CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplan De Mors 105 Motivering

Gemeenteraad 22 september 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155”17.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

61 alinea's met “omgevingsplan”: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 15 18 19 20 22 23 25 27 29 30 31 33 36 39 41 43 44 46 49 50 51 52 54 57 60 62 64 67 …

Status: vastgesteld TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Status: vastgesteld Datum: IMRO-Code: NL.IMRO.1774.TAMGKOOTMDEMORS155- VG01 Auteur(s):

Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Inhoudsopgave Motivering | 3 Hoofdstuk 1 Inleiding | 5 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied | 5 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging | 6 1.3 Leeswijzer | 7 Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie | 9 2.1 Gewenste ontwikkeling | 9 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving | 9 Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan | 11 3.1 Omschrijving nieuwe situatie | 11 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan | 11 Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie | 15 4.1 Visie en beleid voor het plangebied | 15 4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders | 28 Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu | 31 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking | 31 5.2 m.e.r.-beoordeling | 34 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren | 35 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming | 36 5.5 Luchtkwaliteit | 39 5.6 Geluid | 40 5.7 Geur | 42 5.8 Omgevingsveiligheid | 43 5.9 Trilling | 44 5.10 Archeologie en cultuurhistorie | 45 5.11 Bodem | 46 5.12 Waterbelang | 47 Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid | 49 Hoofdstuk 7 Toelichting planregels | 51 7.1 Inleiding | 51 7.2 Opzet regels | 51 2 | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 3 4 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding

plangebied De initiatiefnemer is voornemens om de functie te wijzigen van een deel van zijn perceel aan De Mors 155 in Ootmarsum op het bedrijventerrein 'De Mors'. De functie wordt gewijzigd van een agrarische functie naar de functie 'bedrijventerrein'. Met het wijzigen van de functie kan de initiatiefnemer één nieuwe bedrijfshal realiseren op zijn terrein. Het voorliggende plan is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland door de functie 'agrarisch' die geldig is op het plangebied. Om het voorgenomen plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling te maken. Ligging Het plangebied is gelegen aan De Mors 155 in de kern Ootmarsum in de gemeente Dinkelland. Het plangebied is onderdeel van het bedrijventerrein 'De Mors'. Aan de noordoost zijde van het plangebied bevinden zich agrarische gronden. De planlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie C, perceel nummer 2483. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 4.200 m2. In figuur 1.1 is de globale ligging en de omgeving van het plangebied te zien. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing weer van het plangebied.

Figuur 1.1 Luchtfoto globale locatie plangebied, plangebied in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer) TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 5 Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart, plangebied in blauw omkaderd (Bron: kadastralekaart) 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

6 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project.

Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 7 8 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens om één nieuwe opslaghal te realiseren achter op zijn perceel. Om de bedrijfshal te realiseren wordt de functie 'Bedrijventerrein' aan De Mors 155 in Ootmarsum uitgebreid. De nieuw te bouwen bedrijfshal krijgt een oppervlakte van circa 450 m2. Deze hal zal dienen als opslaghal voor het bouwbedrijf. Deze hal wordt niet aangesloten op het gasnetwerk, daarnaast wordt de bestaande bedrijfshal aangesloten op een warmtepomp en zal de gasaansluiting komen te vervallen. Op de gronden tussen de bestaande hal en de nieuw te bouwen hal vindt buitenopslag plaats. Dit zal in de nieuwe situatie niet wijzigen. 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Voor het voorliggende initiatief is er een landschapsplan opgesteld. Het gehele landschapsplan is te zien in Bijlage 1. Met de inrichting van het perceel wordt er rekening gehouden met de bestaande groenstructuren die in de omgeving van het plangebied liggen. Deze houtsingel krijgt een afmeting van 5 meter breed en circa 100 meter aan lengte. Deze beplanting krijgt een hoogte van 80 tot 100 cm.

