r_Bijlage 1 Inrichtingsplan (1).pdf
Tekst van het document
Maatregelnummer
Maatregel
Onderbouwing
M16 - Omvormen landbouwgronden: dempen sloten, opheffen buisdrainage, stoppen bemesting, verwijderen fosfaatrijke toplaag (o.a. herstel waterhuishouding en ontgronden) - landbouwgronden rond het brongebied van de Mosbeek (t.b.v. Mosbeek)
311, 312 318, 320 382, 478 628, 630 657, 671 672, 681 694, 698
Verondiepen beek tot 20cm -mv Graven sloot Verondiepen sloot met leemhoudend zand Dempen sloot met leemhoudend zand Verwijderen buisdrainage Herstellen drainage Aanleggen vaste dam Reconstrueren oude verbinding beek met molenkolk Zandvang niet meer opschonen Aanpassen rad en binnenwerk molen Verwijderen afval Aanleggen vaste dam Aanleggen/verbeteren knijpconstructie
Het verondiepen van de beek, het verwijderen van drainage en het dempen van een aantal sloten zorgen voor een verhoging van het grondwaterpeil in de vochtige habitats. Hierdoor wordt verdroging en veenoxidatie tegen gegaan.
Verondiepen sloot met leemhoudend zand; Verwijderen duiker; Nieuwe duiker met knijpconstructie aanleggen; Graven sloot
Het realiseren van de waterberging an sich is geen maatregel omdat hier niets gedaan hoeft te worden. Wel worden er hier dus een knijpduikers aangelegd om piekafvoeren te dempen. Hiermee wordt erosie en beekinsnijding voorkomen. Dit is een tijdelijke berging, van korte duur in een extreme situatie. Daardoor heeft het geen negatief effect op het habitattype. Er is bewust gekozen voor berging op deze locaties, omdat het risico van landschapsaantasting in het dal als aanvaardbaar klein wordt ingeschat.
M18 - Aanleg waterretentie voor 460, 461 opvangen piekafvoeren uit 462, 463 landbouwpercelen 697 - twee locaties zuidkant Mosbeek
Ook worden houtwallen, knijpduikers en de afwateringen van de erven zo aangelegd dat nutriëntrijkwater van percelen of erven niet in de habitats kunnen komen. De overige maatregelen (voordes, drempels, verwijderen van (groen)afval) zijn hier opgenomen om de bereikbaarheid en het watersysteem in goede staat te brengen wat ook onderdeel is van het N2000 beheerplan
*De nummering is gevormd als volgt: 0-200 zijn percelen, 300-500 zijn lijnelementen en 600-800 zijn puntelementen. Niet alle nummers komen voor op de kaarten en tabellen vanwege het organisch groeien en bijsnijden van de maatregelen
Maatregelen knelpunt verdroging De knelpunten van verdroging worden veroorzaakt door een te diepe ligging van de beek, mogelijk veroorzaakt door piekafvoer van de landbouwpercelen. Als maatregel is net als in Noordtak maatregel 311 opgenomen, het verondiepen van de beek. Om verdroging tegen te gaan wordt op locatie 96 de drainage verwijderd (maatregel 382) en worden sloten gedempt of verondiept (maatregel 320, 387, 318, 315 en 434). Daarnaast wordt er een knijpduiker (maatregel 643) geplaatst en een watergang verlegd (maatregel 312) om geëutrofieerd water af te vangen voordat het de habitats kan bereiken. Perceel 103 is momenteel gedraineerd en heeft een verdrogend effect op het ten westen gelegen brongebied waarmee de drainage moet worden verwijderd (382). Dit geldt ook voor perceel 73 waar de drainage tussen het Vogelkers-essenbos en de nieuwe aan te leggen watergang (312) zal moeten worden verwijderd. Van de overige drainage op dit perceel is bepaald dat deze niet van invloed is op de grondwaterstanden. Dit is het gevolg van een ondiep voorkomende tertiaire kleilaag die als een soort deksel onder de grond werkt en als een scheidingslaag werkt tussen het diepe- en ondiepe grondwater. Vermesting Wat betreft het knelpunt vermesting wordt naar de omliggende gronden gekeken.
