r_Bijlage 3 Aanwijzingsbesluit 2013.pdf
Tekst van het document
• Herkenbare topografische lijnen: de gebiedsgrenzen vallen bij voorkeur samen met duidelijk in het landschap herkenbare topografische lijnen, zoals wegen, sloten, heggen, oevers, bosranden en 29
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.
43
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
markante verschillen in landgebruik. Hoofdlijnen aanpassing begrenzing Natura 2000-gebieden De herbegrenzing is doorgevoerd op basis van technische en/of inhoudelijke argumenten. Technische aanpassingen: Dit zijn vaak minieme kaarttechnische verbeteringen teneinde de grenzen af te stemmen en gelijk te trekken. Het zijn ook pragmatische aanpassingen. Hierdoor blijven het beheer en de bescherming hanteerbaar en wordt de burger een zo duidelijk en eenvoudig mogelijke begrenzing geboden. Dit kan betekenen dat Vogel- en Habitatrichtlijngebieden die voor een belangrijk deel overlap vertonen met (voormalige) beschermde en staatsnatuurmonumenten op deze begrenzing afgestemd worden. Hierdoor worden onlogische verschillen vermeden. Verder betreft dit ook het zoveel mogelijk op kaart uitzonderen van bestaande bebouwing, tuinen en erven die alleen tekstueel waren geëxclaveerd. Tot deze categorie behoren ook aanpassingen aan de hand van kadastrale perceelsgrenzen in verband met de kadastrale registratie van bij de aanwijzing “betrokken” percelen (zie Nota van toelichting, paragraaf 3.3). Hiermee wordt voorkomen dat kadastrale percelen die slechts voor een onbetekenend deel met het gebied overlappen, kadastraal worden ingeschreven als deel uitmakend van het gebied.
Inhoudelijke aanpassingen: Gebleken is dat in een beperkt aantal gevallen bij de begrenzing van Habitatrichtlijngebieden onvoldoende rekening is gehouden met de verspreiding van relevante habitattypen of leefgebieden van soorten, waardoor aanpassingen (zowel uitbreiding als verkleining) noodzakelijk waren. Dit is meestal het gevolg van verbeterde en toegenomen kennis. Ook uitbreidingen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, vallen in deze categorie van inhoudelijke aanpassingen. Meebegrenzen van nieuwe natuur Met nieuwe natuur worden delen van de Ecologische Hoofdstructuur bedoeld die een natuurfunctie krijgen en die in landbouwkundig gebruik zijn of waren. Een groot deel van deze nieuwe natuur is inmiddels al verworven en als natuurgebied ingericht. Nieuwe natuur is meebegrensd indien (in geval van een Habitatrichtlijngebied) één van de volgende situaties van toepassing is: 1. wanneer het natuurdoel van de nieuwe natuur overeenkomt met dat van het aangrenzende aangemelde Natura 2000-gebied (de natuurwaarden zijn al aanwezig of zullen conform vastgestelde plannen worden ontwikkeld). Het betreffende natuurdoel dient uiteraard invulling te geven aan de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. 2. wanneer de nieuwe natuur aantoonbaar noodzakelijk is om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren.
Voor nieuwe natuur die nodig is voor de realisatie van Natura 2000 blijft het principe van vrijwilligheid gelden bij verwerving van de gronden en bij omzetting van cultuurgrond naar natuur (zie verder paragraaf 2.2.2 van de Nota van Antwoord). De nieuwe natuur die is toegevoegd na de aanmelding in 2003 is naar aanleiding van ingediende zienswijzen op de ontwerp-aanwijzingsbesluiten nogmaals kritisch getoetst aan de hiervoor genoemde criteria. Het resultaat staat beschreven in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting. Het beleid om nieuwe natuur van ná 1 mei 1988 niet als verzuringsgevoelig aan te merken, is nooit van toepassing geweest op de oude Natuurbeschermingswet. Ook voor de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 was het voor de beoordeling alleen van belang of een bepaalde activiteit schade aan een aangewezen beschermd natuurmonument toebracht. De vraag of een deel van een bepaald beschermd natuurmonument als zogenoemde nieuwe natuur moest worden aangemerkt, heeft in deze besluitvorming geen rol gespeeld. Als een bepaald gebied als beschermd natuurmonument was aangewezen, genoot zo’n natuurmonument de volledige bescherming van de Natuurbeschermingswet.
Bufferzones en exclavering van recreatieondernemingen en agrarische bedrijven Een bufferzone van 300 tot 500 meter rond recreatieondernemingen en agrarische bedrijven, waar door vele ondernemers om is verzocht, behoort niet tot de mogelijkheden. De reden hiervoor is dat menselijk gebruik of de door de mens toegekende bestemming niet bepalend is voor de vraag of een gebied of terrein als 44
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Natura 2000-gebied aangewezen dient te worden. Ecologische redenen zijn daarbij bepalend. Een Natura 2000-gebied is in zijn geheel van belang. Ook in de uitspraak van de Raad van State over de aanwijzing van één van de eerste Natura 2000-gebieden is de vraag over een bufferzone aan de orde gekomen. De Raad van State was toen van oordeel dat “het aanhouden van een minimale afstand tot bedrijfsbebouwing niet mogelijk is, omdat niet in algemene zin ten behoeve van de in het gebied gelegen agrarische bedrijfsbebouwing kan worden vastgesteld in hoeverre de binnen die afstand gelegen gronden naar ecologische maatstaven al dan niet tot het aan te wijzen gebied moeten worden gerekend”30. Bij Vogelrichtlijngebieden wordt het hele gebied door de vogels gebruikt voor broeden, foerageren en/of rusten, hoewel niet elk deel even intensief wordt benut. Voor Habitatrichtlijngebieden geldt een vergelijkbare aanpak hoewel habitattypen meestal geen grote, aaneengesloten oppervlakten beslaan. Daar staat tegenover dat de instandhouding van habitattypen meestal een ruimere begrenzing vereist omdat ook rekening moet worden gehouden met een mogelijke verschuiving van de habitatwaarden door het gebied (successie). Daarentegen maken bestaande bebouwing, erven, tuinen, steigers, verhardingen en hoofdspoorwegen geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Zij zijn door hun fysieke aard meestal ongeschikt.
Eventuele uitzonderingen op deze algemene regel zijn opgenomen in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting van het besluit. Ook mijnbouwinrichtingen en -installaties vallen onder de definitie van een bouwwerk en daarmee onder de exclaveringsformule (zie paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting). Dat geldt niet voor ondergronds of onderwater voorkomende structuren zoals gas- en waterleidingen. De aanwezigheid hiervan betekent niet per definitie dat deze gebieden ongeschikt zijn voor planten of dieren en ze zijn daarom niet geëxclaveerd. Zie ook paragraaf 2.2.6 van de Nota van Antwoord. Verticale begrenzing In paragraaf 2.2.9 van de Nota van Antwoord wordt vermeld dat er geen verticale grens in de Natura 2000gebieden is opgenomen. Wel moet gewaarborgd zijn dat vliegbewegingen in de omgeving van Natura 2000gebieden niet tot aantasting van natuurlijke kenmerken leiden. Dat geldt voor de gehele burgerluchtvaart (inclusief parasailen, parachutespringen en luchtballonvaren), het militaire luchtverkeer en alle andere activiteiten die in samenhang met deze vliegbewegingen in het luchtruim of op de grond plaatsvinden, zoals schietoefeningen en parachutespringen. De effectbeoordeling van dit soort activiteiten kan daarom het best per gebied plaatsvinden, toegesneden op de omstandigheden ter plekke. Het is dus niet zinvol om hiervoor generieke normen in de besluiten op te nemen.
