Ruimtelijke Onderbouwing Deurningeresweg 4.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Status: Ontwerp Datum: 12 mei 2022
Plangegevens Naam: Plantype:
Deurningeresweg 4, Deurningen ruimtelijke onderbouwing
Datum:
12 mei 2022
Projectnummer:
21AF172
Opdrachtgever:
Building Design Architectuur Stationsstraat 37 7622 LW BORNE
Opsteller:
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW BORNE T) 074 255 7020 E) info@ad-fontem.nl
Contactpersoon:
mw. G. Minkjan.
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV | Stationsstraat 37 | 7622 LW Borne | T 074-2557020 | E info@ad-fontem.nl
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Inhoudsopgave Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doelstelling ....................................................................................................... 5
1.2
Projectgebied .......................................................................................................................... 5
1.3
Huidige situatie........................................................................................................................ 5
1.4
................................................................... 5
1.5
Opzet van de ruimtelijke onderbouwing................................................................................. 6
2
Projectomschrijving......................................................................................................................... 7
3
Beleid............................................................................................................................................... 8 3.1
Rijksbeleid................................................................................................................................ 8
3.1.1 3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 9
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel ............................................................................................... 9
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel................................................................................... 9
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel.................................................................. 9
3.3
4
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) .................................................... 8
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 13
3.3.1
Mijn Omgevingsvisie Dinkelland.................................................................................... 13
3.3.2
Nota Verblijfsrecreatie en Toerisme Noordoost Twente .............................................. 14
Omgevingsaspecten ...................................................................................................................... 18 4.1
Vormvrije mer-beoordeling................................................................................................... 18
4.2
Bedrijven en Milieuzonering................................................................................................. 19
4.3
Geluid .................................................................................................................................... 20
4.4
Geur ....................................................................................................................................... 21
4.5
Bodem ................................................................................................................................... 21
4.5
Externe veiligheid .................................................................................................................. 22
4.6
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 24
4.7
Natuurwaarden ..................................................................................................................... 26
4.8
Archeologie en cultuurhistorie.............................................................................................. 27
4.9
Water..................................................................................................................................... 28
4.10
Verkeer en parkeren.............................................................................................................. 29
5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 31
6
Economische uitvoerbaarheid....................................................................................................... 32
3
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
4
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling
De eigenaar van Deurningeresweg 4 in Deurningen heeft een agrarisch bedrijf en is voornemens om boerderijkamers te realiseren op zijn perceel. Deze boerderijkamers worden gerealiseerd in een nieuw gebouw. Het realiseren van de plannen is niet mogelijk binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Via een projectbesluit (artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3 Wabo) is het mogelijk medewerking te verlenen aan de bouw van boerderijkamers aan de Deurningeresweg 4.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied ligt ten oosten van Deurningen, in agrarisch gebied. In de directe omgeving bevinden zich enkele agrarische bedrijven en verspreide woningen. projectgebied aangegeven. Het gebouw dat gesloopt gaat worden is rood omcirkeld op de rechterfoto.
Figuur 1.1: weergave projectgebied (bron: PDOK)
1.3
Huidige situatie
Het perceel aan de Deurningeresweg 4 is een agrarisch bedrijf. Het bedrijf heeft de gebouwen aan weerszijden van de Deurningeresweg. De bedrijfswoning met drie bijgebouwen bevinden zich aan de zuidzijde van de weg en de stal, loods met kuilvoerplaten en paar kleinere gebouwen aan de noordzijde van de weg. Het is de bedoeling dat één van de gebouwen aan de zuidzijde van de Deurningeresweg wordt gesloopt en op die plek is het voornemen om een nieuw gebouw met boerderijkamers te realiseren. De locatie ligt in het buitengebied ten oosten van Deurningen en ten noordoosten van Hengelo. In de omgeving bevinden zich woningen en agrarische bedrijven in een landelijke omgeving.
