NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01_Toelichting (2).pdf
Tekst van het document
In het algemeen geldt dat het verboden is op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar (kunnen) worden gebracht. Er kan altijd sprake zijn van tijdelijke verboden/beperkte gebieden in verband met bijvoorbeeld een evenement (zie "Temporary Airspace Restriction" op www.lvnl-ohd.nl). Voor ongecontroleerde luchthavens geldt dat vluchten binnen een afstand van 3 km zijn toegestaan, mits geen bezwaar bestaat bij de exploitant van de luchthaven. Ook kan sprake zijn van gebieden die tijdelijk en uitzonderlijk worden gebruikt voor de start en landing van luchtvaartuigen; vliegen binnen een afstand van 3 km is toegestaan mits er geen bezwaar is bij de exploitant van dat terrein. In Natura 2000-gebieden kunnen beperkingen gelden voor het vliegen met drones. Deze
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 52
beperkingen kunnen per gebied verschillend zijn en worden opgenomen in een beheerplan en/of toegangsbeperkend besluit dat doorgaans door de provincie waar het gebied in ligt wordt vastgesteld.
Afbeelding 4-5 No fly zones In het plangebied zelf geldt geen directe beperking, omdat de zones niet over het plangebied liggen. In het provinciaal beleid is geregeld dat voor het landen en opstijgen in een Natura 2000-gebied (en de NNN) geen ontheffing wordt verleend. Overige infrastructuur en het plangebied Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergronds (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen. Hoogspanningsleidingen en aardgastransportleidingen zijn in het kader van externe veiligheid reeds benoemd. Andere kabels en leidingen behoudens de bestaande aansluitingen bij de woningen binnen het plangebied zijn niet aanwezig. Ten behoeve van de hoogspanningsleiding is aan de Kluunvenweg in Tubbergen een schakelstation aanwezig. In de gemeente Tubbergen is sprake van een waterwinlocatie bij Manderveen en een rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Huyerenseweg. Deze locaties liggen allen buiten het plangebied. In de gemeente Dinkelland loopt een straalpad voor telecommunicatie.
Dit is in de meest zuidelijke punt van de gemeente, bij Deurningen en niet relevant voor het onderhavige inpassingsplan. Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.
4.2.8 Conclusie
Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de diverse aspecten op het gebied van het milieu.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
53
4.3
Water
4.3.1 Wettelijk kader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruitgaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan. Het relevante waterbeleid is beschreven in Hoofdstuk 2 en wordt daarom hieronder niet herhaald. Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater waaraan de Europese wateren moeten voldoen. Op nationaal en regionaal niveau is de Waterwet het kader voor ingrepen aan het watersysteem. Daarnaast schrijft de Waterwet een vorm van integraal waterbeheer voor die gericht is op vasthouden - bergen en afvoeren en schoon houden scheiden en schoonmaken van water. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.
De Keur heeft een aanvullende functie op de Waterwet omdat de Keur algemene regels geeft die in bepaalde gevallen de vergunningplicht uit de Waterwet opheft. Er is onderscheid gemaakt in kwantitatieve aspecten (waterhoeveelheid) en kwalitatieve aspecten (waterkwaliteit). Hiermee wordt dus de KRW in het Nederlandse recht geïmplementeerd.
4.3.2 Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in Hoofdstuk 3 van dit inpassingsplan. Dit inpassingsplan is tijdens ter inzage legging van het voorontwerp PIP ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap. De reacties van het waterschap zijn in deze paragraaf verwerkt.
4.3.3 Water en het plangebied
In deze waterparagraaf zijn de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Binnen het inpassingsplan wordt geen nieuwe verharding gerealiseerd. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. Aansluitend worden de relevante waterhuishoudkundige aspecten behandeld. Waardevolle kleine wateren en -bovenlopen Binnen het plangebied liggen een aantal grote en kleine waardevolle wateren. Dit zijn kleine waterelementen als bovenlopen, bronnen en vennen, die van wezenlijk belang zijn voor het bereiken van goede ecologische condities in midden- en benedenlopen (vaak KRW-waterlichamen). Het beheerplan en het inrichtingsplan zijn er op gericht de kwaliteit daarvan te behouden en te verbeteren.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 54
Figuur 4.6: Beeksystemen (Bron: Inrichtingsplan) Waterveiligheid Er zijn binnen het plangebied geen essentiële watergangen en/of KRW-wateren aanwezig. Dit aspect speelt dus geen rol binnen het plangebied.