Aan de zuidzijde van het beekdal wordt een bemestingsvrije strook aangelegd (perceel 83 en 92) ter breedte van 50 m die overeenkomt Op delen van deze strook ligt de keileem ondiep. Deze strook wordt tevens gebruikt voor de hierboven genoemde retentie. Om de nitraatuitspoeling en -afspoeling bij piekafvoer verder te verminderen wordt op de overige delen van de percelen een verbod op akkerbouw opgenomen. Omdat ook onder de natuurpercelen nog een te hoog gehalte aan nitraat/sulfaat is gevonden, wordt hier als maatregel verschraling/aanpassing beheer opgenomen (gele percelen). Om het knelpunt met vermesting op het perceel ten westen van de Vogelkersessenbos op te heffen is voorgesteld om het landbouwwater niet meer via de huidige loop af te wateren op de beek. Een nieuwe watergang (verleggen maatregel 312)
30-7-2020
89
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek zal hiertoe worden aangelegd. Op deze watergang zal ook de drainage van het perceel op uitkomen, zodat afvoer van nutrientrijk water in de habitat niet meer mogelijk is. Doelbereik van de maatregelen De maatregelen om verdroging op te heffen (verwijderen buisdrainage) en piekafvoeren te verminderen, zorgen ervoor dat de grondwaterstanden stijgen in het habitattype Alluviale bossen. De beekbodemverhoging zal leiden tot een verhoging in GHG en GLG die overeenkomt met de verhoging van de beekbodem (tot circa 20 cm -mv maatregel 311). Door de uitvoering van deze maatregelen ontstaat er een hogere toevoer van kwel naar de habitattypen, in plaats van kwel direct naar de beek. Dit zorgt voor betere omstandigheden voor de ontwikkeling van Alluviale bossen. Door de omlegging van de watergang 312, die in de huidige situatie direct ter plekke van het Vogelkers-essenbos in de zijtak van de beek komt, zal de hydrologische situatie van verbeteren. Vooral doordat het oppervlaktewater afstromend vanaf het hoger gelegen gebied dit habitat niet meer zal passeren. Dit zal de ontwikkeling van dit grondwatergevoede habitattypen in dit gebied ten goede komen.
Benedenloop Mosbeek In het N2000-beheerplan wordt de maatregel M60 benoemd. De maatregel staat geprojecteerd op de gronden langs de Mosbeek benedenstrooms van de watermolen van Bels. Deze maatregel betreft het ‘verwerven percelen nieuw natuur EHS in benedenloop van de Mosbeek i.v.m. verondiepen beek M20 (herstel waterhuishouding)’. De basis voor de maatregel ligt in het herstel van de waterhuishouding in combinatie met M20. Dit impliceert dat de waterhuishouding benedenstrooms niet in orde is. Dit wordt ondersteunt door de genoemde knelpunten K2 en K3; te lage voorjaarsgrondwaterstanden door insnijding van de beek als gevolg van piekafvoeren en normalisatie van de beek. Op de habitattypenkaart staan voor de gronden benedenstrooms van de Mosbeek geen habitattypen opgenomen. Daarnaast is tijdens een veldbezoek met Provincie Overijssel (2016) het volgende geconstateerd: • Op de gronden van M60 zijn geen habitattypen aanwezig; • De beek benedenstrooms is in 2011/2012 bekleed met leem waardoor de beek hydrologisch geïsoleerd ligt van het omliggende gebied; • De grondwaterstanden bedragen tussen de 80 en 100 cm onder maaiveld waardoor de potenties voor de gronden van M60 niet geschikt lijken voor de ontwikkeling van grondwaterafhankelijke habitattypen.
Op basis van bovenstaande bevindingen wordt ten aanzien van M60 geconcludeerd dat er door het ontbreken van (potentiële) habitattypen geen aanleiding is om maatregelen te nemen voor M60. Tevens kan M60 voor de volgende beheerplanperioden worden beperkt tot een strook langs de beek gezien de beperkte hydrologische relatie tussen de Mosbeek en de gronden van M60. Belangrijkste aandachtspunten zijn risico’s terugschrijdende erosie en vispasseerbaar maken van de benedenloop.
