Notitie Omgevingshuis.pdf
Tekst van het document
Het omgevingshuis De uitgangspunten voor de transitie van het huidige omgevingsrecht naar het omgevingshuis
24 april 2021
Inhoudsopgave Samenvatting ............................................................................................................................................................................. 4 1. Inleiding .................................................................................................................................................................................. 9 2. Het omgevingshuis..............................................................................................................................................................10 2.1 Mijn Omgevingsvisie ....................................................................................................................................................10 2.2 Programma’s .................................................................................................................................................................11 2.3 Omgevingsplan..............................................................................................................................................................12 2.4 Omgevinsvergunning ...................................................................................................................................................12 2.5
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) .......................................................................................................13
2.6 Vervolg invulling van het omgevingshuis .................................................................................................................13 3. Programma’s ........................................................................................................................................................................14 3.1 Naar behoefte programma’s vaststellen..................................................................................................................14 3.2 Soorten programma’s ..................................................................................................................................................14 3.3 Huidige beleidsregels te beschouwen als programma’s .......................................................................................16 3.4 Uitgangspunten.............................................................................................................................................................16 4.
Het omgevingsplan .............................................................................................................................................................17 4.1 Het tijdelijk omgevingsplan ........................................................................................................................................17 4.2 Omgevingsplan nieuwe stijl ........................................................................................................................................18 4.3 Uitgangspunten.............................................................................................................................................................23 5. Omgevingsvergunning........................................................................................................................................................25 5.1 Hoe het is nu geregeld? ...............................................................................................................................................25 5.2 Wat verandert er met de komst van Omgevingswet? ...........................................................................................25 5.3 Uitgangspunten.............................................................................................................................................................29 6.
Hoe om te gaan plannen en projecten na inwerkingtreding van de Omgevingswet? ...........................................30 6.1 Het omgevingsplan van rechtswege .........................................................................................................................30 6.2 Het wijzigen van het omgevingsplan: wat houdt dat in? ......................................................................................32 6.3 Alternatieven voor het wijzigen van het omgevingsplan: de omgevingsvergunning.......................................32 6.4 Hoe om te gaan plannen en projecten voorafgaand aan de inwerkingtreding van de o mgevingswet? ......35
2
6.5 Keuzemogelijkheden en advies ..................................................................................................................................35 6.6 Uitgangspunten.............................................................................................................................................................37 7. Participatie ...........................................................................................................................................................................38 7.1 Participatie in kerninstrumenten ...............................................................................................................................38 7.2 Participatie vormgeven ...............................................................................................................................................39 7.3 Uitgangspunten.............................................................................................................................................................39 8.
Afsluiting en samenvatting uitgangspunten...................................................................................................................40 Programma’s .......................................................................................................................................................................40 Omgevingsplan....................................................................................................................................................................40 Omgevingsvergunning.......................................................................................................................................................41 Plannen en projecten na inwerkingtreding van de Omgevingswet ........................................................................42 Participatie ...........................................................................................................................................................................42 Bijlage 1 .....................................................................................................................................................................................43
Bronnen.....................................................................................................................................................................................45
3
SAM ENVAT T ING De titel van dit document is ‘Het omgevingshuis’ met als ondertitel ‘De uitgangspunten voor de transitie van het huidige omgevingsrecht naar het omgevingshuis’. De achterliggende gedacht is dat een nieuwe wet, die nieuwe instrumenten met zich meebrengt, nader door de gemeente moet worden vormgege ven. Het omgevingshuis kan door de raad en het college nader worden ‘ingekleurd als een schilderij’, maar wel binnen de kaders van de wet- en regelgeving van het Rijk en de provincie. Dit omgevingshuis is hieronder afgebeeld, waarin de instrumenten voor de gemeente zijn opgenomen.
Figuur 1: de metafoor van het schilderij
De gemeente beschrijft in een omgevingsvisie haar visie op hoofdlijnen en werkt deze waar nodig uit. Dat kan in programma’s en in beleidsregels. Iedere gemeente stelt voor haar grondgebied één omgevingsplan vast waarin integrale afwegingen hebben plaatsgevonden voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan nieuwe stijl zijn ruimtelijke regels (bouwen en gebrui ken) en milieuregels geïntegreerd. De bestuurlijke afwegingsruimte is vergroot door de decentralisatie van milieuregels van het Rijk naar de gemeente. In het omgevingsplan kan worden bepaald of voor bepaalde te verrichten activiteiten een vergunning nodig is, of dat kan worden volstaan met een melding of dat het vergunningvrij is. De te maken keuzes hierin bepaalt onder andere de inzet van toezicht en handhaving. Meer vergunningvrij, betekent meer toezicht achteraf. Gefaseerde aanpak Het is een grote taak voor de gemeente om het huidige omgevingsrecht in te kleuren naar het omgevingshuis conform de Omgevingswet. Dit doen we daarom gefaseerd zoals in het onderstaande plaatje te zien valt. Hierin zijn een aantal belangrijke sporen te herkennen namelijk: 1. 2. 3.
dienstverlening door laten gaan; het inrichten van het omgevingshuis met de kerninstrumenten; het vertalen hiervan naar de dienstverlening.
In 2029 moet dit proces afgerond zijn en ligt er een omgevingsplan nieuwe stijl.
4
Figuur 2 gefaseerde invoering met drie sporen
Uitgangspunten voor het Omgevingshuis In onderhavige uitgangspuntennotitie worden uitgangspunten geformuleerd voor het inkleuren van het omgevingshuis. MijnOmgevingsvisie MijnOmgevings visie is inmiddels vastgesteld en zal blijvend in ontwikkeling zijn. Omgevingsprogramma’s & huidig beleid Het instrument programma’s kent vier verschijningsvormen, maar de verwachting is dat voor onze gemeente waar nodig gebruik zal worden gemaakt van het onverplichte programma en van de overige programma’s zeer terughoudend gebruik dan wel geen gebruik wordt gemaakt. Verplichte programma’s leiden tot verplichtingen en kunnen ongewenst beperkend werken voor nieuwe ontwikkelingen en zijn naar verwachting ook helemaal niet noodzakelijk. Daarnaast kennen we mom enteel al veel beleidsnota’s voor het terrein van de fysieke leefomgeving. De huidige beleidsnota’s zijn actueel en waar nodig / gewenst zijn actualisaties gaande. Het beleid dat onder het huidige omgevingsrecht is vastgesteld, kan ook blijven bestaan in het nieuwe stelsel van het omgevingsrecht en doet ook recht aan de uitvoering van MijnOmgevings visie. Omgevingsplan De wetgever heeft er ook voor gezorgd dat elke gemeente op 1 juli 2022 één omgevingsplan voor haar grondgebied heeft. In het overgangsrecht is namelijk bepaald dat alle bestemmingsplannen en wijzigingsplannen van rechtswege worden aangemerkt als het omgevingsplan.
In onderhavig document duiden we dit aan als het omgevingsplan van rechtswege.
