CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Springendal 6 Oud Ootmarsum BOPA.pdf

Commissie Omgeving & Economie 30 juni 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake bindend advies uitbreiding bedrijfsgebouw wasserij Springendal18.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

8 alinea's met “bopa”: 1 30 173 206 219 250 251 258

omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Springendal 6 Oud Ootmarsum

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied............................................................................................ 3 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging .............................................................................. 3 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 4

2.

Toekomstige situatie ................................................................................................................... 5 2.1 Gewenste ontwikkeling............................................................................................................... 5 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. 6

3.

Toetsing aan omgevingsplan...................................................................................................... 7 3.1 Omschrijving nieuwe situatie ...................................................................................................... 7 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan ............................................................................................... 7 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ ........................ 7 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. 7

4.

Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht ........................ 9 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ........................................................................................... 9 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ....................................................................................................... 9 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ................................................. 9 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland ................................................................................................... 16 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit .................................................................................................... 18 4.1.5 Casco beleid .......................................................................................................................... 22 4.1.6 Nota omgevingskwaliteit ....................................................................................................... 23 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................ 25 4.2.1 Vooroverleg Omgevingstafel Twente ....................................................................................

25 4.2.3 Participatie omgeving ............................................................................................................ 26 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad .................................................................................... 26

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ 28 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 28 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 29 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ........................................................................... 30 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming ........................................................................ 31 5.4.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 31 5.4.2 Soortenbescherming ............................................................................................................. 34 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 35 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 36 5.6.1 Algemeen ..............................................................................................................................

36 5.6.2 Geluid afkomstig van omgeving op plangebied .................................................................... 37 5.6.3 Geluid afkomstig van project op omgeving ........................................................................... 38 5.7 Geur.......................................................................................................................................... 39 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 40 5.9 Trilling ....................................................................................................................................... 41 5.10 Archeologie ............................................................................................................................ 42 5.11 Bodem .................................................................................................................................... 43 5.12 Waterbelang ........................................................................................................................... 45

6. 7.

Financiële haalbaarheid ........................................................................................................... 47 Voorwaarden omgevingsvergunning ........................................................................................ 48

2

1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Aan de Springendal 6 in Oud Ootmarsum bevindt zich het perceel van de initiatiefnemer. Op het perceel is een wasserij gelegen. Het perceel is gelegen in het beekdal op de stuwwal in het matenlandschap en wordt omsloten door een beek met houtsingels en een vrij zeldzaam essenhakhoutbos, welke volledig passend zijn in het landschap. Op het terrein was vanaf circa 1640 een papierfabriek aanwezig. De wasserij verschijnt op de topografische kaart rond 1900 en is tot op de dag van vandaag in gebruik. De eigenaar wenst zijn huidige gebouw uit te breiden wegens een nieuwe sorteerlijn voor de wasserij. Het bedrijf ligt in het Springendal, een gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en nabij Natura2000. In verband met de aanschaf van een nieuwe machine, een wassorteringslijn, dient de wasserij uitgebreid te worden met 278 m2. Dit kan, gezien de logistiek in de wasserij, alleen aan de oostzijde van het bedrijfspand. Het is daarbij wenselijk dat de bestaande doorgang en brandveiligheidszone ter plekke van de nieuwbouw behouden blijft, waardoor deze dient op te schuiven. Deze wordt in oostelijke richting verlegd. Met de geplande wijzigingen ontstaat er bedrijfsmatig een verbeterde situatie, waarbij het de bedoeling is dat het bedrijf nog beter opgaat in het landschap door middel van landschappelijke investeringen.

Het realiseren van de nieuwbouw en het verplaatsen van de doorgangsweg is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet toegestaan. Daarmee past het plan niet binnen de regels van het huidig planologisch kader. Het aanvragen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is noodzakelijk om het voornemen mogelijk te maken. 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie.

Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: ­ de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; ­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; ­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

3

De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatief advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college worden geweigerd. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied.

Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Ook de gemeenteraad heeft een positief advies gegeven. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op voorgaande overwegingen zijn er in hoofdstuk 7 voorwaarden aan de vergunning verbonden voor de ontwikkeling van het project.

Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden.

opgenomen

die

aan

deze

buitenplanse

4

2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling Aan de Springendal 6 in Oud Ootmarsum bevindt zich het perceel van de initiatiefnemer. Het perceel is gelegen in het beekdal op de stuwwal in het matenlandschap. Het perceel van de initiatiefnemer wordt omsloten door een beek met houtsingels en een vrij zeldzaam essenhakhoutbos, welke volledig passend zijn in het landschap. Op het terrein was vanaf circa 1640 een papierfabriek aanwezig. De wasserij verschijnt op de topografische kaart rond 1900. De eigenaar wenst zijn huidige gebouw uit te breiden wegens nieuwe apparatuur. Het gebouw ligt in het Springendal, een gebied onderdeel van het NNN en vlakbij Natura2000 gebied. In de huidige situatie is sprake van een erf met een wasserij (A) en een bedrijfswoning (C). De parkeerplaats (E) en toegangsweg zijn hoofdzakelijk voorzien van een open verharding met grind. De situatietekening is ook bijgevoegd als Bijlage 1 van deze BOPA. De wasserij is sinds circa 1900 aanwezig op het terrein en wordt omsloten door een beek (I), houtsingels met oude beukenbomen (L), een populierenbos (H) en een zeldzaam essenhakhoutbos. Het terrein is gelegen in een beekdal op de flank van de stuwwal. De planlocatie kent een kleinschalige structuur die herkenningspunten laten zien van het matenlandschap met houtwallen en -singels langs de weg en beek, afgewisseld met boscomplexen.

De initiatiefnemer is voornemens een uitbreiding aan de oostzijde van de bestaande wasserij te realiseren van 278 m2 voor een wassorteringslijn (B). Het is wenselijk dat de bestaande doorgangsweg (het grindpad) ter plekke van de nieuwbouw behouden blijft. Dit heeft voornamelijk te maken met de verplichting voor een doorgang voor de brandweer. Deze wordt daarom in oostelijke richting verlegd. Voor de beoogde ontwikkeling dient een groenstrook te wijken (J), deze wordt vervangen door een nieuw aan te planten struweel (K). Met de geplande wijzigingen is sprake van een aanvaardbare ontwikkeling, waarbij het bedrijf zorgvuldig blijft ingepast in het landschap.

Afbeelding 1: situatietekening gewenste situatie (N+L Landschapsontwerpers)

5

Afbeelding 2: Aanzicht van de locatie voor geplande wijzigingen (bron: N+L Landschapsontwerpers) 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De voorgenomen ontwikkeling heeft enkele invloed op de bestaande ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt optimaal behouden doordat de aanbouw een uiterlijk heeft dat passend is in het gebied. Dit wordt nader toegelicht en verbeeld in 4.1.6. Tevens is de landschappelijke inpassing weergegeven op afbeelding 1 waarbij de nieuwe situatie en huidige situatie worden vergeleken. De nieuwe situatie biedt juist kansen om elementen uit het matenlandschap weer terug te brengen en/of te versterken en daardoor het bedrijf nog beter in te passen in het landschap. Om het grindpad te verleggen is het van belang dat de beplanting mee wordt verlegd voor de ruimtelijke kwaliteit. Dit is ook weergegeven in het plan en zal daarmee voldoen aan de ruimtelijke kwaliteit. Al met al is er sprake van een goede inpassing van de voorgenomen uitbreiding. Omtrent milieukundige aspecten zijn er onderzoeken uitgevoerd conform geluid, bodem, flora en fauna, en luchtkwaliteit; deze zijn terug te vinden in Hoofdstuk 5.

