CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

r_Bijlage 1 Inrichtingsplan (1).pdf

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan (PIP) “Springendal en Dal van de Mosbeek”39.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Conform het geaccordeerde advies voor Landgoed Braakhuizen d.d. 11-12-2018

30-7-2020

44

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek nutriënten als gevolg van de helling en de korte reistijd. Aanvullend geldt voor dit perceel een verbod op ontwatering en akkerbouw. Om te voorkomen dat oppervlaktewater van het erf in de benedenstroomse habitats komt, wordt een erfscan opgesteld (maatregel 31). Concreet betekent dit dat de afwatering wordt omgelegd naar de beek (maatregel 379). Ook op het perceel ten zuiden van de beek met perceel 9 komt een verbod op bemesting. Dit perceel heeft een uitspoelingsgevoelige bodem en grenst direct aan het habitattype. Verder liggen in de Noordtak een aantal natuurpercelen in het intrekgebied van de habitattypen. Uit de waterkwaliteitsgegevens kan worden opgemaakt dat ook van deze percelen nitraat uitspoelt naar de natuur. Om dit definitief vast te stellen is voor perceel 8 bepaald om met bodembemonstering en het daarop aanpassen van het beheer om te verschralen en uitspoeling van nitraat te voorkomen. Doelbereik De maatregelen om verdroging op te heffen en piekafvoeren te verminderen zorgen ervoor dat de grondwaterstanden stijgen in het habitattype Alluviale bossen. De beekbodemverhoging zal leiden tot een verhoging in GHG en GLG die overeenkomt met de verhoging van de beekbodem (tot circa 20 cm -mv). Door deze maatregelen zal de toevoer van kwel naar de habitattypen toenemen in plaats van directe toevoer naar de beek.

Dit heeft een positief effect op de instandhouding van het habitattype Alluviale bossen. Onderdeel van de ‘Noordtak Hazelbekke’ is het ten noorden van de Oosterveldsweg gelegen ‘Droogdal’ in een eerder project een retentiebekken gerealiseerd om het water dat bij buien oppervlakkig afstroomt te bergen. Dit retentiebekken werkt momenteel niet naar behoren. Dit retentiebekken blijft in stand. Aanvullend wordt ten zuiden van dit perceel een perceel geserveerd voor waterberging om\ piekbuien af te vangen voor een T=100 bui. De maatregelen zorgen ervoor dat piekafvoeren (T10 en T=100) vanuit het Droogdal volledig worden vastgehouden. Zo wordt de stroomsnelheid geremd en kan het slib met nutriënten bezinken. Deze infiltratie is nodig zodat nutriënten niet afstromen naar de beek en de stroomsnelheid in de beek te vermindert. Bij een te hoge stroomsnelheid kan erosie optreden in de beek. Dit heeft een verdrogend effect op de aanliggende habitattypen: Alluviale bossen (H91E0) en Overgangs- en trilvenen (H7140). Met deze maatregel wordt een negatieve invloed vanuit het Droogdal op de waterkwaliteit en een snelle waterafvoer (insnijding) voorkomen. Deze maatregelen hebben een positief effect op de instandhoudingsdoelen van habitattype Alluviale bossen (H91E0) en Overgangs- en trilvenen (H7140).

Van deze afzonderlijke maatregel is niet in te schatten hoe groot de afname van de stroomsnelheid in de beek exact is. Echter is zeker dat de maatregel hier een positieve bijdrage aan levert.

Zuidtak Hazelbekke Ook de Zuidtak van het Hazelbekke heeft te maken met verdroging en vermesting (zie paragraaf 3.5). Om deze knelpunten tegen te gaan, worden een aantal maatregelen uitgevoerd (Figuur 32 en Tabel 10). In het N2000-beheerplan zijn maatregelen M39 (- Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout), - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke) en M43 (beekbodemverhoging) opgenomen. Dit betekent dat alle maatregelen tegen de verdroging toegevoegd zijn. Daarnaast is uit de nadere systeemanalyse gebleken dat op een aantal percelen maatregelen moeten worden genomen om de nitraatuitspoeling te beperken tot nihil.

30-7-2020

45

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 32: Maatregelen Zuidtak Hazelbekke Tabel 10: Maatregelen Zuidtak Hazelbekke Maatregel gebiedsanalyse

Maatregelnummer

Maatregel

Onderbouwing

M39 - Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke (M39)

341 351 381 606 639 695 696 699

Aanleggen afspoel/invangstrook, Drempels aanleggen om piekafvoer af te buigen (Afgraven bermen langs asfaltweg en aanbrengen strook grasbetonstenen), Verwijderen buisdrainage, knijpduikers en voorden aanleggen

Het remmen en sturen van oppervlakkige afstroming zorgt voor minder erosie in het beekdal en dat voedselrijk water niet in de habitats terecht komt. Het realiseren van de waterberging an sich is geen maatregel omdat hier niets gedaan hoeft te worden. Wel wordt er hier dus een knijpduiker aangelegd om piekafvoeren te dempen. Hiermee wordt erosie en beekinsnijding voorkomen. Dit is een tijdelijke berging, van korte duur in een extreme situatie. Daardoor heeft het geen negatief effect op het habitattype. Er is bewust gekozen voor berging op deze locaties, omdat het risico van landschapsaantasting in het dal als aanvaardbaar klein wordt ingeschat.

M41 - Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000-gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke

407

Dempen sloot met leemhoudend zand

Het dempen van deze sloot zorgt dat de natuurlijke grondwaterstroom richting de habitats wordt hersteld. Er komt dan meer kwel in de habitats.

M43 - Verhogen beekbedding en hermeandering Hazelbekke

311

Verhogen beekbodem

Het verhogen van de beekbodem zorgt voor een hogere grondwaterstand in nabijgelegen habitats, hierdoor wordt verdroging en veenoxidatie verminderd.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen

30-7-2020

46

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Maatregelen knelpunt verdroging Het knelpunt van verdroging in dit deelgebied wordt veroorzaakt door een te diepe ligging van de beek die is ontstaan door piekafvoeren van landbouwpercelen. Om piekafvoeren te verminderen en verdroging op te heffen wordt de beekbodem ter plekke van de habitattype tot circa 20 cm onder maaiveld verondiept (maatregel 311) en wordt de bestaande duiker aangepast tot het niveau van de beek. Het beektraject tussen de habitattypen wordt tot een nieuwe logische verhanglijn gebracht (Arcadis 2018, zie bijlage 4). Maatregelen knelpunt vermesting Om nitraatuitspoeling tegen te gaan is gekeken naar de omliggende percelen. Ten zuiden van de beek is een strook (zone van 100 m) waar de bemesting niet langer is toegestaan (perceel 15) vanwege de korte reistijd van grondwater (minder dan 1 jaar) naar de habitattypen. Deze strook wordt ingericht als overgangszone met vegetatie dat nutriënten afvangt (341). Zie bijlage 7 voor de onderbouwing bufferzones. Daarnaast is sprake van ondiepe keileem, waardoor een groot risico is op nitraatuitspoeling. Op de overige delen van het perceel is het zandpakket dieper en ligt het verder van de habitattype. Hierdoor is er meer infiltratie en is de reistijd groter. In de route ligt een nattere zone, waar nitraat wordt omgezet in stikstofgas.

Het risico voor nitraatuitspoeling vanaf de rest van het perceel richting het habitattype is bij grasland daarom minder groot. Om de mogelijke oppervlakkige afspoeling op deze percelen te beperken wordt op deze percelen (16 en 17) een verbod op akkerbouw gelegd. Ook wordt de aanwezige drainage verwijderd (maatregel 381). Verder is er nog één landbouwperceel (perceel 10) waar geen bemesting meer zal mogen plaatsvinden conform de uitspraak van de N2000-gebiedsanalyse (M41) Daarnaast zijn er ook een aantal natuurpercelen die invloed hebben op de habitattypen. Uit de onderzoeken naar waterkwaliteit is gebleken dat onder de natuurpercelen nog veel nitraat aanwezig is (Fieldlab, 2018, bijlage 3). Hier is aanvullende verschraling nodig om de nitraat uitspoeling verwaarloosbaar klein te maken (perceel 11 en 13). Dit geldt ook de natuurakker ten noorden van de Zuidtak. Deze akker wordt verschraald tot natuurgrasland (perceel 14). Doelbereik De maatregelen om verdroging op te heffen en piekafvoeren te verminderen zorgen ervoor dat de grondwaterstanden stijgen in het habitattype Alluviale bossen. De beekbodemverhoging zal leiden tot een verhoging in GHG en GLG die overeenkomt met de verhoging van de beekbodem (tot circa 20 cm -mv). Ook zal er meer toevoer van kwel naar de habitattypen zijn door deze maatregelen.