Indien aan de orde, wordt het bestaand gebruik door luchtverkeer beoordeeld bij het opstellen van het beheerplan. Voorwaarde blijft ook hier dat het bestaande gebruik de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mag brengen. 3.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE BEGRENZING Een inspreker stelt dat het gebied bij vaststelling nader opgedeeld dient te worden met een specifiekere aanduiding van de te realiseren natuurdoelen. In het bijzonder het deelgebied Zuidelijke Vasserheide komt, volgens de inspreker geen kalkmoerassen (H7230) voor. De inspreker geeft verder aan dat zich in het gebied geen watergangen bevinden waar de beekprik (H1096) voor kan komen. Als gevolg hiervan is het zinloos voor het betreffende deelgebied een beperking op te leggen ten behoeve van deze habitat en soort. Door dit stuk maatwerk zal de bescherming zeker niet minder gewaarborgd zijn, maar de beperkingen voor omliggende agrarische bedrijven als minder hinderlijk worden ervaren, aldus de inspreker. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. Het klopt dat op de Zuidelijke Vasserheide geen kalkmoerassen zijn te vinden, maar wel in het gebied ten westen van Paardenslenkte. Dat het gebied is aangewezen voor een aantal doelen betekent niet dat die doelen overal in het gebied voor moeten komen. Dit Natura 2000-gebied is het beste gebied voor de beekprik in Overijssel.
Het opleggen van beperkingen, indien dit nodig is voor de instandhouding van het gebied, vindt niet plaats in dit aanwijzingsbesluit maar in het Natura 2000-beheerplan.
30
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 5 november 2008, nr. 200802546/1.
45
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Een inspreker is van mening dat door de afwijking van de algemene exclaveringsformule zoals omschreven in het ontwerp-aanwijzingsbesluit tekstueel alle eiken op erven en dergelijke goed zijn aangewezen. Er staat aangegeven dat “De oostelijke grens hieraan verbonden is de lijn Vasse, Hezingen, grenspaal 83.” De inspreker stelt dat hiermee het leefgebied van het vliegend hert (H1083) grotendeels is afgedekt, maar dat de jaarlijkse waarneming net ten westen van de Vasserheide er nu buiten valt. De inspreker verzoekt om de omschrijving van de begrenzing aan te passen. De volgende formulering wordt voorgesteld: “Door de grens te omschrijven als: Haarle, Hezingen, grenspaal 83.” Hierdoor wordt de jaarlijkse waarneming wel meegenomen en zijn ook de erfbeplantingen veilig gesteld. Bovendien wordt volgens de inspreker op deze manier meer recht gedaan aan het doel voor het vliegend hert. De zienswijze heeft geleid tot wijziging van het besluit. De aanduiding van de oostelijke grens van het leefgebied is in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting aangepast. Een inspreker merkt op dat het grootste knelpunt voor de beekprik (H1096) het voorkomen van piekafvoeren met als gevolg erosie in de beek en verdroging in het beekdal is.
Volgens de inspreker was de belangrijkste maatregel de koop en herinrichting van het intrek- en brongebied van Weersink (De Strengen), waarmee het probleem onvoldoende was opgelost. Een belangrijk deel voor de populatie van het Nutterveld is niet begrensd: de bovenste helft van de percelen tussen de Brandtorenweg en de Wittebergweg. Hier zijn volgens de inspreker oorspronkelijke sprengen van het Springendal gedempt en zijn graslandpercelen sterk gedraineerd. Dit levert piekafvoeren op de bronkop van de zuidelijke bovenloop. De inspreker verzoekt om de bovenloop tot aan de wasserij Springendal te begrenzen en dat een ecologische verbindingszone wordt aan gelegd tussen de wasserij en de Dinkel. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. De genoemde punten kunnen worden opgelost door maatregelen in het beheerplan en niet door uitbreiding van het gebied. Zo nodig kunnen deze maatregelen zich immers ook uitstrekken buiten het gebied. De eventuele aanleg van een ecologische verbindingszone dient in het kader van het Ecologische Hoofdstructuur-beleid te worden gerealiseerd. Een inspreker stelt dat het leefgebied van de beekprik (H1096) nu onvolledig is begrensd, waardoor de instandhouding van het leefgebied van deze soort allerminst veilig is gesteld.
De bescherming van de soort vereist volgens de inspreker uitbreiding van de begrenzing met ten minste de beekbedding (oever tot oever) tot aan de monding in de Dinkel. In dit geval volstaat het vertrouwen op de externe werking van de Natuurbeschermingswet niet, zeker niet omdat het leefgebied dient te worden uitgebreid en de kwaliteit ervan verbeterd, aldus de inspreker. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. De algemene beleidslijn is dat er geen verbindingszones worden aangewezen. In het optrekgebied geldt algemene bescherming. In het voortplantingsgebied vindt de gebiedsbescherming plaats. Een inspreker vraagt aandacht voor het deelgebied ten westen van Mander, alwaar een uitloper is begrensd vanwege de aanwezigheid van het vliegend hert (H1083). Uit de omschrijving blijkt dat het leefgebied van het vliegend hert ten noordwesten van Mander ligt. De inspreker stelt dat onderhoud en verdere versterking van dit landschap veelal plaatsvindt op basis van vrijwilligheid van burgers en bedrijven in de omgeving. De bereidheid voor het behoud en verder ontwikkelen van landschapswaarden kan onder druk komen te staan, gelet op wat gesteld is onder nieuwe natuur.
Dit kan gevolgen hebben voor het realiseren van de doestellingen binnen de Ecologische Hoofdstructuur waarmee tevens de natuurwaarden buiten de Natura 2000-gebieden onder druk komen te staan volgens de inspreker. De inspreker verzoekt om de begrenzing van de uitloper van het gebied ten westen van Mander aan te passen. De zienswijze is overgenomen. Bij de aanmelding is de westelijke uitloper van het gebied (ten westen van de Vleerhoekweg) meegenomen wegens het veronderstelde voorkomen van de habitatsoort vliegend hert in de oude eikenhoutwallen die hier aanwezig zijn. Aangezien in het betreffende deelgebied geen recente waarnemingen zijn gedaan en het (potentieel geschikte) leefgebied ruim 1 km is verwijderd van de dichtstbijzijnde deelpopulatie (Mandermaten, in het gebied) is het verzoek van de inspreker gehonoreerd. 46
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Een inspreker vindt het onverteerbaar dat er een veel groter gebied is aangewezen dan het gebied dat beschermd zou moeten worden om de habitat te beschermen. De inspreker verzoekt om het gebied niet groter aan te wijzen dan strikt noodzakelijk, zoals het geval bij de Mosbeek waar een te grote uitloper van het gebied is aangewezen als Natura 2000 in de westelijke richting. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. Het Natura 2000-gebied is niet groter begrensd dan noodzakelijk is voor de doelen die in het aanwijzingsbesluit zijn aangegeven. In het gebiedsdeel waar inspreker op doelt komt het vliegend hert (H1083) zeer verspreid voor in eikenbomen en ander eikenhout waarin de soort leeft en zich voortplant. Met het aanwijzen van het totale gebied waar het vliegend hert verspreid voorkomt, voldoet Nederland aan de Europese verplichting om voldoende leefgebieden voor deze soort aan te wijzen en bij de begrenzing van het gebied rekening te houden met de lokale verspreiding van de soort. Meerdere insprekers merken dat in het noordwesten van het gebied (Mandermaten) diverse singels, houtwallen en erven met eiken aan de rand van het gebied zijn toegevoegd als leefgebied van het vliegend hert (H1083). Dit gebied is echter vlakdekkend ingevuld. Aangezien erven geen deel uitmaken van het gebied, stellen de insprekers voor om deze wijziging terug te draaien.
