien vrij zijn van vissen die de eieren en larven opeten.
De biotopen moeten een groot deel van het jaar water bevatten, maar incidenteel droogvallen kan gunstig zijn voor de kamsalamander, omdat daarmee vissen uit het water verdwijnen. De soort overwintert op het land (in de periode novembermaart). De landbiotopen zijn kleine landschapselementen zoals bosjes, hagen, struwelen, houtwallen en overhoekjes of bosranden. Een kleinschalige afwisseling van poelen, grasland en kleine landschapselementen of bossen vormt het ideale leefgebied voor de kamsalamander. Voedsel: Regenwormen, muggenlarven, libellen, kokerjuffers, slakken en insecten (bron: profielendocument, Ministerie van LNV, 2008). H1831 drijvende waterweegbree Actueel voorkomen en trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De soort komt op dit moment niet voor in het Natura 2000-gebied (mededeling F. Eysink). Voorheen kwam drijvende waterweegbree voor in een bronvijver in het Springendal. Systeemanalyse: ecologische vereisten Leefgebied: drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, zoals heide- en veenplassen, duinplassen, meren, afgesloten rivierarmen, laaglandbeken, kanalen, sloten en vijvers. Het best gedijt deze waterplant in water dat helder, voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is. Op sommige plaatsen bevat het water daarbij veel ijzer.
In voedselrijkere omgeving staat de soort het meest op plaatsen met menging van regenwater met kwelwater. In specifieke omstandigheden, namelijk bij een lage beschikbaarheid van fosfaat, kan de drijvende waterweegbree nitraat- en ammoniakrijk water verdragen. De plant groeit ondergedoken in het water, maar kan ook op tijdelijk droogvallende oevers staan. Een belangrijk kenmerk van drijvende waterweegbree is haar geringe concurrentiekracht. Het open water of de kale bodems van pas gegraven of regelmatig geschoonde poelen en vennen bieden een geschikt vestigingsmilieu, maar de soort verdwijnt daarna tenzij er
38
Quickscan flora en fauna Concept
factoren of processen in het spel zijn die dichtgroeien van de plek met andere soorten tegengaan. De soort kan bijvoorbeeld even goed lang standhouden op geregeld sterk uitdrogende oevers als in stromend water en in grote wateren waar golfwerking en erosie optreden. Ook waar voedselarme omstandigheden een hoge biomassaproductie belemmeren en in diep water waar licht een beperkende factor is handhaaft ze zich. Tegenover het geringe concurrentievermogen van de soort staat een groot verspreidingsvermogen. Ondergedoken populaties van het kruipend moerasscherm zijn in staat om zich vegetatief voort te planten, namelijk via uitlopers van de wortelrozet die afbreken en elders wortelen. Op oevers gedraagt de soort zich als een eenjarige plant die rijkelijk bloeit en zaad vormt. Het zaad kan onder gunstige omstandigheden 80 jaar kiemkrachtig blijven. Dispersie van zaad vindt waarschijnlijk plaats via watervogels, waardoor grote afstanden kunnen worden overbrugd. De voorkeur van de soort voor pioniersituaties en voedselarm water weerspiegelen zich in de plantensociologische positie: drijvende waterweegbree is kensoort van de Oeverkruidklasse (Littorelletea) met begeleiders als knolrus (Juncus bulbosus), oeverkruid (Littorella uniflora), vlottende bies (Scirpus fluitans), naaldwaterbies (Eleocharis acicularis) en pilvaren (Pilularia globulifera).