4.3.4 Waterkwaliteit
De eutrofiëring van grond- en oppervlaktewater in de beekdalen is een groot knelpunt. Deze eutrofiëring zorgt voor een (te) grote beschikbaarheid van nutriënten waardoor hoogproductieve plantensoorten worden bevorderd, ten koste van de habitattypen die juist beschermd moeten worden. Dit uit zich in (oever)begroeiingen van hoogproductieve ruigtekruiden zoals de Grote brandnetel die de gewenste vegetatie verdringen. De mate waarin dat gebeurt is afhankelijk van de concentratie van nutriënten, de grondwaterstand en de chemische samenstelling van het grondwater in de wortelzone. Afstroming van voedselrijk oppervlaktewater tijdens piekafvoeren is veelal het gevolg van intensieve ontwatering van het intrekgebied, maar ook van de (zeer) ondiep liggende slecht doorlatende klei- en/of keileemlagen in het gebied. Regenwater wordt dan snel, via afstroming over maaiveld of via buisdrains, afgevoerd naar de watergangen die op de beek afwateren. Wanneer die percelen net zijn bemest komen voedingsstoffen in het oppervlaktewater terecht. Deze situatie blijft voortbestaan zolang bemeste gebieden door middel van grond- en oppervlaktewater naar het lager gelegen beekdal afwateren. In het inrichtingsplan zijn twee soorten maatregelen beschreven die eutrofiëring tegengaan en de daardoor de waterkwaliteit verbeteren.
Enerzijds gaat het om effectgerichte maatregelen, zoals bufferzones, en anderzijds zijn er brongerichte maatregelen (beperken/beëindigen bemesting). Drinkwaterwinning In de gemeente Tubbergen ligt een grondwaterbeschermingsgebied. Er worden geen maatregelen genomen die de grondwaterstand of -kwaliteit in negatieve zin beïnvloeden. Afbeelding 4.6: Waterwinning- en grondwaterbeschermingsgebieden (Bron: www.atlasvanoverijssel )
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
55
4.3.5 Waterkwantiteit
Verdroging Uit het inrichtingsplan blijkt dat verdroging het belangrijkste knelpunt is voor de te beschermen habitats. Verdroging, voor zover hier van belang, is het gevolg van diepe en intensieve ontwatering in de beekdalen en de omliggende landbouwgebieden. Vaak is de beek ook zelf sterk verdiept door in het verleden uitgevoerde beeknormalisatie, of door het intensief schonen van de beekloop. Om water langer ten behoeve van de habitats vast te kunnen houden, zijn de volgende maatregelen in het inrichtingsplan geformuleerd: Het verwijderen of verondiepen van ontwateringsmiddelen als drainage, greppels en sloten; Het verondiepen van de diep ingesneden beek / het verhogen van de beekbodem; Het dempen van piekafvoeren door de aanleg van retentievoorzieningen (specifiek ingerichte percelen grond ten behoeve van retentie). Vernatting De uitvoering van de in het Inrichtingsplan voorgestelde maatregelen zorgt, naast grondwaterstandsverhogingen binnen het Natura 2000-gebied en het uitwerkingsgebied, ook voor vernatting in delen van het daar omheen liggende gebied. Maatregelen die nodig zijn om overlast op landbouwpercelen buiten het uitwerkingsgebied en rond bebouwing en infrastructuur te voorkomen zijn in het Inrichtingsplan opgenomen als mitigerende maatregelen. Voor bebouwing en infrastructuur zijn voorstellen voor (het uitwerken van) mitigerende maatregelen opgenomen.
Daarnaast zijn mitigerende maatregelen opgenomen om overlast op landbouwpercelen buiten het uitwerkingsgebied te voorkomen of verkleinen. Mitigerende maatregelen worden uitgevoerd als hierover overeenstemming is met de betreffende grondeigenaar. Overstroming In het plangebied bestaat geen risico op overstromingen, wel was er in 2010 sprake van beperkte wateroverlast.