Deze maatregelen hebben een positief effect op de instandhoudingsdoelen van habitattype Alluviale bossen (H91E0) Alleen aan de randen van het beekdal, die een stuk hoger liggen dan de beek zelf, zal geen effect zijn van de hydrologische maatregelen. De maatregelen om uitspoeling van nitraat verwaarloosbaar klein te maken hebben niet direct (in tijd) invloed op het habitat. Er zal een nihil aandeel nitraat zijn, maar het proces van veenafbraak zal niet zo snel tot stilstand komen.

Centrale Hazelbekke In het N2000-beheerplan is voor dit deelsysteem maatregelen M38 (aanpassen erf Erve Hazelbekke), M39 (Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) en M41 (Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000-gebied optreden) (Figuur 33: Maatregelen Centrale Hazelbekke Figuur 33 en Tabel 11). Daarnaast is uit de nadere systeemanalyse gebleken dat op een aantal percelen maatregelen moeten worden genomen om de nitraatuitspoeling te beperken tot nihil.

30-7-2020

47

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 33: Maatregelen Centrale Hazelbekke Tabel 11: Maatregelen Centrale Hazelbekke Maatregel gebiedsanalyse

Maatregelnummer

Maatregel

Onderbouwing

M38 - Aanpassen erf van Erve Hazelbekke t.b.v. verhogen beekprofiel (Hazelbekke)

386, 387, 693, 689

Verwijderen duiker Verwijderen opstal Afwatering erf omleggen Aanleggen duiker

Een deel van dit erf ligt midden in de natuurlijke loop van de Hazelbekke, om vermesting van de naastgelegen habitats te voorkomen en ontsnippering van habitats te verminderen dient een deel van dit erf opgeruimd te worden. De duiker die terug komt zal een kleine zijn t.b.v. bereikbaarheid van de noordelijke percelen. Zie ook maatregel 32

M39 - Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke (M39)

340

Aanleggen afspoel/invangstrook,

Het remmen en sturen van oppervlakkige afstroming zorgt voor minder erosie in het beekdal en dat voedselrijk water niet in de habitats terecht komt.

M43 - Verhogen beekbedding en hermeandering Hazelbekke

311

Verhogen beekbodem

Het verhogen van de beekbodem zorgt voor een hogere grondwaterstand in nabijgelegen habitats, hierdoor wordt verdroging en veenoxidatie verminderd.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen

30-7-2020

48

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Verdroging Om verdroging in het deelgebied tegen te gaan wordt de beek ter plaatse van de habitattypen verondiept tot circa 20 cm (maatregel 311) en tot een logische verhanglijn. Op de overgang van de Zuidtak naar de Onderbeek ligt Erve Hazelbekke (29 en 32). Dit erf ligt in het beekdal en leidt bij grote buien tot piekafvoeren en de afspoeling van nutriënten. Om dit te voorkomen worden de kuilvoerplaten, de duiker onder het erf en een stukje van de opstal teruggegeven aan de beek (maatregel 32, 386, 693). Vermesting Om nitraatuitspoeling van de natuurpercelen verwaarloosbaar klein te maken wordt op deze percelen actief maai- en afvoerbeheer toegepast. Perceel 12 dient daarvoor verschraald en uitgemijnd te worden. Daarnaast wordt er een afvoer/invangstrook aangelegd om runoff van perceel 16 en hogere percelen af te vangen en te voorkomen dat deze vermeste runoff in habitats terecht komt. Doelbereik De maatregelen om verdroging op te heffen zorgen ervoor dat de grondwaterstanden stijgen in het habitattype Alluviale bossen. De beekbodemverhoging zal leiden tot een verhoging in GHG en GLG die overeenkomt met de verhoging van de beekbodem (tot circa 20 cm -mv). Door deze maatregelen zal er meer toevoer van kwel naar de habitattypen zijn in plaats van direct naar de beek.

Dit zorgt voor betere omstandigheden voor de ontwikkeling van Alluviale bossen. NB: De maatregelen om uitspoeling van nitraat tot nihil te beperken hebben niet direct (in tijd) invloed op het habitat. De vermindering van de sulfaatuitspoeling zal niet zichtbaar zijn, aangezien het om de onderkant van het veen gaat die minder zal afbreken.

Onderbeek Dit deelsysteem heeft te maken met verdroging en vermesting (zie paragraaf 3.5). Om deze knelpunten tegen te gaan, worden een aantal maatregelen uitgevoerd (Figuur 34 en Tabel 12). Deze maatregelen zijn M38 (aanpassen erf Erve Hazelbekke), M39 (omvormen landbouwpercelen, stoppen bemesting), M41 (aanpassen lokale ontwatering) en M43 (beekbodemverhoging) uit de N2000- gebiedsanalyse. Het stoppen van bemesting betekent ook het uitmijnen van percelen om fosfaat en nitraat versneld af te kunnen voeren. Daarnaast is uit de nadere systeemanalyse gebleken dat op een aantal percelen maatregelen moeten worden genomen om de nitraatuitspoeling te beperken tot nihil.

Figuur 34: Maatregelen Onderbeek Hazelbekke

30-7-2020

49

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Tabel 12: Maatregelen Onderbeek Hazelbekke Maatregel gebiedsanalyse

Maatregelnummer

Maatregel

Zie maatregel 19 en 20

M39 - Omvormen landbouwgronden: stoppen bemesting, omvormen naar natuur (hakhout) - smalle zone van Bovenesch langs huidige reservaat Hazelbekke (M39) M41: Aanpassen ontwatering (sloten, greppels, drainage buizen) dusdanig dat geen effecten op N2000-gebied optreden: - voet van es bij Hazelbekke (M41)

Onderbouwing

311, 342 343, 344 345, 346 347, 348 377, 381 401, 402 403, 408 600, 644

Verhogen beekbodem Dempen of verondiepen sloot/laagte met leemhoudend zand Afwatering erf omleggen aanpassen bestaand moerasfilter (Wadi) Verwijderen en herstellen buisdrainage Graven watergang Aanleggen/verbeteren knijpconstructie Aanpassen wadi tot moerasfilter. Slenk graven

Het verhogen van de beekbodem zorgt voor een hogere grondwaterstand in nabijgelegen habitats, hierdoor wordt verdroging en veenoxidatie verminderd. Het realiseren van de waterberging an sich is geen maatregel omdat hier niets gedaan hoeft te worden. Wel wordt er hier dus een knijpduiker aangelegd om piekafvoeren te dempen. Hiermee wordt erosie en beekinsnijding voorkomen. Dit is een tijdelijke berging, van korte duur in een extreme situatie. Daardoor heeft het geen negatief effect op het habitattype. Er is bewust gekozen voor berging op deze locaties, omdat het risico van landschapsaantasting in het dal als aanvaardbaar klein wordt ingeschat. Ook wordt een sloot omgezet tot slenk om een natuurlijke watergang te behouden die wel een afwaterende functie heeft maar niet de omgeving te veel draineert.

*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen

Maatregelen knelpunt verdroging In de Onderbeek speelt verdroging een belangrijke rol. Dit wordt veroorzaakt door de ontwatering in de omgeving. Daarom wordt drainage rondom de Onderbeek verwijderd (maatregel 381). Daarnaast is de beek in dit deelgebied te diep uitgesleten. Om dit tegen te gaan wordt de beek verondiept (maatregel 311). Tevens worden de sloten in de omgeving gedempt of verondiept (maatregel 342, 343, 344, 345, 346, 348 en 401). Eén van de sloten wordt als slenk ingericht om een nieuwe beek te maken en om afwatering van de waterberging in stand te houden (maatregel 348). Daarnaast wordt er waterberging gerealiseerd met een capaciteit van T=100. Deze waterberging ontstaat in een natuurlijke laagte door het aanbrengen van knijpduikers (maatregel 600). Dit zorgt ervoor dat tijdens pieken de stroomsnelheden in de Onderbeek niet te veel stijgen, zodat geen insnijding van de beek plaatsvindt. Omdat op dit perceel het drainagewater van bovenliggende perceel uitkomst is als beheer voor deze berging (t=10) ook het eens in de 3 jaar verwijderen van het slib als beheermaatregel opgenomen. Maatregelen knelpunt vermesting Om het knelpunt vermesting tegen te gaan wordt op de zuidelijke percelen een verbod op akkerbouw ingesteld (perceel 19 en 20).