In voedselrijker water groeit ze in Fonteinkruid-gemeenschappen (Potametea), met onder andere grote waterranonkel (Ranunculus peltatus) en gewoon sterrekroos (Callitriche platycarpa). 6.4.3
Effecten habitatsoorten
Verlies leefgebied Verlies leefgebied voor de genoemde habitatsoorten is niet aan de orde (zie ook hoofdstuk 5 beschermde soorten). Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd rondom het verspreidingsgebied van kamsalamander en drijvende waterweegbree (mits nog aanwezig). Voor vliegend hert geldt dat de soort sporadisch voorkomt aan de uiterste oostkant van het plangebied (ter hoogte van de watermolen Frans en Bels). Maatregelen die hier genomen worden (o.a. het verondiepen van de beek) hebben geen invloed op het areaal leefgebied van vliegend hert. Ook hebben de te nemen maatregelen geen negatief effect op het areaal leefgebied van beekprik in de Springendalse beek. Het verondiepen van een gedeelte van deze beek zorg er juist voor dat het leefgebied geoptimaliseerd wordt. Verstoring leefgebied Tijdelijk zal er mogelijk beperkt verstoring op beekprik aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden aan de Springendalse beek. Dit betreft een tijdelijke verstoring en is daarom niet significant. Tevens worden mitigerende maatregelen genomen om negatieve effecten te voorkomen.
6.5
Externe werking
Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, maar ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden ('externe werking').
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
39
Buiten het Dal van de Mosbeek, in de naastgelegen agrarische percelen, worden ook maatregelen getroffen om de hydrologische omstandigheden in het dal te verbeteren. Deze maatregelen hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen, maar zorgen juist voor positieve effecten door de hydrologische bufferzone die wordt gecreëerd, het waarborgen van de afvoer van bovenstrooms water en de verminderde aanvoer van meststoffen. Er zijn in de omgeving van Dal van de Mosbeek geen andere werkzaamheden bekend die kunnen zorgen voor cumulatieve invloed of externe werking waardoor de beschreven effecten anders kunnen uitpakken.
6.6
Conclusie
Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren, waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Doordat de werkzaamheden niet in, of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. Negatieve effecten zijn na het nemen van de mitigerende maatregelen (werken met rijplaten en voorkomen verdichting bodem) uitgesloten. De werkzaamheden hebben een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied Dal van de Mosbeek. Nader onderzoek naar de effecten van de PAS maatregelen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied zijn niet nodig. Het uitvoeren van deze PAS maatregelen is vergunningplichtig. Geadviseerd wordt om de rapportage voor te leggen aan provincie Overijssel. Randvoorwaarden bij de aanleg van de rijplaten: - De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. - De rijplaten worden zoveel mogelijk over en langs de bestaande paden neergelegd en niet door een habitattype heen.
De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). - Na verwijdering van de platen dient de bodem en vegetatie hersteld te worden. - Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken.
40
Quickscan flora en fauna Concept
7 7 EHS-TOETSING 7.1
Inleiding
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee tenzij’- afweging met positief gevolg doorloopt, kan de ingreep plaatsvinden mits eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en restschade wordt gecompenseerd. De regels voor het doorlopen van de ‘nee tenzij’- afweging zijn verwoord in de Spelregels EHS uitgegeven door de ministeries van LNV en VROM in 2007 en in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In de provincie Gelderland is de begrenzing van de NNN/EHS vastgesteld in december 2015. Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de NNN/EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken. In deze toetsing richten we ons op de ecologisch inhoudelijke toetsing.
Centrale vraag: doet de voorgenomen ontwikkeling afbreuk aan de wezenlijke kenmerken en vastgestelde waarden en natuurdoelen? Indien de natuur- en landschapswaarden van de NNN/EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt dan dient compensatie plaats te vinden.
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
41
7.2
Natuurdoelen en-kwaliteit
Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken zullen de te beschermen en te behouden wezenlijke waarden en kenmerken per gebied moeten worden gespecificeerd. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. In de Spelregels EHS is aangegeven dat het bevoegd gezag de wezenlijke kenmerken en waarden moeten bepalen. Globaal zijn er wel enkele doelstellingen voor de totale EHS aangegeven (Spelregels EHS): Het realiseren van een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden; Het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecosystemen, inclusief de bijbehorende soorten Het focussen op nationaal en/of internationaal belangrijke soorten; Het duurzaam behouden van ecosystemen: zorg dragen voor de randvoorwaarden voor behoud: de juiste bodem-, water- en beheercondities. 7.2.1 Wezenlijke waarden en kenmerken De ontwikkelingen moeten getoetst worden aan effecten op de kernkwaliteiten. Dit zijn de wezenlijke ecologische en landschappelijke kenmerken en waarden die de provincie heeft toegekend aan de verschillende delen van de NNN/EHS.
