CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Springendal 6 Oud Ootmarsum BOPA.pdf

Commissie Omgeving & Economie 30 juni 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake bindend advies uitbreiding bedrijfsgebouw wasserij Springendal18.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De

23

aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. De stadsbouwmeester heeft een advies gegeven voor de landschappelijke inpassing, deze luidt als volgt: De uitbreiding is in omvang, in verhouding tot bestaande bedrijfsbebouwing, niet groot echter wel op een zeer waardevolle en kwetsbare locatie. De locatie is een historische lijn in het landschap. Deze lijn wordt ‘dichtgezet/onderbroken’ door de nieuwe bebouwing. De landschappelijke hoofdstructuur op deze locatie wordt met name gevormd door de ‘kamers’ van/in het landschap en de kenmerkende omzoming van deze kamers. Op de ontwikkellocatie is de heldere structuur van kamers met omzoming kwalitatief verminderd, precies op de plek van de uitbreiding. De uitbreiding geeft aanleiding om het kenmerkende landschap met haar kamers op deze locatie in kwaliteit te herstellen. Inpassing moet daarom op niveau van de volledige kamer, waar ook de woning in staat, bekeken worden. De uitdaging aan de landschapsontwerper is in dit geval om aansluiting te zoeken bij de historische landschapssfeer en de uitbreiding in relatie tot de tuin/bedrijfswoning zo in te passen dat deze passend in de kamer gesitueerd worden. Daarvoor is voldoende massa in de houtopstand nodig om die landschapskwaliteit te bieden.

Een houtopstand van 10m breed, over de volle lengte van de nieuwbouw, met voldoende dichtheid in aanplant kan hierin een oplossing zijn. Nog een extra aandachtspunt, bij aanplant op deze locatie is autochtoon uitgangsmateriaal van aan te kopen plantsoen vereist In de situatietekening wordt bovenstaand advies in acht genomen. Dit staat omschreven in paragraaf 2.1. en het Ruimtelijk Kwaliteitsplan. Volgens de welstandsnota van Dinkelland in de buurtschap Oud Ootmarsum is enkel een waardering en ambitie rondom (historische) invalswegen. Buurtschappen zijn ontstaan door een verdichting in het lint op hoger gelegen delen in het landschap. De bebouwing bestaat uit een groep van agrarische bebouwing, afgewisseld met woonbebouwing en bebouwing met een ondersteunende functie rondom een es. In de buurtschappen ontbreekt een duidelijke kernvorming. De bebouwing kenmerkt zich door een gevarieerdheid aan individuele bebouwing met een traditioneel dorps karakter en (waardevolle karakteristieke) boerderijen. De ontwikkeling valt buiten de hoofdweg waarin het lint is ontstaan, waardoor het niet in strijd is met de welstandsnota. Het bouwwerk wordt in passende stijl gebouwd om te voldoen aan de karakteristieken van het gebied. Onderstaand is de bouwtekening van de gevels weergegeven waarop deze stijl zichtbaar is.

24

Afbeelding 9: Bouwtekening van de gevels van de aanbouw (bron: Leferink Architecten)

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. Het voorstel is voorgelegd aan de Omgevingstafel Twente waarbij Waterschap Vechtstromen, GGD Twente, Veiligheidsregio Twente, Vitens, Provincie Overijssel, Omgevingsdienst Twente en het Oversticht aanwezig waren. 4.2.1 Vooroverleg Omgevingstafel Twente De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. In dit geval valt het initiatief niet onder de uitzonderingslijst, aangezien een gedeelte van de te verplaatsen houtopstand onder het NNN valt. De provincie heeft een lijst vastgesteld met gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.15a sub d Omgevingswet advies met instemming nodig is (Lijst advies en instemming (lijst BOPA)). Als de gewenste activiteiten zijn opgenomen op deze lijst dan is de provincie bevoegd om advies te geven en instemming te verlenen. Onthoudt de provincie instemming dan kan de omgevingsvergunning niet verleend worden.