6

3. Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie Zoals in de aanleiding en planbeschrijving aangegeven passen de plannen van initiatiefnemer niet binnen het huidig planologisch kader. Er moet daarom een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten, die strijdig zijn met het geldend planologisch kader: • Uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw voor de wassorteringslijn op locatie van het huidige grindpad; 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ Het geldend planologisch kader ter plaatse is ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’. Binnen dit plan is het plangebied waarin de wijzigingen plaatsvinden voorzien van de functies ‘Agrarisch – 2’ en ‘Waarde – Ecologie’. Tevens is er de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. De aanbouw valt buiten het huidige bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ (in paars weergegeven) waardoor het niet is toegestaan binnen de geldende functie van het plangebied. Er is hierbij geen omgevingsplanactiviteit binnen het geldend kader die het voornemen alsnog mogelijk kan maken. Het aanvragen van een buitenplanse omgevingplanactiviteit is daarvoor noodzakelijk.

Afbeelding 3: uitsnede verbeelding vanuit het bestemmingsplan van rechtswege (ruimtelijkeplannen.nl) 3.2.2. Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over

7

geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. In de gemeente Dinkelland zijn de standaard bepalingen van de bruidsschat van toepassing. Hiermee is in voorliggend plan rekening mee gehouden. De gestelde regels worden in acht genomen bij de uitwerking van onderhavig plan. De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: • • • • • •

begrippen (hoofdstuk 1) voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1) regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2) regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4) regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5)

De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. Met de relevante regels vanuit de Bruidsschat wordt rekening gehouden.

8

4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling van de plannen De voorgenomen ontwikkeling voorziet in uitbreiding van de bedrijfsfunctie in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Hierin blijven de kenmerken en identiteit van het landschap behouden door een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Vanuit dit voornemen bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 9

1.

Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (bestemmings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag) Doorwerking plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: • artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) • artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) • artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) • artikel 4.55 (Nationaal landschap Noordoost-Twente) • artikel 4.65 (Handhaven beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN) • artikel 4.66 (Afwijking beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN) Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "groene omgeving" nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "bestaand bebouwd gebied" nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van het omgevingsplan van rechtswege voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht. Beoordeling van de plannen Gezien de afmetingen van de aanbouw, aangepast op de machine waarvoor de aanbouw wordt gerealiseerd, is er geen plek binnen de huidige functie ‘bedrijf’. Tevens is het van belang dat de machine aan de oostkant van het huidig bedrijfsgebouw komt, wegens de aansluitingen op de activiteiten die reeds in het gebouw plaatsvinden. De wasserij houdt het schone en het vieze gedeelte namelijk gescheiden, en de machine moet aan de juiste kant van dit proces terecht komen. Daarmee wordt een zo efficiënt mogelijke situatie gecreëerd die ook zorgt voor een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: • het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; • wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en • inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

10

Beoordeling van de plannen Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Het verplaatsen van het grindpad is een beperkte ontwikkeling die geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit, doordat de aanwezige groenstructuur eveneens verplaatst wordt. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel. Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem 1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Beoordeling van de plannen De ontwikkeling voorziet van een KGO-investering zoals benoemd in het gemeentelijke beleid.

Met deze investering wordt een andere locatie voorzien van een versterking van het landschap door bijvoorbeeld aanplant van houtopstanden of andere groenstructuren. Deze structuren versterken het water- en bodemsysteem ter plaatse, waardoor het beter bestand is tegen het veranderende klimaat. Tevens is er op locatie een helofytenfilter aanwezig, waarmee het water kan worden opgevangen en natuurlijk wordt gezuiverd. De huidige houtopstanden blijven behouden en er wordt een nieuwe haag en boom aangeplant. Deze dragen eveneens bij aan een gezonde bodem- en waterhuishouding. Gesteld kan worden dat het voorliggende plan voldoet aan artikel 4.13. Artikel 4.55: Nationaal landschap Noord-Oost Twente Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: • het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; • de grote mate van kleinschaligheid; • het groene karakter.

Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Beoordeling van het plan: De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee worden ook investeringen verricht in (het behoud van) de ruimtelijke kwaliteit bij de inpassing van het bedrijfsperceel. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de toegekende kernkwaliteiten.

11

Artikel 4.65 (handhaven beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN) Lid 1) Omgevingsplannen die betrekking hebben op bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in 4.57 moeten blijven voorzien in regels voor deze gebieden die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder valt het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. Lid 2) Omgevingsplannen die betrekking hebben op bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast. Lid 3) Omgevingsplannen die betrekking hebben op functies binnen leefgebieden voor weidevogels, voorzien in een specifieke, daarop toegesneden functie die gericht is op instandhouding van de leefgebieden voor weidevogels dat in ieder geval tot uiting komt in behoud van openheid, rust en voldoende hoog waterpeil. Artikel 4.66 (afwijking beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN) Lid 1) In afwijking van Artikel 4.65, tweede lid kan een omgevingsplan ontwikkelingen toelaten die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden kunnen aantasten als: a. deze ontwikkelingen noodzakelijk zijn uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen; b. er geen reële alternatieven zijn; c.

de negatieve effecten van de ontwikkelingen zo beperkt mogelijk worden gehouden; en d. de overblijvende negatieve effecten in voldoende mate worden gecompenseerd. Lid 2) In afwijking van Artikel 4.65, tweede lid kan een omgevingsplan kleinschalige ontwikkelingen toelaten die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden kunnen aantasten als: a. daardoor de waarde van een bestaand bos of natuurgebied alleen in beperkte mate wordt aangetast; b. er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep zijn; en c. c. per saldo sprake is van een versterking van de waarden van het gebied of vergroting van het oppervlakte daarvan. Lid 3) In afwijking van Artikel 4.65, derde lid, kan een omgevingsplan ontwikkelingen binnen leefgebieden voor weidevogels toelaten indien dat mogelijk is op basis van Artikel 4.7 tot en met Artikel 4.10 als: • daardoor de omvang van een leefgebied voor weidevogels niet wordt verkleind; • er per saldo sprake is van een versterking van de kwaliteit van het leefgebied voor weidevogels; • er is aangetoond dat er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep mogelijk zijn; • overblijvende negatieve effecten op leefgebieden voor weidevogels in voldoende mate worden gecompenseerd Beoordeling van de plannen De gewenste uitbreiding van de wasserij (met verlegging van het grindpad) komt gedeeltelijk in NNNgebied.

Tijdens de Omgevingstafel had de Provincie in eerste instantie ‘oranje’ licht gegeven op het plan, met name op het aspect natuur. Daarom volgde een overleg tussen de gemeente en de Provincie op 23 oktober 2024. Hieruit is gebleken dat het deel ten oosten van het bedrijfsgebouw niet als NNNgebied aangewezen had moeten worden omdat het gebied de functie Agrarisch heeft en in de praktijk een tuininrichting kent. Conform artikel 4.65 mogen deze gebieden (bos en natuur buiten het NNN) niet ontwikkeld worden indien de aanwezige natuur en landschapswaarden worden aangetast. Conform artikel 4.66 kan hier echter onder voorwaarden van worden afgeweken. De gewenste uitbreiding van het bedrijfsgebouw is van maatschappelijk belang voor het behoud en toekomstbestendig maken van de Wasserij. Er zijn geen alternatieven voor de uitbreiding, de verschillende opties zijn in een eerder stadium (intaketafel) besproken en overwogen. Bij het landschappelijk inpassingsplan dient rekening te worden gehouden met de bestaande natuur- en landschapswaarden. Deze dienen zo min mogelijk aangetast te worden zodat de negatieve effecten van de ontwikkeling zo beperkt mogelijk worden gehouden. De bomen en natuur die moeten wijken voor de uitbreiding, zullen elders op het perceel gecompenseerd moeten worden. Daarnaast wordt er middels KGO een investering in de ruimtelijke kwaliteit gevraagd.