Vanuit de toelichting in de Omgevingsverordening beschouwt de provincie een ruimtelijke ingreep waarvoor een bestemmingsplan moet worden aangepast als een significante aantasting van kernkwaliteiten en omgevingscondities wanneer deze kan leiden tot de volgende effecten: Een vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bosen landschapselementen en gebieden die zijn aangewezen voor nieuwe natuur. Een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in de verschillende leefgebieden in delen van het netwerk. Een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor conform de wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing vereist is en als zodanig worden genoemd in de AmvB Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora en Faunawet. Een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid). Een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden. Een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming. Een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten.
Een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting. Een toename van de verstoring door licht. Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.
42
Quickscan flora en fauna Concept
In de effectbeoordeling zal specifiek worden ingegaan op de aspecten areaalverlies van natuur-, bos- en landschapselementen, vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren (versnippering/samenhang) en op verstoring en andere vormen van kwaliteitsverlies. Aantasting van leefgebied van wettelijk beschermde soorten is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.
7.3
Beschrijving en toetsing wezenlijke waarden en kenmerken
Uitgangspunt in de nota "Spelregels EHS" is dat geen nettoverlies aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang mag plaatsvinden. Op basis van deze drie aspecten wordt een beschrijving gegeven van de huidige waarde van het plangebied en het effect van de ontwikkeling op deze waarde. 7.3.1 Areaal Vrijwel het gehele plangebied is aangewezen als ecologische hoofstructuur. De meeste werkzaamheden vinden echter plaats in agrarische percelen rondom de natuurpercelen die vaak buiten de begrenzing vallen. Een aantal van deze percelen is begrensd als kruiden- en faunarijk grasland. Werkzaamheden die hier plaatsvinden zijn het onder andere het dempen of verondiepen van sloten en het opheffen van drainage. Effecten op waarde De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het aanwezige areaal aan natuur. Met de voorgenomen is geen sprake van areaal verlies. 7.3.2 Kwaliteit De belangrijkste natuurwaarden liggen langs de Mosbeek, Springendalse beek, Hazelbeek, Onzoel, en de Poelbeek. Hier komen goed ontwikkelde Dotterbloemhooilanden voor (met Dotterbloem, Kruipend zenegroen, Grote ratelaar, Brede orchis), Veldrushooilanden (o.a. in het Springendal met Draadrus) terwijl het brongebied van de Mosbeek in ons land het best ontwikkelde voorbeeld betreft van de gemeenschap van Vetblad en Vlozegge.
In het gebied ligt ook een groot oppervlak Elzenbronbos met een groot oppervlak langs de Hazelbeek. Hier komen belangrijke populaties voor van Bittere veldkers, Paarbladig goudveil en de Dotterbloem. Bijzondere soorten zijn het Alpenheksenkruid en Carex x boenninghausiana (IJle zegge x Pluimzegge). In het gebied liggen ook diverse droge en vochtige heidevelden, zoals het Vasser grafveld en de Paardenslenkte. Veel bos behoort tot het Zomereiken- Berkenbos of betreft dennenbos. Effecten op waarde De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op de kwaliteit van deze gebieden, maar leiden juist tot een verbetering van de kwaliteit van het gebied. Negatieve effecten op de kwaliteit zijn dan ook niet aan de orde. 7.3.3 Versnippering De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot versnippering van het bestaande natuurnetwerk. De werkzaamheden leiden tot een verbeterde leefomgeving voor veel
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
43
doelsoorten die kenmerkend zijn voor de aangewezen natuurdoeltypen. Het verbeteren van deze natuurdoeltypen leidt indirect tot een minder versnipperd leefgebied van deze soorten. 7.3.4 Verstoring Verstoring van het gebied en de aanwezige waarden in de aanleg- en gebruiksfase wordt niet verwacht. In de aanleg- en onderhoudsfase vindt mogelijk tijdelijk meer verstoring plaats als gevolg van gebruikte machines. Dit vindt echter grotendeels plaats in de agrarische percelen rond de natuurterreinen. Hier vindt nu echter ook verstoring aanwezig in de vorm van machines die de landbewerkingen uitvoeren.. Een significante toename van verstoring wordt hier derhalve niet verwacht. Wel dienen de werkzaamheden overdag uitgevoerd te worden om verstoring van nachtactieve soorten te voorkomen. Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden treden geen negatieve effecten op de bestaande NNN-kernkwaliteiten van het gebied. De voorgenomen maatregelen leiden juist tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Van afname van areaal is geen sprake, evenals een verslechtering van de kwaliteit van de bestaande natuur. Verdere versnippering van bestaande natuur als gevolg van voorgenomen werkzaamheden is niet aan de orde.