De insprekers verzoeken de begrenzing nauwkeuriger te begrenzen om welke elementen het gaat en geen weilanden op te nemen als hier geen waarden aanwezig zijn. De insprekers nemen aan dat wat betreft ammoniak niet op deze elementen getoetst gaat worden. De zienswijzen hebben geleid tot wijziging van het besluit. Normaal gesproken maken erven geen deel uit van een Natura 2000-gebied omdat de betreffende waarden waarvoor het gebied is aangewezen er niet voorkomen. In het geval van het vliegend hert zijn erfbeplantingen met oude eiken juist het leefgebied van de soort waarvoor het gebied is aangewezen. Wel zijn de op de kaart erven en tuinen uitgezonderd waarvoor geen duidelijke aanwijzingen zijn dat deze onderdeel uitmaken van het leefgebied van het vliegend hert. Voor wat betreft het opnemen van weilanden geldt dat ook gebiedsdelen worden aangewezen waar geen waarden aanwezig zijn om een samenhangend geheel te begrenzen. Over de toetsing van ammoniak op deze elementen geldt dat alleen gekeken wordt in welke mate, indien van toepassing, ammoniak schade zou toebrengen aan de staat van instandhouding van het vliegend hert of de leefomgeving daarvan. Een inspreker stelt dat in tegenstelling met andere Natura 2000-gebieden, binnen dit gebied erven met eiken zijn opgenomen binnen de begrenzing.
De inspreker is van mening dat dergelijke erven voldoende worden beschermd op grond van ondermeer de Flora- en faunawet, de kapverordening en het landschapsontwikkelingsplan. De inspreker verzoekt de begrenzing aan te passen zodat erven worden uitgezonderd van Natura 2000. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit (doch zie reactie op vorige zienswijze). Erven worden tekstueel en op de kaart geëxclaveerd, maar in het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek wordt in afwijking hiervan eikenbegroeiing op erven wel meebegrensd omdat deze het leefgebied vormt van de habitatsoort vliegend hert (H1083) (zie ook paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting). Het vliegend hert is een soort van bijlage II van de Habitatrichtlijn en daarvoor moeten gebieden worden aangewezen. Er kan niet worden volstaan met bescherming door de Flora- en faunawet. Een inspreker merkt op dat er een recreatiebedrijf in het aangewezen gebied ligt. De inspreker verzoekt om dit recreatiebedrijf buiten de begrenzing te brengen. De zienswijze is overgenomen. De betreffende camping aan de Brunninkshuisweg (Hooidijk) is op kaart geëxclaveerd. Een inspreker merkt op dat in het ontwerp-aanwijzingsbesluit staat dat bebouwing en aangrenzende erven zo veel mogelijk buiten de begrenzing vallen.
De inspreker merkt op dat enkele van de in bezit zijnde eigendommen binnen de begrenzing van het gebied vallen. De inspreker stelt dat het in bezit zijnde bedrijf 47
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
niet binnen het leefgebied van het vliegend hert (H1083) valt. De inspreker verzoekt om in ieder geval de privé-gronden buiten de begrenzing van het gebied te laten. De zienswijze heeft geleid tot wijziging van het besluit. De begrenzing is op bedoelde plek (langs de Höllweg) teruggelegd op de begrenzing van het gebied bij de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (cq. de bosrand). Dit betekent dat twee percelen cultuurgrond (eigendom van inspreker) die als nieuwe natuur in het ontwerpbesluit waren toegevoegd, weer zijn verwijderd (7 ha, zie ook paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting). Meerdere insprekers merken op dat de begrenzing is bepaald aan de hand van de ligging van de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Ook omvat het gebied nieuwe natuur die noodzakelijk wordt geacht om bedreigde en schaarse habitattypen en leefgebieden van soorten te herstellen. De insprekers betwijfelen het laatste, aangezien er naast nieuwe natuur ook veel agrarische grond zonder nieuwe natuur-bestemming is opgenomen. Dit houdt volgens de insprekers in dat het westelijke deel van het Dal van de Mosbeek naar schatting meer dan 50% agrarische grond bevat. De insprekers vinden dit onacceptabel. De begrenzing is aangepast na 2003 om overeenstemming te krijgen met het provinciale natuurgebiedsplan.
Dit druist tegen alle afspraken in omdat de begrenzing geen verplichtingen inhield en op basis van vrijwilligheid zijn vastgelegd. De zienswijze is voor een beperkt deel overgenomen. In het westelijk deel van het Dal van de Mosbeek is een ruim gebied begrensd, omdat zeer verspreid in het gebied oude eiken voorkomen die het leefgebied vormen van het vliegend hert (H0183) waarvoor het gebied is aangewezen. In het definitieve aanwijzingsbesluit is het gebied wel enigszins beperkt door verwijdering van de uitloper ten westen van de Vleerhoekweg. Ook is de in het ontwerpbesluit opgenomen uitbreiding met cultuurgronden rond de Vasserheide, aan de Bergweg, langs de Höllweg en bij Nutter ongedaan gemaakt (zie paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting). Een inspreker stelt dat vooral in het Dal van de Mosbeek gronden zijn aangewezen die intensief worden gebruikt voor de land- en tuinbouw. Verwezenlijking van de natuurdoelstellingen zoals omschreven in de plannen zal niet uitvoerbaar zijn. Volgens de inspreker blijft het de vraag of met aanwijzing van deze landbouwgronden de doelstelling überhaupt wordt gehaald. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit.
Bij de begrenzing van het gebied kunnen gebiedsdelen worden meebegrensd, waar nu nog geen waarden aanwezig zijn maar die wel noodzakelijk zijn voor de ruimtelijke samenhang met de omgeving en behoud en herstel van natuurlijke kenmerken en samenhang van de ecologische structuur of om logische grenzen vast te stellen (zie ook reactie op de vorige zienswijze). Een inspreker verzoekt om buurtschap Mander buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied te laten. Volgens de inspreker is de buurtschap in het reconstructieplan Salland-Twente aangewezen als verwevingsgebied terwijl het overige deel van dit Natura 2000-gebied binnen het extensiveringsgebied valt. De zienswijze heeft geleid tot wijziging van het besluit. In Mander is de grens van het gebied teruggelegd op de grens van de aanmelding (rondom kruising Uelserweg en Manderseweg, -5 ha). Reden hiervan is dat er geen harde gegevens met betrekking tot het leefgebied van het vliegend hert (H1083) zijn die de in het ontwerpbesluit opgenomen uitbreiding rechtvaardigen. Verder zijn bebouwing, erven en tuinen die op de topografische kaart zijn aangeduid als “overig bodemgebruik” zoveel mogelijk ook op de kaart uitgezonderd. De algemene exclaveringsformule blijft verder van toepassing in zoverre er geen sprake is van leefgebied van het vliegend hert (aanwezigheid inlandse eik, zie paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting).