Reactie Op 5 september 2024 is voorliggend plan besproken tijdens de Omgevingstafel Twente. Hier hebben diverse ketenpartners meegekeken naar de ontwikkeling en hun advies gegeven. Hieruit is naar voren gekomen dat Waterschap Vechtstromen, GGD Twente, Veiligheidsregio Twente en Vitens groen licht geven voor de ontwikkeling in voorliggend plan. De Provincie Overijssel en Omgevingsdienst Twente gaven oranje licht. Dit heeft met name te maken met de ligging in NNN en met de milieuzonering t.o.v. de naastgelegen woning.

25

Na overleg met de Provincie is gebleken dat het deel ten oosten van het bedrijfsgebouw niet als NNNgebied aangewezen had moeten worden omdat het gebied de functie Agrarisch heeft. De provincie benoemt dat conform artikel 4.65 deze gebieden (bos en natuur buiten het NNN) niet ontwikkeld mogen worden indien de aanwezige natuur en landschapswaarden worden aangetast. Verder benoemt de provincie dat conform artikel 4.66 hier echter onder voorwaarden van kan worden afgeweken. De gewenste uitbreiding van het bedrijfsgebouw is van maatschappelijk belang voor het behoud en toekomstbestendig maken van de Wasserij. Ter instemming van de voorliggende plannen is er nadien kennisgeving bij de provincie uitgezet. Op 5 juni 2025 heeft de provincie ingestemd met het benoemde dat de NNN-begrenzing niet van toepassing was op de aangegeven locatie, aangezien hier geen te beschermen natuur aanwezig is. In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ wordt kort ingegaan op hoe de uitbreiding van de bedrijfsfunctie zich verhoudt tot omliggende functies. De ontwikkeling mag omliggende functies niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Met betrekking tot de invloed op omliggende functies is er een geluidsonderzoek uitgevoerd. Deze wordt behandeld in paragraaf 5.6.

Het Oversticht heeft in eerste instantie nog rood licht gegeven omdat er nog geen beoordeling heeft plaatsgevonden op redelijke eisen van Welstand. Inmiddels heeft er wel een beoordeling plaatsgevonden, deze wordt benoemd in paragraaf 4.1.6. Daarnaast pleiten ze voor een goede landschappelijke inpassing waar ook aandacht is voor compensatie van de impact op het Natuurnetwerk Nederland. Initiatiefnemer dient in de verdere uitwerking rekening te houden met de adviezen van de ketenpartners van de Omgevingstafel. Het voorliggende plan heeft hier invulling aan gegeven. 4.2.3 Participatie omgeving Verplichte participatie Met ingang van de Omgevingswet is het verplicht gesteld om een vorm van participatie toe te passen met nieuwe ontwikkelingen. Participatie omgeving De initiatiefnemer heeft een participatieavond georganiseerd voor bewoners in de omgeving, het verslag is bijgevoegd als Bijlage 3. In totaal zijn er bewoners aanwezig geweest van 13 verschillende adressen. Tevens heeft de wethouder van Gemeente Dinkelland deelgenomen. Vrijwel alle bewoners reageerden positief op de verbouwing, de uitstraling van het nieuwe gedeelte past goed in de omgeving. Een bewoner heeft het huidige geluid opgemerkt, en stelde de vraag of het geluid toeneemt met de nieuwe machine. Vervolgens is er gereageerd dat dit geluid van mangels/drogers komt, en dit altijd al het geval is geweest.

Het geluid valt volgens de laatste akoestische onderzoeken binnen de richtlijnen. Tevens is aangegeven dat er opnieuw een onderzoek is uitgevoerd en dit gedeeld zal worden met de betreffende bewoner. Daarnaast gaat de initiatiefnemer de pijp op het dak veranderen waarmee het geluid wellicht verminderd kan worden. Aan de hand van de gesprekken heeft de initiatiefnemer geen aanpassingen hoeven doen aan het plan voor de bouw. Wel gaan ze het akoestisch onderzoek delen met de bewoners die hier behoefte aan hebben. Daarnaast gaat de initiatiefnemer met een bewoner verder in gesprek betreft de huidige geluidslast. Dit staat los van de aanbouw. 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat om de volgende gevallen: - Een toevoeging van een woning in het buitengebied; - (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; - (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; 26

-

-

De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: - zonneveld voorzover groter dan 50m2; - windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter; - biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigenmest wordt verwerkt Antenne-installatie voorzover hoger dan 40 meter; Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers.