Dit wordt verderop verder toegelicht. Ontwikkelingsperspectieven (waar) 12

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het volgende ontwikkelingsperspectief voor de locatie van toepassing.

Afbeelding 4: kaart ontwikkelingsperspectieven, plan locatie rood aangeduid (Provincie Overijssel) De wasserij is aangegeven met het ‘Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. De locatie voor de verplaatste weg is aangegeven als ‘Natuurnetwerk Nederland (NNN)’ Mixlandschap Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. De ontwikkeling van de aanbouw voor de sorteringsmachine van de wasserij is binnen dit ontwikkelingsperspectief mogelijk, de bedrijvigheid is een passende activiteit in het mixlandschap. Natuurnetwerk Nederland NNN is een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden, voorheen EHS genoemd. Hieronder vallen Natura2000 gebieden en Nationale Parken.

Het beleid en verdere onderbouwing rondom NNN wordt later in deze paragraaf behandeld. 13

De ontwikkeling van de aanbouw past binnen het mixlandschap, waardoor een kleine verschuiving van het gebied geacht wordt ten opzichte van NNN. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. Natuurlijke laag. 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap 3. Laag van de beleving. 4. Stedelijke laag In dit geval is de stedelijke laag niet van toepassing dus wordt deze weggelaten. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten en beekdalen met beperkte reliëfverschillen. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen.

Het plangebied ligt in ‘Beekdalen en natte laagtes’ tussen stuwwallen.

Afbeelding 5: uitsnede kaart natuurlijke laag, planlocatie rood aangeduid (Provincie Overijssel)

14

Laag van cultuurlandschap Geconstateerd wordt dat het plangebied in het maten en flierenlandschap ligt. Dit is een laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. De ambitie is dit landschapstype weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. De nog gave delen verdienen een intensief op cultuurhistorische waarden gerichte inrichting en beheer. Voor de andere delen is het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter, de continuïteit van het landschap het uitgangspunt. Nieuwe dragers als biomassateelt, (es)dorpsontwikkeling in de nabijheid, water(voorraad)berging, particulier natuurbeheer zijn voor dit landschap aan de orde.

Afbeelding 6: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, planlocatie rood aangeduid (Provincie Overijssel) Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis 15

van het buitengebied. Aan het ‘belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe ‘erfgoed’ van de provincie. Het plangebied valt binnen de waarde ‘Donkerte’ in deze laag. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. Hierbij wordt de toepassing van kunstlicht zeer selectief ingezet.

Afbeelding 7: uitsnede kaart laag van de beleving (Provincie Overijssel) Beoordeling van de plannen De voorgenomen plannen passen binnen de verschillende kenmerkende lagen in dit landschap, aangezien er binnen de plannen aandacht wordt besteed aan deze identiteit. In dit landschapstype is het van belang om de randen aan te zetten om de identiteit van het landschap te behouden. De (groen)randen worden in de voorgenomen plannen behouden, en enkel verplaatst. Daarmee doet het geen afbreuk aan het landschapstype. Ook doet het plan geen afbreuk aan beleving ‘donkerte’, gezien de kleine omvang van de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn: 16

• • • •

We doen het samen. We geven het goede voorbeeld. We wentelen niet af op volgende generaties. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Buitengebied in balans De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten.

Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat: • toekomstgerichte agrarische sector; • goede staat van natuur en landschap; • kwalitatief toerisme. Beoordeling van de plannen: In de volgende afbeelding is een fragment van de waardenkaart opgenomen voor de planlocatie.