5
1-1-2029
Figuur 3 van omgevingsplan van rechtswege naar omgevingsplan nieuwe stijl
Ten aanzien van de decentralisatie van milieunormen wordt opgemerkt dat de wetgever voor overgangsrecht heeft gezorgd om te voorkomen dat door decentralisatie een vacuüm in de regelgeving ontstaat. Het is immers niet mogelijk dat op 1 juli 2022 de milieunormen van Rijk vervallen zonder dat de gemeente de tijd heeft gehad deze op te nemen in het omgevingsplan. Daarom heeft de wetgever overgangsrecht geformuleerd, die beter bekend is als de bruidsschat, en gemeenten tot 1 januari 2029 de tijd gegeven om deze milieunormen op te nemen in het omgevingsplan en waar mogelijk en waar nodig, deze lokaal in te kleuren. Deze fasering is tevens nodig omdat niet alleen milieunormen van het Rijk naar de gemeente worden gedecentraliseerd, maar ook vanwege het geheel nieuwe digitale stelsel dat ondersteunend is aan vergunningverlening en de ontsluiting van omgevingsplannen.
Figuur 4 kenmerken van het omgevingsplan nieuwe stijl
Het is vrijwel onmogelijk om in één keer een omgevingsplan vas t te stellen dat voldoet aan de eisen die de Omgevingswet daaraan stelt. Immers, alle milieunormen die zijn gedecentraliseerd moeten daarin worden opgenomen, maar ook de lokale verordeningen die betrekking hebben de op de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan dat voldoet aan de Omgevingswet wordt in onderhavig stuk het omgevingsplan nieuwe stijl genoemd. Het omgevingsplan nieuwe stijl zal daarom gefaseerd ontstaan. Voor de vormgeving van de milieuregels in het omgevingsplan zal gebruik worden gemaakt van de kennis die voor gemeenten rust bij de Omgevingsdienst Twente (hierna: ODT). Omgevingsvergunning De nieuwe wet heeft ook gevolgen voor de procedure van het verlenen van een omgevingsvergunning. Als hoofdregel geldt de reguliere procedure en dat betekent dat er binnen acht weken een besluit op de aanvraag moet zijn genomen. Deze termijn kan met zes weken door de gemeente worden verlengd. De uitgebreide procedure, met een termijn van 26 weken, is een uitzondering geworden. Dat betekent bijvoorbeeld voor aanvragen voor omgevingsvergunningen, welke niet passen in het omgevingsplan, dat binnen acht weken een besluit moet zijn genomen, terwijl momenteel veelal de uitgebreide procedure van 26 weken geldt.
Dat vraagt om een andere werkwijze, want de inhoudelijk e beoordeling van de aanvraag is door de Omgevingswet niet gewijzigd. Dit vraagt om een ander type vooroverl eg dan dat wij nu kennen. Meer zaken van zo’n aanvraag zullen in het vooroverleg beoordeeld moeten worden om een overschrijding van de beslistermijn te voorkomen. Een nieuwe wet heeft ook gevolgen voor de tarieventabel bij de legesverordening, die ook moet aangepast.
6
Participatie Tenslotte is in de uitgangspuntennotitie ook het onderdeel participatie opgenomen en is per instrument aangegeven wat de Omgevingswet aan participatie vereist.
Voor een omgevings visie, een programma en het omgevingsplan is dat er achteraf wordt aangegeven op welke wijze de omgeving is betrokken en wat het resultaat daarvan is (participatie als motiveringsplicht achteraf). Deze wijze van participatie is vormvrij. Voor het omgevingsplan geldt voort s dat ook vooraf moet worden aangegeven op welke wijze het participatieproces is vormgege ven (kennisgevingparticipatie vooraf). Ten slotte geldt bij omgevingsvergunningen dat de aanvrager aangeeft of en hoe belanghebbenden zijn betrokken en wat het resultaat is (participatie als aanvraagvereiste). Dit is niet verplicht, maar kan door de raad verplicht worden gesteld. In deze notitie worden uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd om participatie vorm te geven. Doorgang dienstverlening vanaf 1 juli 2022 Tot zover het nieuwe stelsel en de transitieperiode tot 1 januari 2030. Vanaf 1 juli 2022 moet ook de dienstverlening doorgang blijven vinden. Dat kan o.a. doordat de wetgever heeft geregeld dat alle huidige bestemmingsplannen worden aangemerkt als het omgevingsplan van rechtswege, zodat aanvragen voor omgevings vergunningen kunnen worden getoetst aan het omgevingsplan. Echter, er zijn ook zaken die nog moeten worden geregeld om de huidige dienstverlening voort te zetten. Het is van belang dat de huidige bevoegdhedenverdeling tussen raad en college wordt voorgezet .
Daarvoor is nodig dat de raad bevoegdheden delegeert aan het college om voor bepaalde onderdelen, onder bepaalde voorwaarden, het omgevingsplan te kunnen wijzigen. In het huidige stelsel is dat ook zo geregeld met wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan, waarmee de raad heeft aangegeven in welke gevallen en onder welke vooraarden het college het bestemmingsplan mag wijzigen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de raad altijd de bevoegdheid heeft om de delegatiebevoegdh ed en weer in te trekken. Daarnaast moet ook weer het adviesrecht van de raad worden vormgegeven. Het adviesrecht van de raad bindt het college bij de voorbereiding van besluiten. En ook niet onbelangrijk, ook andere adviesinstanties moeten opnieuw worden benoemd, zoals bijv. de monumentencommissie en de stadsbouwmeester. Besluitvorming in het najaar In onderhavige uitgangspuntennotitie worden dan ook uitgangspunten geformuleerd om voornoemde onderwerpen te regelen. In het najaar van 2021 zal over de onderwerpen besluitvorming door de raad kunnen plaatsvinden, zodat tijdig de zaken zijn geregeld vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze samenvatting is een beschrijving op hoofdlijnen van het omgevingshuis, de transitieperiode en wat er nodig is om de dienstverlening te kunnen blijven voortzetten.
Voor een volledig beeld van wat dit allemaal inhoudt wordt u als lezer uitgenodigd om de gehele uitgangspuntennotitie te lezen.
7
Leeswijzer uitgangspuntennotitie Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt ‘het omgevingshuis’ en de daarbij behorende instrumenten voor de gemeente gepresenteerd. Daarnaast wordt het Digitale Stelsel Omgevings wet (DSO) beschreven, waarmee de kerninstrumenten vanaf 1 juli 2022 te raadplegen zijn. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 worden per instrument uitgangspunten geformuleerd waarmee het omgevingshuis kan worden ingekleurd. Daarbij moet enerzijds rekening worden gehouden met de tijdelijke situatie waarin wordt gewerkt aan nieuwe plannen/projecten op basis van het omgevings plan van rechtswege en anderzijds het vormgeven van het omgevingsplan nieuwe stijl. In hoofdstuk 6 zijn dan ook uitgangspunten geformuleerd om de huidige werkwijze te kunnen continueren ten behoeve van een ongewijzigde dienstverlening voor aangevraagde plannen/projecten. Op basis van deze hoofdstukken zijn de uitgangspunten helder voor het lokaal inkleuren van ‘het Omgevingshuis’. Tot slot worden in hoofdstuk 7 de wettelijke uitgangspunten voor de invulling van de participatie voor de instrumenten weergegeven. Hoofdstuk 8 is het afsluitende hoofdstuk waarin alle uitgangspunten per instrument nog eens op een rij zijn gezet.