Er worden in deze houtsingel onder andere de soorten hazelaar, Gelderse roos, lijsterbes, inlandse vogelkers, sleedoorn en berk aangeplant. Met deze houtsingel wordt de nieuwe bedrijfshal voldoende ingepast binnen de omgeving en vormt deze een logische afsluiting van het bedrijventerrein. Figuur 2.1 Uitsnede landschapsplan, locatie van de nieuwe hal bij nummer 4 (Bron: Ad Fontem) TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 9 10 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe bedrijfshal te realiseren aan het einde van het perceel. Dit wordt gedaan middels het uitbreiden van het bedrijventerrein aan De Mors 155. Hierbij komt de agrarische functie op dit deel van het perceel te vervallen. De totale uitbreiding van het terrein bedraagt circa 2585 m2. Door deze functie uit te breiden is het mogelijk om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. De hal krijgt in de toekomstige situatie een oppervlakte van circa 450 m2. Deze opslaghal wordt in de toekomstige situatie ingezet als opslaghal voor bedrijfsgerelateerde materialen. Het buitenterrein van het perceel is in de huidige situatie in gebruik als opslagplaats of parkeerplaats. In de nieuwe situatie dient deze als toegangsweg tot de opslaghal, opslagplaats en parkeerplaats.

Figuur 3.1 geeft het ontwerp van de hal weer. Figuur 3.1 Ontwerp nieuwe bedrijfshal (Bron: Architom Architecten) 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Het uitbreiden van het bedrijventerrein De realisatie van één nieuwe bedrijfshal aan de achterzijde van het perceel 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ootmarsum' De planlocatie is gelegen binnen het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland' met als onderdeel het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ootmarsum', 'Uitbreiding de Mors 155 te Ootmarsum', 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland' en 'Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland'. Het betreffende perceel heeft de functie 'agrarisch' en 'groen'. Figuur 3.2 en figuur 3.3 geven het geldende omgevingsplan weer. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 11 Figuur 3.2 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ootmarsum', plangebied in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart) Figuur 3.3 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Uitbreiding de Mors 155 te Ootmarsum, plangebied in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart) De voor 'agrarisch' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor het agrarisch gebruik van de gronden.

Tevens ook voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. De voor 'groen' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor groenvoorzieningen Het voorliggende initiatief is strijdig met het omgevingsplan, omdat de grond bedoeld is voor 'agrarisch' en 12 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 'groen' en niet bebouwd mogen worden voor bedrijfsvoering dat geen agrarisch bedrijf is of algeheel bebouwd mogen worden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het omgevingsplan. In voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt aangetoont dat het plan voldoet aan de vereisten van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 3.2.2 Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief, omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-Omgevingsplan opgestelde regels wordt er voldaan aan de regels. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 13 14 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 N ationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets Één van de vier prioriteiten die de nationale omgevingsvisie stelt dat er word ingezet op duurzaam economisch groeipotentieel. Daarbij is de opgave te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving, en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten worden voorkomen. Met het uitbreiden van het bedrijventerrein en het realiseren van de nieuwe bedrijfshal blijft een lokale ondernemer in zijn eigen kern. Gezien het feit dat sprake is van een lokale ontwikkeling waarbij voldaan wordt aan gemeentelijk beleid en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van de nationale doelstelling om duurzaam economisch te groeien, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet in strijd is met de NOVI. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Provinciale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 15 realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes (OF); ontwikkelingsperspectieven (WAAR); gebiedskenmerken (HOE). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. 16 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toets Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld: G enerieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.

Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang: Artikel 4.4 principe van concentratie Lid 1 In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Lid 2 Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid. Situatie plangebied Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe bedrijfshal waarbij ook de functie van de grond gewijzigd wordt. Door de bedrijfshal te realiseren op eigen perceel kan er vermeden worden dat er elders ruimte benodigd is in bijvoorbeeld de groene ruimte. Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.1.4 dat er behoefte is aan lokale bedrijvigheid. Voorliggend initiatief is in lijn met artikel 4.4 van de omgevingsvisie Overijssel. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 17 Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b.