1.4
Vigerend bestemmingsplan Buitengebied 2010
Het plangebied ligt binnen de grenzen van het bes -
Een fragment van het geldende bestemmingsplan met daarop de betreffende schuur rood omcirkeld.
en heeft
is weergegeven in figuur 1.2
5
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Figuur 1.2: Fragment geldend bestemmingsplan Buitengebied 2010 (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Voor het perceel geldt tevens het het bestemmingsplan de verplichting tot het realiseren van voldoende parkeergelegenheid geregeld. Het bestemmingsplan kent een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor het realiseren van boerderijkamers indien dit met het agrarische bedrijf wordt gecombineerd als ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie betreft (bijlage 2 bij regels van het bestemmingsplan). Daaraan zijn voorwaarden verbonden. Het realiseren van boerderijkamers in een nieuw gebouw past niet binnen deze voorwaarden, omdat het een nieuw gebouw betreft en geen bestaand gebouw. Tevens is in de voorwaarden opgenomen dat gebruik moet worden gemaakt van de bestaande entree. Dat is in het planvoornemen niet het geval, omdat elke boerderijkamer over een eigen entree beschikt. Dat betekent dat het realiseren van het voorgenomen plan niet past binnen de geldende agrarische bestemming noch binnen de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan.
1.5
Opzet van de ruimtelijke onderbouwing
In de volgende hoofdstukken is het project nader toegelicht. In eerste instantie wordt ingegaan op het project zelf (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 stilgestaan bij het van belang zijnde overheidsbeleid (rijks-/provinciaal en gemeentelijk beleid). In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals geluid, archeologie, externe veiligheid, parkeren etc. Hoofdstuk 5 gaat in op de financiële uitvoerbaarheid van het project.
6
Ruimtelijke onderbouwing
2
Deurningeresweg 4 Deurningen
Projectomschrijving
Op het perceel Deurningeresweg 4 in Deurningen is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het bedrijf heeft de bebouwing aan weerszijden van de Deurningeresweg. Het voornemen is om één van deze kleinere, agrarische gebouwen (aan de zuidzijde van de weg) te slopen en een nieuw gebouw te realiseren met daarin drie boerderijkamers. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Weerselo sectie N nummer 339 (gedeeltelijk). Hieronder (figuren 2.1 en 2.2) is de toekomstige situering weergegeven en een tekening van de nieuwe schuur, waarin de boerderijkamers worden gerealiseerd.
Figuur 2.1: Schets nieuwe situatie
Figuur 2.2: Nieuw gebouw met boerderijkamers (bron: Building Design architectuur)
7
Ruimtelijke onderbouwing
3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
Deurningeresweg 4 Deurningen
Vooropgesteld wordt dat het Rijksbeleid concrete relevantie heeft voor dit plan. In het algemeen kan gesteld worden, dat het voornemen in overeenstemming is met de door het Rijk vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Aangezien de Ladder van duurzame verstedelijking hierin een bijzondere positie inneemt, wordt hieraan concreet aandacht besteed 3.1.1
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die planologisch mogelijk wordt gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij plan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien de procedure die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De ladder van duurzame verstedelijking is alleen van toepassing bij een stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling Onderhavig plan Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1). Deze bewoording wordt enigszins bijgesteld door een recentere uitspraak door de Raad van State van 18 februari 2015 (zaak nr. 201311211/1/R3).
Daarin is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units in een bedrijfsverzamelgebouw. De afdeling suggereert hiermee dat er functiewijzigingen - zonder enige toename van bebouwing kunnen zijn die wel 'zodanig' zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met zodanig wordt in dit geval een ontwikkeling met zodanige impact/invloed bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan een functie wijziging "sec" die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, en door die invloed kan kwalificeren als "zodanige functie wijziging", zodat sprake is van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat in het onderhavige plan:
8
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
-
er sprake is van geringe uitbreiding (16 m²) van beslag op de ruimte, maar deze uitbreiding blijft binnen het bestaande bouwvlak. Voor het agrarisch bedrijf was deze bebouwingsruimte al aanwezig. Er wordt dus niet méér bebouwd dan planologisch al mogelijk is. er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, gelieerd aan het buitengebied; er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is; kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Overigens moet een ontwikkeling onderbouwd worden, ook als de Ladder niet van toepassing is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met zowel het Rijksbeleid als de ladder van duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.. 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017.