8
1. INLEIDING Het document dat voor u ligt bevat uitgangspunten over hoe ‘het omgevingshuis’ onder de Omgevingswet kan worden vormgegeven. Het gaat niet over inhoudelijk te maken keuzes over bijv. wat komt er aan milieuregels in het omgevingsplan, maar het gaat over de opzet van het omgevingshuis en de transitie daarin. Het gaat over de bevoegdheden van de raad om deze in te kleuren. En tijdens de transitie moet de huidige dienstverlening ongewijzigd kunnen worden voorgezet en moeten daarvoor zaken worden geregeld. Er is een eerste stap gezet met het inkleuren van ‘het omgevingshuis’ door de vaststelling van MijnOmgevings visie voor beide gemeenten. Een visie waaraan de komende periode uitvoering wordt gegeven. De wetgever heeft daarvoor de instrumenten omgevingsplan en programma in het leven geroepen. Een deel van de huidige beleidsnota’s zal daaraan ook een bijdrage leveren. In dit document zijn uitgangspunten geformuleerd voor de invulling en werkwijze hierin. De dienstverlening wordt op het moment dat de Omgevingswet inwerking treedt zo goed als mogelijk ongewijzigd voortgezet. Dat is mogelijk omdat de bestemmingsplannen door de wetgever automatisch tezamen één omgevingsplan vormen op het moment dat de Omgevingswet inwerking treedt. Dit tijdelijke omgevingsplan blijft het toetsingskader voor aanvragen voor omgevings vergunningen.
De wetgever heeft veel regels ook gedecentraliseerd, zoals bijvoorbeeld regels uit het Activiteitenbesluit. De wetgever weet dat gemeenten tijd nodig hebben om dit hele pakket aan regels om te zetten in een nieuw omgevingsplan. Daarom zijn deze regels opgenomen in een zgn. bruidsschat en krij gen gemeenten tot 1 januari 2029 de tijd om deze om te zetten en waar mogelijk en waar gewenst, zelf het ‘mengpaneel’ in te regelen. Ook daarvoor zijn enkele uitgangspunten opgenomen. In hoofdstuk 2 wordt ‘het omgevingshuis’ en de daarbij behorende instrumenten voor de gemeent e gepresenteerd. Daarnaast wordt het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) beschreven, waarm ee de kerninstrumenten vanaf 1 juli 2022 te raadplegen zijn. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 worden per instrument uitgangspunten geformuleerd waarmee het omgevingshuis kan worden ingekleurd. Daarbij moet enerzijds rekening worden gehouden met de tijdelijke situatie waarin wordt gewerkt aan nieuwe plannen/projecten op basis van het omgevingsplan van rechtswege en anderzijds het vormgeven van het omgevingsplan nieuwe stijl. In hoofdstuk 6 zijn dan ook uitgangspunten geformuleerd om de huidige werkwijze te kunnen continueren ten behoeve van een ongewijzigde dienstverlening voor aangevraag de plannen/projecten. Op basis van deze hoofdstukken zijn de uitgangspunten helder voor het lokaal inkleuren van ‘het Omgevingshuis’.
Tot slot worden in hoofdstuk 7 de wettelijke uitgangspunten voor de invulling van de participatie voor de instrumenten weergegeven. Hoofdstuk 8 is het afsluitende hoofdstuk waarin alle uitgangspunten per instrument nog eens op een rij zijn gezet.
9
2. HET OM GEVINGSHUIS Voor de uitvoering van de Omgevingswet in de praktijk hebben overheden verschillende kerninstrumenten tot hun beschikking. Voor de gemeente zijn dat de volgende vier kerninstrumenten: de omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Voor deze instrumenten samen gebruiken wij de naam “het omgevingshuis”. Strategische inzet van en goede afstemming tussen de vier kerninstrumenten is van belang om een goede invulling te geven aan de visie op het omgevingshuis. Een duidelijke visie op het omgevings huis geeft daadwerkelijk richting aan de uitvoering van de omgevings visie, de invulling van de programma’s en de fasering naar één nieuw omgevingsplan. Gemeentelijke ambities zijn het vertrekpunt en burgerparticipatie is wettelijk verplicht bij inzet van de kerninstrumenten. Voorwaarde is wel dat de gemeente de beleidsruimte invult binnen de instructieregels die het Rijk en de provincie geven. Het omgevingshuis mag binnen deze instructies worden ‘ingekleurd’, schematisch als volgt weer te geven:
De vier kerninstrumenten worden hierna toegelicht, waarbij het eerste kerninstrument reeds is vastgesteld en de basis vormt voor de verdere invulling van het omgevingshuis.
2.1 MIJN OMGEVINGSVIS IE De gemeenteraden van Tubbergen en Dinkelland hebben elk hun eigen omgevingsvisie vastgesteld. Beide visies gaan over de toekomst van onze leefomgeving; de visie van samenleving en gemeente. Hierin bouwen we verder op de basis die al in proces van MijnDorp/MijnDinkelland gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen en over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe wij, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat willen we behouden, versterken en ontwikkelen. De visie beschrijft de bestaande waarden en heeft 11 speerpunten. Bij nieuwe ontwikkelingen sluiten we aan bij de bestaande waarden en zoveel mogelijk bij de speerpunten. Door het respecteren van bestaande waarden, het ontwikkelen van deze waarden en
10
de focus op de 11 speerpunten is er sprake van een goed evenwicht tussen verschillende functies. De visies geven per gebied aan of er veel of weinig ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De 11 speerpunten zijn onderverdeeld in drie thema’s en elk thema vertelt het verhaal achter de speerpunten. Thema b uitengebied in b alans: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij de samenwerking wordt gezocht met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Thema leefb are kernen: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte. Thema leefomgeving van de toekomst: energieneutraal in 2050; duurzaam beheer van de leefomgeving; gezonde leefomgeving; veilige leefomgeving.
Bij elk thema worden de uitdagingen waar de gemeenten voor staan toegelicht en wordt aan de hand van speerpunten de visie voor de fysieke leefomgeving gegeven. Deze visie is op hoofdlijnen en vraagt om een uitwerking in bijv. programma’s, beleidsregels of het omgevingsplan.
2.2 PROGRAMMA’S Het college kan een programma inzetten om daarmee haar taken en bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de doelen van de Omgevingswet: het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. De bevoegdheid tot nadere uitwerking in beleidsregels blijft ongewijzigd bestaan en kan eveneens worden hiervoor worden gebruikt. Het programma legt verbindingen met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van een gemeente en kent meerdere verschijningsvormen. Een programma dat gericht is op beleidsontwik k eling geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvis ie of onderdelen daarvan wil realiseren. Een programma kan ook gericht zijn op beleidsdoorwerk ing en bevat dan maatregelen voor het bepalen van doelen of omgevingswaarden. Tenslotte kan het programma ook gericht zijn op beleidsuitvoering en is het een toetsingskader in de vorm van beleidsregels. Zie de figuur hierna voor de plaats van het programma in de verschillende fases in de beleidscyclus.
