CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Scholten Lindeweg 2, Rossum.pdf

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12: Voorstel inzake verklaring van geen bedenkingen, Scholten Lindeweg 2, Rossum18.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

Ruimtelijke onderbouwing Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

Ruimtelijke onderbouwing “Buitengebied 2010, Scholten Lindeweg 2, Rossum”

Plannaam: “Buitengebied 2010, Scholten Lindeweg 2, Rossum” IMRO-code: NL.IMRO.1774.BUIPBSCHLINDWG2-OW01 Plantype: Ruimtelijke onderbouwing Status: Ontwerp

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

Toelichting

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 5

1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................... 5 1.2 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED .................................................................................................................. 5 1.3 HUIDIGE PLANOLOGISCHE REGIEM .................................................................................................................. 6 1.4 EISEN AAN EEN RUIMTELIJKE ONDERBOUWING .................................................................................................. 6 1.5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ......................................................................... 8 2.1 HUIDIGE SITUATIE PROJECTGEBIED .................................................................................................................. 8

HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ..................................................................... 9

3.1 GEWENSTE SITUATIE .................................................................................................................................. 9 3.2 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 9

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 10

4.1 RIJKSBELEID ............................................................................................................................................. 10 4.2 PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................................. 12 4.3 GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................................................................... 18

HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 22

5.1 GELUID (WET GELUIDHINDER) ..................................................................................................................... 22 5.2 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................................................... 22 5.3 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 23 5.4 EXTERNE VEILIGHEID .................................................................................................................................. 24 5.5 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 25 5.6 GEUR ...................................................................................................................................................... 26 5.7 ECOLOGIE ................................................................................................................................................ 27 5.8 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 28

HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN ........................................................................ 30

6.1 VIGEREND BELEID ...................................................................................................................................... 30 6.2 WATERPARAGRAAF ................................................................................................................................... 30

HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 32 HOOFDSTUK 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHIED............................................ 33 8.1 VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN......................................................................................................................... 33 8.2 PARTICIPATIE………………….............................................................................................................................. 33

Bijlage 1 BODEMONDERZOEK Bijlage 2 WATERTOETS

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Scholten Lindeweg 2 te Rossum, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Op het perceel is een agrarisch erf gevestigd. Op het perceel bevindt zich naast de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen tevens de bijbehorende voorzieningen. Initiatiefnemer is voornemens om drie boerderij lodges en een expositieruimte (in de ruimte die toegang biedt tot de lodges) te realiseren in een voormalig agrarische schuur. De afwijkingsmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt zijn niet toereikend om de planologische kaders in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Daarom wordt middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), eerste lid onder a, sub 3o afgeweken van het geldende bestemmingsplan. Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2 Ligging van het projectgebied

Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. In afbeelding 1.1 is een topografische kaart opgenomen waarin de ligging van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving is weergegeven.

Afbeelding 1.1 Ligging van het projectgebied in het buitengebied van de gemeente Dinkelland (Bron: kadasterdat.nl)

5

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

1.3 Huidige planologische regiem 1.3.1 Huidige planologisch regiem Het projectgebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. In de volgende subparagrafen wordt ingegaan op de in het projectgebied geldende bestemmingen en de strijdigheid van de voorgenomen ontwikkeling met het huidig planologische regiem. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het huidige bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied weergegeven. De pointer is gelegen binnen het bouwvlak van het plangebied.

Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3.2 Beschrijving bestemmingen De Scholten Lindeweg 2 in Rossum is gelegen in een gebied waar het bestemmingsplan Buitengebied 2010 geldt. Het perceel kent een bestemming ‘Agrarisch-2’, met een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf’. Verder is het facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland van toepassing. 1.3.3 Strijdigheid In de bijbehorende planregels is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders het plan kunnen wijzigen in die zin dat een agrarisch bedrijf wordt gecombineerd met een ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie in de vorm van onder andere boerderijkamers. Een voorwaarde om van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik te kunnen maken is dat er geen keukenblokken worden aangebracht in de kamers. De aanvrager wenst echter wel keukenblokken te realiseren in de boerderij lodges, waardoor een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), eerste lid onder a, sub 3o noodzakelijk is om voorgestelde ontwikkeling te kunnen realiseren.