de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Situatie plangebied Door het voorliggend initiatief te realiseren in gebied waar reeds andere bedrijven zitten (bedrijventerrein De Mors Ootmarsum) hoeft er elders in de groene omgeving geen ruimte te worden geclaimed voor een nieuwe bedrijfshal. De oppervlakte van de bestaande bedrijfsfunctie binnen het perceel is niet groot genoeg om de bedrijfshal te realiseren en om voldoende ruimte te bieden voor de buitenopslag. De bedrijfsuitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van het perceel op gronden die conform de feitelijke situatie al worden gebruikt voor opslag en stalling van zwaar materiaal. De nieuwe bedrijfshal zal aan de achterzijde van het perceel worden gerealiseerd zodat de tussenliggende gronden gebruikt kunnen worden voor buitenopslag. Het perceel wordt op deze wijze zo optimaal mogelijk benut. Hiermee wordt er zuinig en zorguldig omgegaan met de bestaande ruimte. Het voorliggende initiatief is in lijn met artikel 4.5. Artikel 4.6 toekomstbestendigheid In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a.

de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Situatie plangebied Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van functie van een deel van het perceel om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Deze hal zal gebruikt worden voor opslag van diverse materialen. De uitbreiding van de bedrijfshal zorgt ervoor dat de huidige en toekomstige generaties de hal voor hun bedrijfsvoering in kunnen zetten. Door de realisatie van de bedrijfshal op deze locatie kan er aansluiting worden gezocht aan het bestaande industrieterrein. Hiermee kan in eerste instantie voorkomen worden dat er elders (in bijvoorbeeld de groene omgeving) nieuwe ruimte wordt geclaimd voor een nieuwe bedrijfshal. Door de realisatie van de nieuwe bedrijfshal worden er kansen geboden om de logistieke efficiëntie te verbeteren en is er ruimte voor innovatie. De nieuwe bedrijfshal maakt het mogelijk om in te spelen op de veranderende logistieke eisen, waardoor het bedrijf concurrerend blijft. Hierdoor wordt de economische positie van het bedrijf en de regio versterkt. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met artikel 4.6 van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Situatie plangebied Voorliggend plan voorziet in het uitbreiden van het bedrijventerrein. Met deze uitbreiding krijgt de initiatiefnemer de ruimte om een nieuwe opslaghal te realiseren op zijn eigen perceel. Met de realisatie van de opslaghal en het uitbreiden van het bedrijventerrein wordt rekening gehouden met de geldende gebiedskenmerken. Voor de ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld (Bijlage 1), waarbij rekening is gehouden met de bestaande groenstructuren. Om het terrein af te sluiten word er een groenstrook aangelegd van ca. 6 meter breed, die 18 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 bestaat uit inheemse beplanting. Deze groenstrook sluit aan bij de bestaande groenstroken in het gebied. Voorliggend plan is in lijn met artikel 4.8. Artikel 4.13 sturen op water en bodem In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Situatie plangebied Voor het voorliggende plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het gehele waterhuishoudkundigplan is te lezen in Bijlage 5.

In dit waterhuishoudkundigplan is rekening gehouden met klimaatrobuuste maatregelen om wateroverlast op het terrein zo veel mogelijk te beperken. Gesteld kan worden dat voorliggend plan is in lijn met artikel 4.13. Artikel 4.23 Afspraken bedrijventerrein 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als de aanleg van dat bedrijventerrein past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuw bedrijventerrein is een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. Situatie plangebied Programmeringsafspraken Bedrijventerrein Regio Twente (2023-2026) In de programmeringsafspraken staat het behoud van de balans tussen vraag en aanbod als basis voor een krachtige en regionale en lokale economie nog steeds centraal, maar daarnaast ligt de nadruk op de ambitie om toekomstbestendige bedrijventerreinen te ontwikkelen. Dit betekent dat; Binnen de regio zoveel mogelijk wordt ingezet op het zoveel mogelijk faseren van ontwikkelingen, zodat er ruimte blijft in de programmering en er flexibel ingespeeld kan worden op veranderende marktomstandigheden, acute principeverzoeken en nieuwe initiatieven.

