Perspectiefnota Dinkelland 2026.pdf
Tekst van het document
Vandaar dat we in deze perspectiefnota voorstellen om al wel een potentiële claim te leggen op de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen. Vooralsnog gaan we voor de uitwerking van de beide moties uit van een mogelijke investering van € 2,75 miljoen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de uitwerking van de motie Legtenbergstraat wel wat verder gaat dan een aantal; verkeer remmende maatregelen. We denken nu na over een complete herinrichting waarbij we voor het ontwerp van de herinrichting het volgende aanhouden: 1. Gaat om tracé tussen café De Troll en bord bebouwde kom. 2. Inrichten als 30 km met rode stroken voor fietsers. 3. Voor alle kruisingen geld dan rechts heeft voorrang. 4. Op meerdere punten komen er verkeersmaatregelen zoals drempels, plateaus en versmallingen. 5. Kruising aansluiting naar Reestman aangepast naar 2 rijstroken zodat er meer garantie is dat de wijk bereikbaar is voor hulpdiensten. In de stand van de RIBAM is (nog) geen rekening gehouden met een mogelijke gemeentelijke bijdrage voor een MultiFunctionele Accommodaties (MFA) in Saasveld. Wel zijn we op dit moment samen met de Stichting Soasel op Volle Kracht (SOVK) bezig om de (on)mogelijkheden van een mogelijke realisatie van een MFA in Saasveld in beeld te brengen.
Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven mutaties en benoemde mogelijke investeringen / claims op de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen Herziene stand algemene incidentele middelen Rekening houdend met de aangegeven en toegelichte mutaties op de genoemde reserves ontstaat het volgende beeld van de algemene incidentele middelen: Beschikbare algemene incidentele middelen Algemene reserve - weerstandscapaciteit 1,4 Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen Reserve collegeakkoord 2022-2026 Totaal Beschikbare algemene incidentele middelen perspectiefnota 2025
23
€ 5.320.000 1.597.500 4.706.000 11.623.500
Perspectief Lokale Lasten In deze paragraaf geven we een overzicht van de te verwachten ontwikkeling van de lokale lasten (druk) voor het jaar 2026. Dit doen we door een aantal relevante ontwikkelingen in beeld te brengen die mogelijk gevolgen hebben voor de verschillende tarieven maar vooral door de gevolgen van eerdere besluiten door te vertalen naar de tarieven voor het jaar 2026. Achtereenvolgens komen de volgende onderdelen van de lokale lasten aan bod: • Onroerende Zaak Belasting (OZB) • Rioolrecht • Afvaltarieven Onroerende Zaak belasting (OZB) De OZB-tarieven worden zodanig aangepast dat er sprake is van een meeropbrengst (exclusief areaaluitbreiding van de woningen en areaalinkrimping van de niet-woningen) van 2%, Ook voor de daaropvolgende jaren wordt rekening gehouden met een meeropbrengst van 2% per jaar (exclusief areaaluitbreiding van de woningen en areaalinkrimping van de nietwoningen). Hiermee houden we ons aan de afspraak uit het collegeakkoord 2022-2026. We maken hierbij wel de opmerking dat de werkelijke inflatie over de afgelopen jaren hoger was dan de 2%. Dit blijkt ook duidelijk uit de verschillende uitgaven ramingen die naar boven moesten worden bijgesteld maar ook uit de zogenaamde eigen belastingcapaciteit waarmee bij de berekening van de algemene uitkering uit het gemeentefonds rekening wordt gehouden.