1.4 Eisen aan een ruimtelijke onderbouwing

Een op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o Wabo gebaseerde zelfstandige instructie voor de inhoud en inrichting van deze ruimtelijke onderbouwing ontbreekt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) verklaart voor de inhoud van het besluit de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing belicht alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening en toont aan dat voorliggend project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hieronder is verwoord waaraan een ruimtelijke onderbouwing moet

6

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp voldoen. In een goede ruimtelijke onderbouwing zijn neergelegd: 1. een verantwoording van de gemaakte keuzen; 2. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6; 3. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 8; 4. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; verwezen wordt naar de gehele ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat met alle relevante feiten en af te wegen belangen rekening is gehouden; 5. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken; 6. de inzichten over de economische uitvoerbaarheid van het plan; Verwezen wordt naar hoofdstuk 7. Voor zover bij het project geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de ruimtelijke onderbouwing ten minste neergelegd: 7. 8. 9.

een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; Verwezen wordt naar paragraaf 5.8; voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het besluit begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; In hoofdstuk 5 en 6 is aandacht besteed aan relevante aspecten; een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het besluit zijn betrokken; het betreffende hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op luchtkwaliteitseisen. Dit wordt beschreven in paragraaf 5.3.

1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie gegeven. Hoofdstuk 3 omvat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven. In hoofdstuk 5 passeren de relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In hoofdstuk 6 wordt er ingegaan op het aspect water. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro.

7

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE 2.1 Huidige situatie projectgebied Het projectgebied is gelegen aan de Scholten Lindeweg 2 te Rossum, circa 1,8 km van Rossum. Erve Scholten Linde is een landgoed, midden in het buurtschap Volthe. De Saksische hoeve is een rijksmonument. Het erf maakt onderdeel uit van Landgoed Scholten Linde. De ruimtelijk functionele structuur van de omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische gronden, agrarische bedrijfspercelen, enkele woonerven en enkele niet-agrarische bedrijven. Op het agrarisch bedrijf worden 125 melkkoeien gehouden. Tevens vindt er akkerbouw, bosbouw, natuurbeheer en bijenhouderij (hobbymatig) plaats. Landgoed Scholten Linde is aangemerkt als NSW-landgoed. Feitelijk zijn er twee landgoederen: Scholten Linde Oost en Scholten Linde West. De landgoederen zijn opengesteld. Op het perceel is een agrarisch erf gevestigd. Op het perceel bevindt zich naast de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen tevens de bijbehorende voorzieningen, waaronder bijvoorbeeld de kuilvoerplaten. Een van de schuren (de meest zuidelijk op onderstaande afbeelding) zal gebruikt worden om de lodges en de expositieruimte in te realiseren. De huidige inrichting van het perceel (in het rood gearceerde pand zijn de lodges gepland) is in afbeelding 2.1 weergegeven.

Afbeelding 2.1 Plattegrond omgeving projectgebied Scholten Lindeweg 2 (Bron: Planviewer)

8

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Gewenste situatie

Initiatiefnemer is voornemens om drie boerderijlodges en een expositieruimte te realiseren in een voormalig agrarische schuur. Het geldende bestemmingsplan biedt weliswaar afwijkingsmogelijkheden, echter deze zijn niet toereikend om medewerking te verlenen. Daarom wordt middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), eerste lid onder a, sub 30 afgeweken van het geldende bestemmingsplan. In deze onderbouwing wordt aangetoond dat het in overeenstemming brengen van het planologisch kader met de feitelijke situatie ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gezien de huidige landschappelijke inpassing is een nieuw erfinrichtingsplan niet nodig. De houtopstanden naast het gebouw blijven gespaard, en er zullen aan de landschapskant geen terrassen of stedelijke tuinen gerealiseerd worden.

3.2 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De planologische wijziging waarin dit plan voorziet brengt een kleine verandering met zich mee ten aanzien van de aspecten verkeer en parkeren. In de huidige situatie is er op het bedrijfsperceel voldoende parkeergelegenheid aanwezig, hierbij zullen 3 parkeerplaatsen gerealiseerd worden dichtbij de te ontwikkelingen lodges/ expositieruimte. De gemeentelijke beleidsnotitie “BOUWEN & PARKEREN’ kent geen specifieke kengetallen voor een boerderijlodge in het buitengebied. Wel wordt voor een 3-sterren hotel een norm van 5,20 per 10 kamers genoemd. Daarmee kan gesteld worden dat 3 parkeerplaatsen voor 3 lodges in het buitengebied, ruim voldoende is. De parkeerplaatsen worden op het erf gerealiseerd. Zie hiervoor afbeelding 3.1. Geconcludeerd wordt dat met de ontwikkeling van de 3 parkeerplaatsen er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling.

afbeelding 3.1 gewenste locatie parkeerplaatsen

9

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte.

Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

10

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen/ planologische wijzigingen.

Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is de ladder voor duurzame verstedelijking als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: • bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. • stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ 4.1.3. Toetsing initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Tevens wordt opgemerkt dat boerderijlodges en een expositieruimte niet onder het toepassingsbereik vallen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

In voorliggende situatie krijgt een voormalig agrarische schuur van 228 m2 een andere functie. Het totale bebouwde oppervlak van het erf bedraagt ruim 2600 m2. Minder dan 10% van de totale bebouwing zal dus gebruikt worden voor deze nieuwe functie. Verder biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om (middels afwijking van het bestemmingsplan) tot 500 m² aan voormalige agrarische bebouwing te gebruiken ten behoeve van de ondergeschikte tweede tak of de deeltijdfunctie. Daarmee kan worden gemotiveerd worden dat de aard en de omvang van deze ontwikkeling zodanig is dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het rijksbeleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen uitbreiding.

11

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2017 is de Omgevingsvisie en –verordening 2017 vastgesteld. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. 4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

12

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp In onderstaande tekst worden de lagen nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven.

Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe – gebiedskenmerken Tenslotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn zowel algemene beleidskeuzes als gebied specifieke beleidskeuzes van toepassing.

Hierna worden de betreffende artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel beschreven en getoetst.

13

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp Algemene beleidskeuzes Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1: Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving, wanneer aannemelijk is gemaakt: 1. dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; 2. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: De gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro; Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 In voorliggend geval is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het gaat om (nieuw) ruimtegebruik in een bestaand gebouw. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan voldoet aan artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening. Artikel 2.1.6: Kwaliteitsimpuls Groene omgeving 1.

2. 3.

Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Lid 1 is niet van toepassing op de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op zelfstandige opstelling van zonnepanelen. In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 Voorliggend plan biedt de planologische kaders voor de ontwikkeling van drie landgoed lodges en een expositieruimte. Gelet op de omvang en situering van de lodges en expositieruimte in de bestaande bebouwing alsmede het feit dat gaat om functies die in het buitengebied behoren, kan in voorliggend geval worden volstaan met een basisinspanning. Zoals in hoofdstuk 3 verwoord en verbeeld is het huidige erf voldoende landschappelijk ingepast. Een extra investering in het kader van KGO is niet van toepassing omdat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.1.6.

14

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp Artikel 2.12.2 Nieuwe recreatiewoningen 1. a. b. c.

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen als: er sprake is van een innovatief concept; verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden en de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.12.2 Voorliggend plan voorziet in een innovatief concept aangezien wordt ingezet op een specifieke doelgroep. De lodges worden bedrijfsmatig geëxploiteerd. Er wordt ingezet op recreanten uit het hogere (dure) segment, door boerderijlodges aan te bieden met veel luxe. In de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente blijkt dat behoefte is aan een dergelijk concept. Artikel 2.12.5 Verbod op permanente bewoning In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op recreatiewoningen en recreatieverblijven worden regels opgenomen die permanente bewoning daarvan uitsluiten. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.12.5 De lodges zijn gericht op recreatief verblijf en de ontwikkeling is. niet bedoeld voor permanente bewoning. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes 4.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen, waarin het projectgebied is aangegeven met de rode omlijning. “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap” Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied.

Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel.

Afbeelding 4.2: Ontwikkelingsperspectieven in het landschap (Bron: Provincie Overijssel)

15

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp Toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven De lodges en expositieruimte zijn zowel vanuit ruimtelijk als functioneel oogpunt passend in de omgeving aangezien ze in bestaande bebouwing worden gerealiseerd. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw worden niet beperkt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 5. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan in overeenstemming is met de geldende ontwikkelingsperspectieven. 4.2.4.3 Hoe – gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ‘Stedelijke laag’ en de ‘Laag van beleving’ worden buiten beschouwing gelaten omdat er geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het projectgebied of de directe omgeving van toepassing zijn. 1. De “Natuurlijke laag“ De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen.

Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype “Dekzandvlakte en ruggen”. In afbeelding 4.3 is dat aangegeven.

Afbeelding 4.3: Gebiedskenmerken natuurlijke laag(Bron: Provincie Overijssel)

Kenmerken De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)-richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Bij voorliggende ontwikkeling wordt er geen extra bebouwing gerealiseerd. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in overstemming is met het gestelde in de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’. Richting

16

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” In het gebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw. Hierna wordt nader ingegaan op het agrarisch cultuurlandschap. Wel wordt opgemerkt dat bij de reeds uitgevoerde landschappelijke inpassingen gebruik is gemaakt van streekeigen soorten. Initiatiefnemer heeft reeds maatregelen genomen om het bestaande watersysteem beter te laten functioneren. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 6. Hier wordt geconcludeerd dat de ‘Natuurlijke laag’ geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling. 2. De “Laag van het agrarische cultuurlandschap” Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart aangeduid met het gebiedstype “Essenlandschap”.

Het essenlandschap wordt gekenmerkt door aangename kleinschaligheid, een veelheid aan functies en een fraaie landschappelijke afwisseling van open en besloten delen, microreliëf, historische boerderijen en vele (verschillende) landschapselementen. In afbeelding 4.4 is dat aangegeven.

Afbeelding 4.4: Gebiedskenmerken agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)

“Essenlandschap” Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden , – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest - heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen steeds de lange ‘luie’ lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

17

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Hieronder worden de belangrijkste beleidsdocumenten die betrekking hebben op de gewenste ontwikkeling behandeld. 4.3.1 Omgevingsvisie 4.3.1.1. ‘MijnOmgevingsvisie Dinkelland’ Op 30 maart 2021 is de omgevingsvisie ‘MijnOmgevingsvisie Dinkelland’ vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland. Mijn Omgevingsvisie vertelt welke zaken de samenleving en gemeente belangrijk vinden in hun leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan het coulisselandschap, de mooie kernen, de kerkgebouwen en landgoederen, de natuurgebieden. Maar ook aan gezonde lucht, mogelijkheden om te bewegen en te genieten. Hierbij wordt vooral gekeken naar de waarden die belangrijk zijn bij afwegingen. Oplossingen worden niet vastgelegd maar wel mogelijk gemaakt, met respect voor de waarden; of te wel “Ja-mits”. Mijn Omgevingsvisie dwingt om naar het totaal te kijken. Dus niet de puzzelstukjes afzonderlijk maar het plaatje als geheel. Daarom bestaat MijnOmgevingsvisie uit een beschrijving van bestaande waarden en 11 verschillende speerpunten. Bij ontwikkelingen wordt aangesloten bij de bestaande waarden en wordt gekeken of er bij zoveel mogelijk speerpunten aangesloten kan worden. Het is prachtig als ontwikkelingen meerdere doelen kunnen dienen. MijnOmgevingsvisie geeft per gebied aan of er veel of weinig ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen.

Ook zijn voorbeelden gegeven van ontwikkelingen die de gemeente graag ziet. In elke gebied wordt gezocht naar een goed evenwicht tussen functies, gebaseerd op de waarden van de gemeente; op dat wat men als samenleving en gemeente belangrijk vindt. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan ‘Mijn Omgevingsvisie Dinkelland’ 4.3.1.2.1 Toetsing aan speerpunten De omgevingsvisie kent de volgende speerpunten: - toekomstgerichte agrarische sector; - een goede staat van landschap en natuur; - Kwalitatief toerisme; - Voldoende voorzieningen; - Aantrekkelijk wonen; - Ruimte voor ondernemen; - Leefbare openbare ruimte; - Energieneutraal in 2050; - Duurzaam beheer van de leefomgeving; - Gezonde leefomgeving; - Veilige leefomgeving. Voorliggende initiatief draagt bij aan een groot deel van de bovengenoemde speerpunten. Het betreft de verbreding van het agrarisch bedrijf, draagt bij aan kwalitatief toerisme. Er wordt ruimte geboden aan ondernemen, en vanwege de nieuwe functie in een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw draagt het bij aan duurzaam beheer van de leefomgeving. Bovendien wordt er bij de bouwaanvraag uitgegaan van energiezuinig en duurzaam bouwen zodat het initiatief bijdraagt aan het speerpunt ‘Energieneutraal in 2050’. 4.3.1.2.1 Toetsing aan Waardenkaart