Meerdere insprekers stellen dat rond de beekloop van de Hazelbekke het gebied is uitgebreid met weilanden, houtwallen en bos. De insprekers menen dat het argument dat hiervan delen reeds in bezit zijn van een terreinbeherende organisatie niet ter zake mag doen, ook de logische begrenzing wordt ter discussie gesteld. Met dergelijke handelswijzen wordt volgens de insprekers het draagvlak voor natuurbehoud in de omgeving teniet gedaan. 48
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
De zienswijze heeft geleid tot wijziging van het besluit. Naast de waarden waarvoor het gebied is aangewezen zijn de door inspreker genoemde landschapselementen meebegrensd omdat deze integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren. Wel zijn twee landbouwpercelen (nieuwe natuur, circa 7 ha) langs de Höllweg verwijderd die geen directe betekenis hebben voor de instandhouding van het gebied. Een inspreker merkt op dat de begrenzing rondom de Vasserheide logischer is gemaakt. De inspreker stelt dat het niet onderbouwd is om welke waarden het gaat. De zienswijze heeft geen directe aanleiding gegeven tot wijziging van het besluit, maar wel is de toevoeging van nieuwe natuur waar inspreker op doelt, opnieuw beoordeeld (zie Nota van Antwoord 2007, paragraaf 2.2.2). Resultaat daarvan is dat de bedoelde landbouwgronden weer zijn verwijderd omdat ze geen directe betekenis hebben voor de instandhouding van het gebied. De gevraagde onderbouwing hoeft dus niet meer te worden gegeven. Een inspreker verzoekt om een deel van de Vasserheide uit de begrenzing te halen. Daarnaast verzoekt de inspreker om de maatregelen voor dit gebied zodanig aan te passen, zodat alleen de specifieke bestaande natuurwaarden en hun nabije omgeving worden aangewezen.
Verder verzoekt de inspreker om geen zones rondom de gebieden in te stellen om zodoende de natuur en agrarische bedrijven in het gebied te behouden. De inspreker betwijfelt dat de invloed van ammoniak in het hele gebied hetzelfde is. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit (doch zie ook reactie op de vorige zienswijze). De begrenzing is tot stand gekomen op basis van ecologische overwegingen, waartoe de Habitatrichtlijn verplicht. Daarbij zijn het voorkomen van habitattypen, waarvoor het gebied is aangewezen, en het totaal aan natuurwaarden dat daarmee samenhangt. Het is niet mogelijk om met het oog op de belangen van agrarische bedrijven gebieden buiten de begrenzing te houden. Over de invloed van ammoniak moet de nadere uitwerking zoveel mogelijk in het beheerplan worden gedaan. Een inspreker merkt op dat het gebied mede ontstaan is door de bewoners en agrariërs. In de actuele situatie zijn volgens de inspreker de genoemde natuurdoeltypen en soorten niet of in zeer beperkte mate aanwezig. Als het vliegend hert (H1083) in een gebied voorkomt van ongeveer 2 hectare dan is het volgens de inspreker niet noodzakelijk om een gebied van 1.338 hectare aan te wijzen, exclusief de 3.000 meter zone. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit.
Het gebied is voor negen habitattypen en vier soorten van de Habitatrichtlijn aangewezen en niet alleen voor het vliegend hert. Voorts is er geen sprake van een 3.000 meter zone (zie ook Nota van Antwoord paragraaf 4.3.1). Een inspreker verzoekt om het stuk bos, wat in 1998 is verwijderd als verzuringsgevoelig gebied, buiten de begrenzing te laten. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. Voor begrenzing van Natura 2000-gebieden kunnen alleen ecologische criteria een rol spelen. De begrenzing kan geen rekening houden met andere beleidsinstrumenten zoals een gemeentelijk ammoniakreductieplan. Het bedoelde bosgebied was al onderdeel van het Habitatrichtlijngebied zoals in 2003 aangemeld. Een inspreker verzoekt om de inhoud en begrenzing aan te passen, zodat het gebied 750 meter van de in bezit zijnde bedrijf is verwijderd. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. Bij de begrenzing van Natura 2000-gebieden kunnen uitsluitend ecologische criteria een rol spelen. Gebruik en eigendomsgrenzen hebben daarop geen doorslaggevende invloed. Een inspreker stelt dat het gebied enkele lintvormige uitlopers bevat, die het feitelijke stroomgebied van de Dal van de Mosbeek omvatten. Ondanks de geringe oppervlakte heeft dit volgens de inspreker een grote 49
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
invloedssfeer. De inspreker geeft aan dat gedurende droge periodes de stroming van de beek geheel komt te vervallen zodat er een droge bedding overblijft. De inspreker merkt op dat langdurige realisatie van de doelstellingen daardoor niet haalbaar zijn. De inspreker verzoekt derhalve om dit gebied te schrappen. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. De betreffende uitlopers van het gebied zijn begrensd vanwege het voorkomen van waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Als er omstandigheden zijn die de staat van instandhouding negatief beïnvloeden, dan moeten maatregelen worden genomen om die negatieve invloeden tegen te gaan. Daarvoor is het beheerplan de plaats voor waar dit moet worden geregeld.
50
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
4
bijlage C
REACTIES OVER DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN
4.1 ALGEMEEN In de zienswijzen zijn veel opmerkingen gemaakt over de instandhoudingsdoelstellingen en over de realisatie hiervan. Er is voorgesteld om de tekst van de algemene instandhoudingsdoelstelling “behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitattypen en soorten binnen de Europese Unie” te vervangen door de letterlijke tekst van de Habitatrichtlijn: “behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van habitattypen en soorten binnen de Europese Unie”. Verder is voorgesteld om de tekst van de algemene instandhoudingsdoelstelling “behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functie van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd” te schrappen omdat met de formulering in het ontwerpbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de wijze waarop in jurisprudentie rekening is gehouden met de termen “natuurlijke kenmerken” en “instandhoudingsdoelstellingen”. Er zijn vragen gesteld over de gestelde nationale doelen, de monitoring in Natura 2000-gebieden, de afstemming en de verantwoordelijkheden.
In een aantal zienswijzen wordt de vraag gesteld of de besluiten in samenhang met elkaar en met de gebieden daarbuiten wel een voldoende bijdrage leveren om de soorten en habitattypen in een landelijk gunstige staat van instandhouding te brengen of te houden. De vrees wordt uitgesproken dat dit niet het geval is. Daarnaast wordt er verzocht om voor die soorten en habitattypen, waarvoor sprake is van een ongunstige staat van instandhouding, zowel landelijk als op gebiedsniveau een herstelopgave te formuleren tenzij er ecologische redenen zijn om hiervan af te zien. Het achterwege laten van adequate herstelopgaven wordt door insprekers als onacceptabel gezien en in strijd met de wettelijke verplichtingen. In een zienswijze is gevraagd om alsnog, voor de soorten en habitattypen die zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding bevinden, minimaal complementaire doelen op te nemen in de gebieden waar herstelmogelijkheden zijn of migratie kan plaatsvinden. Het besluit zou moeten aangeven wat de gevolgen zijn wanneer een soort uit een gebied dreigt te verdwijnen. Daarnaast zou er een gegronde reden aanwezig moeten zijn wanneer er niet gestreefd wordt naar een gunstige staat van instandhouding. Anderzijds wordt in zienswijzen aangeduid dat veel doelen te hoog gegrepen zijn en dat deze alleen met grote (financiële) inspanningen bereikt kunnen worden.