Afbeelding 7: fragment waardenkaart, plangebied aangepijld (gemeente Dinkelland)

17

Op grond van MijnOmgevingsvisie Dinkelland valt het plangebied onder de aanduiding ‘versterken bestaande landschap-structuren’. Deze waarde is gericht op behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek. Hier wordt aangegeven om in te spelen op onder andere de oorspronkelijke schaal van het landschap, afwisseling, bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is, behoud van waarden, geclusterde bebouwing en heldere structuren. De kleinschalige ontwikkeling resulteert in het verplaatsten van de groenstructuur, waardoor het behouden blijft. Daarnaast wordt in een ander deel de natuur versterkt, waarmee het past binnen de speerpunten van het thema ‘buitengebied in balans’. Hoewel er een fysieke impact is, heeft het geen negatieve invloed op de identiteit gezien in het plan de aandacht uit gaat naar het behouden en versterken van het landschap. 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit In 2022 is door de gemeente Dinkelland het ruimtelijk beleid buitengebied 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld. Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom wordt voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek.

Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Algemene randvoorwaarden Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Dit betreffen bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Deze randvoorwaarden zijn hieronder opgenomen. 1. Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverband/ onderlinge afstand); 3. De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit; 4. De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap; 5. De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer.

Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager; 6. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; 7. De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; 10. In het bestemmingsplan/ het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; 11. Een gecombineerde toepassing van de in deze notitie opgenomen beleidsregels is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan alle voorwaarden zoals die gelden voor de toepassing van de betreffende beleidsregels. Toepassing op de plannen Aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. Er is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld waarmee is verzekerd dat de ontwikkeling gepaard gaat met een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierin wordt 18

onder andere ingegaan op de gebiedskenmerken ter plaatse en de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het voornemen overeenkomstig de kenmerken. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt als voorschrift in de vergunning vastgelegd. Daarnaast heeft de uitbreiding geen relevante toename van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie tot gevolg en is geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden, zoals blijkt uit hoofdstuk 5 van deze toelichting Uitbreiding van bedrijf Voor het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel met de functie ‘Bedrijf (niet-agrarisch)’, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in de paragraaf hieronder. Ook dient in dit geval een waardevermindering en investeringspercentage met maatwerkclausule te worden bepaald. Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Hierbij wordt uitgegaan van de in onderstaande tabel genoemde basisbedragen.

Dit zijn dezelfde basisbedragen als de basisbedragen die in het kader van het voorheen geldende KGO-beleid in overleg met erkende taxateurs tot stand zijn gekomen. Deze basisbedragen zijn ten opzichte van het voorheen geldende KGO-beleid ongewijzigd, hiervoor is bewust gekozen omdat dit ook het meeste recht doet aan de op basis van het voorheen geldende KGO-beleid in het verleden geleverde kwaliteitsinvesteringen. Wel wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de bedragen in de onderstaande tabel exclusief btw zijn. Bij de totstandkoming van deze basisbedragen is namelijk uitgegaan van getaxeerde bedragen exclusief btw. Functie

Naar ►

Agrari sch gebie d

Agrari sch bedrijf

Bedrijf (nietagrari sch)

Verblijfsrec reatie

Over ige funct ie

Bos en/of natu ur

Van ▼

Waar de per m2 ▼►

€ 6,-

€ 22,-

€ 56,-

Taxatie

Taxa tie

€ 2,-

Agrarisch gebied

€ 6,-

€ 16,-

€ 50,-

Taxatie

Taxa tie

€ 4,-

Agrarisch bedrijf

€ 22, -

€ 16,-

€ 34,-

Taxatie

Taxa tie

€ 20, -

Bedrijf (nietagrarisch)