18

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

Afbeelding 4.5 Waardenkaart De locatie Scholten Lindeweg 2 is gelegen in donkergroen gebied. Deze gebieden zijn gericht op het behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek. Hierbij moet worden ingespeeld op: - de oorspronkelijke schaal van het landschap; - het versterken van natuurwaarden; - behoud van cultuurhistorie en erfkarakteristieken; - het vasthouden van water; - het verbeteren van biodiversiteit; - natuurinclusieve bouwwijze; - inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; - belevingswaarde gericht op natuur en cultuurhistorie. Voorliggend verzoek voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden. Een oud en karakteristiek gebouw krijgt een nieuwe functie. Er wordt niet bijgebouwd, maar er vindt renovatie plaats waarbij natuurinclusief gebouwd/gerenoveerd wordt. 4.3.2 Nota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente (2018) De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben samen de beleidsnota ‘Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente’ opgesteld. Doel van de nota is kaders weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. Deze beleidsnota beperkt zich tot de kader voor toekomstige (met name fysieke) ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente. Plattelandskamers Het ingediende verzoek kan geschaard worden onder plattelandskamers.

Over plattelandskamers staat het volgende in de nota opgenomen: Definitie Onder plattelandskamers wordt verstaan: een (deel van) een (voormalig) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend bestemd is voor recreatief nachtverblijf. Hierbij wordt overnacht: • In kamers waarin keuken en/of sanitair in een gemeenschappelijk ruimte worden ondergebracht of • In zelfstandige eenheden al dan niet in combinatie met een dagverblijf. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie waarbij beleving van het platteland centraal staat. Uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen • Toegestaan bij agrarische bedrijven als nevenactiviteit en op voormalige agrarische erven (VAB). • Plattelandskamers buiten het VAB-beleid (bijvoorbeeld bij gebouwen met een cultuurhistorische waarde) worden ter specifieke beoordeling voorgelegd aan het college.

19

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp De locatie betreft een agrarisch perceel en ook in de toekomst wil de aanvrager het melkveebedrijf, waar 125 koeien worden gemolken, behouden. De betreffende schuur had in het verleden een agrarische functie, maar staat inmiddels al jaren leeg. Door 3 boerderij lodges en een expositieruimte te realiseren in de schuur kan de schuur in de toekomst functioneel blijven. Vraag-aanbod analyse (leefstijlanalyse) De vraag die hierbij centraal staat is in hoeverre het aanbod in kwalitatieve zin aansluit op de vraag. Dit geeft inzicht in de vraag voor welke doelgroepen de markt met name aantrekkelijk is en wat voor soort nieuwe initiatieven ook daadwerkelijk wat toevoegen aan het bestaande aanbod. Tegelijkertijd geeft het inzicht in welk bestaand aanbod er in relatie tot de vraag al relatief veel is. De Leisure Leefstijlen betreft een doelgroepsegmentatie op basis van intrinsieke wensen en motivaties van toeristen. In de segmentatie worden zeven groepen toeristen onderscheiden, met elk hun eigen profiel aan vrijetijdsvoorkeuren:

Afbeelding 4.6: Leisure leefstijlen

Het uitgevoerde leefstijlonderzoek laat zien dat er relatief veel aanbod voor de lime, groene, gele en aqua leefstijlgroepen is in Noordoost Twente. In verhouding tot de vraag lijkt er voor deze groepen sprake te zijn van een overaanbod, vooral bij de (mini)campings. Voor de comfort en luxe blauwe, sportief en avontuurlijk paarse en cultureel en inspirerend rode leefstijlen lijkt er relatief juist weinig aanbod te zijn ten opzichte van de vraag. Dit zijn groepen die op zoek zijn naar een vernieuwend of luxe aanbod. De gemeenten staan daarom met name uitnodigend ten opzichte van plannen die zich richten op de leefstijlen ‘rood’, ‘paars’ en ‘blauw; en staan kritischer tegenover initiatieven voor andere doelgroepen, maar sluiten ze niet op voorhand uit. In voorliggende verzoek worden luxe accommodaties ontwikkelt, waarmee wordt ingespeeld op het beperkte aanbod in dit segment. 4.3.3. VAB+ beleid Sinds 2006 kent de gemeente Dinkelland beleid voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. In de kadernota “uitdagend buitengebied” is hiervoor de eerste aanzet gegeven. Het beleid is uiteindelijk vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Dinkelland 2010.