Er wordt over de instandhoudingsdoelstellingen opgemerkt dat ze de status zouden moeten krijgen van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. Enkele insprekers menen dat bij het vaststellen van de doelstellingen veel geleund wordt op informatie over het voorkomen van flora en fauna in vroegere jaren, die niet gebaseerd is op voldoende wetenschappelijke gegevens. Het is onduidelijk of deze waarden daadwerkelijk aanwezig zijn. Om die reden zouden de aanwezige habitattypen op een kaart aangeduid moeten worden. Weer anderen menen dat de uitgangssituatie helder moet worden omschreven in het aanwijzingsbesluit. Tegelijkertijd zal er een termijn gegeven moeten worden waarbinnen de doelstellingen gerealiseerd moeten worden. In de besluiten wordt er volgens insprekers niet ingegaan op de mogelijke gevolgen van klimaatverandering, terwijl deze veranderingen bepalend kunnen zijn voor de haalbaarheid van de natuurdoelen. Er wordt bovendien gevraagd om de kernopgaven in de aanwijzingen op te nemen, dan wel het Natura 2000 doelendocument (2006) deel uit te laten maken van de aanwijzingsbesluiten. Uit het besluit zou duidelijk moeten blijken voor welke functie(s) en voor welke soort(en) het gebied wordt aangewezen, zodat duidelijk is of de soorten in al hun levensbehoeften worden beschermd.
Daar waar niet alle levensbehoeften in een Natura 2000-gebied zijn beschermd dient te worden aangegeven waar de ontbrekende functies zijn gelegen en wat de beschermingsstatus is. 51
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Er wordt gevraagd om rekening te houden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Dat het concretiseren van maatregelen wordt doorgeschoven naar het beheerplan geeft voor veel insprekers onduidelijkheid; hierdoor kan het overleg over het beheerplan onder grote spanning komen te staan. Zij bepleiten duidelijke kaders voor het beheerplan, zodat er constructief aan de uitwerking kan worden gewerkt. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen alleen wordt uitgegaan van bestaande budgetten. Welke consequenties de instandhoudingsdoelstellingen hebben in financiële zin wordt pas duidelijk bij het tot stand komen van de beheerplannen. Een inspreker mist in het algemeen een korte paragraaf met ‘kernopgaven’, omdat het dan voor de inspreker duidelijk wordt wat de ecologische relevantie en bestuurlijke opgave zijn. Met betrekking tot de hierboven genoemde zienswijzen worden de volgende opmerkingen gemaakt: Algemene instandhoudingsdoelstellingen De algemene instandhoudingsdoelstellingen beogen de algemene hoofddoelstelling van de Vogel- en Habitatrichtlijn in de individuele aanwijzingsbesluiten te verankeren. Daarmee wordt de bijdrage van de Nederlandse Natura 2000-gebieden aan het behoud van de biodiversiteit in Europa vastgelegd.
Per gebied zijn de specifieke doelstellingen voor de relevante habitattypen en soorten nader omschreven. Op basis van deze instandhoudingsdoelstellingen en de algemene doelstellingen wordt naar een landelijk gunstige staat van instandhouding van de voor Nederland relevante habitattypen en soorten gestreefd. Dit houdt in dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat of van de soort stabiel moet zijn of moet toenemen; dit moet in de toekomst ook zo blijven. Een duurzaam behoud van een habitattype kan alleen maar gerealiseerd worden wanneer de planten- en diersoorten die typisch zijn voor de habitat behouden kunnen worden. Dit geldt ook voor de bescherming van een bepaalde plantensoort of diersoort. De betreffende soort kan alleen effectief beschermd worden wanneer de beschermingsmaatregelen zich, naast op de soort zelf, ook richten op het leefgebied van de soort. Zodoende strekt in een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelstelling van een soort zich mede uit tot het leefgebied van de betreffende soort. De formulering van de algemene instandhoudingsdoelstellingen is aangepast in hoofdstuk 5 van de Nota van toelichting van dit besluit.
In de aangepaste formulering van het tweede algemene doel is niet de letterlijke tekst van de Habitatrichtlijn (artikel 2) gevolgd, omdat het in de Richtlijn een algemene doelstelling van de Richtlijn betreft en in dit geval om de gebiedsspecifieke invulling daarvan gaat. Meer in het bijzonder: een Europese Richtlijn kan een bijdrage leveren aan het waarborgen van de biologische diversiteit, maar een gebied kan alleen bijdragen aan het behoud van de biologische diversiteit. Verder is de term “natuurlijke kenmerken” in de algemene doelen gehandhaafd, omdat dit een begrip is dat in de Richtlijn ook gebruikt wordt in verband met de bescherming van de gebieden (artikel 6). Verder geldt ook dat invloeden van buitenaf op het Natura 2000-gebied van grote invloed kunnen zijn op de staat van instandhouding van een habitattype of soort: de externe werking. De instandhoudingsdoelstelling richt zich op het gehele biotische en abiotische complex van factoren, die het habitattype of de soort haar specifieke aanzien geven en die noodzakelijk zijn voor het behoud van de biologische diversiteit van het gebied. Contour “haalbaar en betaalbaar” In de paragrafen 3.4 en 4.1.7 van de Nota van Antwoord staat aangegeven dat zowel de selectie als de begrenzing uitsluitend gebaseerd is op ecologische criteria.
Dit betekent echter niet dat andere dan ecologische belangen geen rol hebben gespeeld bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Hierbij heeft het uitgangspunt “haalbaar en betaalbaar”, zowel landelijk als per gebied, nadrukkelijk een rol gespeeld. Er is daarbij rekening gehouden met de economische en sociale belangen van de directe omgeving. Dit betekent in de praktijk dat voor een bepaald habitattype of soort de relatief grootste ecologische bijdrage komt van het gebied waar de ecologische vereisten reeds op orde zijn of waar ze op relatief eenvoudige wijze op orde te brengen zijn, om zodoende bij het opstellen van beheerplannen een evenwichtige balans tussen economie en ecologie na te kunnen streven. In paragraaf 3.4 van de Nota van Antwoord staat dat Nederland zich inspant om zoveel mogelijk habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Er kan echter geen 52
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
onevenredige financiële inspanning verwacht worden om alle habitattypen en soorten te herstellen. Met oog hierop is voor een aantal soorten en habitattypen in het Natura 2000 doelendocument (2006, hoofdstuk 6) gekozen voor een lager niveau dan gunstige staat van instandhouding. In die gevallen wordt verbetering van de ecologische vereisten voorlopig niet realistisch geacht of staat de inspanning in geen verhouding tot de extra bijdrage die een gebied kan leveren aan de realisering van de Natura 2000-doelen op landelijk niveau. Anderzijds is het logisch dat een hogere inzet wordt nagestreefd voor habitattypen en soorten waar Nederland relatief belangrijk voor is en/of voor habitattypen en soorten die sterk onder druk staan. Dit geldt bijvoorbeeld voor het habitattype kalkmoerassen (H7230) en de habitatsoort beekprik (H1096). Voor dit habitattype en deze habitatsoort zijn de ecologische omstandigheden nog niet op orde. Contour “strategisch lokaliseren” Bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen is ook geanticipeerd op bestaande plannen en projecten ter realisering van de Ecologische Hoofdstructuur en bestaand beleid met betrekking tot bijvoorbeeld mest en waterhuishouding.