<Onderhavig plan betreft een geval waarvoor bindend advies van de gemeenteraad moet worden gevraagd. Per DATUM heeft de raad besloten een positief advies te geven.>

27

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: ­ de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; ­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; ­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes.

Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan 28

dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Het voornemen betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wat betreft de "Ladder voor duurzame verstedelijking" wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij "nieuwe stedelijke ontwikkelingen".

Voorgenomen ontwikkeling betreft een aanbouw bij een wasserij in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Met de ontwikkeling is sprake van een bedrijfsuitbreiding, daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Vanuit de wasserij is er behoefte aan de machine om het proces efficiënter te laten verlopen en voor individuele was het sorteren van was beter mogelijk te maken. Door gebrek aan personeel voor het toenemende werk is er behoefte aan een dergelijke efficiëntieslag. Verhuizing naar een nieuwe locatie in binnenstedelijk gebied is in redelijkheid geen optie voor de onderneming, zowel ruimtelijk als financieel. Gelet op de definitie en de beschikbare jurisprudentie, wordt het redelijk geacht om de ontwikkeling in het benoemde plangebied plaats te laten vinden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. 5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.

29

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven.

Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct planmerplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Beoordeling van de plannen De voorgenomen activiteit voor een aanbouw voor een wassorteringslijn valt niet onder de categorieën zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de 30

verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Met de ontwikkeling wordt tegelijkertijd het grindpad verplaatst zodat – in geval van nood - de brandweer er gebruik van kan maken. Deze verlegging is noodzakelijk ten behoeve van bereikbaarheid. De verkeersgeneratie zal niet veranderen, hierin levert het geen verdere problemen op. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.

Aangezien de uitbreiding niet zorgt voor een uitbreiding van de wasserij, maar enkel van een efficientieslag, is er geen sprake van een verandering in de parkeerbehoefte van het bedrijf. Het bedrijf voorziet voldoende in de eigen parkeerbehoefte. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1 Gebiedsbescherming 5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

31

•

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Door de Natuurbank is een Aerius-berekening uitgevoerd en een rapportage opgesteld betreft stikstof. Deze rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 en 5, de conclusies worden onderstaand benoemd. Het plangebied ligt op ongeveer 140 meter ten oosten van Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Situatie plangebied

Afbeelding 10: ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 (Atlas Leefomgeving) Beoordeling fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Mogelijk is enig geluid, zoals zaagwerkzaamheden, hoorbaar in Natura 2000-gebied. Dit effect is alleen tijdens de bouw en daarom tijdelijk en kortstondig, waardoor het geen negatief effect zal hebben op instandhoudingsdoelen van het naastgelegen Natura 2000gebied. Het aspect water vormt tevens geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling omvat de aanbouw voor een wassorteringsmachine. De machine draait op elektriciteit en behoeft geen water. Derhalve zijn er geen veranderingen voor het gebruik van water in het productieproces, en is er geen invloed op de gebiedsbescherming. Daarnaast zijn er geen veranderingen betreft het hemelwater, als gevolg van de ontwikkeling kan dit namelijk alsnog op eigen terrein worden geïnfiltreerd, of het stroomt af naar de beek. In paragraaf 5.12 is nader toegelicht dat het waterschap akkoord is met de voorgenomen ontwikkeling. Beoordeling stikstof (bouw- gebruiksfase)

32

Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring, op voorhand uitgesloten worden. De toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, als gevolg van de bouwwerkzaamheden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Onderstaand wordt de mogelijke toename van stikstofdepositie nader toegelicht als resultaat van de effectstudie, ook bijgevoegd als Bijlage 7. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000gebied Springendal en Dal van de Mosbeek of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden i.r.t. het aspect stikstofdepositie. Als gevolg van het voorgenomen project is sprake van een verwaarloosbaar tijdelijke kleine toename aan stikstofdepositie plaats (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) met slechts 2 overbelaste hexagonen binnen habitattype H6410. Tevens is er een verwaarloosbaar tijdelijke kleine toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) met 1 overbelaste hexagon van habitattype H9190.

