CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

r_Bijlage 1 Inrichtingsplan.pdf

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassings Plan (PIP) “Springendal en Dal van de Mosbeek”39.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

In het gebied zijn tal van historische agrarische gebouwen te vinden en langs de beeklopen zelf spreken vooral de watermolens tot de verbeelding. De Molen van Frans en de Molen van Bels langs de Mosbeek en Molen de Mast langs de Hazelbeek, zijn unieke bakens in de tijd. De bakens vertellen het verhaal van Springendal en Dal van de Mosbeek (Gebiedsscan Ruimtelijke Kwaliteit Springendal en Dal van de Mosbeek 2017). De toekomstwaarde van het gebied vanuit natuurlijk perspectief werd beperkt. Verdroging, verzuring en vermesting leidden tot achteruitgang van habitattypen. Met de natuurherstelmaatregelen wordt de toekomstwaarde van het gebied, en daarmee ook de ruimtelijke kwaliteit, verhoogd. Maatregelen die verdroging, vernatting of overbemesting moeten voorkomen worden zoveel mogelijk kleinschalig, passend bij het kleinschalige cultuurlandschap vormgegeven.

30-7-2020

20

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

2.6 Huidig gebruik Het huidige landgebruik in Springendal - Dal van de Mosbeek kenmerkt zich door een afwisseling van natuur, landbouw en wonen (bebouwing). Figuur 12 toont het huidige landgebruik voor Springendal en Dal van de Mosbeek.

Figuur 12: Landgebruik Springendal-Dal van de Mosbeek Bebouwing is vooral geconcentreerd in de kernen Tubbergen, Ootmarsum en Vasse. Binnen deze kernen is ook kleine bedrijvigheid/industrie aanwezig. Daarnaast staan verspreid door het gebied veel vrijstaande boerderijen. Ook bevindt zich een aantal campings en vakantieparken in het gebied; in heel het gebied zijn recreatieve voorzieningen te vinden. Het natuurgebied Springendal - Dal van de Mosbeek kent een afwisseling van naaldbos, loofbos, heide, beken en grasland. Beheer bestaande natuurpercelen Terrein beherende organisaties hebben een belangrijke grondpositie in het gebied en verpachten ook landbouwgrond met beperkingen aan agrariërs in het gebied. Daarnaast zijn ook eigenaren die op enkele percelen agrarische natuurbeheer toepassen. Het valt op dat een deel van deze percelen op de site van Boer & Bunder aangemerkt zijn als ‘gewoon’ tijdelijk of blijvend grasland en dus meetellen voor de voorwaarde van 80% voor derogatie. Deze percelen, met beperkte bemestingsmogelijkheden tellen wel mee voor de totale plaatsingsruimte van mest op het bedrijf. Op deze manier is het mogelijk om meer mest op de overige gronden te gebruiken. Juist deze overbemesting op percelen levert extra uitspoeling op. Deze percelen hebben de functie natuur waarop niet of slechts beperkt bemest mag worden.

Daarnaast dienen TBO’s erop gewezen te worden dat de percelen niet meer mogen worden meegenomen in de mestboekhouding van agrariërs (derogatie). Het beheer op deze percelen moet gericht zijn op verschraling/uitmijnen.

30-7-2020

21

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

2.6.1 Landbouw Landbouwvormen Vanouds kwam in het plangebied het heidelandbouwsysteem voor wat is over gegaan in het traditionele gemengde landbouwbedrijf met melkvee, varkens en kippen. Vanaf de jaren 1970 zijn de meeste bedrijven zich gaan specialiseren, waarbij de meeste bedrijven zich hebben doorontwikkeld richting melkveehouderij. Enkele bedrijven hebben zich toegelegd op de intensieve veehouderij en of vleesveehouderij. Momenteel wordt de landbouw in de gemeenten Tubbergen en Dinkelland vooral gevormd door de veehouderij, waarbij de nadruk ligt op de melkveehouderij. Landbouw is voor het buitengebied van de gemeente Tubbergen een belangrijke economische pijler (Bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016; Bestemmingsplan Dinkelland buitengebied 2011). Landbouw en Natura2000 In totaal ligt er 181,5 ha landbouwgrond in het Natura2000-gebied en de zone buiten het Natura2000-gebied waar N2000maatregelen gepland zijn. De opdracht voor de provincie is om de N2000-maatregelen uit te voeren en negatieve effecten op de landbouw minimaal te houden. Het streven voor de landbouw is dan ook dat negatieve gevolgen van de N2000maatregelen beperkt moeten blijven. Bedrijven die gevolgen ondervinden worden gecompenseerd in geld of grond. Alle agrariërs die te maken krijgen met een maatregel op hun grond, zijn bezocht tijdens individuele keukentafelgesprekken.

Ook zijn twee groepsbijeenkomsten georganiseerd om de wensen en opgaven van agrariërs in beeld te brengen. Hieruit blijkt dat het aantal opvolgers hoger is dan landelijk gemiddeld. Dat betekent dat het gebied onvoldoende ruimte biedt om alle bedrijven te blijven ontwikkelen. Om zowel de Natura 2000 opgaven te realiseren als landbouwstructuur te verbeteren en compenserende gronden zoveel mogelijk op een goede plek te krijgen is kavelruil een beproefde optie. Dit is tevens nodig om aan de wens van landbouwstructuurversterking in de omgeving te voldoen. Gezien het belang van de landbouw in dit gebied, en de natuurwaarden in dit gebied, is een gedegen ruilproces nodig (Hageman 2015). Daar waar minnelijk geen overeenstemming bereikt wordt over de te nemen maatregelen, zal gebruik worden gemaakt van de instrumenten gedoogplicht c.q. onteigening Het advies aan de Provincie is om hierover in gesprek te gaan met RVO. TBO’s kijken voor hun eigen percelen of deze percelen niet worden opgegeven bij de GLB door de gebruikers.

2.6.2 Recreatie Het gebied Springendal - Dal van de Mosbeek is vanwege de omgeving en natuurwaarden aantrekkelijk voor recreanten. In het gebied zijn tal van overnachtingsmogelijkheden op de campings en hotels. Ootmarsum is een authentiek middeleeuws stadje en trekt jaarlijks vele bezoekers. Hier is op het gebied van natuur, cultuur en kunst een ruim aanbod aan monumentale bebouwing, galeries en musea. Ook treft men hier midgetgolf, huifkarverhuur, klootschietbanen, sportvelden en ijsbanen aan. Een intensief netwerk van wegen en paden biedt volop gelegenheid om te wandelen en te fietsen. Overal in het gebied zijn knooppunten aangegeven waarbij fietsers van de ene route op de andere kunnen overstappen. Ook zijn er ruiterpaden, kanoroutes en viswateren in het gebied.

30-7-2020

22

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3 DEELGEBIED HAZELBEKKE In dit hoofdstuk is eerst een nadere gebiedsbeschrijving van het deelgebied opgenomen. Daarna is achtereenvolgens ingegaan op de geomorfologie, de bodem, het oppervlaktewater, het grondwater, de waterkwaliteit en wordt een ecologische kenschets gegeven. Samen met de knelpunten geeft dit een goed beeld van het gebied ten aanzien van de doelstelling voor de habitattypen en de soorten. Uiteindelijk resulteert dit in maatregelen om de knelpunten op te lossen en de doelstelling te behalen. Tot slot wordt het doelbereik en de effecten van deze maatregelen toegelicht.

3.1 Gebiedsbeschrijving Het deelgebied Hazelbekke ligt op de westflank van de stuwwal van Ootmarsum, tussen de plaatsen Ootmarsum en Vasse. Het deelgebied is vernoemd naar het erf en de centrale beek in het gebied; het Hazelbekke. Het deelgebied kenmerkt zich door de verscheidenheid aan bostypen, vochtige en natte hooilanden, een trilveen en graanakkers. Op basis van het overwegend meanderende bekensysteem en de verschillende beeklopen is het deelgebied Hazelbekke opgedeeld in vierdeelsystemen; Noordtak/Droogdal, Zuidtak, Centrale Hazelbekke en de Onderbeek, zie Figuur 13.