€ 56, -

€ 50,-

Taxatie

Taxa tie

€ 54, -

Taxati e

19

Verblijfsrec reatie

Taxat ie

Taxati e

Taxati e

Taxati e

Overige functie

Taxat ie

Taxati e

Taxati e

Taxati e

Bos en/of natuur

€ 2,-

€ 4,-

€ 20,-

€ 54,-

Taxa tie

Taxa tie

Taxatie

Taxa tie

Taxa tie

Taxatie

Taxa tie

Tabel 1: Overzichtstabel basisbedragen waardevermeerdering en -vermindering, relevante bedragen met rood omcirkeld Bij het toepassen van deze tabel dient rekening te worden gehouden met het volgende: • Alle genoemde bedragen zijn exclusief btw; • Indien sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, vindt geen verrekening plaats; • Daar waar de tabel niet in voorziet, zal een taxatie nodig zijn. Deze taxatie komt voor rekening van aanvrager. Toepassing op de plannen: De vergroting van het bedrijfsperceel betreft 278 m2. De waardevermeerdering is volgens het gebruikte format uit het beleid € 50,- per m2. Daarmee is er sprake van een waardevermeerdering van € 13.900,exclusief btw. Waardevermindering Indien er voor het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls een berekening van de waardevermeerdering wordt uitgevoerd op basis van de tabel in Tabel 1, kan waardevermindering als gevolg van het toekennen van een andere functie aan de gronden meegenomen worden in de berekening. Waardevermindering kan worden toegepast op gronden waar een kwaliteitsinvestering of basisinspanning wordt verricht en de functie ook daadwerkelijk wijzigt. Hierbij gelden de basisbedragen zoals genoemd in de tabel in Tabel 1.

Nadat de totale waardevermeerdering (waardevermeerdering – waardevermindering) bepaald is, dient beoordeeld te worden of sprake is van een functioneel of niet-functioneel aan het buitengebied gebonden ontwikkeling en of de locatie is gelegen in het buitengebied of de kernrandzone. Toepassing op de plannen: Voor onderhavig plan kan er geen waardevermindering worden toegepast. Vereist investeringspercentage in schema In Tabel 2 wordt schematisch weergegeven welk percentage van de waardevermeerdering, naast de verplichte basisinspanning, geïnvesteerd dient te worden in de ruimtelijke kwaliteit om zo de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Locatie ▼

Functioneel aan buitengebied gebonden functie

het

Niet-functioneel buitengebied gebonden functie

Buitengebied

25%

100%

Kernrandzone

12,5%

50%

aan

het

Tabel 2: Investeringspercentage waardevermeerdering 20

Van het bovenstaande percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Deze kan worden toegepast als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen. In dat geval gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5% (met een maximum van 25%). Toepassing op de plannen: Op deze locatie kan de maatwerkclausule worden toegepast op de volgende aspecten: • • • • •

Sociale kwaliteit; Werkgelegenheid; Logistiek; Veiligheid; Ruimtegebrek.

Ten eerste kan de clausule worden toegepast op sociale kwaliteit. Met de wassorteringsmachine is er een efficiëntieslag in het bedrijf, waarmee het makkelijker wordt om grotere hoeveelheden was te verwerken. Deze was kunnen ze weer sneller verspreiden, waardoor klanten beter en efficiënter worden geholpen. Derhalve draagt het bij aan sociale kwaliteit. Tevens kan de efficiëntieslag zorgen voor meer werkgelegenheid, aangezien de bouw ervan werkzaamheden bevatten die men moet uitvoeren. Daarnaast kunnen er meer werkzaamheden bij komen voor en na het sorteren van de was, aangezien het mogelijk is om meer was aan te nemen met de realisatie van de wassorteringsmachine. Ook hebben ze mensen met afstand tot de arbeidsmarkt in dienst. Met de realisatie van de machine worden er meer mogelijkheden geboden aan deze mensen. Daarmee wordt er werkgelegenheid gecreëerd. De aanbouw voor de wassorteringsmachine is beoogd aan de oostkant. Dit heeft te maken met het optimaliseren van het proces. In het bedrijfsgebouw is vuile was aan de oostkant, en schone was aan de westkant. Daarnaast wordt de achterkant gebruikt voor het ophalen en wegbrengen van was, dus hier is tevens geen ruimte voor aanbouw. Dit zou de verkeersstromen beperken voor het bedrijf. Het aansluiten van de machine aan de oostkant is daarom logistiek gezien de beste plek voor de realisatie.