Voor het natuurperceel aan de westzijde van het deelgebied wordt een verschralingsplan opgesteld (perceel 22) als de bodemmonsters aangeven dat dit noodzakelijk is. Ten noorden van het habitattype ligt nog een landbouwperceel. Hier wordt een bemestingsverbod (perceel 21) op gelegd. Daarnaast wordt de afwatering van het erf (perceel 30) omgelegd zodat het direct afwatert in de sloot (maatregel 377). Hiervoor zal het huidige moerasfilter (wadi) die dient als zuivering van het verontreinigde erfwater moeten worden hersteld (maatregel 644). Dit om afspoeling van nutriënten naar habitattypen te voorkomen. Doelbereik Als gevolg van de vernattingsmaatregelen zal de grondwaterstand in de habitattypen stijgen. Door deze verhoging zal er meer toevoer van kwel naar de habitattypen zijn en de invloed van regenwater verminderen. Hierdoor worden de omstandigheden meer gebufferd. De maatregelen zorgen er voor dat verdroging en verzuring in de Onderbeek verminderd. Deze maatregelen hebben een positief effect op de instandhoudingsdoelen van habitattype Alluviale bossen (H91E0).

30-7-2020

50

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3.6.4 Beekverondieping De beekverondieping in de Springendalse beek gaat over een totale beeklengte van 2,85 km. Hiervoor is de volgende hoeveelheid leemhoudend zand nodig: Beekverondieping

Hazelbekke

Beeklengte (km)

2,85

Leemhoudend zand inclusief zetting (+20%) (m3)

5979

*Berekend onder de aanname dat per strekkende meter beek gemiddeld 1,75 kuub nodig is ter verondieping

3.6.5 Invulling N2000-opgaven t.o.v. Gebiedsanalyse voor de Hazelbekke In het N2000-beheerplan zijn de voorgenomen maatregelen op hoofdlijnen beschreven. In de voorliggende uitwerking is een nadere detaillering, de omvang van de maatregelen en de impact op de omgeving weergegeven. In onderstaand figuur is voor de Hazelbekke aangegeven hoe de maatregelen in dit IP zich verhouden tot het N2000-beheerplan (Figuur 35). Hieruit blijkt dat: A. De ruimtelijke invulling van de bergingsopgaven (M40) op andere locaties is ingevuld. Hierbij is gebruik gemaakt van de mogelijkheden in het systeem. Dit heeft geresulteerd in meerdere maar kleinere locaties in het gebied. B. Het perceel aan de zuid-midden door de grondwaterstroming en de bufferende werking van het tussenliggende nattere gebied maar een klein deel van het perceel noodzakelijk is om de impact van het landbouwkundige gebruik van het perceel op de habitats te verminderen. C. Voor de groene percelen is bepaald dat een verbod op akkerbouw in combinatie met de overige maatregelen voldoende is om eventuele uitspoeling van nutriënten richting de habitats tegen te gaan. D. Dat ten opzichte van de gebiedsanalyse meer maatregelen zijn genomen. Dit gaat om percelen 2, 4, 6, 9 17 en 21.

Figuur 35: Verschil tussen de voorgestelde maatregelen en het N2000-beheerplan in de Hazelbekke

30-7-2020

51

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

3.7 Effect in de omgeving 3.7.1 Hydrologische effecten Belangrijkste opgave voor het op termijn in stand houden van de doelen is het tegengaan van terugschrijdende erosie waardoor de beekbodem dieper komt te liggen en verdroging veroorzaakt, is het reduceren van de stroomsnelheid. In de huidige situatie zijn deze te hoog. Door het toepassen van een gelijk verhang, bredere ondiepe profielen en reduceren van de afvoerpieken middels berging, is de stroomsnelheid sterk teruggebracht. Zoals te zien op de Figuur 36 en Figuur 37 nemen de stroomsnelheden enorm af op grote delen van de beek na implementatie van de beoogde maatregelen. Dit zorgt voor een reductie van stroomsnelheid. In de toekomstige situatie blijven deze onder de grenswaarde voor erosie en dus is insnijding van de beek niet langer te verwachten. Opgemerkt wordt dat er bij enkele kunstwerken wel oever- en bodembescherming moet worden toegepast voor het fixeren van de bodem. Bijkomend voordeel is dat bij de lagere stroomsnelheiden, de beheerdruk ook afneemt.

Figuur 36: Stroomsnelheden huidige situatie bij T=100

30-7-2020

52

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 37: Stroomsnelheden na de maatregelen bij T=100

Ontwatering In de huidige situatie ligt de beek diep en zijn de waterpeilen lager. Door de verondieping komen de beekbodem en de waterpeilen hoger te liggen. Dit is noodzakelijk om de benodigde grondwaterstanden in de habitats te realiseren. Drie dingen komen naar voren uit de hydrologische berekeningen 1. Hele beekdal neemt de ontwateringsdiepte af. Variërend van ca 0,05 tot 0,20 m. Dit is absoluut nodig voor habitats 2. Bij drie percelen op de flanken worden de af- en ontwateringsmiddelen weggenomen. Hier varieert de verandering van 0,00-0, 80 m afhankelijk van de diepte en intensiteit van de drainage. Het verwijderen van deze drainage belemmerend landbouwkundig gebruik in deze percelen. 3. Verandering raakt de erven Hanstede en Hazelbekke. Hier is monitoring wenselijk. (Fieldlab, 2018). Op basis van de maatregelen en de peilwijzigingen die optreden is het effect op de grondwaterstanden berekend. De uitvoering van maatregelen in kader van dit plan veranderd niets aan het (veelal agrarische) grondgebruik buiten de beekdalen. Voor agrarische percelen en bebouwing zijn namelijk mitigerende maatregelen getroffen om negatieve effecten tegen te gaan. Voor de enkele locaties waar hydrologische effecten van maatregelen toch optreden worden de percelen omgezet tot natuur en wordt de afwaardering beslecht met de eigenaar.

Inundatie Het benodigde maatregelenpakket om de doelen te behalen, beïnvloedt het peilregime en daarmee de inundatie die optreedt langs de beek. Globaal geldt dat bodemverhoging noodzakelijk is om de gewenste grondwaterstanden te behalen en dit inherent is aan het eerder optreden van inundatie omdat het waterpeil dichter bij maaiveld komt te liggen. Om deze toename te beperken is gekozen om op natuurlijke laagtes in het gebied en op de flanken water periodiek vast te houden zodat de waterpieken in het beekdal en daarmee de inundatie beperkt worden. De locaties waar waterberging is voorzien zijn weergegeven in Figuur 30.

De huidige, toekomstige en de verandering van de inundatie zijn berekend voor een drietal maatgevende situaties. Het betreft: •

T=1: een regenbui die statistisch gezien één keer per jaar voorkomt

•

T=10: een regenbui die statistisch gezien één keer per 10 jaar voorkomt

•

T=100: een regenbui die statistisch gezien één keer per 100 jaar voorkomt.

30-7-2020

53

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Dit is bepaald voor de huidige situatie en voor de situatie na beekbodemverhoging en invulling van de bergingsopgave. De figuren hieronder laten de impact van de waterberging zien na inrichting. Hier is te zien dat er nauwelijks wijzigingen in inundatie optreden, in oppervlak buiten het Natura 2000-gebied (Error! Reference source not found. en Error! Re ference source not found.).