Figuur 13: Deelgebieden Hazelbekke Noordtak De Noordtak van het Hazelbekke ontspringt in de bronvijver op landgoed Hoogenberg. De Noordtak is jaarrond watervoerend. Dit beekdal bestaat voor een belangrijk deel uit alluviale bossen en de benedenloop uit vochtig en nat hooiland. De alluviale bossen zijn hier alle als habitattype Alluviale bossen (H91E0) aangewezen. Droogdal Het Droogdal is onderdeel van de Noordtak en loopt vanaf de Hezinger Es richting het zuiden. Het is een droog, laaggelegen gebied. Het is een gebied waar de neerslag van nature de grond intrekt en daarmee het grondwater aanvult; de neerslag wordt alleen bij pieken over het oppervlak afgevoerd. De percelen worden gebruikt als grasland voor de landbouw. In dit deelsysteem komen geen (grondwaterafhankelijke) habitattypen voor. Wel zijn er in het Droogdal knelpunten die effect hebben op de habitattypen in de Noordtak. Zuidtak De Zuidtak ontspringt westelijk van de Höllweg. In de flank van de beekdalen ontspringen ook bronnen die de beken voeden. De Zuidtak kent droogval. Ter hoogte van Erve Hazelbekke komen de Noord- en Zuidtak bij elkaar; hier gaan de Noord- en Zuidtak over in deelsysteem Onderbeek

30-7-2020

23

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Dit beekdal bestaat voor een belangrijk deel uit alluviale bossen en in de bovenloop van de Zuidtak. De alluviale bossen zijn hier alle als habitattype Alluviale bossen (H91E0) aangewezen. Centrale Hazelbekke Het deelsysteem Centrale Hazelbekke ligt tussen de Noordtak en de Zuidtak. Bijzonder in het gebied is de aanwezigheid van een trilveen in het laaggelegen hooiland ten westen van boerderij Geerts, die wordt gevoed door uittredend grondwater. Ten zuiden van het trilveen loopt een kleine zijtak van het Hazelbekke die eveneens jaarrond watervoerend is. Het gebied bestaat uit de habitattypen Alluviale bossen (H913E0) en Overgangs- en trilvenen (H7140). Onderbeek Het meest westelijke deelsysteem is de Onderbeek. De beek ligt tegen de zuidzijde van de beekdalrand en is jaarrond watervoerend. Ter hoogte van de Denekamperweg, ten westen van de oude watermolen ‘De Mast’, verlaat Hazelbekke het Natura 2000-gebied. Het grondgebruik is grotendeels nat- en vochtig hooiland. Dit deelgebied kent naast Alluviale bossen in het beekdal (H913E0) ook het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) buiten het beekdal.

3.2 De fysische ondergrond 3.2.1 Geomorfologie In deze paragraaf is de ontstaansgeschiedenis en opbouw van de (diepe) ondergrond toegelicht. Het deelgebied Hazelbekke ligt op de westflank van de stuwwal van Ootmarsum. Ten westen hiervan bevindt zich de Slenk van Reutum.

Figuur 14: Hoogtekaart Hazelbekke (AHN) In paragraaf 2.1 is beschreven hoe een pakket landijs de stuwwal van Ootmarsum vormde. Het smeltwater van het landijs sleet diepe erosiedalen uit. Deze zijn later gedeeltelijk opgevuld door wind afgezette zandige lagen of hellingmateriaal dat onder zwaartekracht het dal in schoof. In de erosiedalen zijn op de stuwwal van Ootmarsum meerdere beken ontstaan, waaronder het Hazelbekke. Op de natste plekken in de erosiedalen, waar de waterafvoer beperkt was en grondwater stagneerde, heeft veenvorming plaatsgevonden. Dit komt op verschillende plekken in het Hazelbekke voor. Voor veenvorming zijn zeer natte omstandigheden nodig met een stabiele of weinig wisselende waterstand. In beekdalen treedt veenvorming voornamelijk op bij de aanwezigheid van kwel. Het beste voorbeeld is het trilveen in Centrale Hazelbekke. Op de hoogtekaart in Figuur 14 zijn de laaggelegen erosiedalen (waarin de beken stromen) goed zichtbaar. Kenmerkend voor het deelgebied Hazelbekke is het reliëf en bijbehorende grote hoogteverschillen met daarnaast de grote variatie in

30-7-2020

24

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek geologische opbouw en bodemtypen (Figuur 15). Het gestuwde materiaal bestaat voor een belangrijk deel uit slecht doorlatende klei en uit rivierzanden.

Figuur 15: Verbreiding glaciaal gestuwde pakketten (naar: Van den Berg en den Otter, 1993) en Bodemkartering (Naar: Badus, 2018)

3.2.2 Bodem In deze paragraaf is de ‘ondiepe bodem’ tot enkele meters onder maaiveld beschreven. Als gevolg van de complexe geologische en bodemvormende processen, maar ook als gevolg van de bewonings- en ontginningsgeschiedenis (zoals beschreven in hoofdstuk 2) zijn in het gebied diverse bodemtypes aanwezig. Op de bodemkaart (Figuur 16) is deze variatie zichtbaar, al is dit vanwege de grote schaal (1:50.000) een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Om een beter beeld te krijgen van de grote diversiteit aan bodemtypes in het gebied, is rondom het Hazelbekke een detailbodemkartering uitgevoerd (Figuur 17). Het doel hiervan is om tot een goede onderbouwing van maatregelen op perceelsniveau te komen. Met name aan noord- en zuidzijde van het deelgebied is deze kartering uitgevoerd. Uit de bodemkaart (Figuur 16) en de aanvullende bodemkartering (Figuur 17 (Badus 2018)) blijkt dat de hoge en drogere delen van de stuwwal grotendeels uit haarpodzolgronden bestaan (humusgrond met lage grondwaterstand). Naast de haarpodzolgronden komen er ook zwarte enkeerdgronden voor. De enkeerdgronden liggen op de essen. Deze essen zijn door de mens ontstaat als gevolg van bemesting met heideplaggen. In de laaggelegen beekdalen is de grootste verscheidenheid aan bodemtypen aanwezig. Naast beekeerdgronden, zijn hier ook meerveen-, gooreerd- en broekeerdgronden.

Eerdgronden zijn gronden met een humusrijke bovengrond (Giesen en Geurts, 2006; waterschap Regge en Dinkel, 2010). De gronden in de laaggeleden beekdalen zijn erg nat door de invloed van grondwater.

30-7-2020

25

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 16: Bodemkaart 1:50.000 (provincie Overijssel, 2018)

Figuur 17: Detailbodemkaart nader gekarteerde percelen (Badus, 2018)

3.3 Watersysteem 3.3.1 Oppervlaktewater Deze paragraaf beschrijft hoe het neerslag- en afvoerproces in het Hazelbekke functioneert. Hierbij is aandacht voor wat er tijdens en na een regenbui in het stroomgebied gebeurt en welke factoren hier invloed op hebben. 30-7-2020

26

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Het Hazelbekke is een beeksysteem, waarbij de flanken sterk in helling liggen. Dit reliëf is in de loop der tijd versterkt door het insnijden van de beek. Het maaiveld loopt snel op met hoogteverschillen van lokaal meer dan twee meter over een afstand van 10 meter. Het Hazelbekke ligt daarmee relatief diep in ten opzichte van de omgeving. In het Hazelbekke zijn vooral de bodemeigenschappen maatgevend: •

Bij een zandige ondergrond is er nauwelijks sprake van piekafvoeren. Het regenwater kan infiltreren in de bodem. Er treedt alleen oppervlakkige afspoeling naar de beek op als het grondwater zodanig hoog is dat er geen infiltratie meer mogelijk is.

•

Wanneer er ondiep een ondoorlatende laag (tertiaire klei, keileem of bodemverdichting) voorkomt, treedt er snel oppervlakkig afspoeling naar de beek op. Het regenwater kan niet in de bodem infiltreren, waardoor het de helling volgt richting de beek.