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin
9
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
10
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2 Fragment ontwikkelingspersperctievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Dit plan combineert beide kanten, zowel de landbouw als de recreatie en past daarmee goed binnen dit ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Voor wat betreft de gebiedskenmerken wordt onderstaand een opsomming verricht van de van toepassing zijnde kenmerken. Natuurlijke laag: dekzandvlakten en ruggen Laag van agrarisch cultuurlandschap: essenlandschap Stedelijke laag: n.v.t. Met voorliggende ontwikkeling worden boerderijkamers mogelijk gemaakt in binnen het agrarische erf. De fysieke ontwikkeling (nieuwe gebouw) vindt plaats op de plek waar reeds een
11
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
bedrijfsgebouw staat, waardoor er geen gevolgen te verwachten zijn voor de gebiedskenmerken ter plaatse. Het realiseren van boerderijkamers past bij het kenmerk dat hoort bij de Deurningeresweg waaraan wordt ontsloten. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de aanwezige gebiedskenmerken. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Doorwerking voor voorliggend plan: Dit voornemen maakt de realisatie van drie boerderijkamers mogelijk op het perceel van het agrarisch bedrijf aan de Deurningeresweg 4. Een bestaand bedrijfsgebouw wordt vervangen door een nieuw gebouw. In dit nieuwe gebouw worden de boerderijkamers gerealiseerd. Dit gebouw is wat groter, maar blijft binnen de reeds bestaande bebouwingsmogelijkheden die er reeds zijn voor het agrarische bedrijf. Er is geen sprake van extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Het plan levert een positieve bijdrage aan de algemene beginselen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Met voorliggende ontwikkeling worden er drie boerderijkamers mogelijk gemaakt in op de plek van bestaande bebouwing en voegt zich in de bestaande erfopzet. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied zal hierdoor niet afnemen en blijft gewaarborgd. Het plan levert daarmee positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse
12
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Mijn Omgevingsvisie Dinkelland
Figuur 3.3 Fragment Omgevingsvisie Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland)
De waardenkaart in de Omgevingsvisie Dinkelland heeft voor het buitengebied als basis de combinatie van landschapstype en landschapsdynamiek. Voor het plangebied wordt de kleur middelgroen weergegeven. Gebieden met deze kleur zijn gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek. De waarden van dit type landschap zijn: afwisseling van openheid en beslotenheid; landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon; veel variatie in beplanting en grondgebruik; recreatieve belevingswaarde. In deze visie wordt geadviseerd in te spelen op onder andere het behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie en belevingswaarde die gericht is op recreatie en op een bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. De gemeente ziet in dit gebied graag kwalitatief toerisme, daarvoor worden projecten verwelkomt die gericht zijn op toerisme als ze een aanvulling zijn op het bestaande aanbod, gericht op interessante doelgroepen en zorgen voor seizoensverlenging. Toets Het plan voorziet in de sloop van een bedrijfsgebouw waarbij op dezelfde plek een nieuw gebouw wordt gerealiseerd voor drie boerderijkamers.