11
2.3 OMGEVINGSPLAN In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of k unnen hebben voor de fysiek e leefomgeving. Met andere woorden, het gaat om effecten op de fysieke leefomgeving. Daar valt niet het gedrag van mensen onder, dat is geen effect op fysieke leefomgeving dat valt onder de Omgevingswet.. Een omgevingsplan bevat regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Elke gemeente heeft één omgevingsplan voor het hele grondgebied.
2.4 OMGEVINSVERGUNNING Met een omgevingsvergunning kunnen burgers, bedrijven en overheden toestemming vragen om activiteiten in de leefomgeving uit te voeren. De vergunningplichtige activiteiten zijn aangewezen door: het Rijk in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); de provincie in de omgevingsverordening; de raad in het omgevingsplan. De omgevingsvergunning geldt voor iedereen die de activiteit uitvoert waarvoor de vergunning bedoeld is. Dit kan degene zijn aan wie de vergunning is verleend, maar ook zijn opvolger. Het toetsingskader voor de activiteit bouwen verandert en de vergunningplicht wordt opgesplitst in twee delen: vergunningplicht technische bouwactiviteit (technische vergunning) op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voorheen Bouwbesluit); vergunningplicht omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke vergunning) op grond van het omgevings plan (hierin gaan de regels uit het bestemmingsplan, de bouwverordening en het welstandsbeleid op). Zowel in het Bbl als in het omgevingsplan staat welke bouwplannen vergunnings vrij / -plichtig zijn. Als het bouwplan niet past binnen het omgevingsplan, kan de initiatiefnemer kiezen voor een aanvraag ruimtelijke vergunning voor een zogenoemde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke onderbouwing) of voor een herziening van het omgevingsplan.
12
De aanvraag ruimtelijke vergunning volgt de reguliere procedure en duurt 8 weken (+ 6 weken verlenging). De initiatiefnemer moet daarbij aangeven of en hoe omwonenden bij de aanvraag zijn betrokken (participatie).
2.5
HET DIGITAAL STELSEL OMGEVINGSW ET (D SO)
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is straks dé centrale plek waar alle digitale informatie over de fysieke leefomgeving samenkomt. Het Omgevingsloket van het DSO vervangt het Omgevingslok et online (OLO), de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) en de website waarop de ruimtelijke plannen te raadplegen zijn (www.ruimtelijkeplannen.nl ). Van drie voorzieningen gaan we dus naar één geïntegreerd loket. De ambitie is om het systeem zo in te richten dat burgers, bedrijven en overheden op een gebruiksvriendelijke wijze toegang hebben tot alle relevante gegevens over de (kwaliteit van de) fysieke leefomgeving. MijnOmgevings visie en de programma’s moeten als omgevingsdocument in het DSO worden opgenomen. Het register omgevingsdocumenten (ROD) is de plek waar de omgevingsdocumenten worden opgeslagen. Dit register ondersteund de procedures en de archivering. Via het Omgevingsloket van het DSO zijn de omgevingsdocumenten raadpleegbaar voor iedereen. Ook het Omgevingsplan is via het loket raadpleegbaar. Voor initiatiefnemers is zo bijvoorbeeld te zien of een omgevingsvergunning of een melding voorafgaand aan een activiteit is vereist. Het is de bedoeling om initiatiefnemers met behulp van vraagbomen en kaartlagen naar de voor hem of haar relevante informatie te leiden. Hiervoor worden in het omgevingsplan een aantal technieken toegepast.
Via het Omgevingsloket kan een initiatiefnemer ten slotte ook een vergunningaanvraag of melding doen. Daarnaast bevat het DSO een Samenwerkingsfunctionaliteit, die de samenwerking met ketenpartners en andere overheden bij de vergunningaanvraag ondersteunt.
2.6 VERVOLG INVULLING VAN HET OMGEVINGSHUIS
In de navolgende hoofdstukken worden per instrument uitgangspunten geformuleerd waarmee het omgevingshuis kan worden ingevuld. Daarbij moet enerzijds rekening worden gehouden met de tijdelijke situatie waarin wordt gewerkt aan nieuwe plannen/projecten op basis van het omgevingsplan van rechtswege en anderzijds het vormgeven van het nieuwe omgevingshuis. In de hoofstukken 3, 4 en 5 worden eerst de uitgangspunten geformuleerd voor de instrumenten programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning. Voordat die uitgangspunten worden geformuleerd, wordt eerst inhoudelijk ingegaan op een aantal onderwerpen die van belang zijn voor dat specifieke instrument en voor de te maken keuzes en de te formuleren uitgangspunten. In hoofdstuk 6 worden uitgangspunten geformuleerd voor de overgangssituatie, zodat de aangevraagde plannen/projecten doorgang kunnen vinden. Tot slot worden in hoofdstuk 7 per instrument de uitgangspunten voor de invulling van de participatie vormgegeven.
13
3. PROGRAM M A’S Het kerninstrument programma legt verbindingen met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van een gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de doelen uit omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleidsthema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een m ilieuwaarde zoals een veiligheidsplan of geurgebiedsvisie etc.
3.1 NAAR BEHOEFTE PROGRAMMA’S VASTSTELLEN 3.1.1 W IE STELT EEN PROGRAMMA VAST? De gemeente kan dus een programma inzetten om daarmee haar taken en bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de doelen van de Omgevingswet: het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden. Het college is op basis van artikel 3.4 van de Omgevingswet bevoegd om programma’s vast te stellen. Het vaststellen van programma’s is in beginsel geen verplichting. De raad van een gemeente is niet bevoegd om programma’s vast te stellen. Dat betekent overigens niet dat de raad niet betrokken kan worden bij de totstandkoming en besluitvorming omtrent een programma. Op basis van artikel 2.2 van de Omgevingswet houdt het college bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden immers rekening met de taken en bevoegdheden van bijvoorbeeld de raad en stemt zo nodig met de raad af. Programma’s binden enkel het college bij de uitoefening van haar bevoegdheden.
3.1.2 PROCEDURE Bij het vaststellen van een programma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijk e organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En wat de resultaten daarvan zijn. De overheid mag zelf weten hoe zij daar invulling aan geeft. Wie een overheid bij de vroegtijdige participatie betrekt, hangt af van het type programma: de aard, de omvang en invloed op de fysieke leefomgeving Het college zorgt voor inspraak en voorbereiding conform afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Vanwege het zelfbindende karakter staat er geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van een programma. Als er besluiten worden genomen op grond van het programma dan geldt voor die besluiten de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsproc edure. Er is wel beroep mogelijk tegen delen van programma’s met specifieke rechtsgevolgen. Tot slot wordt opgemerkt dat een programma mogelijk een plan-m.e.r.-plicht kent. Deze plan-m.e.r. plicht volgt uit de Strategische milieubeoordeling (smb)-richtlijn.
3.2 SOORTEN PROGRAMMA’S Het programma kent als instrument vier verschijningsvormen. Ten eerste het vrijwillige programma en drie bijzondere, te weten programma’s met een programmatische aanpak, verplichte programma’s vanwege Europese richtlijnen en het verplichte programma bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde.