4.6.4 Beekverondieping De beekverondieping in de Mosbeek gaat over een totale beeklengte van 3,62 km. Hiervoor is de volgende hoeveelheid leemhoudend zand nodig: Beekverondieping
Mosbeek
Beeklengte (km)
3,62
Leemhoudend zand inclusief zetting (+20%) (m3)
8000
*Berekend onder de aanname dat per strekkende meter beek gemiddeld 1,75 kuub nodig is ter verondieping
4.6.5 Interne maatregelen Landschap Overijssel Naast maatregelen die genomen moeten worden in kader van het Gebiedsproces, de zogenaamde externe maatregelen dienen ook binnen de natuurgebieden zelf maatregelen te worden uitgevoerd om de daar aanwezige habitattypen voor verdere achteruitgang te behoeden en, indien mogelijk de kwaliteit van de bestaande arealen aan habitattypen te verbeteren. Voor het deelgebied Springendal, Brunninkhuizerbeek (beiden Staatsbosbeheer) en Hazelbekke (Natuurmonumenten) zijn separate planprocessen in het leven geroepen t.a.v. de uitwerking en uitvoering van interne maatregelen gericht op het behoud en kwaliteitsverbetering van met name heide-gerelateerde habitattypen, waaronder Droge heide (H4030). De uitwerking van deze maatregelen vindt dus buiten dit inrichtingsplan plaats. Wel zijn deze interne maatregelen afgestemd op de maatregelen in dit inrichtingsplan. De interne maatregelen voor de eerste beheerplanperiode binnen het Mosbeek- en Roezebeekgebied, grotendeels eigendom van Landschap Overijssel, zijn nog niet uitgewerkt. Tussen Provincie Overijssel en LTO Noord (trekker gebiedsproces) is afgesproken dat deze maatregelen meegenomen worden in dit inrichtingsplan. 30-7-2020
90
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek
Ecologische waarden Deze paragraaf beschrijft de ecologische waarden in deelgebied Mosbeek. Voorkomende habitattypen In de Mosbeek komen zeven grondwaterafhankelijke en twee grondwateronafhankelijke habitattypen voor die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit (N2000-beheerplan) zie Figuur 47. De grondwaterafhankelijke habitattypen zijn: Vochtige heiden (H4010A), Heischrale graslanden (H6230), Blauwgraslanden (H6410), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150), Kalkmoerassen (H7230), Overgangs- en trilvenen (H7140A) en Vochtige alluviale bossen (H91E0). Grondwateronafhankelijke habitattypen zijn Beuken-eikenbos met Hulst (H9120) en Droge heiden (H4030). Verder komt in het gebied ook het de habitatrichtlijnsoort Vliegend Hert (H1083) voor. Knelpunten In hoofdstuk 1.4 zijn de doelstellingen en knelpunten die gerelateerd zijn aan de doelstellingen tabelmatig weergegeven. Waar de externe maatregelen zich vooral richt op het scheppen van betere systeemcondities (grondwaterstandverhoging en beperking van uitspoeling richting de habitattypen, richten de interne maatregelen zich meer op de verbetermogelijkheden binnen de habitattypen zelf (bv. verwijderen opslag, afzetten beplanting of aanbrengen bosplantsoen). Hieronder per habitattype beschreven wat de specifieke knelpuntenzijn per habitattype binnen het deelgebied Mosbeek.
H6410 Blauwgraslanden en H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Het grootste deel van de knelpunten t.a.v. het behoud van Blauwgraslanden en Trilvenen in het gebied zijn extern gerelateerd: verdroging en vermesting. De maatregelen t.a.v. de bestrijding van deze knelpunten zijn beschreven in hoofdstuk 4. Lokaal binnen de habitattypen leven naast de knelpunten verdroging en vermesting ook andere knelpunten. Met name opslag en lokale verbossing van het habitatattype in het deelgebied tussen de molens vormt ook een groot knelpunt. De aanwezige houtopstanden trekken vocht weg en zorgen voor verzuring en beschaduwing van de aanwezige habitattypen. Daarnaast is naast het habitattype, tussen de Mosbeek en de Oosteriksweg baggerspecie gedeponeerd op een voormalig stuk van het grasland waar ook beide habitattypen (Blauwgraslanden en Trilvenen) voorkomen. Dit werkt sterk eutrofiërend op de ontwikkeling van het habitattype. Tenslotte ontbreekt in een zoekgebied voor uitbreiding van het habitattype Blauwgrasland binnen het deelgebied Vlasreuterij goede kiemingscondities en een bruikbare zaadbank voor de ontwikkeling van blauwgraslanden. H91E0C Vochtige alluviale bossen (alluviale bossen) Ook de knelpunten t.a.v. het behoud van dit habitattype zijn, evenals voor de Blauwgraslanden en trilvenen, voor het overgrote deel extern gerelateerd. Lokaal spelen ook andere knelpunten.