13
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
De boerderijkamers zijn een goede aanvulling in het recreatieve aanbod in de omgeving. Het is op deze plek met recht boerderijkamers te noemen: overnachten op een agrarisch bedrijf. Doordat het gebouw nog gerealiseerd moet worden, zullen de kamers voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. De verhuur van de boerderijkamers is niet seizoensafhankelijk, ze kunnen het hele jaar door worden verhuurd. 3.3.2
Nota Verblijfsrecreatie en Toerisme Noordoost Twente
De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 25 maart 2018 de Nota Verblijfsrecreatie en toerisme Noordoost Twente vastgesteld. Het doel van deze Nota is om het verblijfstoerisme in Noordoost Twente te versterken door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. Het aantal overnachtingen stijgt hierdoor en ook de toeristische bestedingen stijgen. Dit heeft een positief effect op de werkgelegenheid, de leefbaarheid en het voorzieningenniveau. Eén van de belangrijkste voorwaarden om dit doel te bereiken is het kunnen aanbieden van een optimaal en divers aanbod aan kwalitatief goede verblijfsmogelijkheden binnen Noordoost Twente dat aansluit bij de wensen en behoeften van de toerist. In de Nota zijn de volgende uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen aangegeven: Toegestaan bij agrarische bedrijven als nevenactiviteit en op voormalige agrarische erven (VAB); Plattelandskamers buiten het VAB-beleid (bijvoorbeeld bij gebouwen met een cultuurhistorische waarde) worden ter specifieke beoordeling voorgelegd aan het college. Voor elke vorm van verblijfsrecreatie is een kader opgesteld. Voor de plattelandskamers gelden de volgende richtlijnen: Moeten in (voormalige) agrarische bebouwing gerealiseerd worden (bijbouwen mag niet, herbouwen is toegestaan). Maximale oppervlakte kamer: 60 m².
De totale oppervlakte van de kamers is niet groter dan 500m² (groter is maatwerk). Het aantal plattelandskamers in één complex bedraagt minimaal 2 om de bedrijfsmatige exploitatie te waarborgen. Het kamercomplex moet ruimtelijk gezien één geheel vormen met de overige bebouwing op het erf / in de omgeving. Het kamercomplex moet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Landschappelijke inpassing is verplicht. Het parkeren moet binnen het bestemmingsvlak plaatsvinden. De parkeerplaatsen moeten landschappelijk worden ingepast en vinden in ruimtelijke samenhang met de bebouwing plaats. Bedrijfsmatige exploitatie van de kamers en appartementen is verplicht en moet worden aangetoond. Toets In deze situatie wordt de schuur herbouwd en krijgen de boerderijkamers een oppervlakte tussen de 36 - 38 m². Het gaat om drie boerderijkamers die worden gerealiseerd. Doordat het nieuwe gebouw op de plek van de bestaande wordt gebouwd en niet veel groter zal zijn, blijft de bebouwing op het erf samen één geheel vormen. Ook de uitstraling van het gebouw past bij het agrarische bedrijf. Het nieuwe gebouw zal worden uitgevoerd met zwarte houten gevels en oranje/rode dakpannen, passend bij de andere bebouwing.
14
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
figuur 3.4 Huidige situatie (bron: GoogleStreetview)
Het groen rondom de woning en de bedrijfsgebouwen blijft behouden. Op het terrein is voldoende ruimte voor de gasten om te parkeren. De voorgenomen drie boerderijkamers voldoen aan de richtlijnen zoals genoemd in de Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente. 3.3.3 Nota Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB-beleid) Het VAB+ beleid heeft o.a. een sociaal economisch hoofddoel. Het beleid moet bijdragen aan het realiseren van nieuwe economische dragers en ruimte bieden voor een verbreding van bestaande economische dragers. Een belangrijke economische drager in het landelijk gebied is landbouw, recreatie, natuur. Daarnaast dient het VAB beleid ter voorkoming van verval en verkrotting van agrarische bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied. Een uitgangspunt hierbij is dat de uitstraling van het erf en het landelijk gebied niet wijzigt. De bedrijvigheid die onderdak heeft gevonden binnen het VAB beleid is onder te verdelen in twee categorieën. Bedrijvigheid & activiteiten gelieerd aan het buitengebied (bijvoorbeeld recreatie) en bedrijvigheid die geen binding heeft met het landelijk gebied (bijvoorbeeld een timmerbedrijf). Niet aan het buitengebied gebonden activiteiten hoort primair thuis in de kernen. Uitgangspunt hierbij is dat deze activiteiten in het landelijk gebied kleinschalig van aard zijn. Gelet hierop blijft 500 m² de maximale oppervlakte.