Dit is het gehanteerde principe van “strategisch lokaliseren”: behoud of herstel nastreven daar waar de grootste potentie ligt en waar dit gemakkelijk kan zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de ecologische uitgangspunten en ambities. Om daaraan invulling te geven zijn diverse consultatierondes met deskundigen en terreinbeheerders gehouden en zijn analyses uitgevoerd, waaronder de knelpunten- en kansenanalyse van KIWA Water en Research/EGG-consult31. In de toekomst zullen inspanningen voor het waterbeheer meer gericht moeten worden op het natuurbelang. Waar nodig is de begrenzing van gebieden aangepast om een op termijn duurzamere situatie te verkrijgen. Voor een aantal habitattypen en soorten zijn gezien de urgentie ten aanzien van één of meerdere kernopgaven (“sense of urgency”)32, op de korte én lange termijn, aanvullende water- of beheermaatregelen nodig. Trends, dynamiek en autonome ontwikkelingen In het aanwijzingsbesluit staat het resultaat van de bovenstaande contouren uitgewerkt in de vorm van de instandhoudingsdoelstellingen. Op grond daarvan worden in het beheerplan de benodigde maatregelen uitgewerkt om de genoemde habitattypen en soorten in de gewenste staat van instandhouding te brengen of te behouden, zodat het gebied voldoende bijdrage kan leveren aan het realiseren van de gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau.
Eén van de uitgangspunten in de Natura 2000 contourennotitie (2005)33 is dat doelstellingen in de tijd robuust geformuleerd moeten worden. Dit is gedaan om zo te kunnen anticiperen op bijvoorbeeld de natuurlijke dynamiek of mogelijke klimaatveranderingen. Als de instandhoudingsdoelstellingen niet gehaald lijken te worden, bijvoorbeeld omdat een populatie vogels of een bepaald habitattype ondanks de bescherming toch kleiner wordt, moet Nederland maatregelen nemen om deze ontwikkeling te keren. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, verplicht de lidstaat namelijk om verslechtering van habitattypen en leefgebieden van (vogel)soorten te voorkomen. Soms zullen de genomen maatregelen niet werken, bijvoorbeeld bij klimaatverandering, een te grote externe beïnvloeding of als trekkende soorten in het buitenland negatief worden beïnvloed. Er zijn dan geen sancties. Gezien een aantal onzekerheden over te verwachten ontwikkelingen, die voortkomen uit natuurlijke dynamiek en klimaatveranderingen, is voor het jaar 2015 voorzien in een evaluatie van het Natura 2000 doelendocument (2006). Indien noodzakelijk worden dan ook de betreffende aanwijzingsbesluiten aangepast (zie Nota van Antwoord, paragraaf 3.19). In bijlage B.3 van de Nota van toelichting van dit besluit wordt nader op de specifieke keuzes ingegaan.
Herijking instandhoudingsdoelstellingen De lidstaten van de Europese Unie hebben de afspraak gemaakt om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om een gunstige staat van instandhouding van de aangewezen soorten en habitattypen waarvoor gebieden zijn aangewezen te realiseren. Pas wanneer daadwerkelijk is gebleken dat de doelen om wat voor reden dan 31
KIWA & EGG (2007): Knelpunten- en kansenanalyse Natura 2000 gebieden. Versie 2007. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 32 Een “sense of urgency” is toegekend aan een gebied als binnen tien jaar (na 2005) mogelijk een onherstelbare situatie ontstaat. Zie verder bijlage 2 begrippen en definities uit de Nota van Antwoord (2007). 33 Ministerie van LNV (2005): Natura 2000 contourennotitie. Kaders voor Natura 2000-doelen, besluiten en beheersplannen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.
53
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
ook niet haalbaar zijn, bestaat er – zoals onder andere in paragraaf 1.4.1 van de Nota van Antwoord staat vermeld – een aantal momenten waarop de doelen bijgesteld kunnen worden. De drie momenten waarop de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden geëvalueerd en zo nodig kunnen worden bijgesteld (zie ook Nota van Antwoord, paragrafen 3.4 en 3.14): • bij de definitieve aanwijzing; • bij het opstellen van het beheerplan; • bij de geplande evaluatie in 2015. Ecologische samenhang en belangenafweging De afweging tussen economie en ecologie moet zodanig plaatsvinden dat de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten waar het gebied voor is aangewezen niet in gevaar komt. De situatie kan zich voordoen dat in een bepaald gebied een aantal habitattypen of soorten voorkomt, waarvoor geen instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld. Er is dan de inschatting gemaakt dat het betreffende habitattype of de betreffende soort weliswaar marginaal in het gebied aanwezig is, maar dat het gebied op termijn geen bijdrage kan leveren aan de instandhouding van het habitattype of de soort. Ook bij de formulering van een doel voor vogels is bepalend of het gebied een relevante bijdrage aan het realiseren van het landelijke doel levert of kan gaan leveren (zie ook paragraaf 3.11 van de Nota van Antwoord).
Voor elk specifiek gebied komt het erop neer dat de instandhoudingsdoelstelling van een bepaald habitattype of bepaalde soort alleen in samenhang kan worden gezien met de instandhoudingsdoelstelling op landelijk niveau en in andere Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat er weliswaar landelijk per soort of per habitattype naar een gunstige staat van instandhouding moet worden gestreefd, maar dat deze situatie niet in elk gebied afzonderlijk hoeft te worden nagestreefd. Binnen dit kader kan ook rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Recreatie en toerisme Beseft wordt dat Springendal & Dal van de Mosbeek een belangrijk onderdeel uitmaakt van het Twents toeristische product. De variatie in het landschap is de belangrijkste trekpleister voor toeristen. Het toeristische bedrijfsleven vindt dat de aard van het gebied zo moet blijven. In die zin is het belang van een adequaat natuurbeheer ook in het belang van een gezonde toeristische sector. In onder meer paragrafen 4.1.3 en 4.1.4 van de Nota van Antwoord is ingegaan op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven en de concurrentiepositie: afhankelijk van de bedrijfstak biedt de aanwezigheid van een Natura 2000-gebied dikwijls nieuwe mogelijkheden.
Dit specifieke gebied is een natuurgebied waar, ondanks de toeristische druk, natuurwaarden zich hebben kunnen handhaven of kunnen ontwikkelen. Niettemin is het door de ongunstige staat van instandhouding van habitattypen of soorten noodzakelijk om een herstelopgave te formuleren, zoals bijvoorbeeld geldt voor jeneverbesstruwelen (H5130) en het vliegend hert (H1083) in dit betreffende gebied. Wanneer er een herstelverplichting is, dient bij de te nemen maatregelen rekening te worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. Bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen is dat gedaan. Het afwegen van ecologie en economie gebeurt ook in het stelsel van vergunningverlening. Zie verder paragraaf 3.5 van de Nota van Antwoord. Complementaire doelen De analyse van de implementatie van Natura 2000 in Nederland (Kamerstuk 32670 nr. 24) laat zien dat de bescherming van complementaire doelen onder het Natura 2000-regime niet expliciet door de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt voorgeschreven. Daarom zullen deze doelen dan ook niet langer in de aanwijzingsbesluiten worden opgenomen. Onderbouwing besluiten In diverse ecologische rapporten34 en databanken zijn de natuurwaarden en vogelgegevens van Nederland beschreven.