In de omgeving van de Vlasreuterij zijn in het verleden Beuken opgeschoten die de vegetaties behorend bij het habitattype Alluviale bossen hebben verdrongen en nieuwe ontwikkeling ernstig beperken. En oostelijk ligt een oude mestopslagplaats die het habitat verrijkt. H4030 Droge heiden Droge heiden komen lokaal en wijd verspreid voor in het projectgebied. Een groot deel van de knelpunten wordt met beheermaatregelen beheerst. Lokaal is echter het areaal van het habitattype te klein voor behoud ervan. Daarnaast staan de arealen van het habitattype onder druk door de vorming van opslag. H9120 Beuken- eikenbossen met Hulst Dit Habitattype komt voor tussen de Oosteriksweg en de Mosbeek binnen het deelgebied Tussen de Molens. In het verleden is door het bos een onderhoudspad en een zandvang gerealiseerd door het toenmalige Waterschap Regge en Dinkel (nu Waterschap Vechtstromen). Het verwijderen van de zandvang en verondiepen van de beek maakt onderdeel uit van het gebiedsproces. Het onderhoudspad die indertijd is opgehoogd met vrijkomende baggerspecie zorgt voor een ernstige verstoring in het habitattype. Het verwijderen van deze laag en het terugplanten van soorten ter behoud van het habitattype lijkt dan ook een vereiste om het habitattype voor de lange termijn hier te behouden.
Wel dient er de kanttekening bijgeplaatst te worden dat het habitattype de neiging heeft door te ontwikkelen naar een Vochtig alluviaal bos. H1166 Kamsalamander Lokaal komt nog een kleine populatie Kamsalamanders voor in het gebied (Vlasreuterij). Er is nog een poel aanwezig die is nu verland en niet/nauwelijks functie meer biedt voor Kamsalamander. H1083 Vliegend Hert De beperkte aanwezigheid van eikenhakhout in het gebied beperkt de ontwikkeling en instandhouding van het Vliegend Hert in het gebied, terwijl de potenties aanwezig zijn. Het creëren van leefgebied, gevarieerd hakhoutbos met voldoende
30-7-2020
91
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek robuustheid is dan ook het advies voor behoud van deze habitatrichtlijnsoort. De beheersmaatregelen welke genoemd zijn in het Beheerplan Vliegend hert (EIS) worden op deze plekken gerealiseerd. Overige knelpunten Naast de specifieke knelpunten die hier boven zijn genoemd zijn er nog enkele kleine knelpunten aanwezig die van invloed zijn op de ontwikkeling van habitattypen in het gebied. Z is ten noorden van de Vlasreuterij een voormalige (groen)stort aanwezig die verwijderd moet worden. Deze stort zorgt indirect voor de toestroom van voedselrijk water naar de habitattypen. Daarnaast zijn nog enkele diepe sloten aanwezig in het natuurgebied die een deel van het grondwater, onderweg naar de habitattypen, afvoeren. Maatregelen In deze paragraaf zijn de verschillende maatregelen benoemd ter beheersing van de hierboven genoemde knelpunten. Er is onderscheid gemaakt tussen inrichtingsmaatregelen, overgangsbeheer (omvormingsbeheer) en beheermaatregelen (regulier-SNL-beheer). In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de maatregelen zoals ze in het Beheerplan zijn benoemd.
Tabel 18: Interne maatregelen Mosbeek (Beheerplan Springendal - Dal van de Mosbeek) Maatregelen N2000 t.b.v. Doelen maatregel Inrichtingsmaatregelen Omvormen landbouwgronden: dempen sloten, opheffen buisdrainage, stoppen bemesting op landbouwgronden rond het brongebied van de Mosbeek.
M16
K1+K2+ • K8+K31+ K32+K21 +K22+ K23 K21+K22 •
Uitmijnen/verschralen tot gewenst voedingsstoffen niveau, totdat verliezen aan nutrieten nihil zijn.