3.2.1 VRIJW ILLIG PROGRAMMA Een onverplicht of vrijwillig programma wil zeggen een programma dat de gemeente naar eigen initiatief en behoefte kan inzetten om een omgevingsvisiedoel te behalen dat het bevoegd gezag zichzelf gesteld heeft. Een overheid is vrij om daarvoor een vrijwillig programma op te stellen, of te kiezen voor andere sturingsinstrumenten. De Omgevingswet schrijft niet voor dat al het ruimtelijk beleid in een programma moet worden vastgelegd, er kan nog steeds gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels. Van de 4 typen programma’s is dit de meest voorkomende
14
Er zijn al veel beleidsdocumenten vastgesteld die qua inhoud zijn te vergelijken met een programma, omdat ze uitvoeringsgericht zijn. Ze zijn als beleidsregel vastgesteld, hetgeen ook mogelijk is. Het is niet verplicht om programma’s in plaats van beleidsregels vast te stellen (zie paragraaf 3.3.). Voorbeelden van dergelijke beleidsdocumenten zijn: sectoraal beleid (woonbeleid); gebiedsgericht beleid (geurgebiedsvisie, geluidsbeleid); combinaties daarvan, veelal onder een grote diversiteit aan benamingen. Het vrijwillige programma is in principe vormvrij, maar het verdient aanbeveling om in ieder programma in elk geval de volgende vragen te laten terugkomen: Welk doel wordt ermee nagestreefd? Is het programma bedoeld voor beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking of beleidsuitvoering? Voor welk geografisch gebied wordt het programma opgesteld? Voor welke periode geldt het programma? Wat is de bestaande toestand van de fysieke leefomgeving voor het gebied? Welke ontwikkelingen hebben komende periode impact op het gebied? Welke maatregelen worden getroffen en wat zijn de verwachte effecten hiervan? Wanneer worden maatregelen naar verwachting uitgevoerd?
3.2.2 PROGRAMMA’S MET EEN PROGRAMMATISCHE AANPAK Een programma met programmatische aanpak is een bijzonder type programma. Dit is voor decentrale overheden een nieuw instrument. Het bepaalt de gebruiksruimte of creëert ontwikkelingsruimte. Dit type programma gaat verder dan de andere programma’s. Voor dit soort programma’s gelden wel zwaardere eisen, zoals een plicht tot monitoring. De programmatische aanpak is bedoeld voor gebieden waarin omgevingswaarden of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving al (langere tijd) worden overschreden. De programmatische aanpak is het beste te vergelijken met de gesneuvelde PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) waarbij er al sprake was van een overschrijding van de stikstofnorm en daarom een zwaardere variant van het programma op zijn plaats was. De programmatische aanpak stuurt actiever dan de andere typen programma’s .
3.2.3 HET VERPLICHTE PROGRAMMA VOLGEND UIT HOGERE REGELGEVING Dit type verplichte programma's zijn vooral de al bestaande plannen en programma's die volgen uit Europese regelgeving. Dit zijn programma’s die een gemeente moet opstellen. Dit zijn dan programma’s met een al vaststaand doel en soms ook een vaststaande periode. Dit kunnen programma’s zijn die verplicht worden gesteld vanuit Europa of die in de Omgevingswet verplicht worden gesteld. Daarnaas t kan het zo zijn dat een omgevingswaarde is opgenomen in bijvoorbeeld een provinciale omgevingsverordening of het eigen omgevingsplan. Indien die waarde dreigt te worden overschreden of zelfs al overschreden is, is in beginsel de gemeente verplicht om een programma op te stellen om die overschrijding tegen te gaan. Voor gemeenten geldt het Actieplan geluid als verplicht programma volgend uit Europese regelgeving. Voor de provincie is dat bijvoorbeeld het ook het Beheerplan Natura 2000.
3.2.4 VERPLICHT PROGRAMMA BIJ (DREIGENDE) OVER SCHRIJDING VAN OMGEVINGSW AARDEN Daarnaast kunnen gemeenten, als ‘ondersteunend wetsinstrument‘, lokale omgevingswaarden stellen in hun omgevingsplan (over het omgevingsplan later meer). Daarbij gaat het om een kwaliteit die de overheid voor de fysieke leefomgeving wil bereiken. Deze kwaliteit moet objectief vast te stellen en meetbaar zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om waarden voor de luchtkwaliteit of de waterkwaliteit. Ze kunnen een resultaatsverplichting, een inspanningsverplichting of een andere verplichting inhouden en zijn primair gericht tot de overheid. Een voorbeeld van een omgevingswaarde kan zijn dat je als gemeente hebt vastgelegd de groenste gemeente van Nederland te willen worden, en er dus uiterlijk 2028 voor wilt zorgen dat iedere hectare grond tenminste 10 bomen heeft. Lokale omgevingswaa rd en zijn niet vrijblijvend, er geldt een monitoringsplicht voor de vastgestelde omgevingswaarden.
15
3.3 HUIDIGE BELEIDSREGELS TE BESCHOUW EN ALS PROGRAMMA’S Zoals beschreven in paragraaf 3.1 kent MijnOmgevings visie 11 speerpunten die zijn onderverdeeld in drie thema’s en elk thema vertelt het verhaal achter de speerpunten. Bij elk thema zijn de uitdagingen toegelicht waar de gemeente voor staat. Hiermee is op geheel nieuwe wijze omschreven waar wij als gemeente heen willen. Het is overzichtelijk, op hoofdlijnen en digitaal. Een deel van de speerpunten en de daarbij behorende uitdagingen zijn nieuw en zal nader moeten worden uitgewerkt of wordt momenteel uitgewerkt in programma’s. Voorbeelden hiervan zijn het RES en het Windbeleid als uitwerking van het speerpunt ‘energieneutraal in 2050’. Voor een deel zijn de uitdagingen niet nieuw, maar hebben ze door de tijd meer urgentie gekregen of zijn de accenten verlegd. Gelet hierop is het omgevingshuis voor een groot deel ook al ‘ingekleurd’ met beleidsnota’s. Het gaat om tal van beleidsregels voor uiteenlopende onderwerpen zoals landschapskwaliteit, beleid voor nieuwe functies in het buitengebied (bijv. Rood voor rood), recreatie en toerisme, geurgebiedsvisie, geluidsbeleid, etc. De Omgevingswet schrijft niet voor dat het al ruimtelijk beleid in een visie of in een programma moet worden vastgesteld.
Het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving blijft dan ook onder de Omgevingswet onverkort van toepassing als beleidsregel, daarom is dit beleid in beeld gebracht en is een overzicht hiervan opgenomen in bijlage 1. Dit zal op een later moment nog worden bekrachtigd middels een raadsbesluit, zodat voor iedereen duidelijk is dat dit beleid ook van toepassing is onder de Omgevingswet. Voor een groot deel van het beleid is het wenselijk dat deze wordt geactualiseerd en waar mogelijk meer integraal wordt gemaakt. Ook is gebleken dat een aantal beleidsnota’s kunnen worden ingetrokken, omdat deze geen bijdrage meer leveren.