Figuur 38: Huidig inundatiepatroon Hazelbekke

Figuur 39: Inundatiepatroon na maatregelen Hazelbekke 30-7-2020

54

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Inundatie en normopvulling Toename van inundatie is niet helemaal op te vangen door uitbreiding van de berging. Het blijft net als in de huidige situatie optreden in het beekdal al vinden hier op beperkte schaal wijzigingen op. Bovenstrooms neemt de inundatiefrequentie licht toe. Inundatie blijft op een drietal locaties eens per 10 jaar of op sommige plekken zal zelfs jaarlijks optreden. Hierdoor blijven deze drie huidige knelpuntlocaties bestaan en breiden in oppervlakte zelfs iets uit. Benedenstrooms worden de knelpunten wel verholpen en treedt geen inundatie meer op. Over het algemeen dragen de maatregelen dus bij aan het verhelpen van knelpunten voor wateroverlast. Verder geldt dat inundatie op de locaties waar het blijft bestaan niet wenselijk is vanuit de waterkwaliteit. In dit geval wordt dit geaccepteerd omdat verwacht wordt dat de kweldruk voldoende groot is om te voorkomen dat het tijdelijk aanwezige beekwater in de bodem infiltreert. Wel kan slib achterblijven. Inundatie is op deze locaties van verslechtering dus met name een tijdelijke beperking voor de ontwikkeling de habitats totdat de waterkwaliteit goed is. Daarom wordt de verslechtering niet gezien als normopvulling. Inundatie hoort van nature in beekdalen en locaties waar verslechtering optreedt zijn aangewezen als bergingsgebied of krijgen in de toekomst de functie natuur.

De maatregelen zorgen voor een stap vooruit ten aanzien van de werknormen vanuit het NBW.

3.7.2 Effecten gebruiksmaatregelen Maatregelen die er voor zorgen dat de uitspoeling van nitraat daalt tot nihil hebben gevolgen voor het landbouwkundig gebruik op deze percelen. Wanneer niet meer bemest mag worden, is regulier landbouwkundig gebruik niet meer mogelijk. Deze worden dan ook omgevormd naar natuur. Verder zijn er een aantal percelen waar akkerbouw niet meer is toegestaan. Daarnaast zal op de natuurpercelen waar aanvullend verschraald moet worden, ander beheer nodig zijn.

30-7-2020

55

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

4 DEELGEBIED MOSBEEK 4.1 Gebiedsbeschrijving Het deelgebied Mosbeek is het meest omvangrijke deelgebied binnen het Springendal – Dal van de Mosbeek. Het gebied wordt gekenmerkt door de Mosbeek en de vele bronnen. Grofweg kan het gehele stroomgebied worden opgedeeld in twee gebieden; Mosbeek bovenloop en de Mosbeek benedenloop. De Mosbeek bovenloop is het bovenstroomse deel van het systeem. De bovenloop loopt vanaf de Paardenslenkte en de noordelijke bronnen tot aan de Molen van Frans. De bovenloop wordt hier, voor een betere duiding, opgedeeld in vier deelgebieden (Figuur 40). Het meest westelijk ligt het brongebied (tot aan de Maatmansweg), daarna volgt het Oerbekkedal (tot aan de Pausweg), waarna het deel tot aan de molen van Frans de Vlasreuterij wordt genoemd. Het stuk tussen de Molens van Frans en Bels heeft hier de naam ‘Tussen de molens’. De benedenloop ligt benedenstrooms van watermolen Bels.

Figuur 40: Deelgebieden Mosbeek (Oerbekkedal is opgesplitst in Noord en Zuid) Brongebied Het brongebied loopt vanaf de Vlasbeekweg ten westen van de Paardenslenkte tot de Maatmansweg. Het Brongebied bestaat uit veen en broekbos. Door de smalle stroompjes en waterloopjes in het brongebied wordt de Mosbeek gevoed. De ondergrond bestaat uit keileemafzettingen en morene zandgronden met wisselende dikte en doorlatendheid. Het brongebied is een zeer kwetsbaar gebied met een mozaïek van bijzondere habitattypen die naast elkaar voorkomen. Zo kent het brongebied de habitattypen Vochtige heiden (H4010A), Heischrale graslanden (H6230), Blauwgraslanden (H6410), Kalkmoerassen (H7230) en Vochtige alluviale bossen (H91E0). Oerbekkedal Het centrale gedeelte van de Mosbeek is het Oerbekkedal. Dit deelgebied begint in het bosgebied waar de Maatmansweg de Mosbeek kruist tot aan de Pausweg. Het Oerbekkedal bestaat uit landbouwpercelen en bosgebied. De ondergrond bestaat uit tertiaire klei. De bodem aan de zuidzijde van de beek bestaat uit een venige beekdalgrond met diepe grondwaterstand. Iets verder van de beek aan de noordzijde een veldpodzolgrond aanwezig. Vanuit het noorden voegen zich twee beekjes bij het hoofdsysteem van de Mosbeek. Het eigenlijke Oerbekkedal is een diep uitgesleten erosiedal.

De beekjes worden gevoed door bronnen op de grens tussen de tertiaire afzettingen en de keileemgrond. In het Oerbekkedal komen Vochtige alluviale bossen (H91E0C), Blauwgraslanden (H6410A), Droge heiden (H4030), Beuken- eikenbossen met hulst (H9120) voor. Vlasreuterij

30-7-2020

56

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Tussen de Pausweg en de Molen van Frans ligt deelgebied Vlasreuterij. Dit deelgebied bestaat uit landbouwpercelen met veel reliëf. De ondergrond wordt gevormd door zand op tertiaire klei. Daarboven bestaat de bodem uit venige beekdalgrond rondom de beek. Ten noorden van de beek ligt een beekeerdgrond met grondwatertrap III (GLG 80-120 cm beneden maaiveld). Rondom de noordelijke uitlopen van de beek en meer naar het zuiden ligt een veldpodzolgrond met grondwatertrap V (GLG dieper dan 120 cm beneden maaiveld). De landbouwpercelen in het deelgebied Vlasreuterij zijn gevoelig voor runoff. In het deelgebied Vlasreuterij komen de habitattypen Blauwgraslanden (H6410), Kalkmoerassen (H7230), Vochtige alluviale bossen (H91E0), Droge heiden (H4030) en Heischrale graslanden (H6230) voor. Tussen de molens De bodemopbouw is zeer heterogeen en de ondiepe grondwaterstanden in het Overgangs- en trilveen en blauwgrasland worden permanent gevoed door kwel uit een dieper systeem. Plaatselijk ligt tertiaire klei dicht aan het oppervlak o.a. op locaties waar vochtig alluviale bossen liggen waar buffering vanuit de bodem belangrijker is dan grondwatervoeding. Op deze locaties vormen beekbodemerosie en runoff van oppervlakkig afstromend water een knelpunt.

Aanwezige habitattypen: Alluviale bossen, blauwgraslanden, overgangs- en trilvenen, beuken-eikenbossen met hulst Benedenloop Mosbeek De benedenloop van de Mosbeek loopt vanaf de molen van Bels richting het westen. In dit gebied zijn, zoals in paragraaf 4.4 wordt uitgelegd, is geen relatie met de habitattypen aanwezig. Het nemen van maatregelen in het benedenstroomse deel is dus geen onderdeel van de eerste beheerplanperiode.

4.2 De fysische ondergrond 4.2.1 Geomorfologie Het deelgebied Mosbeek ligt op de westzijde van de stuwwal van Ootmarsum. Na de vorming van de stuwwal van Ootmarsum is deze overschreden door landijs en is keileem en zand (Formatie van Drenthe) op de stuwwal afgezet. Dit is nog goed zichtbaar bij de bovenloop van de Mosbeek die hoger op de stuwwal ligt dan het westelijke gedeelte (Figuur 41). De bovenloop van de Mosbeek en het gedeelte ten Noordoosten van de beek kennen een ondergrond met veel keileem. Door dit verschil in ondergrond varieert de doorlatendheid ook sterk (Bell Hullenaar, 2017). Figuur 7(H2) toont de geomorfologische situatie in de Mosbeek. Door smeltwater van het ijs op de stuwwal zijn diepe erosiedalen uitgesleten. Op de natste plekken in de erosiedalen heeft veenvorming plaatsgevonden (Formatie van Singraven). Het beekdal van Mosbeek bevat verschillende soorten veen (Van den Berg & Den Otter, 1993). Het brongebied wordt omgeven door grondmorene. Dit betreffen dikke zandpakketten met keileemlagen in de ondergrond. Deels zijn deze gronden goed doorlatend, deels stroomt water over keileemlagen ondiepe af richting lagergelegen delen. Het betreffen zeer heterogene gronden waarvan niet is aan te geven wat de stroomrichting is van het grondwater.