3.3.2 Grondwater In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het functioneren van het lokale systeem nader toegelicht. De complexe geohydrologie in het Hazelbekke heeft geleid tot het ontstaan van een kwel- en bronnenrijk gebied. Het beekdal van het Hazelbekke wordt beïnvloed door zowel lokaal als regionaal grondwater. Lokale grondwatersystemen Het deelgebied Hazelbekke wordt gekenmerkt door bronsystemen. Dit betekent dat op verschillende plekken in en rondom het beekdal jaarrond grondwater uittreedt, maar sommige plekken ook droogval kennen. Uniek is dat de bronnen niet alleen in het beekdal zelf voorkomen, maar ook op de randen van het beekdal (flanken) en op hoger gelegen delen buiten het beekdal. Dit is het gevolg van slecht doorlatende lagen in de bodem die in het Hazelbekke ook aan maaiveld voorkomen. Op die plekken kan grondwater uittreden en zo een bron vormen (Figuur 18). In het beekdal komt de grondwaterstand jaarrond aan maaiveld. In de flanken van het maaiveld fluctueert de grondwaterstand. In de winter zijn de grondwaterstanden op de hogere delen en flanken dicht bij maaiveld, terwijl deze in de zomer wegzakken. Uitzondering hierop zijn de bronsystemen zelf, waar jaarrond grondwater uittreedt en grondwater tot dicht onder maaiveld staat.

Figuur 18: Geschematiseerde dwarsdoorsnede met de verschillende lagen en bronnen in Hazelbekke (Van Huissteden, 1989)

3.4 Ecologische waarden Deze paragraaf beschrijft de ecologische waarden in deelgebied het Hazelbekke. Voorkomende habitattypen In het Hazelbekke komen twee grondwaterafhankelijke habitattypen voor: Vochtige alluviale bossen(H91E0) en Overgangs- en trilvenen (H7140). De Vochtige alluviale bossen (Figuur 19) bestaan hier uit Elzenbronbos en VogelkersEssenbos. Het Overgangs- trilvenen wordt gekenmerkt dooreen rompgemeenschap (niet optimaal ontwikkeld vegetatietype) van Waterdrieblad. Het trilveen ligt in Centrale Hazelbekke, in Figuur 19 is dit niet weergegeven. Op de hogere gronden komt het grondwateronafhankelijke habitattype Beuken-Eikenbossen met Hulst (H9120) voor.

30-7-2020

27

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek In Figuur 19 zijn met uitzondering van het Overgangs- en trilveen en Tabel 7 zijn alle habitattype weergegeven die voorkomen in het Hazelbekke. Per habitattype zijn ook de instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. In de kolommen ‘Doel oppervlakte’ en ‘Doel kwaliteit’ staat of de kwaliteit en de oppervlakte van het habitattype doelmatig wordt behouden (=) of uitgebreid (>) moet worden.

Figuur 19: Habitattypen en N2000 begrenzing Hazelbekke (RIVM, 2015) Tabel 7: Instandhoudingsdoelstelling van de habitattypen in het Hazelbekke Habitattypen

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H91E0 Vochtige alluviale bossen H7140 Overgangs- en trilvenen4

= > >

> > >

In de volgende alinea’s zijn alle in het Hazelbekke voorkomende habitattypen kort beschreven. In het basisdocument van het Hazelbekke (Fieldlab 2018, bijlage 3) is de ontwikkeling van de vegetaties en trends van indicatorsoorten meer in detail beschreven. H9120, Beuken-eikenbossen met hulst Beuken-eikenbossen met Hulst komen voor op droge tot vochtige zand- en leemgronden. In het gebied zijn die te vinden op het stuwwalplateau en tegen de hellingen rond de beekdalen. Deze standplaatsen worden enkel door regenwater gevoed en zijn voor buffering van de zuurgraad afhankelijk van de bodem. Om achteruitgang van dit habitattype te voorkomen zijn in de 1e N2000-beheerplanperiode geen inrichtingsmaatregelen nodig. H91E0, Vochtige alluviale bossen (Alluviale bossen) Het habitattype Vochtige alluviale bossen komt met twee bostypen voor in Hazelbekke: • De elzenbronbossen (Elzenzegge-Elzenbroekbos subassociatie Bittere veldkers) zijn rijk ontwikkeld en hebben een duidelijk voorjaarsaspect met Paarbladig en Verspreidbladig goudveil, Gewone dotterbloem, Bittere veldkers en minder opvallende soorten als Bosbies, Holpijp en Kleine valeriaan. Dit bostype wordt door permanente kwel van basenrijk water gevoed.

De grondwaterstanden fluctueren tot maximaal 0,20 meter rond het maaiveld (Figuur 20) • Op iets hoger gelegen plekken komen Vogelkers-Essenbossen voor met opvallende bosplanten als Slanke sleutelbloem en Boswederik en minder opvallende soorten als Groot heksenkruid en het zeer zeldzame

4

Dit habitattype staat niet op de habitattypenkaart, maar er is geconstateerd dat dit habitattype wel aanwezig is (Fieldlab, 2018, bijlage 3)

30-7-2020

28

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Alpenheksenkruid. De kwelinvloed is wat minder intens en de grondwaterstanden fluctueren wat meer dan in het Elzenbronbos. De Vochtige alluviale bossen (verder genoemd, Alluviale bossen), zijn in het Hazelbekke goed ontwikkeld. Al zijn op een aantal plekken indicatorsoorten aanwezig van verdroging en vermesting, zoals de Grote brandnetel, Gewone braam en Brede stekelvaren.

Figuur 20: Hazelbekke: Vochtige alluviale bossen Elzenzegge-Elzenbroek subassociatie Bittere veldkers H7140, Overgangs- en trilvenen (Figuur 21) In Centrale Hazelbekke komt Overgangs- en trilveen voor. Trilvenen komen in laag Nederland voorop veengronden met goed gebufferd oppervlaktewater. Op de hogere zandgronden is dit habitattype een bijzondere verschijning en komt alleen voor onder invloed van sterke kweldruk met basenrijk water en permanent hoge grondwaterstanden, zoals in het Hazelbekke. Het trilveen in Centrale Hazelbekke is kwelgevoed, instroom van oppervlaktewater is ongewenst Het kwalificerende vegetatietype is een rompgemeenschap van Waterdrieblad. Het merendeel van de soorten wijst op een verdere ontwikkeling in de richting van een Dotterbloemhooiland (Hommel en de Waal, 2013 en Horsthuis en Eysink, 2015). De kritische trilveen soort, Ronde zegge komt zowel in 1948 en in 2012 en 2014 met dezelfde presentie voor. Het trilveen is niet goed ontwikkeld; met uitzondering van Ronde zegge ontbreken kensoorten van de associatie van Schorpioenmos en Ronde zegge. Door de gunstige terreincondities zijn de juiste randvoorwaarden aanwezig en door zorgvuldig hooilandbeheer en randbeheer kan het trilveen in kwaliteit verbeteren.

30-7-2020

29

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 21: Hazelbekke Overgangs- en trilveen. Vegetatietype Rompgemeenschap Waterdrieblad

3.5 Knelpunten Binnen het deelgebied spelen vier knelpunten, namelijk verdroging, vermesting, verzuring en veenafbraak, waarbij veenafbraak een afgeleide is van de knelpunten verdroging en vermesting. Dit wordt verder in deze paragraaf nader toegelicht. Per deelsysteem binnen het Hazelbekke wordt vervolgens ingegaan op de aanwezige knelpunten.

3.5.1 Verdroging In het Hazelbekke is op een aantal plekken het knelpunt verdroging geconstateerd, zie Figuur 22. In het N2000-beheerplan is dit knelpunt gespecificeerd in verdroging door verschillende oorzaken met de nummers (K1 t/m K7). Verdroging uit zich in een te lage voorjaars- en zomergrondwaterstand en het voorkomen van Grote brandnetel en Gewone braam. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Die worden hieronder nader toegelicht.