44
Quickscan flora en fauna Concept
8 CONCLUSIE EN ADVIES 8.1
Conclusie Wnb soorten
Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied potentiëel habitat biedt aan een groot aantal beschermde soorten. Met de voorgenomen werkzaamheden worden echter geen negatieve effecten op deze soorten verwacht mits rekening worden gehouden met de soorten veldspitsmuis, beekprik, hazelworm en broedvogels. Veldspitsmuis Bij de planning van de werkzaamheden (met het name het dempen en verondiepen van sloten in agrarische percelen), dient rekening gehouden te worden met de seizoenactiviteiten van de veldspitsmuis om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen. De voortplantingsperiode van de veldspitsmuis loopt globaal van 15 maart tot 1 oktober. Het is niet bekend of de veldspitsmuis ook een echte winterrust houdt. In deze periode is de soort vooral kwetsbaar bij vorst en een sneeuwlaag. Afhankelijk van het seizoen en de weeromstandigheden kunnen deze perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de veldspitsmuis. Tijdens de graafwerkzaamheden dient er één kant opgewerkt te worden. In open water dient altijd naar een open einde gewerkt te worden. Hazelworm Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van de hazelworm (april-augustus).
Ter hoogte van de voormalige camping t’ Lippert worden dood liggend hout en puin of stenen voor de werkzaamheden handmatig verwijderd. Hierdoor zijn er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm aanwezig voor de soort tijdens de werkzaamheden. Beekprik Zandsuppletie in de Springendaalse beek dient niet op modderige delen uitgevoerd te worden waar larven aanwezig kunnen zijn.
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
45
Rekening houden met broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 uitgevoerd mogen worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn uitsluitend mogelijk, indien door een ter zake kundige ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals vroegtijdig kappen van bomen, of maaien van beplanting.
8.2
Conclusie Wnb gebieden
Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Doordat de werkzaamheden niet of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. Negatieve effecten zijn na het nemen van de mitigerende maatregelen (inzet licht materieel, werken met rijplaten en voorkomen verdichting van de bodem) uitgesloten. De werkzaamheden hebben een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied. Nader onderzoek naar de effecten van de PAS maatregelen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied zijn niet nodig. Het uitvoeren van deze PAS maatregelen is vergunningplichtig. Geadviseerd wordt om de rapportage voor te leggen aan provincie Overijssel. Randvoorwaarden bij de aanleg van de rijplaten: - De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. - De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). - Na verwijdering van de platen dient de bodem en de vegetatie hersteld te worden.
- Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken.
1
In het kader van de Flora- en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.
46
Quickscan flora en fauna Concept
8.3
Conclusie EHS
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden treden geen negatieve effecten op de bestaande kernkwaliteiten van het gebied. De voorgenomen maatregelen leiden juist tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Van afname van areaal is geen sprake, evenals een verslechtering van de bestaande kwaliteit van bestaande natuur. Verdere versnippering van bestaande natuur als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is niet aan de orde.