Het centrale gedeelte van de Mosbeek bestaat uit een ondergrond van gestuwde pakketten, waaronder tertiaire klei, keileem en groenzanden. Groenzanden bestaan grotendeels uit glauconiet (een groenachtig korrelig mineraal). In het Oerbekkedal, Vlasreuterij en tussen de molens komt op sommige plekken de tertiaire klei ondiep- en aan het oppervlak voor, op andere delen is er een laag zandig materiaal over afgezet met een wisselende dikte. De stippen met geelgroene arcering in Figuur 42 geven een zandige afzetting uit tertiair zand, dekzand of zand uit smeltwater aan. Deze zandlaag ligt 2-3 meter boven de tertiaire kleilaag. Met de oranje arcering in het groene vlakje is aangegeven wanneer in het zandpakket leem aanwezig is. Het verschil tussen deze beide zandafzettingen op de tertiaire klei resulteert onder andere in een verschillende infiltratie en afspoeling van de bodem.

30-7-2020

57

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 41: Hoogtekaart Mosbeek (AHN)

Figuur 42: Verbreiding glaciaal gestuwde pakketten (naar: Van den Berg en den Otter, 1993) en Bodemkartering (Naar: Badus, 2018)

30-7-2020

58

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

4.2.2 Bodem In deze paragraaf is de ‘ondiepe bodem’ tot enkele meters onder maaiveld beschreven. Net zoals bij het deelgebied Hazelbekke laat de bodemkaart (1:50.000) van de Mosbeek een te beperkte variatie in bodemopbouw zien. De oostzijde van het gebied wordt gekenmerkt door de voedselrijke veldpodzolgronden. Daarnaast komen plaatselijk haarpodzolgrond en holtpodzolgrond voor. De gronden rondom de Mosbeek hebben hier met name een venige beekdalgrond. De westzijde van het gebied bestaat uit beekeerdgronden in het laaggelegen beekdal, omringd door hoge zwarte enkeerdgronden op de essen.

Figuur 43: Bodemkaart 1:50.000 (provincie Overijssel, 2018) Uit de bodemkartering op de landbouwpercelen valt op dat de bodem aan de zuidzijde van de beek in het Oerbekkedal vooral bestaat uit zwarte enkeerd die is ontstaan door opbrengen van potstalmest (Badus, 2018). De overige gekarteerde gronden rondom de beek zijn veelal geëgaliseerd voor landbouwkundig gebruik. Daarnaast bevindt zich onder deze enkeerden een laag van Tertiaire klei op 40 tot 120 cm onder maaiveld. Voor meer detail zie Figuur 44. Dat de lokale bodem behoorlijk kan afwijken van de 1:50.000 kaart blijkt uit de kartering op het noordelijke tegen de Duitse grens geleden landbouwperceel.

30-7-2020

59

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 44: Bodemkaart nader gekarteerde percelen (Badus, 2018)

4.3 Watersysteem 4.3.1 Oppervlaktewater Deze paragraaf beschrijft hoe het neerslag- en afvoerproces in de Mosbeek functioneert. Hierbij is aandacht voor wat er tijdens en na een regenbui in het stroomgebied gebeurt en welke factoren hier invloed op hebben. De Mosbeek is een beeksysteem met zijn oorsprong in een brongebied gelegen op de flank van de stuwwal. Het brongebied bestaat uit een sterk vertakt stelsel van bronnen en kleine waterloopjes. Het landbouwgebied en het broekbos in de bovenloop wordt ook gekenmerkt door een stelsel van sloten en greppels. De hoofdloop van de Mosbeek begint in het broekbos gelegen naast het bronveen ten westen van de Vlasbeekweg. De Mosbeek is 0,4 à 0,5 meter diep en heeft een waterdiepte van 5 à 10 cm. Het drainageniveau ligt dus 0,35 à 0,4 m beneden maaiveld. Dit betekent dat de beek (ondanks zijn natuurlijk ogende karakter) behoorlijk diep in het dal is ingesneden. Opvallend is dat er in de Mosbeek ook trajecten bestaan waar bij de basisafvoer al stroomsnelheden optreden waarbij erosie kan optreden. Dit duidt op een zeer sterk verhang. In Figuur 45 is het oppervlaktewatersysteem en de stroomsnelheid van de Mosbeek weergegeven

30-7-2020

60

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 45: Huidige watersysteem en stroomsnelheden bij een piekbui van T=100 en de bijbehorende run-off kaart Oppervlakkige afstroming (runoff) De afvoer van regenwater wordt gestuurd door de bodemopbouw, het landgebruik en de eventuele aanwezigheid van begroeiing en tot slot de intensiteit van drainage (Arcadis 2018, zie bijlage 4).

30-7-2020

61

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Tijdens afvoerpieken is de stroomsnelheid in de Mosbeek hoog. Deze hoge stroomsnelheden leiden tot erosie in het beekdal. Bij lage waterstanden zorgt een diepere ligging van de beek voor verdroging in het beekdal en op de flanken van het beekdal. In de huidige situatie komen stroomsnelheden voor tussen de 0,01 en 1,45 m/sec. Op basis van hydrologisch onderzoek is gebleken dat in de huidige situatie de stroomsnelheden hoger dan 0,5 m/sec een knelpunt vormen. Dat leidt tot snelle afvoer en diepe insnijding van de beek, waardoor de grondwater gevoede habitats verdrogen. Om die knelpunten op te lossen is een maximale stroomsnelheid van 0,5 m/sec en een ondiepe ligging van de beekbodem (max 0,2 m) noodzakelijk. Om dat te kunnen realiseren is het streven om piekbuien tot T100 in het gebied te kunnen bergen. Drainage De meeste drainage is aangelegd op de percelen waar veelal tertiaire klei ondiep in het profiel voorkomt. Deze drainage bevordert het waterbergend vermogen van de bodem boven de storende laag in situaties wanneer de grond verzadigd kan raken. De drainage voert dan overtollig water af en maakt het mogelijk dat neerslag weer kan intrekken in de bodem. Hiermee beperkt drainage op deze percelen het risico op runoff. Indien de drainage wordt verwijderd dan zal de ondiepe uitspoeling op deze percelen toenemen.

Indien drainage een drainerende werking heeft op de omliggende habitattypen dan zal deze worden verwijderd. Als gevolg hiervan is het perceel landbouwkundig minder geschikt en is voorgesteld om de bemesting te stoppen. Overall gezien zijn drainagemiddelen in en rondom het Mosbeekdal beperkt van invloed op de afvoer van grondwater uit de omgeving. Wel zorgen sloten voor een versnelde afvoer van water op het hoofdsysteem Maaiveldruwheid De mate van afstroming en de snelheid waarmee dit gebeurt wordt mede veroorzaakt door de heling- en de aanwezige begroeiing (ruwheid) van het maaiveld. De maaiveldruwheid varieert over het jaar. Met name in de wintermaanden ondervindt de afstromende neerslag op, met name landbouwpercelen, vrijwel geen weerstand.

Oppervlaktewaterkwaliteit Wat opvalt is dat de nitraat- en fosfaatgehalten in de bovenloop van de Mosbeek over het algemeen hoger zijn dan in de benedenloop. Dit kan worden verklaard doordat rondom de bovenloop het grondwatersysteem lokaal van aard is waardoor voedingsstoffen snel vanuit het grondwater in het oppervlaktewater terechtkomen (Gebiedsanalyse 2017). Daarnaast is het aannemelijk dat dieper, schoner grondwater tot verdunning leidt.

4.3.2 Grondwater In paragraaf 2.3 is ingegaan op het functioneren van het regionale grondwatersysteem. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het lokale grondwatersysteem. Ook hier heeft de complexe geohydrologie in de Mosbeek geleid tot het ontstaan van een kwel- en bronnenrijk gebied. Lokale grondwatersystemen Het deelgebied Mosbeek wordt gekenmerkt door bronsystemen. Dit betekent dat op verschillende plekken in en rondom het beekdal en ook langs een aantal zijtakken jaarrond grondwater uittreedt, maar dat sommige bronnen op de flanken ook droogval kennen. Uniek is dat de bronnen niet alleen in het beekdal zelf voorkomen, maar ook op de randen van het beekdal (flanken) en op hoger gelegen delen buiten het beekdal. In het Oerbekkedal komen zelfs bronnen op vier bronniveau ’s boven elkaar voor. Dat bronnen op verschillende niveaus voorkomen is het gevolg van slecht doorlatende lagen in de bodem die ondiep en soms zelfs tot op maaiveldniveau voorkomen. Wanneer deze ondoorlatende lagen aan maaiveld komen ontstaan bronnen.