Deze eigen belastingcapaciteit wordt jaarlijks aangepast aan het landelijk gemiddelde en daarmee ook aan de inflatie. Dit vraagt naar de toekomst om herbezinning van eerdere genoemde 2%-afspraak. We zijn van een relatief dure gemeente inmiddels een beneden gemiddelde gemeente geworden maar behalve het achterblijven bij de inflatie benutten we ook onvoldoende onze eigen beleidsruimte voor belastinginning. Rioolheffing Voor de rioolheffing hanteren we op basis van bestaand beleid 100% kostendekkendheid. Dat wil zeggen dat we de kosten die we maken voor onderhoud en vervanging van het rioolstelsel doorberekenen in de tarieven. De hoogte van de rioolheffing is gebaseerd op het Water en Rioleringsplan (WRP) 2025-2030. Belangrijke input voor dit nieuwe GRP zijn de gevolgen van klimaatadaptie en grondwaterproblematiek. De gestegen prijzen (de inflatie) en de hogere rente werken ook door binnen in de ramingen voor onderhoud en vervanging Riool. Gezien de ontwikkeling van de prijzen (de inflatie) maar ook de ontwikkeling van de lonen verwachten we voor het jaar 2026 een stijging van de rioolheffing van boven de 5%. Afvaltarieven Voor de afvaltarieven hanteren we op basis van bestaand beleid 100% kostendekkendheid. Dat wil zeggen dat we de kosten die we maken voor de afvalinzameling en afvalverwerking doorberekenen in de tarieven.
Gezien de ontwikkeling van de prijzen (de inflatie) maar ook de ontwikkeling van de lonen verwachten we voor het jaar 2026 een stijging van de afvaltarieven van boven de 5%. Naast deze mogelijke reguliere aanpassing van de afvaltarieven spelen ook nog een aantal andere zaken die mogelijkerwijs effect hebben op de hoogte van de afvaltarieven. Als eerste noemen we de CO2 heffing op verbranden afval. Afval Energie Centrales, AEC's, betalen voor het verbranden van afval een CO2 heffing. Het doel is om het verbranden van afval te reduceren. Op deze manier wordt het verder scheiden van afval aangemoedigd. Voor de inwoners wordt deze heffing in 2026 bij de gemeenten in 24
rekening gebracht. Eerste geluiden wijzen op een heffing die oploopt van € 3,-- per ton uitgestoten CO2 in 2026 tot € 26,-- in 2030. Dit heeft gevolgen voor de Afvalstoffenheffing. Daarnaast krijgen gemeenten te maken met een zogenaamde SUP-vergoeding en prullenbakvergoeding. Vanaf 1 januari 2023 geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor de opruimkosten voor zwerfafval. Dit was in eerste instantie een incidentele vergoeding, maar in de regelgeving is dit gewijzigd naar een structurele vergoeding. De gemeenten ontvangen dus jaarlijks een vergoeding van producenten (via het Afvalfonds en Rijkswaterstaat) in het kader van de Richtlijn Single Use Plastics (SUP) én voor de verwerking van verpakkingsafval uit openbare prullenbakken (prullenbakvergoeding). Deze vergoedingen zijn bedoeld als compensatie voor de kosten die gemeenten maken voor het opruimen en verwerken van zwerfafval en verpakkingen in de openbare ruimte. De kostenvergoeding vanuit de UPV is niet ‘gelabeld’, en de hoogte wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners. Voor Dinkelland gaat het om een structurele vergoeding van ongeveer € 91.000. Afval uit de openbare ruimte en in openbare prullenbakken wordt niet gekwalificeerd als huishoudelijk afval. Gemeenten zijn daarom vrij hoe deze vergoeding te bestemmen.
Toevoegen aan de algemene middelen als algemeen dekkingsmiddel of via bijvoorbeeld het product straatreiniging (deels) toerekenen aan de afvalbegroting waardoor de tarieven voor de burgers lager worden. In de jaarverantwoording 2024 is de vergoeding voor 1 jaar verwerkt en betrokken bij het product afval wat heeft geleid tot een (hogere) storting in de voorziening afval. Besluitvorming over de vergoeding voor 2025 en 2026 moet nog plaatsvinden. De financiële consequenties van beide ontwikkelingen zullen betrokken worden bij het opstellen van de begroting 2026 en het programmajournaal 2025.
25