8.4
Zorgplicht en zorgvuldig handelen
In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: Tijdens de uitvoering dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog. De breedte van de transportwegen wordt zo beperkt mogelijk gehouden, opdat zo min mogelijk holen en dieren aangetast worden. In het kader van zorgvuldig handelen adviseren wij om de eisen en voorwaarden uit dit onderzoek op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Het ecologisch werkprotocol kan bij het bestek worden opgenomen.
8.5
Geldigheid onderzoek
Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag (ministerie van Economische Zaken in deze) hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
47
Tabel 1 Resultaten (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied.
Bescherming
Habitatrichtlijn Nationaal Habitatrichtlijn
Soort(groep)
Drijvende waterweegbree Dreps, glad biggenkruid, korensla en wilde ridderspoor Poelkikker en kamsalamander
Gebruik gebied
Effect ruimtelijke ontwikkelingen
Vervolg Nader onderzoek / mitigerende compenserende maatregelen
Groeiplaats
Geen, groeiplaats blijft behouden
Geen
Groeiplaats
Geen, groeiplaats blijft behouden
Geen
Leefgebied en voortplantingsbiotoop
Niet aanwezig ter hoogte van de werkzaamheden
Geen
Niet aanwezig ter hoogte van de werkzaamheden Geen, mits mitigerende maatregelen werkzaamheden ter hoogte van T’ Lippert voor hazelworm.
Habitatrichtlijn
Zandhagedis
Leefgebied en voortplantingsbiotoop
Nationaal
Levendbarende hagedis, hazelworm
Leefgebied
Steenmarter, eekhoorn, Nationaal
boommarter, damhert
Leefgebied
Geen, mits
Geen
Geen mits, mitigerende maatregelen hazelworm
Mitigerende maatregelen ten aanzien van veldspitsmuis genomen worden.
en veldspitsmuis Habitatrichtlijn
Vleermuizen
Leefgebied
Geen, leefgebied blijft behouden
Geen
Vogelrichtlijn
Vogels
Broedlocatie
Mogelijke verstoring
Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht
V jaarrond
V jaarrond
Broedlocatie
Geen, leefgebied en nestlocaties blijven gehandhaafd
Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht
Vliegend hert, klein Nationaal
ijsvogelvlinder en grote
Leefgebied
Geen, leefgebied blijft behouden
weerschijnvlinder
48
Quickscan flora en fauna Concept
Geen
en/of
Nationaal
Beekprik
Leefgebied, Springendalse beek
Geen, mits
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
Mitigerende maatregelen uitvoeren
49
8 BIJLAGE 1 INRICHTINGSKAART
50
Quickscan flora en fauna Concept
PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept
51
9 BIJLAGE 2 HABITATTYPEN
52
Quickscan flora en fauna Concept
LITERATUURLIJST -
Bergmans, W. en A. Zuiderwijk (1986). Atlas van de Nederlandse Amfibieën en Reptielen en hun Bedreiging. Utrecht: KNNV.
-
Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden.
-
Nie H.W. de (1996). Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem.
-
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Utrecht: KNNV.
-
Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij..
-
-
Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.
-
Flora en faunonderzoek t’ Lippert, Eelerwoude 2013,
-
Kansen voor de beekprik en KRW doelsoorten vis in Mosbeek en Hazelbekke, Ravon 2016
-
Twentse salamanders onderzoek naar kamsalamander in het Springendal en Dal van de Mosbeek, Wageningen University, 2017
-
Beheerplan vliegend hert 2016-2020, EIS 2016
Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.ravon.nl - www.libellennet.nl Waarnemingen: - www.telmee.nl - ndff-ecogrid.nl
Gebruikte websites Soortendatabase Ministerie van Economische http://www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/ Gebiedendatabase Ministerie van Economische Zaken 2000 www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 Atlas van Overijssel http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) http://pas.natura2000.nl/ http://www.landschapoverijssel.nl
Zaken