K12+K21 • +K22+ K23 K12+K21 • +K22+ K23 K21+K22 • +K23
Instandhouding habitatrichtlijnsoorten (Vliegend hert) Instandhouding habitatrichtlijnsoorten (Vliegend hert) Instandhouding habitats
M26, M52, M54
K1+K2+ • K8+K31+ K32+ K21+ • K22+ K23 •
Terugbrengen van N en P-vrachten om belasting van habitats naar nihil te brengen Bestrijding van opslag in bestaande habitattypen Versterken bestaande habitattypen door inbrengen soorten (maaisel)
M102
K21+K22 • +K23
Instandhouding habitats
M26
K21
M52
K14+K21 Instandhouding habitats +K21+ K22+K23 K21+K22 Instandhouding habitats +K23 K32 Instandhouding, uitbreiding en verbetering van habitats
Kleinschalig verwijderen van strooisel/opgebrachte bagger Terugzetten houtwallen en bosranden t.b.v. herstel van hakhout
M58
Aanplant singels ter ontwikkeling van hakhout
M101
Eenmalig inbrengen boomsoorten met gunstig strooisel (1) Overgangsbeheer 5 jaar Jaarlijks minimaal 2 keer extra maaien en afvoeren van terreinen, zodat in de winter weinig gewas meer aanwezig is • Verschraling met als doel om(makkelijke) afbreekbare minerale N en/of P (vochtig) te verwijderen. • Tegengaan van (bos)opslag • Inbrengen van doelvegetatie (diaspora) Kleinschalig inbrengen boomsoorten met gunstig strooisel Beheer (regulier) Laat in groeiseizoen maaien en afvoeren van voorkomens en potentiële voorkomens van habitattypen H6230, H6410, H7140A en H7230 Periodiek opslag verwijderen (ingrijpen in successie naar bos)
M102
M101
Periodiek kleinschalig plaggen en bekalken M53 (toevoegen basische stoffen) Inbreng diaspora van plantensoorten door M54 uitstrooien maaisel uit goed ontwikkelde terreinen en inbreng van specifieke soorten (herintroductie) Periodiek kleinschalig plaggen M55
Hakhoutbeheer
M101
Kleinschalig inbrengen boomsoorten met gunstig strooisel (2)
M102
30-7-2020
Instandhouding habitats
Instandhouding habitats
K13
Door successie naar andere vegetatietypen neemt de oppervlakte van H7150 af. Door te plaggen krijgen de pioniersvegetaties weer ruimte K12+K21 • Tegengaan verdroging +K22+ Blauwgraslanden en Trilvenen K23 • Instandhouding habitatrichtlijnsoort: Vliegend hert K21+K22 Instandhouding habitats +K23
92
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Legenda Valt onder N2000-maatregelen Afwijkend van N2000-maatregelen
Inrichting M16; Dempen/verondiepen sloten In het Oerbekkedal zijn nog een aantal ontwaterende sloten aanwezig op grondgebied van Landschap Overijssel. Deze onttrekken momenteel een deel van de grondwatertoelevering naar het beekdal. Door de sloten te verondiepen behouden ze de ontwateringsfunctie voor de weg en het aanliggende landbouwperceel en onttrekken ze niet/nauwelijks grondwater aan het systeem. Het beoogde effect is een lokale grondwaterstandverhoging in aanpalende habitattypen. Hoeveelheden: • Lengte te verondiepen sloot: 256 m1 voor de noordelijk te verondiepen sloot en 170 m1 voor de zuidelijke M58: Kleinschalig verwijderen van strooisel/opgebrachte bagger In het Beuken- en eikenbos (H9120) langs de Oosteriksweg dient de aanwezige aangebrachte bagger in het habitat verwijderd te worden tot op het oorspronkelijk maaiveldniveau. Voor volledig herstel van het habitattype dient aanvullend op de maatregel M58 doelsoorten weer worden teruggebracht (M102) in de vorm van gevarieerd bosplantsoen (plantverband 1 x 1 m1). De eikenbeplanting langs de weg wordt uitgedund tot enkele overstaanders ter bevordering van het aanslaan van het bosplantsoen.
Samenstelling bosplantsoen: ▪ Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) ▪ Hazelaar (Corylus avellana) ▪ Lijsterbes (Sorbus aucuparia) ▪ Hondsroos (Rosa Canina) ▪ Fladderiep (Ulmus LAevis) ▪ Beuk (Fagus sylvatica) ▪ Wintereik (Quercus petraea) ▪ Winterlinde (Tilia cordata) M101: Herstel hakhoutcultuur Deze maatregel is tweeledig (zie Tabel 18). Enerzijds gaat het om het terugzetten van bestaande beplanting, anderzijds gaat het om het aanplanten van beplanting. Terugzetten bestaande beplanting (omvorming naar hakhout): Ten behoeve voor het herstel van de hakhoutcultuur in het plangebied Mosbeek en daarmee de instandhouding van o.a. de habitatrichtlijnsoort Vliegend hert worden singels en delen van bosranden eenmalig teruggezet tot stoven. (ca. tot op 1 meter boven maaiveld). Ter versterking van de singels dient eenmalig beplanting te worden bijgeplant. Dit bevordert de diversiteit en instandhouding van de singel op de lange termijn. Afzet van kleinere bosjes vindt plaats in het deelgebied Vlasreuterij (noordelijk deel). Hierbij wordt ook weer geschikt landhabitat gecreëerd voor de Kamsalamander (H1188) die in het bovenliggende gebied voorkomt. Aanplanten van singels: Her en der in het gebied zijn singels verdwenen. Niet al deze singels hoeven te worden hersteld of opnieuw te worden aangebracht.