3.4 UITGANGSPUNTEN
Er worden alleen programma’s en beleidsregels opgesteld die een bijdrage leveren aan MijnOmgevings visie. De huidige beleidsnota’s die hieraan een bijdrage leveren blijven bestaan en worden waar nodig geactualiseerd (bijlage). Het huidige beleid is ook van toepassing onder de Omgevingswet en dat zal worden bekrachtigd middels een raadsbesluit. Nieuwe onverplichte programma’s worden zoveel mogelijk gestandaardiseerd, zodat in ieder programma in elk geval de volgende vragen terugkomen: Welk doel wordt ermee nagestreefd? Is het programma bedoeld voor beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking of beleidsuitvoering? Voor welk geografisch gebied wordt het programma opgesteld? Voor welke periode geldt het programma? Wat is de bestaande toestand van de fysieke leefomgeving voor het gebied? Welke ontwikkelingen hebben komende periode impact op het gebied? Welke maatregelen worden getroffen en wat zijn de verwachte effecten hiervan? Wanneer worden maatregelen naar verwachting uitgevoerd? Voor de drie bijzondere programma’s wordt als uitgangspunt opgenomen dat hier t erughoudend mee wordt omgegaan als er geen directe aanleiding is om dergelijke programma’s op te stellen. Dergelijke programma’s brengen namelijk ook verplichtingen met zich mee.
16
4. HET OM GEVINGSPLAN In het omgevingsplan worden alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving opgenomen. Het gaat hierbij om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (vergelijkbaar met de huidige bestemmingen) en om regels over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
Deze regels zijn nu veelal opgenomen in gemeentelijke verordeningen en de bestemmingsplannen, maar het kan ook gaan om de doorvertaling van Rijksregels (zgn. bruidsschat). Het Rijk wil namelijk bij de Omgevingswet meer overlaten aan gemeenten volgens het motto ‘decentraal, tenzij’. De vele regels die op allerlei niveaus hun werking hebben, moeten in één omgevingsplan een plek krijgen.
4.1 HET TIJDELIJK OMGEVINGSPLAN 4.1.1 OMGEVINGSPLAN VAN REC HTSW EGE Alle gemeenten hebben bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan van rechtswege. Dit omgevingsplan is tijdelijk totdat het daadwerkelijk is omgezet in het omgevingsplan nieuwe stijl dat geheel voldoet aan de eisen die de Omgevingswet stelt. Het tijdelijke omgevingsplan is een formeel juridische samenvoeging van: 1. de bestaande bestemmingsplannen: 2. drie gemeentelijke verordeningen: de Erfgoedverordening met betrekking tot de archeologisc he monumentenzorg, de Hemelwaterverordening en de Geurverordening (Wet geurhinder en veehouderij);
17
3.
de bruidsschat 1.
4.1.2 BRUIDSSCHAT Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan of de waterschapsverordening komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het huidige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. Alle regels over de fysieke leefomgeving vallen straks onder de Omgevingswet. Als deze wet inwerking treedt, draagt het Rijk een aantal regels over aan gemeenten met de gedachte dat zij die regels lokaal beter kan afwegen. De bruidsschat wordt toegevoegd aan het tijdelijke omgevingsplan. De bruidsschat voorkomt dat er regels vervallen waarvoor nog geen nieuwe zijn opgesteld. De gemeenten kan zelf de bruidsschat aanpassen, zolang de regels maar voldoen aan de instructieregels van het Rijk en de provincie.
4.2 OMGEVINGSPLAN NIEUW E STIJL Alle regels moeten op 1 januari 2029 zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In de transitieperiode moeten gemeenten dus alle regels vanuit het tijdelijk omgevingsplan ‘overbrengen’ naar het nieuwe deel. Ook moeten gemeenten de regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en waarvan zij dat nodig vinden op dat moment hebben toegevoegd. ‘Overbrengen’ en ‘toevoegen’ gaat door raadsbesluiten die het nieuwe deel van het omgevings plan wijzigen. Daarbij worden de regels door de gemeente geïntegreerd en geactualiseerd, passend bij de maatschappelijke opgaven, de gemeentelijke ambities en bij de beoogde structuur en opzet van het omgevingsplan.
1 Een belangrijk deel van deze regels staat vóór inw erkingtreding van de Omgevingsw et in verschillende besluiten en
regelingen: Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, Besluit omgevingsrecht, Besluit lozen buiten inrichtingen, Besluit lozing afvalwater huishoudens, Bouwbesluit 2012, Woningw et.
18
4.2.1 REIKW IJDTE OMGEVINGSPLAN Het omgevingsplan heeft ten opzichte van het bestemmingsplan een bredere reikwijdte. In het bestemmingsplan worden ten behoeve van een goede ruimtelijk e ordening bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Met het oog op die bestemmingen worden regels gegeven. Het toepassingsbereik van de Omgevingswet wordt bepaald door de begrippen fysiek e leefomgeving en ‘activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving’. In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben voor de fysiek e leefomgeving. Onderwerpen die geen betrekking op de fysieke leefomgeving hebben, zijn bijvoorbeeld het toekennen van uitkeringen, arbeidsomstandigheden, dierenwelzijn, het voorkomen van overgewicht en het faciliteren van meer bewegen van mensen. Gemeentelijke (autonome) verordeningen bevatten regels over de fysieke leefomgeving. Te denken valt aan de kapverordening en het uitwegstelsel in de Algemene Plaatselijke Verordening. Deze decentrale regels moeten onder de Omgevingswet in principe in het omgevingsplan worden opgenomen. In bijlage 1 is een overzicht van o.a. verordeningen opgenomen.
4.2.2 INTEGRATIE BRUIDSSCHAT IN OMGEVINGSPLAN NIEUW E STIJL In de jaren na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt bepaald welke regels van de bruidsschat de gemeente wil handhaven, wijzigen of laten vervallen. De regels kunnen binnen de wettelijke kaders van de Omgevingswet dus worden aangepast aan de gemeentelijke situatie en het gemeentelijk beleid. Alle regels vanuit de bruidsschat moeten voor 2029 op deze wijze worden bekeken en behandeld. Dit geldt ook voor regels die ongewijzigd worden opgenomen in het nieuwe omgevingsplan. Als regels die van toepassing zijn op de lokale situatie niet of beperkt worden overgenomen, dan kan dit onduidelijkheid en rechtsonzekerheid tot gevolg hebben. Ook kan als gevolg hiervan de gezondheid en veiligheid van mensen in het geding komen. Handhavend optreden tegen bijvoorbeeld milieuoverlas t veroorzakende activiteiten is in dat geval lastig, omdat er geen of zeer beperkte regels zijn en dus geen sprake is van het overtreden van regels. Anderzijds kan het niet of heel beperkt overnemen van de regels wel tot gevolg hebben dat er meer ruimte is voor ontwikkelingen en initiatieven.