30-7-2020

30

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 22: Indicatieve ligging van plekken waar verdroging en veenoxidatie speelt in het Hazelbekke. Ontwatering binnen het habitattype In het Hazelbekke is de beek op een aantal plekken te diep ingesneden. Door de diepe ligging van de beek (Figuur 23) onttrekt de beek extra grondwater (draineert de omgeving), waardoor de grondwaterspiegel verder onder het maaiveld komt te liggen en de bodem verdroogt.

Figuur 23: Voorbeeld van insnijding van de beek (links) en rechts van een niet ingesneden beek De diepe insnijding van de beek is het gevolg van erosie door hoge stroomsnelheden bij piekafvoeren. In Figuur 24 zijn de stroomsnelheden weergegeven voor een regenbui die statistisch gezien één keer in de 100 jaar voorkomt. De hoge stroomsnelheden komen vooral voor in de Onderbeek en het Droogdal. Verder zijn er plekken in Zuidtak waar de stroomsnelheden hoger liggen. Op deze plekken is de beek te diep ingesneden, zie Figuur 23.

30-7-2020

31

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 24: Weergave van stroomsnelheden in het Hazelbekke in de huidige situatie bij een reële situatie van T=100 (Arcadis, 2018, zie bijlage 5) Ontwatering in de omgeving Het aanleggen van lokale ontwatering ten behoeve van landbouwpercelen is de belangrijkste oorzaak van verdroging. Daarnaast zijn er diverse aangravingen geweest om de watermolens (Hazelbekke Zuidtak, Hanstede Noordtak en de Mast Onderbeek) van een meer constante stroom van water te voorzien. In de afgelopen jaren zijn al veel ontwateringssloten gedempt waardoor verdroging door ontwatering in de omgeving al deels is aangepakt. Hierna is gebleken dat veel van deze percelen hierna ongeschikt zijn voor landbouwkundig gebruik.

3.5.2 Vermesting Binnen het Hazelbekke (in zowel de Noordtak als de Zuidtak) treedt verruiging in de vegetatie op door grondwater dat is verrijkt met nutriënten (meststoffen). In het N2000-beheerplan zijn dit knelpunten K8 en K11). Door de uitspoeling van nitraat komen indicator soorten voor voedselrijke milieus als de Grote brandnetel en Gewone braam voor, die zorgen voor een kwaliteitsvermindering van de habitattypen. Daarnaast kan uitspoeling van nitraat ook zorgen voor veenafbraak. Wanneer nitraatrijk grondwater in aanraking komt met pyrietafzettingen (ijzerafzetting), vindt omzetting naar sulfaat plaats. Door dit proces kan het zo zijn dat de gemeten nitraatconcentraties in de natuurgebieden laag zijn en juist de sulfaatwaarden hoog. Sulfaat kan onder zuurstofloze omstandigheden dienen als oxidator voor het proces wat leidt tot veenafbraak. Door de ondiepe ligging van mariene afzettingen komen pyrietafzettingen van nature relatief ondiep in de bodem voor in dit gebied, waardoor het extra gevoelig is voor dit proces van sulfaatvorming. Daarnaast is sulfaat aanwezig door depositie en komt beschikbaar door verdroging. In Hazelbekke is in het oppervlaktewater een dalende trend voor fosfaat (1999-2017) en een stijgende trend van sulfaat zichtbaar in de periode 1999-2008. Voor nitraat is er geen duidelijke trend zichtbaar (1999-2017).

Voor de waterkwaliteit zijn de nutriëntnormen gehanteerd zoals beschreven in Claessens et al (blz. 32 RIVM 2014). Deze grenswaarden zijn richtinggevend gebruikt voor een toetsing op de toestand van de grondwaterkwaliteit. Daarbij opgemerkt dat dit richtgetallen zijn die afhankelijk van de lokale omstandigheden en het systeemfunctioneren bepalend zijn voor het doelbereik. Uitgaande van deze normen is de concentratie nitraat en sulfaat in het grondwater (enkele plekken uitgezonderd) te hoog in Hazelbekke. Soms is nitraat laag door denitrificatie of omzetting in sulfaat. De fosfaatconcentratie voldoet wel aan de criteria die de habitattypen stellen, behalve in de Zuidtak. In het trilveen zijn de waarden voor fosfaat, nitraat en sulfaat in het grondwater goed. Zie Bijlage 7 (sub-Bijlage 1: Toetsingskader).

30-7-2020

32

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3.5.3 Verzuring Wanneer de invloed van kwelwater vermindert in de habitattypen en de grondwaterstanden te laag staan, kan verzuring optreden door stikstofdepositie. De hoeveelheid kwel heeft invloed op de buffercapaciteit in het gebied. De buffercapaciteit geeft de mate aan waarin een systeem in staat is te compenseren voor veranderingen in zuurconcentraties. In het N2000beheerplan is dit knelpunt gespecificeerd in verdroging door verschillende oorzaken met de nummers (K1 t/m K7). In waterverzadigde bodems vinden processen plaats die buffercapaciteit genereren. Verdroging van natte systemen gaat vaak samen met verzuring. Door een lagere grondwaterstand kan namelijk ook een dikkere laag met zuur regenwater in de bodem ontstaan. In het Hazelbekke zijn enkele peilbuizen die verzuring laten zien, waaronder in de Onderbeek. Bij de beoordeling van de zuurgraad zijn de abiotische randvoorwaarden voor habitattypen gebruikt zoals beschreven in Claessens et al (RIVM 2014). Voor de habitattypen Overgangs- en trilvenen en Vochtige alluviale bossen is de zuurconcentratie goed met waarden die zelfs 1 pH punt hoger liggen dan de norm van goed. Deze norm is vastgesteld op de bandbreedte pH 5,5 tot 6,5 (Claessens et al., 2014). De zuurgraad voor oppervlaktewater voor deze habitattypen voldoet met een pH-waarde tussen 6,5 en 8 aan de KRW-norm voor zeer goed.

Enige uitzondering hierop is een meetmoment rond 2000.

3.5.4 Veenafbraak (gevolg van verdroging en/of vermesting) Binnen het gebied Hazelbekke komt veenafbraak in de bodem voor. Veenafbraak zorgt voor een hogere voedselrijkdom ter plaatse waardoor de standplaats van het habitattype wordt aangetast (verlaging van de bodem door de afbraak van veen), zie Figuur 25. Dit heeft een negatief effect op de Alluviale bossen in het Hazelbekke, die voorkomen bij licht tot matig voedselrijke omstandigheden (profieldocument H91E0, 2008).

Figuur 25: Richting de boom vindt terugschrijdende erosie plaats als gevolg van veenafbraak Veenafbraak ontstaat door mineralisatie (omzetting van plantenresten in anorganische stoffen, bv. nitraat). Dit proces wordt geactiveerd wanneer een oxidator (chemische stof die elektronen kan opnemen) in aanraking komt met het veen. Dit kan op twee manieren gebeuren. Ten eerste door te lage grondwaterstanden waardoor zuurstof bij de veenlaag in de bodem kan komen en zorgt voor oxidatie van het veen, ofwel: veenafbraak. Feitelijk is veenafbraak mineralisatie van het veen waarbij nitraat wordt gevormd. Een tweede manier van veenafbraak ontstaat wanneer de veenlaag in de bodem in contact komt met sulfaatrijk grondwater onder zuurstofloze omstandigheden. Beide processen komen in de beekdalen van het Hazelbekke voor. Aangezien veenafbraak optreedt door verdroging en vermesting wordt in paragraaf 3.5.2 het knelpunt veenafbraak onder verdroging en vermesting toegelicht. Vanwege de lange hersteltijd voor veen vormt veenafbraak een grote kans op onomkeerbare schade aan een gebied. Het nemen van maatregelen voor behoud en herstel van veen heeft daarom een hoge urgentie.