Bij groei van het bedrijf boven deze maximale oppervlakte moet het bedrijf ruimte op een bedrijventerrein zoeken. Voor activiteiten die gelieerd zijn aan het landelijk gebied en die in het buitengebied een plek verdienen zijn de kwantitatieve normen niet meer leidend. De gemeente Dinkelland heeft criteria geformuleerd, waaraan nieuwe ontwikkelingen in vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden getoetst. Deze toetsing bestaat uit een drietal stappen: zoneringstoets randvoorwaardentoets kwaliteitstoets Beleid Buitengebied met kwaliteit Voor het buitengebied is nieuw beleid vastgesteld waarin ook het VAB+-beleid is meegenomen. In de overgangsbepaling van dit beleid is opgenomen dat indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels (16-2-2022) een volledige aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor een projectafwijkingsbesluit, deze aanvraag omgevingsvergunning nog wordt afgehandeld op basis van de toen geldende (oude) beleidsnota. Daarvan is in deze situatie sprake en kan dus op basis van het onder VAB+-beleid worden afgehandeld.
15
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Toets Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Het streven is de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Op het eigen perceel ontstaat door het realiseren van de boerderijkamers een mix van functies, namelijk het agrarische bedrijf met het toerisme. Het aantal verkeersbewegingen dient beperkt te blijven tot maximaal 100 verkeersbewegingen per dag. Het realiseren van 3 boerderijkamers zal leiden tot een beperkt aantal extra bewegingen, namelijk alleen die van de gasten. Daarmee wordt voldaan aan de zoneringstoets. De aard en de omvang van de activiteit betreft het toevoegen van een verblijfsrecreatieve voorziening in de vorm van een vervangend bijgebouw. Gezien de bouwkundige staat van het bestaande bijgebouw is het niet mogelijk/wenselijk om de boerderijkamers daarin te realiseren.
Het nieuwe bijgebouw komt op dezelfde plek en is van vergelijkbare omvang en is daarmee passend bij de erfinrichting op het bestaande agrarische perceel. Het bijgebouw blijft met de oppervlakte van 120 m² onder de maximaal toegestane 500 m². Het gebouw krijgt een uitstraling dat passend is bij de andere gebouwen. Zoals hiervoor aangegeven, zal de verkeersaantrekkende werking minimaal zijn, dat zal alleen de bewegingen betreffen van de gasten voor de drie kamers. Het aantal recreatie-eenheden mag maximaal 15 eenheden zijn (maximaal 30 bedden) en minimaal 2. Het gaat hier om 3 boerderijkamers voor 6 personen. Er is in deze situatie sprake van een nevenactiviteit waarvoor een maximum geldt van 50% van het bebouwd van de agrarische functie (exclusief woning en garage). De gebouwen die worden gebruikt voor het agrarische bedrijf hebben een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 1.500 m². Het nieuwe bijgebouw heeft een oppervlakte van 120 m². Dat voldoet dus. Ook aan de milieukundige randvoorwaarden wordt voldaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering. Voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteitstoets wordt gesteld dat het bestaande bijgebouw bouwkundig gezien niet geschikt is voor verbouw, het is landschapsontsierend en het vervangen van dit gebouw kan als een verbetering worden beschouwd, een kwaliteitsslag op het bestaande erf.