Een plan met een totale netto omvang > 3 hectare wordt afgestemd in het regionaal bestuurlijk overleg. Voor een plan met een totale netto omvang < 3 hectare hoeft enkel een melding te worden gemaakt in het regionaal bestuurlijk overleg, zodat deze opgenomen kan worden in de programmering. Wordt gestreefd naar toekomstbestendige bedrijventerreinen, met een kwaliteitsniveau dat aansluit bij de landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid en daaruit volgende wet- en regelgeving. Dit betreft ambities op het gebied van o.a. bodem en water, circulair bouwen, energie en zorgvuldig ruimtegebruik. Om met name lokaal een plaatselijk gebonden bedrijvigheid te kunnen blijven faciliteren is het noodzakelijk dat de gemeente ook in de toekomst kan beschikken over voldoende en kwalitatief goede bedrijventerreinen. Deze afspraken bieden de mogelijkheid nieuwe hectares bedrijventerrein toe te voegen. Voor de gemeente Dinkelland betekent dat een ontwikkelruimte van ca. 10 hectare netto voor de komende jaren. Dit is conform de uitkomsten van het onderzoek 'Ruimtebehoefte bedrijventerreinen in Dinkelland' dat de gemeente eerder heeft laten uitvoeren. In onderliggend plan gaat het niet om de nieuwvestiging van een bedrijf maar om een uitbreiding van een bestaand bedrijf waarvoor uitbreidingsruimte nodig is.

Gelet op de omvang van bedrijventerrein de Mors betreft onderliggende uitbreiding een relatief kleinschalige ontwikkeling. De planlocatie betreft een logische uitbreidingslocatie van bedrijventerrein de Mors, waarmee een lokaal gevestigd bedrijf zich kan blijven ontwikkelen. Voorliggend plan is in lijn met artikel 4.23 van de omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraad gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het gebied van toepassing is. De provincie heeft zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd voor de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarna gemotiveerd af te wijken. In figuur TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 19 4.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Figuur 4.2 Uitsnede kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel) Zoals in figuur 4.2 is afgebeeld (zie zwarte markering), ligt het plangebied op de grens van het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toets Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van functie van het plangebied en de realisatie van een nieuwe bedrijfshal. De realisatie van de nieuwe bedrijfshal voorziet in de lokale behoefte aan bedrijfsruimte, zoals te lezen in paragraaf 4.1.4. Hiermee wordt er voldaan aan het bouwen voor de lokale behoefte aan werken. De realisatie van de nieuwe bedrijfshal past binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. G ebiedskenmerken Gelet op de ligging van het plangebied zijn de 'stedelijke laag', de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' en de 'natuurlijk laag' van belang. Er zijn volgens de omgevingsvisie van de provincie Overijssel geen kenmerken van de laag van de beleving aanwezig. Deze wordt hierdoor achterwege gelaten in de toetsing. Stedelijke laag 20 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Figuur 4.3 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel) Overijssel kent verschillende typen werklocaties, zoals bedrijventerreinen, stationsomgevingen, kantoor- en retaillocaties. Bedrijventerreinen zijn functioneel aangelegde locaties aan de rand van steden en kernen. De opzet en verkaveling van bedrijventerreinen houden vooral rekening met de milieuruimte, autobereikbaarheid en (manoeuvreer) ruimte voor vrachtwagens.

Het zijn meestal monofunctionele werklocaties die gescheiden liggen van omliggende woonwijken en het buitengebied. Ontwikkelingen op of rond werklocaties gaan zuinig en zorgvuldig om met de ruimte, maken optimaal gebruik van de locatiekwaliteiten. Bovendien dragen de ontwikkelingen bij aan het herstel van het bodem- en watersysteem, een toekomstbestendige inrichting (klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit, gezondheid, circulaire economie, groene mobiliteit en veiligheid), het verbeteren de ruimtelijke kwaliteit en de verbinding met de omgeving. Bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten benutten. Toets Het plangebied is volgens figuur 4.3 reeds meegenomen in de gebiedskenmerk 'Bedrijventerreinen'. De planlocatie sluit ook direct aan, aan het bestaande bedrijventerrein 'bedrijventerrein Ootmarsum/ De Mors'. Door de nieuwe bedrijfshal op de planlocatie te realiseren wordt er voorkomen dat er elders binnen de gemeente Dinkelland ruimte geclaimed wordt in onder andere de groene omgeving. De nieuwe bedrijfshal draagt bij aan de beleidsdoelen op het gebied van ruimtegebruik en economische ontwikkeling. Door de nieuwe kansen die ontstaan door de realisatie van de nieuwe bedrijfshal, zoals ook beschreven bij de generieke beleidskeuzes. Hiermee is voorliggend initiatief in lijn met het gebiedskenmerk 'bedrijventerreinen' van de provincie Overijssel.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 21 Figuur 4.4 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel) De grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verboden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van de kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de agrarishe ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroen en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toets Het plangebied is in de bestaande situatie reeds in gebruik als buitenopslag door de initiatiefnemer, zoals te zien is op de luchtfoto van figuur 4.4. Hierdoor is het aannemelijk dat de kenmerken van het agrarisch cultuurlandschap niet meer aanwezig zijn op het plangebied. Wel wordt er met de realisatie van de nieuwe bedrijfshal rekening gehouden met de inrichting van het erf.