30-7-2020

33

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3.5.5 Knelpunten per deelsysteem Droogdal In het Droogdal komen geen gekwalificeerde habitattypen voor. Wel is er een hydrologische relatie met de habitattypen die in Centrale Hazelbekke voorkomen. Wanneer het dal in natte perioden of als gevolg van hevige neerslag watervoerend wordt, stroomt dit water langs en door het habitattype Alluviale bossen. Verdroging Bij hevige neerslag ontstaat er een piekafvoer vanuit het droogdal naar de beek. Deze piekafvoer ontstaat door oppervlakkige afspoeling op landbouwgrond grenzend aan het droogdal. Dit zorgt voor hoge stroomsnelheden en diepe insnijding van de beek benedenstrooms. Vermesting Het droogdal heeft geen grondwaterrelatie met de habitattypen in het Hazelbekke. Wel komt het oppervlaktewater in de beek terecht die langs het Beekbegeleidende bos stroomt. Dit oppervlaktewater voldoet niet aan de kwaliteitsnormen van het grondwater en leidt bij inundatie voor vermesting. Noordtak In de Noordtak komt het habitattype Alluviale bossen voor als goed ontwikkeld. Echter, hier is ook verdroging en vermesting waar te nemen, herkenbaar aan het voorkomen van Grote brandnetel en Gewone braam. Verdroging In de Noordtak speelt verdroging op verschillende locaties een rol. Ter hoogte van landgoed Braakhuizen is de beek diep ingesneden in het beekdal.

Daarnaast liggen aan de zuidoostkant graslandpercelen (onderdeel van landgoed Braakhuizen) op een helling. Tijdens piekafvoeren gaat het regenwater met hoge stroomsnelheden richting de beek. Dit leidt tot insnijding van de beek, wat zorgt voor verdroging (zie figuur 3.16). Ook verder stroomafwaarts zijn tekenen van verdroging zichtbaar door historisch gebruik (omleiden van de beek voor de watermolen) en veenafbraak. Vermesting In de Noordtak komen plantsoorten voor die wijzen op voedselrijke omstandigheden. Daarnaast zijn de grillige patronen in Figuur 26 een indicatie van veenafbraak door sulfaatrijk grondwater. Nitraat is hierbij de aanjager voor dit proces. Door metingen die zijn gedaan in het Hazelbekke wordt bevestigd dat indicatoren voor veenafbraak aanwezig zijn; in het oppervlaktewater zijn zowel de nitraat- als de sulfaatwaarden hoog en in het grondwater zijn hoge sulfaatwaarden gemeten. De waarden wijzen er op dat nitraat wordt aangevoerd via het grondwater. Dit wordt omgezet in sulfaat, wat leidt tot veenafbraak.

Figuur 26: indicatie van voorkomen van verdroging en veenoxidatie in Noordtak net benedenstrooms van het stuwmeertje

30-7-2020

34

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Daarnaast ligt een aantal percelen in een helling richting de habitattypen en de beek. Tijdens een regenbui vindt hier runoff plaats. Dit heeft niet alleen effecten op de stroomsnelheden, maar kan ook sedimenten van de betreffende percelen meevoeren naar de habitattypen. Deze sedimenten bevatten bodemdeeltjes en nutriënten waaronder fosfaat en nitraat. Er zijn drie hydrologische oorzaken van vermesting: • Oppervlakkige afspoeling, • Ondiepe uitspoeling en • Uitspoeling. De Noordtak ligt wat betreft grond- en oppervlaktewater onder invloed van het gebied tussen de Brandtorenweg en Höllweg, de kop van de Hezinger Esch, Landgoed Braakhuizen en de direct omliggende bossen, zie Figuur 26. Deze percelen zijn deels in landbouwkundig gebruik en deels omgevormd naar natuur. Om de aanvoer van nutriëntrijk water te verminderen moet uitspoeling van nitraat naar grondwater en de afspoeling van sedimenten uit hellende percelen worden geminimaliseerd. Zuidtak In de Zuidtak komt het habitattype alluviale bossen voor als goed ontwikkeld. Echter hier is ook verdroging en vermesting waar te nemen, herkenbaar aan het voorkomen van Grote brandnetel, Gewone braam, Brede stekvaren en Framboos. Verdroging In de Zuidtak komt verdroging voor ten oosten van de Slenkteweg (Figuur 27).

Hier zijn de zomergrondwaterstanden, met meer dan 60 cm onder maaiveld, te laag (Smolders et al., 2017; Fieldlab 2018, bijlage 3). Dit als gevolg van de diepe insnijding van de beek. Ook komt hier vlak langs de beek de Grote brandnetel voor, wat een indicator is voor verdroging. Omliggende landbouwpercelen zorgen voor piekafvoeren richting de beek. Hier komen ondiepe ondoorlatende lagen voor, waardoor het water niet kan infiltreren en al bij kleine hoeveelheden neerslag afspoelt.

Figuur 27: indicatie van voorkomen van verdroging en veenoxidatie in Zuidtak Vermesting Vermesting komt over de hele Zuidtak in meer of mindere mate voor. In het grondwater zijn op meerdere meetpunten hoge nitraat- en sulfaatconcentraties gemeten (Fieldlab, 2018, bijlage 3). Ten zuiden van de Zuidtak komen tertiaire gronden (geologische afzettingen uit het Tertiaire tijdperk) voor, zowel binnen het habitattype als in de landbouwpercelen. Wanneer nitraatrijk grondwater in aanraking komt met pyrietafzettingen, vindt omzetting naar sulfaat plaats. Sulfaat kan onder zuurstofloze omstandigheden dienen als oxidator voor het proces wat leidt tot veenafbraak. Daarmee zijn de habitattypen in de Zuidtak gevoelig voor veenafbraak door de aanwezigheid van pyrietafzettingen.

30-7-2020

35

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Nitraatrijk grondwater in de Zuidtak komt via de noordzijde en de zuidzijde van het beekdal naar het habitattype toe. De gronden aan de noordzijde zijn merendeel omgevormd naar natuur. Ten zuiden van de beek komt voornamelijk grasland en akkerbouw voor. Om de aanvoer van nitraatrijk grondwater te verminderen, moet uitspoeling van nitraat naar het grondwater worden geminimaliseerd. Centrale Hazelbekke In de Centrale Hazelbekke komt het habitattype Alluviale bossen als goed ontwikkeld voor. Ook komt hier het habitattype Overgangs- en trilvenen voor.

Figuur 28: indicatie van voorkomen van verdroging en veenoxidatie in Centrale Hazelbekke Verdroging In Centrale Hazelbekke zijn geen grote verdrogingsknelpunten. De peilbuizen laten een voldoende hoge grondwaterstand zien en ook het geringe voorkomen van indicatorsoorten als Grote brandnetel en Gewone braam wijzen uit dat verdroging hier niet aan de orde is (Fieldlab, 2018, bijlage 3). Wel is sprake van diepe insnijding van de beek ter hoogte van Erve Hazelbekke. De beek gaat hier met een sterke helling door een duiker heen. Dit veroorzaakt terugschrijdende erosie (afkalven van beekbodem in stroomopwaartse richting) in de beek. Vermesting De grillige patronen (zie Figuur 28) zijn een indicatie van veenafbraak door sulfaatrijk grondwater. Nitraat is hierbij de aanjager voor dit proces. Metingen door Waterschap Vechtstromen en Hullenaar (2003) tonen aan dat de sulfaatwaarden hier te hoog zijn. Ondiep komen hier tertiaire gronden voor. Er is dus een risico van sulfaat en daardoor veenafbraak in dit deelsysteem. Om de aanvoer van nutriëntrijk water te verminderen moet uitspoeling van nitraat naar grondwater en de afspoeling van sedimenten uit hellende percelen worden geminimaliseerd. In het trilveen laten de waterkwaliteit gegevens zien dat vermesting in grondwater geen knelpunt is.

Echter, de langsstromende beek van de noordtak en de beek van de zuidtak die door het trilveen stroomt, zorgen wel voor een vermestingsknelpunt. De nutriënten in het beekwater zijn te hoog voor de vereisten van het trilveen (Fieldlab, 2018, bijlage 3).