Ten behoeve voor het Vliegend hert dient alleen de singel aan de westzijde van het Oerbekkedal te worden hersteld. Aanplant van bos vindt plaats langs de Oosteriksweg (perceel Landschap Overijssel). Samenstelling bosplantsoen: ▪ Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) ▪ Hazelaar (Corylus avellana) ▪ Lijsterbes (Sorbus aucuparia) ▪ Hondsroos (Rosa Canina) ▪ Fladderiep (Ulmus LAevis) ▪ Zwarte els (Alnus glutinosa) ▪ Zomereik (Quercus robur) ▪ Winterlinde (Tilia cordata) ▪ Wilde appel (Malus sylvestris) ▪ Wilde peer (Pyrus pyraster) ▪ Mispel (Mespilus germanica) Met het terugzetten van bosranden en singels gaan veelal ook beplantingssoorten verloren. Ter aanvulling op het terugzetten van bestaande singels dient ook beplanting te worden aangebracht.
30-7-2020
93
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek Hoeveelheden: • Lengte breedte afzetten hakhout: Afzetten hakhout (oostelijk vlak) over een lengte van 160 m1 op 1,70 meter hoogte en over een breedte van 8 meter; • Lengte breedte aan te brengen houtwal: westelijke: 194 m1 | middelste: 184 m1 | oostelijke: 320 m1; • Oppervlakte hakhoutbeheer t.b.v. Vliegend Hert: vier vlakken op de kaart met een tonaal oppervlak van 1,15 ha. M102: Eenmalig inbrengen boomsoorten met gunstig strooisel (1) Ten zuiden van de Molen van Frans dienen 3 grote beuken te worden verwijderd uit het Alluviaal bos ten zuiden van de Mosbeek. De beuken hebben de kenmerkende soorten voor het habitattype Alluviaal bos verdrongen en beperkt de mogelijkheden voor herintroductie van de soorten. Voor het herstel van het habitattype op deze plek dienen kenmerkende bossoorten weer worden geherintroduceerd. Samenstelling bosplantsoen: ▪ Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) ▪ Hazelaar (Corylus avellana) ▪ Hondsroos (Rosa Canina) ▪ Fladderiep (Ulmus LAevis) ▪ Winterlinde (Tilia cordata) Hoeveelheden: • Te verwijderen bomen: 3 st. beuken; • Te herstellen alluviaal bos: 0,06 en 0,02 ha.
M16: Maatregelen ter aanvulling op maatregel M16 Voor een goed hydrologisch herstel van met name de Blauwgraslanden en Trilvenen dienen een aantal singels te worden afgezet (Elzenhakhout) en dienen her en der solitaire bomen te worden verwijderd. De singel langs de Mosbeek dient conform het hakhoutprincipe te worden afgezet (0,5 m1 boven maaiveld). Vrijkomend hout dient te worden afgevoerd met voorkoming van insporing. De solitaire eiken worden geveld en de stobbe weg gefreesd tot maximaal 10 cm1 onder maaiveld. Een diepere freesbeweging kan beschadiging van de ondergrond met zich meebrengen. Hoeveelheden: • Te verwijderen bomen: 3 st. eiken; • Lengte breedte afzetten hakhout: Afzetten hakhout (westelijk vlak) over een lengte van 5160 m2 op 1,70 meter hoogte en over een breedte variërend tussen de 9 en 2 meter; • Te verwijderen opslag: 0,04 ha. M54: Inbreng diaspora van plantensoorten door uitstrooien maaisel uit goed ontwikkelde terreinen en inbreng van specifieke soorten (herintroductie) Rond de habitattypen in de Vlasreuterij wordt lokaal de vegetatie geschraapt, steenmeel en doelvegetatie (in de vorm van maaisel) te worden aangebracht. In de Vlasreuterij betreft dit de herintroductie van Blauwgraslandsoorten, eventueel in combinatie met het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden voor Pioniersvegetaties met Snavelbiezen (H7150).