20

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp In 2011 is het VAB-beleid aangepast naar het VAB+ beleid om meer in te spelen op de behoefte. In het VAB+ beleid worden mogelijkheden geboden voor diverse vormen van verblijfsrecreatie. Voorliggende initiatief past daarom prima binnen de beleidskaders van het VAB+ beleid. 4.3.4. Bestemmingsplan Buitengebied 4.3.4.1 Algemeen Het projectgebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. Hierna wordt ingegaan op de wijze waarop met voorliggend initiatief wordt omgegaan. 4.3.4.2 Boerderijkamers Boerderijkamers zijn kamers binnen agrarische bedrijven en voormalige agrarische bedrijven die worden gebruikt voor logiesverstrekking. De gemeente wil initiatieven voor het ontwikkelen van boerderijkamers ondersteunen. Hierbij wordt nauwe samenwerking met de provincie nagestreefd. Gezien het feit dat de ontwikkelingen rondom boerderijkamers ondergeschikt zijn, leiden ze niet tot beperkingen voor de agrarische sector. Om diezelfde reden en omdat het bovendien recreanten betreft die deze vorm van agro-toerisme bewust kiezen, zal de invloed op de bestaande recreatie- en horecabedrijven volgens de gemeente gering zijn.

Het gaat om kwaliteitsverbreding; samenwerking tussen de verschillende sectoren bij het ontwikkelen van boerderijkamers wordt gestimuleerd. Het hebben van boerderijkamers is een vorm van verblijfsrecreatie die niet zozeer seizoensgebonden is, maar het gehele jaar door in de belangstelling zal staan. Bovendien maakt het geringe aantal slaapplaatsen in combinatie met het gewenste comfort dat er een relatief hoog investeringsniveau nodig is. Dit maakt dat met een beperking van de verhuurperiode een reële exploitatie niet goed mogelijk is. Om bovengenoemde redenen wil de gemeente de verhuur van boerderijkamers het gehele jaar door toestaan. Boerderijkamers mogen worden gerealiseerd in woonhuizen en in vrijstaande bijgebouwen, indien het gaat om bestaande bebouwing als onderdeel van een erfensemble. Het totale oppervlakte aan boerderijkamers is maximaal 500 m2. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan het bestemmingsplan Buitengebied 2010 De realisatie van de lodges wijkt op één belangrijk punt af van de hierboven beschreven boerderijkamers. In voorliggend verzoek wordt er in elke lodge een keukenblok gerealiseerd terwijl er bij boerderijkamers sprake is van een gemeenschappelijke keuken. De keuze om juist wel een keukenblok te realiseren in elke lodge is gemaakt om de recreant comfort en luxe te geven.

Het aanbod voor leefstijlen, uit het hoge segment, die op zoek zijn naar comfort en luxe is in de regio ondervertegenwoordigd. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen plan weliswaar niet geheel in overeenstemming is met de uitgangspunten ten aanzien van boerderijkamers zoals vervat in het bestemmingsplan Buitengebied 2010, maar wel passend is in het gemeentelijk beleid. 4.3.5 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

21

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp

HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, geur en archeologie & cultuurhistorie.

5.1 Geluid (Wet geluidhinder) 5.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval zijn de aspecten rail- en wegverkeers- en industrielawaai niet van belang aangezien er geen geluidsgevoelig object wordt mogelijk gemaakt zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Wat betreft de invloed van het voornemen op omliggende milieugevoelige objecten wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van deze onderbouwing. 5.1.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder als 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 5.2.2 Situatie projectgebied Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het

22

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin van de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ruimtelijke ingrepen c.q. bodemingrepen vinden niet plaats. Er wordt weliswaar een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt, maar de bestemming wijzigt daarmee niet. Derhalve is voor het ruimtelijke spoor een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Wel zal voor de activiteit bouw een bodemonderzoek noodzakelijk zijn, deze is als bijlage 1 bij deze onderbouwing toegevoegd. 5.2.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie projectgebied In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Gelet op de aard en omvang van de voorzieningen in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen, temeer omdat er geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten is, dat voorliggende ontwikkeling ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de voorzieningen niet

23

Ruimtelijke onderbouwing ‘Buitengebied Scholten Lindeweg 2, Rossum’ Ontwerp worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16876