30-7-2020

36

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Onderbeek In de Onderbeek komt het habitattype Alluviale bossen goed ontwikkeld voor. Hoewel de omstandigheden nog voldoende nat zijn voor Beekbegeleidende zijn er toch sporen van verdroging en vermesting in het gebied. Indicatorsoorten Grote brandnetel en Gewone braam komen namelijk veel voor in dit deelsysteem.

Figuur 29: indicatie van voorkomen van verdroging in de Onderbeek Verdroging In dit deelsysteem is verdroging een belangrijk knelpunt. De peilbuis in dit gebied heeft een zomergrondwaterstand van 50 cm onder maaiveld, terwijl de optimale standplaatsconditie maximaal 20 cm onder maaiveld is. Oorzaak van dit knelpunt is de diepe insnijding van de beek. Ook zijn in dit deelsysteem lokale watergangen en drainage die een verdrogend effect hebben op het habitattype. Vermesting In dit deelsysteem is vooral de verdroging zichtbaar op de hillshade kaart, zie Figuur 29. Uit de metingen zijn wel aanwijzingen voor veenafbraak, namelijk verhoogde sulfaatconcentraties. Oorzaken hiervan zijn aanvoer van nitraatrijk grondwater uit omliggende percelen en ook de toevoer van water direct uit drainagebuizen.

3.5.6 Conclusie Het habitattype Vochtige alluviale bossen is in het Hazelbekke grotendeels goed ontwikkeld, maar laten lokaal wel verdroging (veenafbraak) en vermesting (verruigging) zien. Binnen de habitattypen komen de Grote brandnetel en Gewone braam zodanig voor dat het een indicatie is voor verdroging en vermesting. Uit de peilbuisanalyse blijkt dat de grondwaterstanden op een aantal plekken te diep uitzakken. Beschikbare kwaliteitsmetingen tonen relatief te hoge concentraties sulfaat en fosfaat in het grondwater in het habitattype ten opzichte van de KRW-richtwaarde en de norm gesteld in Claessens. Het nitraatgehalte is in beperkte mate hoger dan deze richtwaarden. Het habitattype Trilveen is met de rompgemeenschap van Waterdrieblad matig ontwikkeld ofschoon de grondwaterkwaliteit goed is. De kwaliteit is te verbeteren door verhogen van gemiddelde grondwaterstand.

30-7-2020

37

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3.6 Maatregelen en doelbereik Om het behoud van de habitattypen te borgen zijn ingrepen in de waterhuishouding en in bemesting nodig (grondwaterkwantiteit en waterkwaliteit). De maatregelen die nodig zijn om de knelpunten op te lossen zijn in de volgende paragraaf onderbouwd en uitgewerkt. De eerste paragrafen van dit hoofdstuk (paragraaf 3.1 t/m 3.4) geven inzicht in de werking van het deelgebied Hazelbekke en hoe dit als systeem werkt. Paragraaf 3.5 geeft inzicht in de knelpunten die zich voordoen in de verschillende deelsystemen van Hazelbekke; de (hydrologische) relatie tussen de deelsystemen - en daarmee de zich hierin bevindende percelen - en de habitattypen zijn hiermee inzichtelijk. Vanuit deze relatie zijn maatregelen opgesteld voor de percelen waar zich knelpunten voordoen. De maatregelen worden uitgevoerd voor habitattype Alluviale bossen (H91E0C) en Overgangs- en trilvenen (H7140). Voor de Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) zijn in de 1e N2000-beheerplanperiode geen maatregelen nodig (Overijssel, 2018). Deze paragraaf start met de maatregelen uit het N2000-beheerplan en de aanpak om te komen tot de maatregelen. Daarna wordt een totaalbeeld van alle maatregelen gegeven, die in separate deelparagrafen nader worden toegelicht per deelsysteem. Het doelbereik (effectiviteit) is ook in deze deelparagrafen beschreven.

Het effect op de omgeving wordt in de volgende paragraaf (3.7 toegelicht).

3.6.1 Maatregelen uit het N2000-beheerplan In het N2000-beheerplan zijn voor Hazelbekke onderstaande maatregelen beschreven in Tabel 8.

Tabel 8: Maatregelen Hazelbekke uit het N2000-beheerplan Maatregelen N2000 maatregel

t.b.v.

Doelen

M38

K3

•

M39

K11+ • K21+ K22+ K23

Aanleg waterretentie voor opvangen piekafvoeren uit landbouwpercelen nabij Scholte Linde aan noordkant Hazelbekke

M40

K2+K21+ • K22+ K23

Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) bij de voet van es

M41

Verminderen/ aanpassen bemesting bij percelen op grote es Verhogen beekbedding en hermeandering Hazelbekke voor de noordelijke bovenloop Hazelbekke (inclusief het opheffen van duikers en het realiseren van inundatiemogelijkheden) Overgangsbeheer Voor de gebruiksbeperking “Stoppen bemesting”: • Verschraling met als doel om(makkelijke) afbreekbare minerale N en/of P (vochtig) te verwijderen. Opties bemesting met mineralen (P, K etc. op basis bodemanalyse, GT), teelt/doorzaai klaver om N in te vangen/binden • Jaarlijks minimaal 2 keer maaien en afvoeren zodat in de winter weinig gewas meer aanwezig is • Geen beweiding toegestaan

M42

K1+K2+ • K21+ K22+ K23 K8+K21+ • K22+ K23 K2+K3+ • K4+ K21+ K22+ K23

Inrichtingsmaatregelen Aanpassen erf van Erve Hazelbekke t.b.v. verhogen beekprofiel Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar na tuur (hakhout) bij de smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke

M43

M16 + M17 + M19

K1+K2+ • K8+K31+ K32+ K21+ K22+ K23

Erfafspoeling voorkomen en piekafvoeren verminderen Piekafvoeren verminderen waardoor erosie en insnijding beek wordt verminderd. Run off en uitspoeling voedingsstoffen opheffen en voorkomen eutrofiering habitats Stroomsnelheid wordt verminderd waardoor erosie en insnijding beek wordt verminderd. Verdroging en inundatie van benedenstrooms gelegen habitats wordt voorkomen. Kwel en grondwaterstanden habitats herstellen Opheffen en voorkomen eutrofiering habitats Herstellen kwel en verhogen grondwaterstanden t.b.v. habitattypen en migratie beekfauna verbeteren Terugbrengen van N en Pvrachten om belasting van habitats naar nihil te brengen

Beheer

30-7-2020

38

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Laat in groeiseizoen maaien en afvoeren van M26 voorkomens en potentiële voorkomens van habitattypen H6230, H6410, H7140A en H7230

K21

•

Instandhouding habitats

Periodiek opslag verwijderen (ingrijpen in successie naar bos)

M52

•

Instandhouding habitats

Periodiek kleinschalig plaggen en bekalken (toevoegen basische stoffen) (of chopperen H4030) Inbreng diaspora van plantensoorten door uitstrooien maaisel uit goed ontwikkelde terreinen en inbreng van specifieke soorten (herintroductie)

M53

K14+K21 +K21+ K22+K23 K21+K22 +K23

•

Instandhouding habitats

M54

K32

•

Instandhouding, uitbreiding en verbetering van habitats

Periodiek kleinschalig plaggen

M55

K13

•

Kleinschalig verwijderen van strooisel

M58

K21+K22

•

Door successie naar andere vegetatietypen neemt de oppervlakte van H7150 af. Door te plaggen krijgen de pioniersvegetatiesweer ruimte Instandhouding habitats

Extensieve begrazing

M59

•

Hakhoutbeheer

M101

Inbrengen boomsoorten met gunstig strooisel

M102

K21+K22 +K23 K12+K21 +K22+ K23 K21+K22 +K23

•

Instandhouding habitats Instandhouding habitats Instandhouding habitats

•

Instandhouding habitats

Legenda Valt wel onder N2000-maatregelen Valt niet onder N2000-maatregelen

3.6.2 Maatregelen knelpunt vermesting

Figuur 30: Maatregelen knelpunt vermesting Hazelbekke (gele percelen zijn bestaande natuur percelen)