Uit de ecologische beoordeling blijkt dat bij een dergelijke verwaarloosbaar kleine toename aan stikstofdepositie gedurende slechts enkele maanden waarin de werkzaamheden plaatsvinden, geen sprake is van een zodanig merkbare verandering van de kwaliteit van het habitattype dat dit van invloed kan zijn op de omvang en verspreiding van vegetaties en populaties van soorten. Ook uitbreiding van het betreffende habitattype blijft mogelijk in het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor het betreffende kwalificerende habitattype kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten, ook in combinatie met eventuele andere projecten. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de bepalingen uit artikel 5.1 van de Omgevingswet. Met de gevraagde vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt echter geen oordeel gegeven over de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd is. Gelet op de bovenstaande motivering met de bijbehorende stikstofberekening en het ecologisch rapoort staat het Natura2000-gebiedsbeschermingsrecht niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het gevraagde project in de weg. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust.

Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt Situatie plangebied 33

Afbeelding 11: Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie De Provincie heeft in de Omgevingsverordening regels opgesteld voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. In de toetsing van het provinciaal beleid is reeds geconcludeerd dat de ontwikkeling aanvaardbaar is als het gaat om de gevolgen voor NNN. Het plangebied waarin aanpassingen zullen plaatsvinden is gelegen in een NNN gebied, waarvan benoemd is dat het niet als NNN aangewezen had moeten worden. Dit is nader omschreven in paragraaf 4.1.2 en 4.2.1. 5.4.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ­ ­

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Conclusie De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende 34

beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Voor de vogels die in het plangebied nestelen geldt dat uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het verwijderen van beplanting dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Beoordeling van de plannen: Er is door de Natuurbank een Quickscan uitgevoerd om het bovenstaande te onderzoeken. Onderstaand worden de conclusies benoemd. De volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde.

Mogelijk is enig geluid, zoals zaagwerkzaamheden, hoorbaar in Natura 2000-gebied. Dit effect is alleen tijdens de bouw en daarom tijdelijk en kortstondig, waardoor het zal geen negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van het naastgelegen Natura 2000gebied. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000gebied Springendal en Dal van de Mosbeek of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden i.r.t. het aspect stikstofdepositie. Gelet op aard van de voorgenomen activiteiten, kan niet voorkomen worden dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën beschadigd of vernield worden. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats’, maar er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van een beschermd dier. Door het werkterrein natuurvrij te maken en/of aanwezige dieren weg te vangen of te verjagen, kan voorkomen worden dat beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden. De algehele conclusie is dat de factoren binnen soorten- en gebiedsbescherming geen belemmeringen opleveren voor de voorliggende plannen. Derhalve is er geen omgevingsvergunning benodigd voor een Natura-2000 activiteit.

5.5 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ­ ­ ­

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor 35

stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied Zoals voorgaand is genoemd, is er geen sprake van een functiewijziging, enkel een uitbreiding van het gebouw om de efficiëntie te verbeteren.

De verkeersgeneratie verandert derhalve niet, waardoor het geen impact heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de huidige luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de gestelde regels. 5.6 Geluid Paragraaf 5.1.4.2.1 Bkl bevat specifieke instructieregels voor regels in het omgevingsplan over geluid door activiteiten. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Het toepassingsbereik van deze instructieregels bestaat uit activiteiten die geluid veroorzaken op legale geluidgevoelige gebouwen. De planologische status is bepalend. In artikel 5.59 Bkl is bepaald dat rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dit geluid moet aanvaardbaar zijn. De gemeenteraad moet, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow), de ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen optredende geluidbelasting als gevolg van activiteiten, beoordelen en betrekken in de belangenafweging. Het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn cumulatieve vereisten.