Figuur 46: Geschematiseerde dwarsdoorsnede met de verschillende lagen en bronnen zoals in Hazelbekke (Van Huissteden, 1989) (Uit: Van ’t Hullenaar & Bell, 2004) 30-7-2020

62

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek In de beekdalen zijn fluctuaties in de grondwaterstand jaarrond aan maaiveld gering. In de flanken van het beekdal fluctueren de grondwaterstanden wat meer. De bronsystemen zelf kennen soms een uitzonderlijk sterke kweldruk, zoals in het brongebied van de Mosbeek (Hullenaar 2017), waar jaarrond grondwater uittreedt

4.4 Ecologische waarden Deze paragraaf beschrijft de ecologische waarden in deelgebied Mosbeek. Voorkomende habitattypen In de Mosbeek komen zeven grondwaterafhankelijke en twee grondwateronafhankelijke habitattypen voor die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit (het N2000-beheerplan) zie Figuur 62. De grondwaterafhankelijke habitattypen zijn: Vochtige heiden (H4010A), Heischrale graslanden (H6230), Blauwgraslanden (H6410), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150), Kalkmoerassen (H7230), Overgangs- en trilvenen (H7140A) en Vochtige alluviale bossen (H91E0). Er zijn habitattypen die niet uitgesproken afhankelijk zijn van grondwater. Deze hebben normaliter nog steeds baat bij kwelinvloeden en natte plekken in het landschap want dit zorgt voor variatie en kwaliteit. Maar het water hoeft niet continu of in het voorjaar overal aan maaiveld te staan. Grondwateronafhankelijke habitattypen zijn Beuken-eikenbos met Hulst (H9120) en Droge heiden (H4030). In Figuur 47 zijn en Tabel 13 zijn alle habitattype weergegeven die voorkomen in de Mosbeek. In de benedenloop van de Mosbeek vanaf de molen richting het westen zijn geen habitattypen aanwezig. In Tabel 13 zijn per habitattype ook de instandhoudingsdoelstellingen weergegeven.

In de kolommen ‘Doel oppervlakte’ en ‘Doel kwaliteit’ staat of de kwaliteit en de oppervlakte van het habitattype doelmatig wordt behouden (=) of uitgebreid (>) moet worden.

Figuur 47: Habitattypen en N2000 begrenzing Mosbeek (RIVM, 2015) Tabel 13: Habitattypen en doelen Habitattypen

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

H91E0C Vochtige alluviale bossen H6410A Blauwgraslanden H7230 Kalkmoerassen H7140A Overgangs- en trilvenen6 H6230 Heischrale graslanden

> > > > >

> > > > >

6

Dit habitattype staat op de habitattypenkaart (Figuur 47) in de Mosbeek als zoekgebied op de kaart. Dit habitattype komt daar ook voor en wordt meegenomen in dit inrichtingsplan

30-7-2020

63

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek H4010A Vochtige heiden = > H4030 Droge heiden > > H7150 Pioniersvegetaties en snavelbiezen = = H9120 Beuken- eikenbossen met hulst = > H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden* *Komen niet voor in het aanwijzingsbesluit en maatregelen worden in deze N2000-beheerplanperiode niet uitgewerkt

In de volgende alinea’s zijn alle in de Mosbeek voorkomende habitattypen kort beschreven. Ook is aangegeven of het habitattype goed ontwikkeld voorkomt en of er in de vegetatie indicatorsoorten voor vermesting en/of verdroging voorkomen. H91E0, Vochtige alluviale bossen (Alluviale bossen) Het habitattype Vochtige alluviale bossen komt met twee bostypen voor in de Mosbeek: • De elzenbronbossen (Elzenzegge-Elzenbroekbos subassociatie Bittere veldkers) zijn rijk ontwikkeld en hebben een duidelijk voorjaarsaspect met Paarbladig, Gewone dotterbloem, Bittere veldkers en minder opvallende soorten als Bosbies, Holpijp en Kleine valeriaan. Dit bostype wordt door permanente kwel van basenrijk water gevoed. De grondwaterstanden fluctueren tot maximaal 0,20 meter rond het maaiveld • Op iets hoger gelegen plekken komen Vogelkers-Essenbossen voor. De kwelinvloed is wat minder intens en de grondwaterstanden fluctueren wat meer dan in het Elzenbronbos. De Vochtige alluviale bossen (verder genoemd, Alluviale bossen), zijn in de Mosbeek goed ontwikkeld. Al zijn op een aantal plekken in de Mosbeek indicatorsoorten aanwezig van verdroging en vermesting, zoals de Grote brandnetel, Gewone braam, Brede stekelvaren, Gewone Es (verdroging) en Mannagras (vermesting). De verdrogings- en veenoxidatie knelpunten staan op kaart in H4.5.5.

In het verleden zijn er herstelmaatregelen beekdal uitgevoerd, betreffende verondieping van een deel van de beek. Na de uitvoering van de herstelmaatregelen heeft al een kwaliteitsverbetering in het beekdal plaatsgevonden. Dit is terug te zien aan de toename van onder andere Paarbladig goudveil, Gewone dotterbloem en Bittere Veldkers.

Figuur 48: Habitattypetype Vochtige alluviale bossen. Vegetatietype: Elzenzegge-Elzenbroek subassociatie Bittere veldkers. Bovenstrooms Maatmansweg geel bloeiend Gewone dotterbloem en roodbruin is ijzerrijke kwel (2016). H6410 Blauwgraslanden Dit habitattype komt voor op voedselarme, basen houdende bodems met wisselende grondwaterstanden rondom het maaiveld. In de Mosbeek komt het voor in de deelsystemen: Brongebied, Oerbekkedal, Vlasreuterij en Tussen de Molens in de vorm van een Veldrus associatie en de subassociatie met Parnassia. Deze vegetatietypen binnen de Blauwgraslanden duiden op een goede kwaliteit, waarbij opgemerkt dat niet alle kensoorten voorkomen. In het Brongebied is het onderdeel van de gradiënt van Kalkmoerassen naar Vochtige heide met soorten als Vlozegge, Parnassia en Kleine valeriaan.

30-7-2020

64

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Met natuurontwikkeling door Landschap Overijssel op voormalige cultuurgrond in combinatie met verondieping van de beek is het oppervlakte (ca. 3 ha.) recent iets toegenomen (SNL2000-2010 en waterschap Vechtstromen, 2012). Herstel van kwaliteit blijft echter achter. De vestiging van kenmerkende soorten is afhankelijk van dispersie en voortzetten verschralingsbeheer. Dit speelt bij de zoekgebieden Blauwgraslanden direct ten zuiden van het brongebied, in deelgebied Oerbekke en het noordelijke deel van het deelgebied Vlasreuterij. Belangrijk knelpunt voor dit habitattype is eutrofiëring en verzuring van de bodem als gevolg van vermest grondwater en depositie. Bij de herinrichting is bij plaggen en afgraven vooral fosfaat afgevoerd.

Figuur 49: Habitattype Blauwgrasland. Vegetatietype associatie van Veldrus. De hooggelegen Reuterij. Donkergroen gekleurd is de constante begeleider Veldrus (2016). H7230 Kalkmoerassen Kalmoerassen komen in de Mosbeek voor in het Brongebied, met circa 0,5 ha. Dit habitattype komt voor op basenrijke standplaatsen met een permanent natte bodem. Grondwaterstanden bevinden zich net boven of net onder het maaiveld. In de Mosbeek komen kalkmoerassen in het Brongebied voor met de Associatie van Vetblad en Vlozegge en de Rompgemeenschap van armbloemige waterbies.