De VNG heeft drie acties gedefinieerd die als leidraad gehanteerd kunnen worden in de keuze om regels uit de bruidsschat te handhaven, te wijzigen of te laten vervallen: schrap - waar er geen lokaal probleem is; stem af - op de specifieke situatie in het gebied; specificeer - als er specifieke wensen voor een gebied zijn. Voor de regels uit de bruidsschat die betrekking hebben op het ruimtelijke aspect van bouwen, is er voldoende kennis ‘in huis’ om hierin aan de hand van de drie actiepunten keuzes te kunnen maken over
19
welke regels worden opgenomen in het omgevingsplan. Voor de regels die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten die niet in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden geregeld, kunnen aan de hand van de drie acties keuzes worden gemaakt voor het opnemen van de regels uit de bruidsschat in het omgevingsplan. Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet alle regels in de bruidsschat voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van het Rijk. De geluidsvoorschriften voldoen bijvoorbeeld nog niet aan alle instructieregels voor geluid in het Bkl. In 2029 moeten alle bepalingen uit het omgevingsplan voldoen aan deze eisen waarbij voor milieubelastende activiteiten met name de regels uit het Bkl van belang zijn. Voldoet het omgevingsplan aan de standaardwaarden uit het Bkl, dan wordt de milieubelasting in beginsel aanvaardbaar geacht. Gemeenten hebben echter ook de mogelijkheid om andere immissienormen vast te stellen als de lokale situatie daartoe aanleiding geeft en als dat voor de realisatie van een of meer maatschappelijke doelen nodig is. Dit kunnen zowel soepelere als strengere normen zijn. De wetgever verbeeldt deze afwegingsruimte ook wel met het ‘mengpaneel’, dat hieronder is afgebeeld.
Het mengpaneel komt neer op het volgende. Voor de aspecten luchtkwaliteit en externe veiligheid is het niet wenselijk een slechtere kwaliteit toe te laten. Slechts strengere normen dan de standaardwaarden zijn mogelijk. Voor de aspecten geluid, trillingen, geur en bodem is de mogelijkheid tot het stellen van soepelere normen dan de standaardwaarden wel gegeven. In situaties waarin niet aan de standaardwaarden kan worden voldaan, is een hogere belasting aanvaardbaar tot aan de grenswaarde. Voor trilling en geur is nog verdere afwijking van grenswaarden mogelijk, namelijk bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen. Het verdient aanbeveling om de keuzes die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten die niet geregeld worden in het Bal en die gemaakt moeten worden voor 2029, in samenwerking met de Omgevingsdienst Twente (ODT) op te pakken. Dit omdat het maken van deze keuzes veelal vraagt om specialistische kennis die de laatste jaren veelal is ondergebracht bij de ODT. Denk hierbij aan kennis op het gebied van geur, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Een dergelijk traject kan een vervolg zijn op de analyse van de bruidsschat die de ODT in opdracht van diverse Twentse gemeenten het afgelopen jaar heeft uitgevoerd. In deze analyse zijn de regels uit de bruidsschat per artikel en onderwerp nader uitgewerkt.
De analyse kan helpen om de aan de hand van de hiervoor genoemde actiepunten keuzes te maken.
20
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 wordt de bruidsschat toegevoegd aan het tijdelijk omgevingsplan, zodat er geen regels vervallen waarvoor nog geen nieuwe zijn opgesteld. Regels uit gemeentelijke verordeningen, zoals bijvoorbeeld de APV of de geurverordening, blijven dus bestaan totdat deze regels worden overgeheveld naar het nieuwe omgevingsplan. Voor bepaalde milieuonderwerpen is echter ook sprake van gemeentelijk beleid dat niet vertaald is in een verordening . Voorbeelden hiervan zijn het gemeentelijk geluidsbeleid en het gemeentelijk beleid ten aanzien van externe veiligheid. Hiervoor geldt na 1 juli 2022 dat daar waar de bruidsschat voorziet in een regeling voor milieubelastende activiteiten die op gemeentelijk niveau uitsluitend geregeld zijn in een beleidsnot a (dus niet in een verordening), de bruidsschat voorrang krijgt. Dit hoeft geen probleem te zijn. De regels uit de bruidsschat voorzien immers ook in een bepaald ‘standaard’ beschermingsniveau. Het is wel verstandig om in 2021 in elk geval te onderzoeken op welke milieubelastende activiteiten de bruidsschat voorrang krijgt boven het gemeentelijk beleid ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteiten.
Hierbij dient tevens inzichtelijk gemaakt te worden wat de gevolgen hiervan zijn en of het noodzakelijk is om voor deze milieubelastende activiteiten in 2021 nog een regeling te treffen in de vorm van het opnemen van deze beleidsvoorwaarden in een verordening.
4.2.3 INTEGRATIE NIEUW E STIJL
TIJDELIJK
BESTEMMINGSPLAN
IN
OMGEVINGS P L AN
Zoals hiervoor aangegeven maken alle geldende bestemmingsplannen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijk Omgevingsplan. Uiterlijk op 1 januari 2029 moet de gemeente beschikken over één Omgevingsplan dat onder meer alle geldende bestemmingsplannen vervangt. Daar waar de gemeente zich nu kenmerkt door een ‘lappendeken’ van bestemmingsplannen, is dus straks sprake van één Omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het Omgevingsplan bevat voor het hele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties . Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren . Voor deze locatie- of objectgerichte ordening kan in het omgevingsplan gewerkt worden met functies of functie-aanduidingen. De huidige bestemmingen zoals bijvoorbeeld ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ zouden in het omgevingsplan dan bijvoorbeeld als functieaanduiding ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ kunnen worden opgenomen. De regels over activiteiten geven invulling aan de functie-aanduidingen. Zonder deze invulling is de juridische betekenis van functieaanduidingen beperkt.
De regels over activiteiten dienen tezamen met andere regels in het omgevingsplan te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de fysieke leefomgeving. Met het toekennen van een functie aan een locatie en daaraan gekoppelde regels wordt dus geregeld welke activiteiten zijn toegestaan. Voor zover deze activiteiten betrekking hebben op planologische aspecten is deze werkwijze vergelijkbaar met de huidige wijze van bestemmen en de daaraan gekoppelde bouw- en gebruiksregels. In de komende jaren zal kritisch gekeken moeten worden naar de regels in de geldende bestemmingsplan en of deze regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties opgenomen moeten worden als een activiteit in het omgevingsplan. Daar waar mogelijk zullen regels geschrapt of wellicht vereenvoudigd moeten worden. Tevens moeten de komende jaren keuzes worden gemaakt in welke activiteiten vergunnings vrij uitgevoerd kunnen worden, voor welke activiteiten een meldings- of informatieplicht geldt en voor welke activiteiten een vergunning is vereist. Aandachtspunt hierbij is de verschuiving van toetsing vooraf bij een vergunningplic ht naar handhaving- en toezicht activiteiten achteraf daar waar meer vergunningvrij danwel meldingsplichtig wordt.