Het kan voorkomen dat het geluid door een individuele activiteit aanvaardbaar is (en dus voldaan is aan het tweede lid), maar ter uitvoering van het eerste lid ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van meerdere activiteiten. Ook andersom is dit mogelijk: de aanvaardbaarheidseis, die op zich voor één activiteit geldt, kan betekenis hebben voor de toedeling van functies van meerdere activiteiten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties. Ook niet wettelijk genormeerde geluidverschijnselen (zoals cumulatie van geluidbronnen, menselijk stemgeluid) en de bescherming van niet-geluidgevoelige objecten (zoals kantoren) dient onderdeel te zijn van de afweging in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt

36

onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: ­ activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); ­ geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); ­ geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6.2 Geluid afkomstig van omgeving op plangebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: ­ voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; ­ voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en ­ voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In dit geval is het tweede punt van toepassing, aangezien het gaat om een 60 km/u weg. De afstand is minder dan 200 meter, dit verandert niet met de ontwikkeling. Aangezien er met de ontwikkeling geen veranderingen plaatsvinden op dit punt, vormt het weg- en railverkeerslawaai geen verhoogde hinder.

37

Solitaire bedrijvigheid In de omgeving zijn een aantal solitaire bedrijven aanwezig. Het dichtstbijzijnde gelegen bedrijf is een agrarisch bedrijf in de gemeente Tubbergen. Het betreft een melkveebedrijf, de percelen liggen op 110 meter afstand van elkaar. De afstand verandert niet als gevolg van de ontwikkeling, dus zal het agrarisch bedrijf geen belemmering vormen voor de aanbouw voor de machine. Tevens ligt op 230 meter een voormalig mijnbouwbedrijf. Deze is op heden buiten werking en vormt dus geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat

5.6.3 Geluid afkomstig van project op omgeving In opdracht van N+L Landschapsontwerpers is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning voor Wasserij Stomerij Springendal gelegen aan het Springendal 6 te Oud Ootmarsum. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 8. Wasserij Stomerij Springendal heeft het voornemen haar activiteiten uit te breiden met een ruimte voor een sorteermachine. Hiervoor wil het bedrijf een aanbouw realiseren aan de bestaande bebouwing aan de oostzijde van het bedrijf. Het akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd waarmee aangetoond wordt dat ter plaatse van de bestaande woningen van derden sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ofwel aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst). Daarnaast is getoetst aan de geldende geluidnormen en het geluidbeleid van de gemeente Dinkelland. Het akoestisch onderzoek is als input voor een Omgevingsvergunning. De gemeente Dinkelland heeft op dit moment een tijdelijk Omgevingsplan waarbij een overgangsrecht van toepassing is. Hier is de Bruidsschat in opgenomen waarin geluidnormen van toepassing zijn. Het onderzoek is uitgevoerd conform de meet- en rekenmethode geluid industrie (bijlage IVh, Omgevingsregeling).

Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidniveaus ten gevolge van alle toekomstige activiteiten bij Wasserij Stomerij Springendal. Het onderzoek is gebaseerd op eerder uitgevoerde onderzoek (uit 2002), aangeleverde modelgegevens, een inventarisatie van de bedrijfsvoering en activiteiten ter plaatse enkele geluidmetingen ter plaatse, leverancier en literatuurgegevens en Munsterhuis Geluidsadvies expertise. Op grond van onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Als gevolg van de activiteiten bij Wasserij Stomerij Springendal bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de nabij gelegen woningen maximaal 43 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. De maatgevende bron betreft de uitlaat van de shaker. • De standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw van 50 en 40 dB(A) in de dag en nachtperiode wordt niet overschreden. • De ambitiewaarden uit het geluidbeleid wordt ter plaatse van de naastgelegen woning Lippertsweg 9 in de dag en nachtperiode overschreden en bij de Springendal 7 in de dagperiode. • Maatgevend in de dagperiode is de uitlaat shaker en in de nachtperiode de vertrekkende vrachtwagens. • Opgemerkt dient te worden dat deze waarden al tientallen jaren door Wasserij Stomerij 38