30-7-2020

39

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek In de uitwerking van de maatregelen is het N2000-beheerplan uitgangspunt geweest. Er is een systeemanalyse opgesteld waarbij in een nadere detaillering naar het gebied is gekeken. Hierin is onder andere gekeken naar de bodemopbouw, watersysteem (grond- en oppervlaktewater), de voorkomende habitattypen en de onderlinge samenhang. Vanuit deze analyse zijn de knelpunten nader beschouwd. Uit de systeemanalyse blijkt voor enkele van die percelen de noodzaak om het landgebruik te wijzigen (zie paragraaf 2.3.1. en de notitie hydrologie in Bijlage 5). Met een ander landgebruik kan afstroming en uitspoeling van nutriënten tot een minimum worden beperkt. Ook volgt uit de systeemanalyse dat een aantal percelen geen relatie (runoff) hebben met de habitattypen, zoals bijvoorbeeld het perceel tussen perceel 19 en 16. Op die percelen is geen aanleiding tot maatregelen om verliezen van nutriënten verder te beperken dan het wettelijk kader. De percelen 4, 10 en het oostelijke deel van 17 liggen op grondmorene en zijn gevoelig voor uitspoeling. Perceel 4 wordt sterk beperkt in de bemesting, perceel 10 wordt uit de bemesting genomen en het oostelijke deel van perceel 17 watert als gevolg van de waterscheiding hoofdzakelijk in oostelijke richting af, waarbij het gebruik wordt beperkt tot permanent grasland (Figuur 30).

Onderstaand maatregelpakket bevat dus een aantal verschillen ten opzichte van het N2000-beheerplan. Deze zijn zichtbaar gemaakt in Figuur 30. Daarnaast is er per deelsysteem een tabel opgenomen waarin de maatregelen vanuit het N2000-beheerplan zijn opgenomen en de uitgewerkte maatregelen met een onderbouwing. Figuur 30 toont de locaties van de maatregelen. Elke maatregel heeft een uniek nummer. In de deelparagrafen worden de maatregelen per deelsysteem beschreven startend met een tabel waar deze unieke nummers gekoppeld zijn aan de maatregelen uit het N2000-beheerplan.

Noordtak en droogdal Maatregel gebiedsanalyse

Kaart nummer*

Maatregel

Onderbouwing

M41 - Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke

2

Stoppen bemesting in een strook van 100 meter langs het N2000 gebied

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Echter, gezien het nitraatgehalte in het oppervlaktewater (constant sinds 1993), de korte reistijd en bodemopbouw lijkt de relatie met dit akkerbouwperceel evident. Door een bemestingsvrije zone op te nemen wordt de nutriëntenbelasting verwaarloosbaar klein gemaakt. Verder is er in deze strook een verbod op drainage.

3

Stoppen bemesting Aanpassen van de ontwatering is niet aan de orde (=geen ontwatering aanwezig). Vanwege het knelpunt vermesting zijn er maatregelen nodig om de toevoer van nitraat naar het Alluviaal bos tegen te gaan en zo de grondwaterkwaliteit te verbeteren. Gezien het hoge risico en de kleine reistijden wordt de bemesting op perceel gestopt. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

4

Beperken bemesting, verbod op akkerbouw. Uitzondering is beweiding door paarden

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Gezien de helling en af- en uitspoelingsgevoeligheid van dit perceel wordt ook hier alleen nog stikstofgift met langzaam werkende kunstmest van 50 kg N/ha/jaar toegestaan in de periode maart t/m mei en blijft beweiding, max 2 GVE / ha mogelijk. Tevens komt er een verbod op akkerbouw en drainage.

23

Verschralen uitmijnen

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

8

Verschralen/ uitmijnen

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Hier wordt een verhoogd nitraatgehalte in het diepere grondwater aangetroffen wat over de tertiaire klei onder het habitattype tot sulfaat leidt. Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

9

Stoppen bemesting Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Gezien de korte reistijd en bodem is hier een matig risico voor sulfaatvorming in het grondwater. Daarom is stoppen bemesting opgenomen als maatregel.

30-7-2020

40

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan. 31

Afwatering erf omleggen.

Op basis van een erfscan zullen maatregelen worden genomen om de piekafvoer van het hemelwater vanaf het erf naar in de habitat te voorkomen. In de huidige situatie vindt afvoer van het erfwater in de habitat plaats dat leidt tot erosie. Erfwater opvangen en gedoseerd afvoeren op de beek.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen

Zuidtak Maatregel gebiedsanalyse

Kaart nummer*

Maatregel

Onderbouwing

M41 - Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke

13

Aanpassen beheer t.b.v. Verschralen/ uitmijnen

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Hier wordt een verhoogd nitraatgehalte in het diepere grondwater aangetroffen wat over de tertiaire klei in het habitattype tot sulfaat leidt. Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd.

10

Stoppen bemesting Ontwatering is bij dit perceel niet aan de orde. Er vindt infiltratie plaats zonder oppervlakkige afvoer. Dit perceel heeft een dermate grote afstand en reistijd van het grondwater tot de habitattype. Hier kan worden volstaan met permanent grasland om het risico op uitspoeling te verkleinen. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

11

Verschralen/ uitmijnen

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Het is een natuurgrasland, waarvan niet duidelijk is hier nog bemesting wordt toegepast. Om die reden wordt hier de maatregel: geen bemesting, om te borgen dat het ook in de toekomst niet meer kan. Aanvullend: Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd.

14

Verschralen/ uitmijnen

Dit perceel is nu een natuurakker. Vanwege de hoge kans op afspoeling en grondwaterstromen naar habitattypen dient dit natuurgrasland te worden. Dus stoppen natuurlijke akkerbouw en inzaaien akker met gras om te borgen dat het ook in de toekomst niet zal bijdragen aan nitrificatie van habitats. Vervolgens door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) het nitraatgehalte verlagen.

16**

Permanent grasland

Deze maatregel wijkt af van de gebiedsanalyse. Er zijn geen knelpunten op het gebied van de nutriënten in het grondwater ten westen van de Slenkteweg, maar gezien de korte afstand is er bij akkerbouw een matig risico op uit/ en afspoeling. Vandaar dat voor dit perceel permanent grasland is opgenomen Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

15

Stoppen bemesting Dit is conform de gebiedsanalyse uitgewerkt als een zone van 100 meter langs het natuurgebied. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan. Zie bijlage 7

17**

Permanent grasland

M39 - Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke

Deze maatregel is niet in de gebiedsanalyse opgenomen. Gezien de bodem en de helling en het risico op af- en uitspoeling naar het grondwater is een verbod op akkerbouw opgenomen naast de bemestingsvrije zone. Hiermee wordt de nitraatuitspoeling verminderd en afgevangen in de bemestingsvrije zone. Daarnaast is het aanleggen van drainage op dit perceel niet meer toegestaan.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen **Voor permanent grasland wordt nog onderzocht of eens in de 10 of 3 jaar scheuren en eiwit/voerteelt (niet zijnde Mais) mogelijk is zonder dat habitats vermesten

30-7-2020

41

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Centrale Hazelbekke Maatregel gebiedsanalyse

Kaart nummer*

Maatregel

M39 -Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke

12

Verschralen/ uitmijnen Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Hier wordt een verhoogd nitraatgehalte in het grondwater aangetroffen wat over de ondiepe tertiaire klei onder het habitattype tot veenafbraak leidt. Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd.

19**

Permanent grasland

De gebiedsanalyse heeft voor dit perceel stoppen met bemesting voorgesteld. Ook is nader gekeken of de drainage op dit perceel invloed heeft op de habitat. Gezien de afstand (300 meter) en de ligging van het habitat ten opzichte van het landbouwperceel is bepaald dat de drainage op dit perceel niet van invloed is op de hydrologische situatie in en rondom de habitat. De grondwaterstroming van dit landbouwperceel naar de habitat is via het tussengelegen dotterbloemhooiland. Deze zone werkt als een natte overgangszone met een denitrificerende werking dusdanig dat de n-vracht die uitspoelt tot nihil wordt gereduceerd. Er is alleen een beperkt risico op gebruik van het perceel als bouwland. Vandaar dat als maatregel een verbod op akkerbouw is opgenomen.