4.2.4 INTEGRATIE VERORDENINGEN IN OMGEVINGSPLAN NIEUW E STIJL Het omgevingsplan heeft ten opzichte van het bestemmingsplan een bredere reikwijdte. Delen van de autonome verordeningen moeten of k unnen overgeheveld worden naar het omgevingsplan. Bij regels die niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, gaat het hoofdzakelijk om regels die worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Die regels zijn primair gericht op de regulering van persoonlijke orde verstorende gedragingen. De wetgever vindt het niet wenselijk dat deze regels worden beheerst door het stelsel van de Omgevingswet. Dit kan namelijk een
21
doorkruising van de bevoegdheden van de burgemeester opleveren en de vraag oproepen bij welke rechter tegen handhaving kan worden opgekomen. Verder betreft het regels over bevoegdheden die decentrale overheden hebben om belastingen te heffen en andere heffingen op te leggen. Om welke regels het precies gaat, is te vinden in artikel 2.1, tweede lid, van het Omgevingsbesluit. Regels moeten in het omgevingsplan worden opgenomen als zij gaan over activiteiten ten gevolge waarvan onderdelen van de fysieke leefomgeving worden gewijzigd. Bij het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving gaat het om directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving. Het gaat dan om regels over activiteiten die leiden tot ‘tastbare’ veranderingen in de fysieke leefomgeving. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het kappen van bomen, het maken van een in- en uitrit op openbare wegen, het verleggen van kabels en leidingen of het ontsieren van een monument. Deze regels moeten worden onderscheiden van regels die het gebruik van de fysieke leefomgeving betreffen en regels over het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s. Voor deze laatstgenoemde regels geldt keuzevrijheid. Wel moet steeds worden bedacht dat de in het omgevingsplan op te nemen regels moeten vallen binnen de reikwijdte van de Omgevingswet.
Er zal moeten worden bepaald wat in het omgevingsplan moet worden vastgelegd en wat daar niet in mag worden vastgelegd. Dat kan aan de hand van de volgende twee vragen: 1. 2.
Bevat de regeling onderwerpen die zijn uitgesloten van integratie in het omgevingsplan (artikel 2.7, tweede lid, van de Ow jo. artikel 2.1, tweede lid, van het Ob)? Bevat de regeling regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of gaat het om regels die het gebruik van de fysieke leefomgeving betreffen of regels over het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s (artikel 2.7, eerste lid, van de Ow jo. artikel 2.1, eerste lid, van het Ob)?
Voor de regels waarbij keuzevrijheid bestaat, moeten vervolgens keuzes gemaakt worden. Daarbij kunnen o.a. de volgende vragen worden gesteld: 3. 4. 5. 6. 7.
Welke regelingen bevatten onderwerpen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en zijn daarvoor ook voldoende relevant? Wat is het rechtskarakter van deze regelingen? Wat is het motief van de regelingen? Gaat het om een autonome regeling of een regeling in medebewind? Wie is het bevoegd gezag van de regelingen?
Dit vormt een denkkader voor de vraag of verordeningen moet worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Momenteel wordt ten aanzien van de APV bekeken welke delen wel en welke delen niet in het omgevingsplan worden opgenomen. Voor de Geurverordening, welke alleen Dinkelland heeft, wordt opgemerkt dat deze moet worden opgenomen in het omgevingsplan nieuwe stijl. Voor de Afvalstoffenverordening geldt dat deze in medebewind is opgesteld en het motief van de regeling ziet op aanwijzen van inzamelaars en de stoffen die mogen worden ingezameld. Deze verordening wijzigt de fysieke leefomgeving niet en wordt daarom niet opgenomen in het omgevingsplan nieuwe stijl. Voor bijv. de bouwverordening, de AVOI, etc. zal dit nog nader moeten worden uitgezocht. Voor een eerste overzicht hiervan wordt verwezen naar bijlage 1.
4.2.5 GEVOLGEN OUDE BESTE MMINGSPLANNEN EN VER ORDENINGEN NA TRANSITIEPERIODE De transitieperiode loopt naar verwachting tot 1 januari 2029. Deze datum is nog niet gewijzigd naar aanleiding van de uitgestelde inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor nu geldt dus een overgangstermijn van zeven jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022. In die periode hoeft nog niet aan alle eisen te worden voldaan. Uit artikel 4.6, aanhef en eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat de oude plannen automatisch onderdeel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege. Voor bestemmingsplannen geldt na de transitieperiode de verplichting dat de regels moeten voldoen aan een evenwicht ige toedeling van functies aan locaties.
22
Voor gemeentelijke verordeningen is in artikel 22.4 van de Omgevingswet een sanctie opgenomen. Verordeningen die moeten worden overgeheveld naar het omgevingsplan komen van rechtswege te vervallen indien dat niet tijdig voor 1 januari 2029 is gebeurd.
4.2.6 VERNIEUW ENDE TECHNIEK EN DIE HET RAADPLEGEN IN HET DSO VEREENVOUDIGEN Het omgevingsplan nieuwe stijl is niet alleen vernieuwend, omdat alle regels uit bestemmingsplannen, verordeningen en de bruidsschat worden samengevoegd, maar ook waarop zij digitaal worden gepresenteerd in het DSO-loket. Om deze digitale presentatie mogelijk te maken moeten aan de achterkant van het omgevingsplan een aantal technieken worden toegepast. Deze vernieuwing bestaat in de basis uit drie elementen: Objectgerichte regels: Regels moeten ‘objectgericht’ worden opgesteld en voorzien van een werkingsgebied. Objectgerichtheid zorgt ervoor dat straks met één druk op de kaart alleen de regels worden getoond, die op deze locatie of de directe omgeving gelden. Omgekeerd is het dan ook mogelijk om vanuit de regels direct de gebieden in de kaart te tonen waarvoor deze set aan regels van kracht is; Annotatie: Middels ‘annotatie’ wordt het mogelijk op een thema, activiteit of functie te zoeken of filteren en alleen die regels te selecteren die hier betrekking hebben. Zo kunnen eenvoudig alleen de regels geselecteerd worden die betrekking hebben op het onderwerp waarin de gebruiker geïnteresseerd is; Het DSO-loket krijgt een zoekfunctie, waarin je bijvoorbeeld direct de regels voor het kappen van het boom of het aanleggen van een inrit uit het omgevingsplan kunt filteren.
Naast de juridische regels moeten ook “toepasbare regels” worden opgesteld. Toepasbare regels zijn een begrijpelijke vertalingen van de essentie van de juridische regels. De toepasbare regels vormen de basis voor de vergunningscheck en aanvraag van omgevingsvergunningen, die in het DSO worden opgenomen: o Middels de ‘vergunningscheck’ kunnen burgers en bedrijven controleren of ze hun plan op een bepaalde locatie mogen uitvoeren. Dit doen ze door vragen te beantwoorden. Deze vragen worden samengesteld vanuit de toepasbare regels. Toepasbare regels voor de vergunningscheck zijn niet verplicht, maar kunnen helpen om de dienstverlening te verbeteren. o Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning zorgen de toepasbare regels ervoor, dat de aanvrager de juiste informatie levert: de indieningsvereisten die nodig zijn voor de afhandeling van de vergunningaanvraag of melding. Elke gemeente is verplicht Toepasbare regels op te stellen voor de aanvraag van elke activiteit waarvoor een vergunning verplicht is. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze 3 elementen is mede bepalend voor de wijze waarop het omgevingsplan ontsloten kan worden. Hoe meer je gebruik maakt van deze elementen hoe eenvoudiger het omgevingsplan te raadplegen is. Dit veronderstelt een betere dienstverlening.