Zo wordt het erf zo ingericht dat er aansluiting wordt gezocht bij de bestaande groenstructuren. Op deze manier kan er wel worden bijgedragen aan de omliggende kenmerken van de jong heide- en broekontginningslandschap en worden de lineaire dragende groen structuren versterkt. Zoals ook te zien is in het landschapsplan in Bijlage 1. Natuurlijke laag 22 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Figuur 4.5 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toets Het plangebied wordt in de bestaande situatie reeds gebruikt als buitenopslag voor onder andere gemotoriseerde voertuigen en materialen gerelateerd aan het bedrijf.

Door het gebruik als buitenopslag is het aannemelijk dat de kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen niet meer aanwezig zijn op het plangebied. Verdere toetsing wordt hierdoor niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 23 altijd gelden.

Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema's Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema leefbare kernen van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten: voldoende voorzieningen, aantrekkelijk wonen en ruimte voor ondernemen. Voor het voorliggende initiatief is het speerpunt ruimte voor ondernemen van belang.

Figuur 4.6 Uitsnede waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied in zwart omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland) Bij dit gebied horen de volgende kenmerken: kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart; kernen met belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg en pinmogelijkheden; aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen; (verbindingen met) de groene omgeving; in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het sillouet van de kern en als belangrijk gebouw in de dorpsstructuur, tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Bij ontwikkelingen binnen dit gebied wordt ingespeeld op: de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen; concentratie van de publieksgerichte functies; mogelijkheden om te ontmoeten; de verbindingen met de groene omgeving; 24 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern; vasthouden van water. Voorliggend plan heeft betrekking op het uitbreiden van de bedrijventerrein functie aan De Mors 155 om een nieuwe bedrijfshal te realiseren.

Het plangebied is gelegen in de gebiedswaarde 'Kernen met woon- en centrumfunctie', zie figuur 4.6. Als in deze waarde ontwikkelingen plaatsvinden moet er worden ingespeeld op o.a. de verbinding met de groene omgeving en voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers. Door het bedrijventerrein uit te breiden wordt er meer ruimte geboden voor de ondernemer om zijn bedrijf uit te breiden. Dit geeft kansen voor innovatie voor de ondernemer. Om deze bedrijfshal te realiseren is er een landschapsplan opgesteld. In dit landschapsplan is rekening gehouden met de omliggende groenstructuren. Dit zorgt ervoor dat er aansluiting gevonden wordt aan de groene omgeving van Ootmarsum. Conclusie Voorliggend plan is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. 4.1.4 Ruimtebehoefte bedrijventerrein De interesse voor- en uitgifte van bedrijfskavels is de afgelopen jaren onverwacht sterk toegenomen in de gemeente Dinkelland. Waar de gemeente Dinkelland op basis van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en programmeringsafspraken had verwacht nog voldoende te hebben aan de bestaande kavels en plannen voor uitbreiding, dreigt nu de situatie dat de gemeente Dinkelland ‘nee’ moet verkopen aan bedrijven met een vraag voor een bouwkavel. Het aantal beschikbare bouwkavels wordt steeds beperkter en niet in iedere (grote) kern zijn nog kavels aanwezig.