Voor veiligheid geldt eveneens dat de clausule kan worden toegepast. Met de benoemde aanbouw worden de verkeerstromen niet beperkt en draagt het daarom bij aan veiligheid. Tevens wordt de machine op een veilige manier afgeschermd zowel binnen de aanbouw als de aanbouw zelf, waardoor de veiligheidsrisico’s beperkt blijven. Betreft ruimtegebrek, is er zoals genoemd geen andere logische locatie voor de wassorteringsmachine. Daarnaast is de aanbouw optimaal ingepast in het landschap. De aanbouw is slechts enkele meters rondom de machine, waarmee er zo min mogelijk onnodige ruimte is ingenomen. Dit zorgt voor een verlaging van het bruto KGO-bedrag met 5 keer 5%, wat een totaal geeft van 25%. Dat zorgt voor een vermindering van € 3.475,-. 8.2 Aftrekposten De volgende aftrekposten mogen worden toegerekend als onderdeel van deze kwaliteitsimpuls en kunnen in mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering: •

de kosten voor het opstellen van het KGO-plan tot een percentage van 10% van de vereiste kwaliteitsinvestering met een maximum van 5000 euro (excl btw). Deze kosten kunnen eenmalig in mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering;

21

•

de legeskosten voor de inzet van het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team). Na aftrek van de voornoemde kosten resteert het bedrag dat dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving

Toepassing op de plannen: Ten behoeve van het landschapsontwerp worden er kosten (€ 1.390,-) en kwaliteitsteam (€ 262,50,-) in mindering gebracht. Eindconclusie Deze onderbouwing voorziet in een motivatie voor de aanbouw voor de wassorteringslijn op het naastgelegen perceel met de functie ‘agrarisch’ in Oud Ootmarsum binnen de gemeente Dinkelland. Voorgenoemde levert een netto investering op van € 8.772,50,-, zie ook onderstaande tabel. Dit bedrag zal gestort worden in het KGO-fonds, aangezien het eigen terrein reeds optimaal landschappelijk is ingepast. Er is daarmee geen extra ruimte op eigen terrein om de investeringen te doen. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan het gestelde beleid.

Tabel 3: uitkomsten KGO 4.1.5 Casco beleid De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. De mate waarin dit casco nog intact is, is afhankelijk van de landschapsdynamiek. Voor elk landschapstype is aan de hand van ‘bouwstenen’ voor elk opgaand groen landschapselement bepaald of het een onderdeel is van de kenmerkende structuur van dat betreffende landschap, het casco, of niet. Daarnaast is de gewenste kavelgrootte voor een toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering per landschapstype vastgesteld en zijn richtlijnen geformuleerd voor de versterking van het agrarische cultuurlandschap.

Samenvattend zijn de volgende algemene richtlijnen opgesteld voor de versterking van het samenhangende complex van essen, beekdalen en jonge ontginningen: • vergroten van de diversiteit tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; • aansluiten op de geomorfologische en bodemkundige opbouw van het landschap; • aansluiten op de actuele functionaliteiten van het landschap; • versterken van en aansluiten bij de ecohydrologische werking van het systeem; • versterken van de grenzen tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; • ontwikkelen van een adequaat beheer (bv. cyclisch hakhoutbeheer) om de diversiteit in het halfopen essenlandschap te behouden. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de casco zijn in principe niet te verwijderen (groene lijnen/vlakken op de kaart). De casco elementen zoals in de nabijheid gelegen blijven waar mogelijk intact en worden tevens versterkt met de KGO investering.

22

Afbeelding 8: Fragment van de cascokaart behorende bij de cascobenadering (geo.overijssel.nl) Aan de oostzijde van het pand is een casco element aanwezig: dit is echter tuin, de grotere bomen blijven behouden. Dit deel van de tuin zal iets verplaatst worden, maar heeft geen invloed op de doelstellingen achter het casco beleid. De casco elementen die zijn aangegeven zullen behouden blijven. De ontwikkeling heeft dus geen gevolgen voor bestaande casco elementen. 4.1.6 Nota omgevingskwaliteit Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/942/documents/23751