Het is voor de selectie of ecologische onderbouwing van een Natura 2000-gebied niet noodzakelijk dat de aanwezige natuurwaarden op kaart worden aangegeven. Wel wordt in paragraaf 4.4 van
34 Zie voor een overzicht van de bronnen onder andere Ministerie van LNV (2007): Nota van Antwoord. Inspraakprocedure aanwijzing Natura 2000gebieden, bijlage 3. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.
54
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
deze Nota van toelichting een globale, niet-uitputtende, omschrijving gegeven van de verspreiding van de habitattypen en soorten in dit gebied. Het Natura 2000 doelendocument (2006) is één van de dragende beleidsdocumenten die aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegen. Het beleid zoals daar is uiteengezet, is bij de besluitvorming toegepast, maar het Natura 2000 doelendocument (2006) maakt géén onderdeel uit van het besluit. Met betrekking tot de vraag op welke wijze de gunstige staat van instandhouding voor een bepaald habitattype of een bepaalde soort kan worden bereikt, is er in de Nota van toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen waarin alle gebieden staan vermeld waaraan voor het betreffende habitattype of de betreffende soort een doel is toegekend. Op deze wijze is na te gaan hoe de landelijke opgave over het Natura 2000-netwerk is verdeeld. Het is echter een indicatieve vermelding, want het is niet de bedoeling in deze aanwijzing een besluit te nemen over de instandhoudingsdoelstellingen van andere gebieden. Kernopgaven In paragraaf 1.3.4 van de Nota van Antwoord staat vermeld dat de kernopgaven een belangrijk hulpmiddel zijn bij de focus en eventuele prioritering binnen de Natura 2000-beheerplannen. Ze beschrijven de belangrijkste behoud- en herstelopgaven per Natura 2000-landschap en zijn in het Natura 2000 doelendocument (2006) toebedeeld aan gebieden.
Het toevoegen van de kernopgaven aan de Nota’s van toelichting bij de definitieve aanwijzingsbesluiten heeft geen meerwaarde, omdat die informatie is opgenomen in het Natura 2000 doelendocument (2006). De kernopgaven zijn in deze procedure dan ook niet aan inspraak onderhevig. Ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen Indien een soort of habitattype landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, betekent dit niet automatisch dat in alle gebieden waar de betreffende waarde voorkomt hiervoor een hersteldoelstelling moet worden geformuleerd. In de Natura 2000 contourennotitie (2005) en het Natura 2000 doelendocument (2006) staan de hoofdlijnen voor het formuleren van de Natura 2000 doelen uitgewerkt. Daarmee is het Europese kader toegespitst op de Nederlandse situatie. Per gebied zijn er gebiedsdoelen opgesteld. Deze richten zich op de kwaliteit en oppervlakte van het habitattype of van het leefgebied van een soort. Voor soorten wordt daarnaast een doel gesteld voor de gewenste populatie. Voor sommige soorten en vrijwel alle vogels zijn hierbij richtinggevende aantallen genoemd. Deze dienen als (minimale) draagkracht voor het leefgebied binnen de begrenzing van het gebied. In het geval van herstel is de uitwerking van de landelijke doelen middels het principe van “strategisch lokaliseren” bepaald.
Dat wil zeggen dat de herstelopgave is neergelegd in de gebieden waar de meeste potentie is om het habitattype of het leefgebied van de soort te verbeteren. Voor verspreid voorkomende habitattypen en soorten is het niet mogelijk om de landelijke doelstellingen alleen binnen het Natura 2000-netwerk te realiseren. Opgaven buiten het Natura 2000netwerk worden via ander natuurbeleid gerealiseerd, zoals de Flora- en faunawet en de Ecologische Hoofdstructuur. Voor een aantal habitattypen is in het Natura 2000 doelendocument de expliciete keuze gemaakt om niet te streven naar een gunstige staat van instandhouding (Natura 2000 doelendocument (2006), pagina 138). Bij de evaluatie in 2015 worden zowel de ambities van de gebiedsdoelen als de landelijke instandhoudingsdoelstellingen tegen het licht gehouden en wordt bekeken of bijstelling nodig is. Monitoring Het ministerie van Economische Zaken (EZ) is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie en voor de monitoring van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen op landelijk niveau. Het ministerie van EZ zorgt voor een landelijk monitoringssysteem. De gebiedsgerichte monitoring zal plaatsvinden op basis van de monitoringsparagraaf in de beheerplannen waarin ook rollen en verantwoordelijkheden zijn uitgewerkt.
Voor zowel de landelijke als de gebiedsgerichte monitoring wordt momenteel - in samenhang - een programma van eisen ontwikkeld in overleg met het betrokken bevoegd gezag (ministerie van EZ, ministerie van Infrastructuur en Milieu, ministerie van Defensie en de provincies (Interprovinciaal Overleg)). Zie ook paragraaf 1.5.1 van de Nota van Antwoord. Nulsituatie of uitgangspunt In paragraaf 3.18 van de Nota van Antwoord staat vermeld dat bij het vaststellen van de gebiedsdoelen niet is uitgegaan van een bepaald referentiejaar, zoals het moment van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied of 55
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
aanmelding als Habitatrichtlijngebied. Als uitgangspunt geldt echter wel dat er geen verslechtering mag optreden ten opzichte van 2004, het moment waarop door Brussel de communautaire lijst met Habitatrichtlijngebieden is vastgesteld. Bij het vaststellen van de doelen is gekeken naar de staat van instandhouding van de betreffende soort of het habitattype op landelijk niveau. Ook is gekeken naar de (minimaal) benodigde oppervlakte leefgebied en/of habitattype om een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau te realiseren. Die (landelijke) staat van instandhouding vormde mede de basis voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor soorten en/of habitattypen per gebied. In de Nota’s van toelichting bij de besluiten is aangegeven of voor een soort of habitattype in een concreet gebied een behoud- of herstelopgave geldt. Zo is bijvoorbeeld een behoudopgave geformuleerd als er onevenredige maatregelen nodig zouden zijn om het gebied een grotere bijdrage te laten leveren. Realisatietermijnen Zoals in paragraaf 3.16 van de Nota van Antwoord wordt gesteld, zijn termijnen onmisbaar om de realisatie van doelen te plannen. Deze planningen zijn grotendeels afhankelijk van regionale en zelfs lokale omstandigheden. Daardoor zijn de op te stellen beheerplannen de aangewezen plaats voor het bepalen van de realisatietermijnen.
Om die reden is ervan afgezien realisatietermijnen in de aanwijzingsbesluiten op te nemen. Flankerend beleid In paragraaf 5.8 van de Nota van Antwoord staat als uitgangspunt geformuleerd dat de instandhoudingsdoelstellingen met behulp van bestaande budgetten worden gerealiseerd. De “bestaande budgetten” waaruit realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gefinancierd moet worden, zijn grotendeels opgenomen in het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en de financiële middelen voor de bestrijding van verdroging in de zogenoemde TOP-lijst gebieden35. Daarnaast is ook het bestaande beheerbudget voor Staatsbosbeheer een financieringsbron voor de instandhoudingsdoelstellingen. Waar de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gekoppeld zijn aan waterkwaliteit kunnen de additionele kosten worden gefinancierd via het spoor van de Kaderrichtlijn Water. Veel subsidiemogelijkheden voor inrichting en (agrarisch) natuurbeheer zijn met het ILG onder verantwoordelijkheid van de provincies gekomen. Daartoe behoren de maatregelen die vallen onder het Subsidiestelsel Natuur- & Landschapsbeheer (vanaf 2010) en de provinciale subsidieregelingen zoals de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL).