In het perceel ten oosten van de Vlasreuterij gaat het om de bevordering van mogelijkheden voor ontwikkeling van Droge heide (H4030) in het gebied. Hiervoor dient op de aangegeven locaties de vegetaties ondiep geschraapt te worden, steenmeel toegepast en zaden uit het uitgestrooide maaisel weer kiemingsmogelijkheden krijgen. Op het perceel net ten noorden van dit perceel, ligt wat opgebrachte grond die verwijderd moet worden. Ook op dit perceel wordt aanvullend 2 are geschraapt, steenmeel en diasporen toegevoegd. (zie oranje blokje op de kaart) Overige maatregelen Opschonen poel: De bestaande poel op de Vlasreuterij dient eenmalig gebaggerd/opgeschoond te worden, ten behoeve voor vestigingsmogelijkheden voor de Kamsalamander (H1188). Verwijderen groenafval: Op 2 locaties in het gebied zijn nog stortlocaties van groenafval bekend. Deze hebben invloed op de aanliggende habitattypen in het gebied. Om deze invloed weg te nemen dient dit groenafval te worden verwijderd.
30-7-2020
94
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek
Figuur 61: Interne maatregelen Landschap Overijssel Overgangsbeheer Op grote delen binnen het Mosbeekdal ondervinden de bestaande habitattypen hinder van opslag en versnelde successie. De komende 5 jaar is het noodzakelijk de mogelijkheden te vergroten voor 1 extra jaarlijks maaibeurt van enkele terreinen (zie kaart) boven op het reguliere beheer (SNL). Hiermee kunnen voor de korte termijn de aanwezige habitattypen worden behouden. Het maaien dient handmatig met een éénasser plaats te vinden. Maaisel dient (ook handmatig) te worden afgevoerd. Na het eenmalig afzetten van de bestaande houtopstanden is het afwachten of in voldoende mate de stoven weer uitlopen. Gerekend wordt met een uitval van 30% van de beplanting die zal afsterven. Er dient dan ook de eerste jaren na de eenmalige afzet van bestaande houtopstanden soorten terug geplant te worden. Voor nu is een periode van 5 jaar aangehouden voor het overgangsbeheer. Op basis van intern onderzoek naar maaibeheer, uitgevoerd door Landschap Overijssel, in kader van de omvorming van bos naar heide is het vrijwel zeker dat deze periode moet worden opgerekt naar 10 jaar. Regulier beheer De beheermaatregelen die opgenomen zijn in Tabel 18 dienen te worden uitgevoerd in het reguliere SNL-beheer. Landschap Overijssel past deze maatregelen toe en stelt deze op basis van evaluatie en monitoring zo nodig bij.
4.6.6 Invulling N2000-opgaven t.o.v. Gebiedsanalyse voor de Mosbeek In het N2000-beheerplan zijn de voorgenomen maatregelen op hoofdlijnen beschreven. In de voorliggende uitwerking is een nadere detaillering, de omvang van de maatregelen en de impact op de omgeving weergegeven. In onderstaand figuur is voor de Mosbeek aangegeven hoe de maatregelen in dit IP zich verhouden tot het N2000-beheerplan (Figuur 62). Hieruit blijkt dat: A. De ruimtelijke invulling van de bergingsopgaven (M18) op andere locaties is ingevuld. Hierbij is gebruik gemaakt van de mogelijkheden in het systeem. Dit heeft geresulteerd in meerdere maar kleinere locaties in het gebied. B. Het perceel aan de westkant door de bodemopbouw maar een klein deel van het perceel noodzakelijk is om de impact van het landbouwkundige gebruik van het perceel op de habitats te verminderen. C. Een klein deel van het middenperceel niet in de maatregelen is meegenomen omdat voor dit gehele perceel is bepaald dat er geen grondwaterstroming is naar de omliggende habitats. De bodem omvat hier een aaneengesloten kleidek. Het vermeste water wordt hierover afgevoerd via het oppervlaktewater naar de beek en is hiermee niet van invloed via het grondwater. 30-7-2020
95
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek D.
Voor de groene percelen is bepaald dat een verbod op akkerbouw in combinatie met de overige maatregelen voldoende is om eventuele uitspoeling van nutriënten richting de habitats tegen te gaan.