M38 - Aanpassen erf van Erve Hazelbekke t.b.v. verhogen beekprofiel

29

Aanpassen Erve Hazelbekke

Op basis van een erfscan zullen maatregelen worden genomen om afspoeling van nutriënten en piekafvoer van regenwater vanaf het verharde erf naar het beekdal te voorkomen. In verband met het verondiepen van de beek wordt de duiker onder het erf aangepast.

32

Onderbouwing

Het opruimen van kuilvoerplaten en opstal en het herstellen van het beekdal.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen **Voor permanent grasland wordt nog onderzocht of eens in de 10 of 3 jaar scheuren en eiwit/voerteelt (niet zijnde Mais) mogelijk is zonder dat habitats vermesten

Onderbeek Maatregel gebiedsanalyse

Kaart nummer*

Maatregel

Onderbouwing

M39 -Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke

20**

Permanent grasland

De gebiedsanalyse stelt als maatregel voor dit perceel voor: stoppen met bemesting. Dit perceel heeft een grondwaterstroming richting het habitat, de tussenliggende zone dotterbloemhooiland werkt als natte onbemeste overgangszone die voldoet om de Nvracht die uitspoelt tot nihil te reduceren. Als maatregel is daarom alleen het verbod op akkerbouw opgenomen.

M41 - Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke

21

Stoppen bemesting Deze (deel)percelen liggen binnen het Natura 2000 gebied op korte afstand van de Habitats. Het perceel is gedraineerd en als de drains verwijderd zijn moet de bemesting gestopt worden om uitspoeling naar de habitat via het grondwater te voorkomen (korte afstand). Vandaar dat stoppen bemesting is toegevoegd. Het bovenliggende perceel is aangegeven als waterberging. Hier dient eens per 3 jaar de slib te worden verwijderd. De slibverwijdering dient gelijktijdig met het doorspuiten van de drains plaats te vinden.

22

Verschralen/ uitmijnen

Hier staat in de gebiedsanalyse geen maatregel benoemd. Hier wordt een verhoogd nitraatgehalte gevonden wat mogelijk ook in het habitattype voorkomt en kan leiden tot sulfaat en veenafbraak. Door actief maaibeheer (2x per jaar maaien en afvoeren) wordt het nitraatgehalte verlaagd.

30

Afwatering erf omleggen

Op basis van een erfscan zullen maatregelen worden genomen om afspoeling van nutriënten en piekafvoer van regenwater vanaf het verharde erf naar het beekdal te voorkomen. In verband met het verondiepen van de beek wordt de duiker onder het erf aangepast. En zal de

M38 - Aanpassen erf van Erve Hazelbekke t.b.v. verhogen beekprofiel

30-7-2020

42

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek huidige wadi worden uitgebreid zodat deze werkt als een moerasfilter. *De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen **Voor permanent grasland wordt nog onderzocht of eens in de 10 of 3 jaar scheuren en eiwit/voerteelt (niet zijnde Mais) mogelijk is zonder dat habitats vermesten

3.6.3 Inrichtingsmaatregelen per deelgebied Noordtak Hazelbekke De noordtak van het Hazelbekke heeft te maken met verdroging en vermesting (zie paragraaf 3.5). Om deze knelpunten tegen te gaan, worden een aantal maatregelen uitgevoerd (Figuur 31). Deze maatregelen zijn M41 (aanpassen ontwatering) en M43 (beekbodemverhoging) uit de N2000- gebiedsanalyse. Daarnaast is uit de nadere systeemanalyse gebleken dat op een aantal percelen maatregelen moeten worden genomen om de nitraatuitspoeling te beperken tot nihil.

Figuur 31: Maatregelen Noordtak Hazelbekke

30-7-2020

43

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Tabel 9: Maatregelen Noordtak Maatregel gebiedsanalyse

Maatregelnummer

M40 - Aanleg waterretentie Maatregele voor opvangen piekafvoeren uit n: 634 landbouwpercelen nabij Scholte Linde aan noordkant Hazelbekke

Maatregel

Onderbouwing

Realisatie bergingsgebieden

Het realiseren van de waterberging an sich is geen maatregel omdat hier niets gedaan hoeft te worden. Wel wordt er hier dus een knijpduiker aangelegd om piekafvoeren te dempen. Hiermee wordt erosie en beekinsnijding voorkomen. Dit is een tijdelijke berging, van korte duur in een extreme situatie. Daardoor heeft het geen negatief effect op het habitattype. Er is bewust gekozen voor berging op deze locaties, omdat het risico van landschapsaantasting in het dal als aanvaardbaar klein wordt ingeschat.

M41 - Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000-gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke

Maatregele n: 353, 379, 381, 406, 604

Verwijderen buisdrainage, verwijderen duiker, opschonen vijver en aanpassen ontwatering erf.

Deze maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat vermest (grond)water in de habitats terecht komt. Of om de natuurlijke loop van de beek te herstellen.

M43 - Verhogen beekbedding en hermeandering Hazelbekke

Maatregele n: 311,

Verhogen beekbodem

Het verhogen van de beekbodem zorgt voor een hogere grondwaterstand in nabijgelegen habitats, hierdoor wordt verdroging en veenoxidatie verminderd.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen

Maatregelen knelpunt verdroging In het Hazelbekke zijn de voorjaars- en zomergrondwaterstanden op enkele plekken te laag voor een goede instandhouding van de Alluviale bossen. De piekafvoeren in de beek leiden tot hoge stroomsnelheden en daardoor tot erosie en beekinsnijding, wat weer leidt tot een grotere drainerende werking en lagere grondwaterstanden. Door de beek ter plaatse van de habitattypen te verondiepen tot circa 20 cm onder maaiveld (maatregel 311) zal de grondwaterstand stijgen. Immers de drainerende werking van de beek neemt hierdoor af. Daarnaast zijn maatregelen nodig om piekafvoeren te voorkomen waarvoor een ruimte voor waterberging is gereserveerd dit is nodig om insnijding van de beek en inundatie van habitattypen te voorkomen. Ook in het kader van vertraging van afvoer wordt de duiker (406) verwijderd. Maatregelen knelpunt vermesting In de Noordtak zijn hoge waarden van nitraat en sulfaat aangetroffen in het grondwater en het oppervlaktewater. Deze waarden zijn zowel aan de zuidzijde als aan de noordzijde van de Noordtak gemeten. Aan de noordzijde liggen meerdere percelen in landbouwkundig gebruik; aan de zuidzijde zijn twee percelen in landbouwkundig gebruik op relatief korte afstand van het habitattype. De overige percelen in het intrekgebied zijn in gebruik als natuur en bos.

Om de nitraatuitspoeling in de Noordtak verwaarloosbaar klein te maken wordt op het landbouwperceel langs de Höllweg (Perceel 3) de bemesting gestopt evenals op de strook van perceel 2. Hiermee wordt voorkomen dat de nutriënten via het grondwater het Alluviaal bos bereiken als gevolg van de bodemopbouw. De percelen aan de voet van de Hezinger Es, ten noorden van de beek (perceel 6), krijgen een verbod op bemesting vanwege het hoge risico op afspoeling. Op het perceel ten noorden van de retentievoorziening bij Erve Hanstede is een dikkere laag zand aanwezig dan op het perceel 6. Het perceel ligt ook op grotere afstand van de habitattypen. Verder wordt de nutriëntenafspoeling van het perceel door de aanwezige bosstrook afgevangen. Daarom hoeft er op perceel geen gebruiksbeperking. De bronvijver op Landgoed Braakhuizen is momenteel dicht begroeid. Om algengroei te voorkomen wordt het slib verwijderd en worden de oevers vrijgemaakt van houtopslag (maatregel 605). Het perceel aan de zuidzijde van het landgoed (perceel 4) krijgt een beperking op bemesting (maximaal 50 kg N) door het uitsluitend toestaan van kunstmest of maximaal 10 ton vaste mest5 (zie ook bijlage 5). De reden van deze bemestingsmaatregel is het afspoelingsgevaar van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/490/documents/16013