Ruimtelijk-economisch beeld Bedrijventerreinen in Denekamp, Ootmarsum en Weerselo huisvesten meeste bedrijven De bedrijventerreinen in de (concentratie)kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn het grootst van omvang, huisvesten van alle bedrijventerreinen het grootste aantal vestigingen en de meeste werkgelegenheid. Dat lijkt een logisch gevolg van een combinatie van drie variabelen: (1) Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn in inwoneraantal en beroepsbevolking de grootste kernen van de gemeente, (2) de bedrijventerreinen zijn goed ontsloten aan de belangrijkste hoofdwegen binnen de gemeente en (3) het concentratiebeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd. De bedrijventerreinen in de overige kernen zijn aanzienlijk kleiner. Deze bedrijventerreinen huisvesten ieder slechts een handvol, vaak van oudsher lokaal gewortelde bedrijven. Aanbod op de bedrijventerreinen Op dit moment beschikt de gemeente Dinkelland niet meer over uitgeefbare kavels. In de kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn in de eerste helft van dit jaar de laatste kavels verkocht of in optie gegeven. Op dit moment kan de gemeente dus geen nieuwe initiatieven meer faciliteren binnen het bestaande aanbod.

Figuur 4.7 Uitsnede tabel 3 Ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland) Geen sprake van overmatige leegstand Over het algemeen wordt een leegstandspercentage van 5% in de markt beschouwd als een gezond percentage. Hierbij heeft leegstand geen negatieve werking op de directe omgeving, maar is er wel sprake van voldoende schuifruimte voor verhuizende en groeiende bedrijven. Op dit moment bevindt de leegstand in de gemeente Dinkelland zich tussen de 0,5% en 2% van het aanbod. De 0,5% volgt uit een actuele meting van het zichtbare aanbod via fundainbusiness.nl, zie hieronder; de 2% volgt uit een meting van het CBS op peildatum 1 januari 2020. Op kernniveau constateerd Stec dat de leegstand in alle kernen laag is. Op basis van deze leegstandscijfers is er TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 25 geen noodzaak tot herinvulling of herontwikkeling van leegstand vastgoed. Er is eerder sprake van een noodzaak tot het toevoegen van aanbod om voldoende schuifruimte voor de markt te voorzien. Op basis van de huidige leegstandscijfers is er in de gemeente Dinkelland in kwantitatieve zin behoefte aan toevoeging van ongeveer 15.000 m2 aan aanbod (ca. 2,2 hectare kavels), alleen al om tot een gezonde 5% leegstand te komen en om in voldoende schuifruimte te kunnen voorzien.

Uiteraard laat dat onverlet dat dat aanbod dan ook kwalitatief moet voldoen en op de goede plekken moet worden gesitueerd. Met andere woorden, het moet wel courant zijn. In theorie zou dat aanbod ook gerealiseerd kunnen worden door uitplaatsing van bedrijven die niet noodzakelijkerwijs op een bedrijventerrein gevestigd hoeven te zijn. Figuur 4.8 Uitsnede tabel 4 ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland) Hoeveel behoefte is er aan nieuwe bedrijfskavels in de gemeente Dinkelland? Op dit moment zijn er in de gemeente Dinkelland geen bedrijfskavels meer beschikbaar om nieuwe initiatieven te faciliteren. Daarnaast is er ook geen sprake van bovenmatige leegstand, waardoor de schuifruimte binnen het bestaande vastgoed grotendeels ontbreekt. In de verzorgingskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo is er in het middelste en hoge groeiscenario nog behoefte aan ruimte. Daarbij gaat het in Denekamp en Ootmarsum over een verwachte vraag op basis van de modelmatige berekening, maar concreet voorziet Stec daar op korte termijn nog beperkt dynamiek. Figuur 4.9 Uitsnede tabel 7 ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland) Toets Met het voorliggende plan wordt het bedrijventerrein in Ootmarsum uitgebreid met circa 2500 m2 (0,25 ha). In Ootmarsum is er in totaal een behoefte van 2 tot 2,8 ha netto aan bedrijventerrein.

Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt er lokaal bijgedragen aan de behoefte van bedrijventerrein. Daarnaast veroorzaakt de realisatie van de nieuwe bedrijfshal niet voor extra leegstand. Dit mede door de eigen behoefte van de initiatiefnemer. Er hoeft voor deze hal dan niet elders nog ruimte worden opgevraagd. Voorliggend plan past binnen de gestelde ruimtebehoefte van bedrijventerreinen in de gemeente Dinkelland. 4.1.5 Casco beleid De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.

Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 26 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Uit de Casco kaart blijkt dat er casco elementen op het perceel aanwezig waren, zoals te zien is in figuur 4.10. Dit Casco element wordt met het voorliggende plan verplaatst naar de grens van het perceel.

Figuur 4.10 Uitsnede Cascokaart provincie Overijssel, plangebied in paars globaal omkaderd (Bron: provincie Overijssel) Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'. 4.1.6 N ota omgevingskwaliteit Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19  Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'Buitengebied - Niveau Midden'. Zie figuur 4.11. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 27 Figuur 4.11 Kaart welstandsnota gemeente Dinkelland plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied is gelegen in het gebied dat beschreven staat als 'Buitengebied - Niveau Midden'. Hierbij zijn er vooral ambities geformuleerd voor (historische)invalswegen. Het plangebied is niet gelegen aan een (historische)invalsweg. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning wordt het plan getoetst of deze niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hierdoor wordt nadere toetsing aan de Nota omgevingskwaliteit niet noodzakelijk geacht.

4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een positief principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1 Vooroverleg provincie De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Op woensdag 8 oktober 2025 is het plan in het kader van de voorkantsamenwerking ingediend bij de provincie Overijssel. Op dinsdag 14 oktober 2025 heeft de provincie Overijssel de volgende beoordeling gegeven: Beoordeling Het plan past in ons ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer dit plan in deze vorm in procedure gebracht wordt. Ook is hiermee het ambtelijk vooroverleg met de provincie afgerond. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Op 4 juni 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er een normale procedure moet worden gevolgd. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. De ingevulde watertoets is te vinden in Bijlage 4. 4.2.3 Participatie omgeving In januari 2025 heeft er overleg plaatsgevonden met naastgelegen buren.

Op het plan zijn positieve reacties gekomen. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 6. 28 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 4.2.4 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 29 30 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid.

Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Toets Voorliggend plan maakt de realisatie van één nieuwe bedrijfshal en het uitbreiden van het bestaande bedrijventerrein aan De Mors 155 in Ootmarsum mogelijk. Op grond van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2018:52) dient de uitbreiding van een bedrijventerrein aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet in de uitbreiding van de bedrijventerrein functie met een oppervlakte van circa 2.585 m2. Deze uitbreiding is nodig om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. De bedrijfshal krijgt een totale oppervlakte van 450 m2. Middels voorliggend plan wordt de functie 'bedrijventerrein' uitgebreid en is de mogelijkheid aanwezig om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Hierdoor is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er moet worden aangetoond dat er behoefte is aan de uitbreiding. Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 31 behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt.

In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Ten eerste moet worden beoordeeld of er concreet behoefte bestaat aan de betreffende vorm van verstedelijking van de betreffende kwaliteit. Daarbij moet de ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) in ogenschouw worden genomen. Het gaat om de ruimtevraag waarin elders in de regio nog niet is voorzien. Bij aanbod elders kan worden gedacht aan al geplande woningbouw- of werklocaties, een binnenstedelijke herstructurering, of bijvoorbeeld leegstand. Behoefte Kwantitatieve behoefte Dinkelland De interesse voor- en uitgifte van bedrijfskavels is de afgelopen jaren onverwacht sterk toegenomen in de gemeente Dinkelland. Gemeente Dinkelland verwachte op basis van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en de regionale programmeringsafspraken tot 2030 voldoende bestaande kavels en plannen voor uitbreiding te hebben. Echter wordt het aantal beschikbare bouwkavels wordt steeds beperkter en niet in iedere (grote) kern zijn nog kavels aanwezig. De gemeente Dinkelland beschikt over vijf bedrijventerreinen in vijf kernen. In de praktijk hebben veel kernen van oudsher een eigen bedrijventerrein(tje), waar bedrijven uit die kern of met een voorkeur voor die kern zich hebben kunnen vestigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1052/documents/25657