• • • •

• •

Springendal worden gemaakt. Voor zover bekend zijn er al die jaren ook geen klachten vanuit de omgeving geweest. Ten opzichte van de huidige situatie veranderd er nagenoeg niets als gevolg van de toekomstige ontwikkelingen. Ter plaatse van de bestaande woningen van derden is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ofwel heerst er aanvaardbaar woon- en leefklimaat). Mogelijk kunnen nieuwe maatwerkvoorschriften door de gemeente Dinkelland worden opgesteld voor Wasserij Stomerij Springendal. Ter plaatse van de woningen bedraagt het maximale geluidniveau maximaal 55 en 58 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. De maatgevende bron betreft de vrachtwagen in beide periodes. De standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt niet overschreden. Het blijkt uit berekeningen dat als gevolg van de indirecte hinder de geluidbelasting in de dag en nachtperiode maximaal 39 en 38 dB(A) is en daarmee maximaal 48 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschreden.

Aan de oostzijde wordt een nieuw gebouw gebouwd ten behoeve van een nieuwe sorteermachine. Deze sorteermachine blijkt een relatief stille machine te zijn. De opbouw van de gevels en het dak van de toekomstige ruimte voor de sorteermachine wordt zodanig uitgevoerd dat er geen relevant geluid zal en kan worden naar de omgeving vanuit deze ruimte. Daarnaast wordt de aanbouw gerealiseerd met elektrische apparaten, waardoor dit tevens niet resulteert in aanvullende geluidsbelasting. Geconcludeerd kan worden dat geluid geen belemmering vormt met de voorgenomen ontwikkeling. De grenswaarden worden niet overschreden. 5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten.

De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Beoordeling van de plannen: Aangezien de nieuwe machine volledig elektrisch is, zal hier geen mogelijke geurhinder vanaf komen. De bestaande situatie verandert daarom niet en de ontwikkeling zal geen verdere problemen opleveren omtrent geur. Er blijft sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

39

5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het • Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Beoordeling van de plannen: Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron.

40

Afbeelding 12: uitsnede risicokaart, plangebied blauw gemarkeerd (Atlas Leefomgeving) Uit de risicokaart blijkt dat de meest nabijgelegen risicobron op een afstand van minimaal 3,2 km is gelegen van de planlocatie. Het betreft een buisleiding ten zuiden van Ootmarsum. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het plaatsgebonden risico of groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake omgevingsveiligheid. 5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

41

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.

Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied De ontwikkeling omvat aanbouw aan een wasserij voor een wassorteringsmachine. De machine is elektrisch met als functie het sorteren van was. Dit resulteert derhalve niet in een noemenswaardige trillingsfrequentie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect trilling geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.10 Archeologie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).

Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Beoordeling van de plannen Archeologie: Onderstaand is de archeologische verwachtingskaart te zien van het betreffende plangebied. Te zien is dat het gebied valt binnen diepe erosiedalen met natte, zandige bodems. Bij deze bodems is er sprake 42

van een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Dat is met de huidige plannen het geval. Er is geen archeologisch onderzoek benodigd.

Afbeelding 13: Archeologische verwachtingskaart, plangebied zwart omcirkeld (Gemeente Dinkelland) Cultuurhistorie In het plangebied is geen sprake van elementen van cultuurhistorische waarde volgens de waarderingskaart van Overijssel. Enkel de woning die in de naastgelegen tuin staat is een gemeentelijk monument. Hier zullen geen aanpassingen aan plaatsvinden, dus er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie en archeologie geen belemmering vormt voor de betreffende plannen. 5.11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

43

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Beoordeling van de plannen Met de voorgenomen ontwikkeling is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Dumea. Onderstaand zijn de conclusies benoemd, het volledige rapport is bijgevoegd als Bijlage 9. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5897. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/942/documents/23751