Verder is er in het kader van het LIFE+-programma vanuit de Europese Commissie geld beschikbaar voor overheden en NGO’s voor co-financiering van de ontwikkeling, implementatie, monitoring, evaluatie en communicatie van het Europees milieu- en natuurbeleid en van wetgeving op dit gebied, bijvoorbeeld voor projecten die gericht zijn op maatregelen voor behoud en herstel van Natura 2000-waarden. 4.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN Een inspreker heeft een deel van de Vasserheide nauwkeurig onderzocht en heeft de genoemde habitattypen en soorten niet aangetroffen. De aangegeven begrenzingen zijn dan ook zeer grof volgens de inspreker. De inspreker wil weten waar de desbetreffende habitattypen en soorten zich bevinden. Een andere inspreker vraagt zich af waar de habitats in het Natura 2000-gebied liggen en wil graag deze habitats zien. De inspreker merkt daarnaast op dat het deelgebied het Hazelbekke nergens wordt omschreven en welke habitats er voorkomen. De zienswijze is deels overgenomen. In paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting is de locatie van de genoemde habitattypen en soorten in het gebied globaal nader beschreven. Een meer uitgebreide beschrijving en kartering dient plaats te krijgen in het beheerplan.
Een inspreker merkt op over de toelichting van het habitattype droge heiden (H4030): “De grootste oppervlakte droge heiden in het gebied komt voor in de Manderheide, op de Paardenslenkte en op het Vassergrafveld (met onder meer zandhagedis)” dat het lijkt alsof de zandhagedis alleen op het
35
De door de provincies opgestelde lijsten met gebieden die in het kader van het verdrogingsbeleid met voorrang worden aangepakt.
56
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Vassergrafveld voorkomt. Op het Vassergrafveld komt echter (nog) geen zandhagedis voor, wel op de Manderheide en de Paardenslenkte. De tekst bij de toelichting van het doel is aangepast. Het voorkomen van de typische soort zandhagedis is niet opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Meerdere insprekers stellen dat de habitattypen oude eikenbossen (H9190), vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A), beuken-eikenbossen met hulst (H9120), heischrale graslanden (H6230), droge heiden (H4030), jeneverbesstruwelen (H5130), blauwgraslanden (H6410), overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A), kalkmoerassen (H7230) en vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91EOC) niet aanwezig zijn in het gebied. Volgens de insprekers is in het verleden geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van deze habitattypen. Bovendien zijn volgens de insprekers de gronden voor een groot gedeelte in gebruik als agrarische gronden. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Alle genoemde habitattypen komen in het gebied voor en hun ligging wordt globaal beschreven in de Nota van toelichting, paragraaf 4.4. De mogelijke gevolgen van de aanwezigheid van Natura 2000-waarden in het gebied voor het medegebruik zullen worden behandeld in het beheerplan. Een inspreker merkt op dat bij droge heiden (H4030) wordt gestreefd naar uitbreiding van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Echter bij oude eikenbossen (H9190) en beuken-eikenbossen met hulst (H9120) wordt gestreefd naar behoud van oppervlakte. Dit levert volgens de inspreker een knelpunt op met droge heiden. Bij uitbreiding van droge heiden zal zeker ook eikenbos (dat nog niet oud is, maar op verschillende plekken wordt gerekend tot berken-eikenbos en dus aan het habitattype voldoet) het veld moeten ruimen. De inspreker vraagt te kiezen welk habitattype prioriteit heeft. De inspreker heeft een voorkeur voor de uitbreiding van de droge heiden. De inspreker stelt voor om bij het doel bij oude eikenbossen en beukeneikenbossen met hulst het volgende op te nemen: “Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van droge heiden (H4030) is toegestaan.” De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Binnen het juridische kader van de Habitatrichtlijn is verslechtering van aanwezige waarden (in dit geval: vermindering van de oppervlakte oude eikenbossen en beuken-eikenbossen met hulst) niet toegestaan. In aanwijzingsbesluiten wordt met een “ten gunste formulering” een uitzondering gemaakt als er uitbreiding moet plaatsvinden van een in ongunstige staat verkerend habitattype én die uitbreiding alleen kan plaatsvinden ter plekke van een reeds aanwezig ander habitattype en het geen uitstel duldt (Natura 2000 doelendocument (2006)). Aan deze voorwaarden wordt in dit gebied niet voldaan.
Voor de uitbreidingsdoelstelling van het habitattype droge heiden (H4030) is in het gebied nog voldoende ruimte zonder dat dit ten koste gaat van andere aanwezige habitattypen. Daarnaast is gebleken dat het habitattype oude eikenbossen niet aanwezig is in het gebied. De doelstelling voor dit habitattype is dan ook vervallen, zie ook bijlage B.1. Een inspreker mist het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150). Dit habitattype komt volgens de inspreker in ieder geval op twee locaties in het gebied voor. In het brongebied met natte heiden bij het Vassergrafveld komt het habitattype volgens de inspreker duurzaam voor op het zand. De inspreker stelt dat stagnante laagtes en reeënpaadjes voor de instandhouding zorgen. De inspreker merkt op dat aan de bovenzijde van het brongebied van de Mosbeek ook het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) aanwezig is, en ook hier duurzaam pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) te vinden is. De inspreker stelt voor om pioniervegetaties met snavelbiezen op te nemen met het doel “behoud oppervlakte en kwaliteit” en als toelichting “het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) komt voor in de zonering van de brongebieden bij het Vassergrafveld en het Dal van de Mosbeek.” De zienswijze is deels overgenomen.
Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen is opgenomen in het aanwijzingsbesluit, zie voor een toelichting bijlage B.1.
57
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-045 | 045 Springendal & Dal van de Mosbeek
bijlage C
Meerdere insprekers merken op dat overgangs- en trilvenen (H7140A) geen relatieve bijdrage aan het landelijke doel levert maar toch is aangemerkt voor het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. De insprekers constateren dat het gebied ten onrechte is aangemeld voor dit habitattype. De zienswijze heeft niet tot aanpassing van het besluit geleid. Op basis van de Habitatrichtlijn heeft Nederland de verplichting om een gebied voor alle aanwezige habitattypen aan te wijzen. Het habitattype is aanwezig in het gebied, waardoor de doelstelling gehandhaafd zal blijven. Hoewel de huidige oppervlakte beperkt is, biedt het gebied potentie voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit, waarmee het een grotere bijdrage kan leveren aan de landelijke doelstelling. Meerdere insprekers stellen dat de habitattypen heischrale graslanden (H6230), blauwgraslanden (H6410), beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) slechts in een klein deel van het gebied voorkomen. De habitattypen dragen minder dan 2% bij aan het landelijke doel. Dat er geen kansen voor type blauwgraslanden (H6410) zijn, blijkt volgens de insprekers ook uit de knelpunten en kansenanalyse van KIWA waar dit habitattype niet eens is onderzocht.