Doordat de positie gelijk blijft en de omvang vergelijkbaar is, blijft de erfinrichting hetzelfde en het nieuwe gebouw op een logische plek op het erf. Nieuwbouw voor de nieuwe functie is toegestaan als de bestaande bebouwing niet meer functioneel is voor de nieuwe activiteit. Daarbij mag bij een inhoud van maximaal 2000 m³ dezelfde inhoud worden teruggebouwd. Het bestaande bijgebouw heeft een inhoud van circa 506 m². Het nieuwe bijgebouw heeft een inhoud van circa 506 m³. Omdat deze onder de 2.000 m³ blijft, mag de totale inhoud worden terug gebouwd. In figuur 3.5 is de inhoudsberekening van het bestaande en het nieuwe bijgebouw weergegeven.
16
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Figuur 3.5: inhoud bestaand en nieuw bijgebouw Het bijgebouw zal worden getoetst aan de Welstandsnota. Er is geen sprake van buitenopslag, reclame-uitingen. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met het VAB+beleid van de gemeente Dinkelland en geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies met zich meebrengt.
17
Ruimtelijke onderbouwing
4
Omgevingsaspecten
4.1
Vormvrije mer-beoordeling
Deurningeresweg 4 Deurningen
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels via deze afwijkingsprocedure drie boerderijkamers mogelijk gemaakt binnen op de plek van bestaande bebouwing. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is als agrarisch bedrijf. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarden van de m-e-r.
Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Uit voorgaande volgt dat de ontwikkeling van drie boerderijkamers in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Zoals gezegd, is de kwalificatie afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Het betreft hier een kleinschalige ontwikkeling waarbij de boerderijkamers in een nieuw gebouw worden gerealiseerd en dat nieuwe gebouw ter vervanging van het bestaande gebouw wordt gerealiseerd. Het nieuwe gebouw wordt op dezelfde plek gebouwd en in vergelijkbaar formaat, als het bestaande gebouw en heeft daardoor geen invloed op het erf en de omgeving De ontwikkeling voorziet daarbij niet in een aanpassing aan het landschap. De ruimtelijke uitstraling/de verandering
18
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.
4.2
Bedrijven en Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In deze situatie zijn de afstanden rustige woonwijk/buitengebied van toepassing, omdat het een locatie in het buitengebied betreft. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering
Toets
19
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Toets Indien de ontwikkeling van boerderijkamers getoetst wordt aan de meest vergelijkbare categorie uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering betreft dit de categorie 'Hotels en pensions met keuken'. Hiervoor geldt milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige functie, woonbestemming, aan de Kerkweg 20, ligt op 190 meter afstand. De bedrijfswoning van de eigenaar en exploitant ligt uiteraard dichterbij, maar met 27 meter ook op voldoende afstand. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Toets In de directe nabijheid van de beoogde boerderijkamers bevinden zich hoofdzakelijk woonfuncties en agrarische bedrijven. Woningen zijn geen milieubelastende activiteiten en deze vormen dan ook geen belemmering voor het voornemen. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsbestemming ligt ten noordoosten van de nieuwe boerderijkamers. De afstand tot dit kleinschalige bedrijf met schapen, paarden en vrouwelijk jongvee bedraagt 230 meter. Hiermee wordt aan deze afstand ruimschoots voldaan. Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.3
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige
20
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
functies. Toets De boerderijkamers betreffen recreatieve verblijven waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven. Recreatiewoningen zijn geen gevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt daarom aan de recreatiewoningen een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe. In de nabije omgeving is er geen sprake van een gezoneerd industrieterrein of een spoorweg. De Deurningeresweg betreft een rustige weg (60 km/u) in het buitengebied die vooral gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met en indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Het perceel aan de Deurningeresweg is gelegen in het buitengebied van Deurningen. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Kerkweg 22. Dit bedrijf heeft een milieumelding van 16-5-2011 voor 3 volwassen paarden, 25 schapen en 5 stuks jongvee. De afstand van het bouwvlak tot de nieuwe bestemming bedraagt minimaal 230 meter. Voor de paarden en het jongvee geldt een afstand van minimaal 50 meter. De VNGgraasdie ruimere afstand van 230 meter tussen het agrarische bedrijf (met gering aantal schapen) en de boerderijkamers, waarbij de boerderijkamers zich in het buitengebied bevinden, mag worden - en leefklimaat. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van deze planontwikkeling.