Figuur 62: Verschil tussen de voorgestelde maatregelen en het N2000-beheerplan in de Mosbeek
4.7 Effecten op de omgeving 4.7.1 Effecten Hydrologische maatregelen Belangrijkste opgave voor het op termijn in stand houden van de doelen is het tegengaan van terugschrijdende erosie waardoor de beekbodem dieper komt te liggen en verdroging veroorzaakt, is het reduceren van de stroomsnelheid. In de huidige situatie zijn deze te hoog. Door het toepassen van een gelijk verhang, bredere ondiepe profielen en reduceren van de afvoerpieken middels berging, is de stroomsnelheid sterk teruggebracht. Zoals te zien op de Figuur 63 en Figuur 64 nemen de stroomsnelheden enorm af op grote delen van de beek na implementatie van de beoogde maatregelen. Dit zorgt voor een reductie van stroomsnelheid. In de toekomstige situatie blijven deze onder de grenswaarde voor erosie en dus is insnijding van de beek niet langer te verwachten. Opgemerkt wordt dat er bij enkele kunstwerken wel oever- en bodembescherming moet worden toegepast voor het fixeren van de bodem. Bijkomend voordeel is dat bij de lagere stroomsnelheiden, de beheerdruk ook afneemt.
30-7-2020
96
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek
Figuur 63: Stroomsnelheden in huidige situatie bij T=100
Figuur 64: Stroomsnelheden na de maatregelen bij T=100 Wel wordt opgemerkt dat fixatie van een aantal kunstwerken noodzakelijk blijft. Ook in het traject direct boven- en benedenstrooms van het zandpad bij de Pausweg blijven de stroomsnelheden dermate hoog dat hier rekening mee gehouden moet worden bij de uitvoering door oever beschermende maatregelen en dat bodemsprongen voorkomen moeten worden. Met name bovenstrooms kunnen overschrijdingen van de kritische stroomsnelheden vanaf T=1 jaar blijven optreden. Opgemerkt wordt dat ondanks dat huidige en toekomstige situatie een knelpunt vormen, hier wel een 30-7-2020
97
Inrichtingsplan Natura 2000 Springendal - Dal van de Mosbeek enorme reductie van de stroomsnelheid optreedt ten gevolge van de maatregelen. Deze is bij T=100 berekend op circa 1,5 m/s. Ontwatering In de huidige situatie ligt de beek diep en zijn de waterpeilen lager. Door de verondieping komen de beekbodem en de waterpeilen hoger te liggen. Dit werkt in de drooglegging en de grondwaterstanden in het beekdal. Dit is noodzakelijk om de benodigde grondwaterstanden in de habitats te realiseren. Vastgesteld is wat het effect van de verondieping is op de ontwatering van het gebied. Op basis van de maatregelen en de peilwijzigingen die optreden is het effect op de grondwaterstanden berekend. Hieruit zijn de volgende dingen op te merken 1. Hele beekdal neemt de ontwateringsdiepte af. Varieert van ca 0,05 tot 0,20 m. Nodig voor habitats 2. Bij elf percelen op de flanken worden de af- en ontwateringsmiddelen weggenomen. Hier varieert de verandering van 0,00-0, 80 m afhankelijk van de diepte en intensiteit van de drainage. Belemmerend voor landbouwkundig gebruik. Inundatie en normopvulling Het benodigde maatregelenpakket om de doelen te behalen, beïnvloedt het peilregime en daarmee de inundatie die optreedt langs de beek.
Globaal geldt dat bodemverhoging noodzakelijk is om de gewenste grondwaterstanden te behalen en dit inherent is aan het eerder optreden van inundatie omdat het waterpeil dichter bij maaiveld komt te liggen. Om deze toename te beperken is gekozen om op natuurlijke laagtes in het gebied en op de flanken water periodiek vast te houden zodat de waterpieken in het beekdal en daarmee de inundatie beperkt worden. De locaties waar waterberging is voorzien zijn weergegeven in Figuur 57. Als gevolg van de maatregel verondiepen Mosbeek kan het water vaker buiten de oevers treden. Dit wordt inundatie genoemd. Er is getoetst in hoeverre inundatie voorkomt bij verschillende hoeveelheden neerslag: • T=1: een regenbui die statistisch gezien één keer per jaar voorkomt • T=10: een regenbui die statistisch gezien één keer per 10 jaar voorkomt • T=100: een regenbui die statistisch gezien één keer per 100 jaar voorkomt. Dit is bepaald voor de huidige situatie en voor de situatie na beekbodemverhoging en invulling van de bergingsopgave. De figuren hieronder laten de impact van deze waterberging zien na inrichting. Hier is te zien dat er kleine wijzigingen in inundatie optreden, in oppervlak buiten het Natura 2000-gebied (Figuur 65 en Figuur 66).
Figuur 65: Inundatiepatroon in huidige situatie Mosbeek 30-7-2020
98