Figuur 50: Habitattype Kalkmoerassen met het vegetatietype Rompgemeenschap Armbloemige waterbies (midden richting peilbuis, rechts witbloeiend Parnassia in habitattype Blauwgraslanden en links Blauwe knop in orchideeënrijke vochtige heide (2018)

Het habitattype komt in het Brongebied goed ontwikkeld voor in een gradiënt van Heischrale graslanden, Vochtige heiden, Blauwgrasland en Kalkmoerassen. Een verdrogingsindicator in het brongebied is o.a. Blauwe knoop. Moerasspirea, Koninginnekruid, maar ook Gewone dotterbloem en Moeraszegge hoger op de helling wijzen op voedselrijke omstandigheden als gevolg van vermesting en veenafbraak. Dit is idd specifiek in het brongebied. In de voedselrijkere systemen zijn het soms kensoorten van het voorkomende type, zoals elzenbronbos

H7140, Overgangs- en trilvenen Het overgangs- en trilveen komt voor onder voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengroei staat onder invloed van basenrijke grondwater en zuur regenwater. In de Mosbeek komt dit habitattype voor in het Brongebied en in het deelsysteem Tussen de Molens. Tussen de molens, wijst de hoge bedekking van Gewoon veenmos en grove soortenpatronen op een matige kwaliteit van het overgangs- en trilveen. 30-7-2020

65

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek

Figuur 51: Habitattype Overgangs- en Trilvenen. Vegetatietype typische subassociatie van Moerasstruisgras en Zompzegge met Draadrus (2017). H6230 Heischrale graslanden In het Brongebied komen natte heidevegetaties voor met veel soorten van heischraal grasland. In de Vlasreuterij heeft natuurontwikkeling op voormalige cultuurgronden lokaal geleid tot de ontwikkeling van grondwateronafhankelijke droge heischrale graslanden. Het oppervlak heischrale graslanden bedraagt circa 2,4 ha. H4010A Vochtige heiden Dit habitattype bestaat uit een vochtige heidegemeenschap op voedselarme, zure zand- en veenbodems. Kenmerkend is hierbij de hoge bedekking met gewone dophei (heidesoort die onder natte omstandigheden groeit). Het habitattype komt in het Brongebied goed ontwikkeld voor in een gradiënt van Heischrale graslanden, Vochtige heiden, Blauwgrasland en Kalkmoerassen. Een verdrogingsindicator in het brongebied is o.a. Blauwe knoop. Moerasspirea, Koninginnekruid, maar ook Gewone dotterbloem en Moeraszegge hoger op de helling wijzen op voedselrijke omstandigheden als gevolg van vermesting en veenafbraak. H4030 Droge heiden Droge heide is een grondwater onafhankelijk habitattype die wordt gedomineerd door struikheide in combinatie met dwergstruiken, grassen en mossen. In Nederland komen droge heiden voor op matige droge tot droge, kalkarme en zure bodems.

In de Mosbeek komt droge heide voor in de deelsystemen Oerbekkedal en Vlasreuterij. In het Oerbekkedal wijzen de soorten als Grote lisdodde, Koninginnekruid en Riet op vermesting van het habitattype. In het N2000-beheerplan (provincie Overijssel, 2017) is aangegeven dat dit ontstaat als gevolg van depositie. Een andere oorzaak is de doorvoer van voedselrijk oppervlaktewater door de Droge heide in het Oerbekkedal. Omleggen van het zijloopje van de Mosbeek is geen alternatief. Een groot deel van de droge heide bestaat uit vegetatietypen die duiden op een matige tot goede kwaliteit. De heide is echter arm aan typische planten- en diersoorten. Dit wordt geweten aan verzuring en vermesting (dus gevolg depositie). H7150 Pioniersvegetaties en snavelbiezen Dit habitattype betreft pionier gemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken, waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, staan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige stagnatie van water in de laagten. In de Mosbeek komt dit habitattype voor in het deelsysteem Vlasreuterij. Op de vochtige open

30-7-2020

66

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek plekken komen de kensoorten Moeraswolfsklauw en Kleine zonedauw veel voor en Bruine snavelbies in mindere mate. Naarmate de successie verder gaat zal dit habitattype afnemen en is opnieuw creëren van pionier plekken noodzakelijk. H9120, Beuken-eikenbossen met hulst Beuken-eikenbossen met Hulst komen voor op droge tot vochtige zand- en leemgronden. In het gebied zijn die te vinden op het stuwwalplateau en tegen de hellingen rond de beekdalen. Deze standplaatsen worden enkel door regenwater gevoed en zijn voor buffering van de zuurgraad afhankelijk van de bodem. Om achteruitgang van dit habitattype te voorkomen zijn in de 1e N2000-beheerplanperiode geen inrichtingsmaatregelen nodig. Het gaat hier om een niet grondwatergevoed habitattype. Voorkomende Habitatrichtlijnsoorten Vliegend hert – Mander – Mosbeek - Springendal De meeste herstelmaatregelen hebben geen invloed op het leefgebied en op de populatie zelf. De beheermaatregel voor habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst draagt juist bij aan een betere kwaliteit van het leefgebied door de ontwikkeling van geleidelijke bosranden. Larven hebben namelijk oude eiken nodig die redelijk vrij staan. Speciale maatregelen als het ingraven van eikenstammen is door Landschap Overijssel op meerdere locaties toegepast om de aanwezigheid van dood eikenhout te bevorderen.

Bij het omvormen van bos naar heide ten behoeve uitbreiding en het verbinden van habitattype Droge heiden dienen oude eiken te worden ontzien (indien aanwezig). Smit (2016) heeft maatregelen aanbevolen voor duurzaam voortbestaan van de populatie. Achterstallig beheer moet worden weggewerkt en verbindingen moeten worden aangelegd. Landschap Overijssel, Provincie Overijssel en gebiedscollectief Noordoost Twente pakken dit samen op. Kamsalamander - Mander De Kamsalamander komt voor in enkele poelen langs de bovenloop van de Eendenbeek (Manderheide). Nader onderzoek heeft plaats gevonden door Ottburg (2017). Deze soort is in dit gebied niet gebonden aan een stikstofgevoelig habitattype of leefgebied. Kansen voor uitbreiding van het leefgebied van deze soort liggen in het gebied rondom de huidige populaties. Naar verwachting zal het graven van enkele nieuwe poelen nabij de huidige populatie een positief effect hebben op de soort. Tevens zijn houtwallen erg belangrijk voor de migratie van de soort. Dit zijn echter geen N2000-maatregelen. Voor de Kamsalamander zijn geen aanvullende N2000-maatregelen noodzakelijk. Wel zijn de aanbevelingen van Ottburg (2017) meegenomen in het inrichtingsplan van de Manderheide.

4.5 Knelpunten Binnen het deelgebied spelen vier knelpunten, namelijk verdroging, vermesting, verzuring en veenafbraak, waarbij veenafbraak een afgeleide is van de knelpunten verdroging en vermesting. Dit wordt verder in deze paragraaf nader toegelicht. Per deelsysteem binnen het Dal van de Mosbeek wordt vervolgens ingegaan op de aanwezige knelpunten.

4.5.1 Verdroging In het Dal van de Mosbeek is op een aantal plekken het knelpunt verdroging geconstateerd, zie Figuur 52. In het N2000beheerplan is dit knelpunt gespecificeerd in verdroging door verschillende oorzaken met de nummers (K1 t/m K7). Verdroging uit zich in een te lage voorjaars- en zomergrondwaterstand en het voorkomen van Grote brandnetel en Gewone braam. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Die worden hieronder nader toegelicht. Ontwatering binnen het habitattype De Mosbeek is op een aantal plekken te diep ingesneden. Door de diepe ligging van de beek onttrekt de beek extra grondwater (draineert de omgeving), waardoor de grondwaterspiegel verder onder het maaiveld komt te liggen en de bodem rondom de beek en de beekdalflanken verdrogen.