4.5
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd
21
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen Toets Kruse Groep heeft een verkennend (asbest) bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN577 uitgevoerd (projectcode 21031316, 16 juli 2021). Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis ken dat er een druppelzone op de onderzoekslocatie aanwezig is. Deze wordt beschouwd als een asbestverdachte deellocatie. Verder is de onderzoekslocatie verdacht voor zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater zijn onverdacht voor chemische componenten. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verontreiniging van barium en zink aangetroffen en een matige verontreiniging met koper. Aangegeven wordt dat de verhoging van barium en zink mogelijk te wijten is aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem.
De aangetroffen lichte verontreiniging in het grondwater is echter geen aanleiding voor een nader onderzoek. Uit de herbemonstering van de peilbuis blijkt dat de (matige) verontreiniging van koper in het grondwater niet meer is aangetroffen. Door de langere rusttijd wordt het resultaat van de herbemonstering als maatgevend beschouwd. Ter plaatse van de betonverharding in de schuur zijn de inspectiegaten voor het asbestonderzoek vervangen door boringen van 120 mm doorsnede. Omdat in het mengmonster van de bovengrond geen asbest is aangetroffen, is een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de druppelzone is asbest aangetroffen (0,1 mg/kg d.s.) maar is ruim lager dan de toetsingswaarde (50 mg/kg d.s.) voor nader onderzoek. Conclusie Het onderzoek voldoet aan de geldende normen en richtlijnen. Het onderzoek geeft inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie. Op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
22
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld.
Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Het dichtstbijzijnde risico is een gasleiding van de Gasunie (40 bar). Bij een gasleiding met deze druk mag binnen 4 m afstand aan weerszijden niet worden gebouwd. Het nieuwe gebouw wordt gerealiseerd op dezelfde plek als de bestaande schuur en ligt op een afstand van 11 meter van de gasleiding.
Figuur 4.2: uitsnede uit risicokaart (bron: risicokaart.nl)
23
Ruimtelijke onderbouwing
4.6
Deurningeresweg 4 Deurningen
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met voorliggend plan worden er drie boerderijkamers mogelijk gemaakt. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op maximaal 2,8 per dag gesteld worden per kamer.
Dit zijn 8,4 verkeersbewegingen in totaal (uitgaande van de categorie 'bungalowpark', niet-stedelijk in het buitengebied, bron: CROW, 2018). Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In onderstaande figuur is de worst-case berekening weergegeven met 8,4 extra voertuigbewegingen.
24
Ruimtelijke onderbouwing
Deurningeresweg 4 Deurningen
Figuur 4.3 Worst-case berekening (bron: Infomil)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet nodig.
25
Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Deurningeresweg 4 Deurningen
Natuurwaarden
Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (projectnr. 3616, 30-8-2021) voor deze ontwikkeling. Daaruit is het volgende naar voren gekomen.
Er zijn concrete plannen voor het slopen van een schuur en het realiseren van een nieuw gebouw aan de Deurningeresweg 4 te Deurningen. Dit nieuwe gebouw vormt een verblijf voor drie boerderijkamers en wordt iets groter dan de bestaande schuur. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, heeft Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld gebracht. In het rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 17 augustus 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming:
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied (dichtstbijzijnde Natura 2000-gebeid Lonnekermeer op 1,5 km), is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, effectbeoordeling NNN of passende beoordeling is niet nodig. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming:
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de schuur gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een huisspitsmuis en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een huisspitsmuis of amfibie beschadigd of vernield.
Voor grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rusten voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rustdoden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.