Figuur 52: Voorbeeld van insnijding van de beek (links) en rechts van een niet ingesneden beek 30-7-2020

67

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Door de diepe insnijding van de beek gaat stroomsnelheid van de beek omhoog en treedt er erosie op. Erosie zorgt voor een diepere insnijding van de beek. In Figuur 45 in H4.3.1zijn de stroomsnelheden weergegeven voor een regenbui die statistisch gezien één keer in de 100 jaar voorkomt. De hoge stroomsnelheden komen vooral voor in de deelgebieden Brongebied en Oerbekkedal. Verder zijn er plekken in de deelgebieden Vlasreuterij en tussen de molens waar de stroomsnelheden hoger liggen. Op deze plekken is de beek te diep ingesneden, zie Figuur 52. Ontwatering in de omgeving Menselijk handelen binnen het beeksysteem is ook een oorzaak van verdroging. Het aanleggen van lokale ontwatering ten behoeve van landbouwpercelen is de belangrijkste oorzaak. Daarnaast zijn er diverse aangravingen geweest om de watermolens van een meer constante stroom van water te voorzien. Door extra drainage van landbouwgrond of het graven dan wel verdiepen van ontwateringssloten, wordt meer grondwater oppervlakkig afgevoerd. Dit zorgt er voor dat de grondwaterspiegel daalt. In de afgelopen jaren zijn al veel ontwateringssloten gedempt waardoor verdroging door ontwatering in de omgeving al deels is aangepakt.

De drainage die in het Dal van de Mosbeek voorkomt heeft een verdrogend effect op de habitattypen in de deelgebieden – Brongebied, het Oerbekke, Vlasreuterij en tussen de Molens. Dit gaat om percelen die volledig zijn gedraineerd om de landbouwkundige mogelijkheden te verbeteren. Veelal ligt deze drainage deels in het zand. En deels in de ondiep voorkomende tertiaire klei. Ingeval van tertiaire klei heeft deze drainage geen verdrogend effect op de habitattypen. Grond- en oppervlaktewateronttrekkingen Verder wordt er in het gebied drinkwater voor vee onttrokken uit het oppervlaktewater en het grondwater. Op dit moment is geen zicht op de landbouwonttrekkingen. Aangezien er boven de ondoorlatende lagen geen constante grondwaterspiegel is, zullen eventuele onttrekkingen onder de ondoorlatende laag zijn aangebracht. In dat geval hebben deze onttrekkingen geen verdrogend effect op de habitattypen, aangezien de standplaats voor de habitattypen boven de ondoorlatende laag ligt.

4.5.2 Vermesting Binnen het Dal van de Mosbeek (in de deelgebieden Brongebied, Oerbekkedal en tussen de Molens) treedt in de Vochtige alluviale bossen verruiging in de vegetatie op door grondwater dat is verrijkt met nutriënten (meststoffen). In het N2000beheerplan zijn dit knelpunten K8 en K11). Door de uitspoeling van nitraat komen voedselrijke soorten als de Grote brandnetel en Gewone braam voor, die zorgen voor een kwaliteitsvermindering van de habitattypen. Uit de uitgevoerde waterkwaliteitsanalyses (Aqualysis (2018) en Brongebied Hullenaar (2017)) blijkt dat de concentraties Nitraat soms deels hoog zijn. Soms zijn ze laag en zijn dan de sulfaatgehalten hoog door aanwezigheid van pyriet en in dat geval omzetting van nitraat in sulfaat (bij e bron van de Mosbeek en bij in het Oerbekkedal). Daarnaast kan uitspoeling van nitraat ook zorgen voor veenafbraak. Wanneer nitraatrijk grondwater in aanraking komt met pyrietafzettingen (ijzerafzetting), vindt omzetting naar sulfaat plaats. Door dit proces kan het zo zijn dat de gemeten nitraatconcentraties in de natuurgebieden laag zijn en juist de sulfaatwaarden hoog. Sulfaat kan onder zuurstofloze omstandigheden dienen als oxidator voor het proces wat leidt tot veenafbraak.

Door de ondiepe ligging van mariene afzettingen komen pyrietafzettingen van nature relatief ondiep in de bodem voor in dit gebied, waardoor het extra gevoelig is voor dit proces van sulfaatvorming. Daarnaast is sulfaat aanwezig door depositie en komt beschikbaar door verdroging. Tussen de molens komt in het Trilveen verhoogd sulfaat voor direct in de toplaag en dieper in het bodemprofiel lager en de relatie met zuurstofrijk regenwater is gelegd (Hommel en de Waal, 2013). Ook in het brongebied is een verhoogd gehalte aan sulfaat gepaard met een verhoogd gehalte aan CO2, laag ijzer maar verhoogd hoog nitraat aangetroffen, dit wijst niet alleen op een landbouwkundige belasting. Op waarschijnlijk alle andere locaties speelt een bodempassage van nitraat via pyriet een belangrijke rol tot sulfaatvorming en veenafbraak. In het Dal van de Mosbeek is in het oppervlaktewater een dalende trend voor Nitraat. Dit blijkt uit een analyse van de waterkwaliteitsgegevens van het meetpunt (06-203) aan Maatmansweg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De reek 2009 - 2017 laat een licht dalende trend zien waarbij vanaf 2008 er een structurele daling te zien in van enkele mg/l. (zie bijlage 9 voor de waterkwaliteitsanalyse. Ook het fosfaat laat een dalende trend zien, vanaf 2012 blijft de waarde consequent onder de grenswaarde van 0,07 mg fosfaat/liter.

Alleen in extreme piekbuien is als gevolg van run off uitschieters in de meetwaarden. Sulfaat in het oppervlaktewater laat een min of meer gelijkmatig verhoogd beeld zien. Dit wordt grotendeels veroorzaakt doordat nitraat door pyrietoxidatie wordt omgezet in sulfaat. De in de bodem aanwezige verhoogde waarden van sulfaat leiden tot veenafbraak, bij waarden hoger dan 50 mg/l

4.5.3 Verzuring Wanneer de invloed van kwelwater vermindert in de habitattypen en de grondwaterstanden te laag staan, kan verzuring optreden. De hoeveelheid kwel heeft invloed op de buffercapaciteit in het gebied. De buffercapaciteit geeft de mate aan waarin een systeem in staat is te compenseren voor veranderingen in zuurconcentraties. In het N2000-beheerplan is dit knelpunt gespecificeerd in verdroging door verschillende oorzaken met de nummers (K1 t/m K7). In waterverzadigde bodems vinden processen plaats die buffercapaciteit genereren. Verdroging van natte systemen gaat vaak samen met verzuring. Door een lagere grondwaterstand kan namelijk ook een dikkere laag met zuur regenwater in de bodem ontstaan. 30-7-2020

68

Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Dit speelt onder andere in het brongebied, terwijl in het Trilveen in het deelgebied tussen de molens pyriet in de top van het systeem de dominante rol speelt (Hommel en de Waal, 2013). Bij de beoordeling van de zuurgraad zijn de abiotische randvoorwaarden voor habitattypen gebruikt zoals beschreven in Claessens et al (RIVM 2014). Voor de habitattypen Overgangs- en trilvenen en Vochtige alluviale bossen is de zuurconcentratie goed met waarden die zelfs 1 pH punt hoger liggen dan de norm van goed. Deze norm is vastgesteld op de bandbreedte pH 5,5 tot 6,5 (Claessens et al., 2014). De zuurgraad voor oppervlaktewater voor deze habitattypen voldoet met een pH-waarde tussen 6,5 en 8 aan de KRW-norm voor zeer goed. Enige uitzondering hierop is een meetmoment rond 2000.

4.5.4 Veenafbraak (gevolg van verdroging en/of vermesting) Binnen het gebied komt veenafbraak in de bodem voor. Veenafbraak zorgt voor een hogere voedselrijkdom ter plaatse waardoor de standplaats van het habitattype wordt aangetast (verlaging van de bodem door de afbraak van veen). Dit heeft een negatief effect op alle grondwaterafhankelijke habitattypen, die voorkomen bij licht tot matig voedselrijke omstandigheden. Dit speelt in alle deelgebieden. In het brongebied is in het kader van de N2000 de beek verondiept en treedt inmiddels herstel van grondwaterstanden en kwel op. Beide processen komen in de beekdalen van het Mosbeek voor. Aangezien veenafbraak optreedt als gevolg van verdroging en vermesting is het knelpunt beschreven onder de knelpunten verdroging en vermesting. Zie ook H4.5.5. Vanwege de lange hersteltijd voor veen vormt veenafbraak een grote kans op onomkeerbare schade aan een gebied. Het nemen van maatregelen voor behoud en herstel van veen heeft daarom een hoge urgentie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/575/documents/17067