4.3.6 Conclusie
De waterkwaliteit wordt verbeterd en de maatregelen ten aanzien van de waterkwantiteit hebben een positief effect op de habitattypen. Door deze maatregelen treden echter nadelige effecten op voor het landbouwkundig gebruik van enkele landbouwpercelen, bijvoorbeeld omdat deze zijn aangewezen als retentiegebied of omdat er vernatting optreedt. Negatieve effecten/schade voor eigenaren worden zo veel mogelijk gecompenseerd in de vorm van vervangende (ruil)grond of financiën (zoals de aankoop van het perceel Vasserweg 32 in Nutter). Als vangnet geldt de 'Regeling nadeelcompensatie Ontwikkelopgave Natura 2000 Overijssel 2017'.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wettelijk kader en beleidskader
Dit inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen in het kader van de ambities en verplichtingen in het natuurbeleid mogelijk te maken. Ecologie is daarmee een zeer zwaar meewegend omgevingsaspect en moet goed onderzocht worden. Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het aspect natuur wordt verwezen naar Hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan. Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is onderhevig aan verdroging, verzuring en eutrofiëring. In 2015 is in opdracht van Provincie Overijssel voor het gebied een gebiedsanalyseopgesteld. Het doel hiervan was om te bepalen welke herstelmaatregelen nodig zijn om de natuurdoelen in het gebied te realiseren.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 56
In verband met deze herstelmaatregelen is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de uitvoerbaarheid van het Provinciaal Inpassingsplan. De resultaten zijn besproken met provincie als bevoegd gezag van Natuurbeschermingswet. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. De eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Daarbij wordt op basis van bureauonderzoek en een veldbezoek aan de hand van aanwezige terreintypen, toevallige waarnemingen en bekende verspreidingsgegevens van soorten ingeschat welke beschermde planten- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen.
4.4.2 Ecologie en het plangebied
In opdracht van LTO Noord heeft Eelerwoude uit Goor een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Projectnummer: P8101; Datum: 12-6-2017) Het onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische Zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De Quickscan is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Voor de inhoud wordt daarnaar verwezen. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. Soortenbescherming Op basis van de Quickscan wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied potentieel habitat biedt aan een groot aantal beschermde soorten. Met de voorgenomen werkzaamheden worden echter geen negatieve effecten op deze soorten verwacht mits rekening worden gehouden met de soorten veldspitsmuis, beekprik, hazelworm en broedvogels. Veldspitsmuis Bij de planning van de werkzaamheden (met het name het dempen en verondiepen van sloten in agrarische percelen), dient rekening gehouden te worden met de seizoenactiviteiten van de veldspitsmuis om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen.
De voortplantingsperiode van de veldspitsmuis loopt globaal van 15 maart tot 1 oktober. Het is niet bekend of de veldspitsmuis ook een echte winterrust houdt. In deze periode is de soort vooral kwetsbaar bij vorst en een sneeuwlaag. Afhankelijk van het seizoen en de weeromstandigheden kunnen deze perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de veldspitsmuis. Tijdens de graafwerkzaamheden dient er één kant opgewerkt te worden. In open water dient altijd naar een open einde gewerkt te worden. Hazelworm Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van de hazelworm (april-augustus). Ter hoogte van de voormalige camping t' Lippert worden dood liggend hout en puin of stenen voor de werkzaamheden handmatig verwijderd. Hierdoor zijn er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm aanwezig voor de soort tijdens de werkzaamheden. Beekprik Zandsuppletie in de Springendaalse beek dient niet op modderige delen uitgevoerd te worden waar larven aanwezig kunnen zijn. Rekening houden met broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren.
Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen1 uitgevoerd mogen worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn uitsluitend mogelijk, Als door een ter zake kundige ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals vroegtijdig kappen van bomen, of maaien van beplanting.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
57
Gebiedsbescherming Binnen het plangebied komen de volgende habitattypen voor. H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden); H4030 Droge heiden; H5130 Jeneverbesstruwelen; H6230 Heischrale graslanden; H6410 Blauwgraslanden; H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen); H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen; H7230 Kalkmoerassen; H9120 Beuken-eikenbossen met hulst; H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Daarnaast komen onderstaande habitatsoorten voor: H1083 vliegend hert H1096 beekprik H1166 kamsalamander H1831 drijvende waterweegbree Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Doordat de werkzaamheden niet of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. Negatieve effecten zijn na het nemen van de mitigerende maatregelen (inzet licht materieel, werken met rijplaten en voorkomen verdichting van de bodem) uitgesloten. De werkzaamheden hebben een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied. Randvoorwaarden bij de aanleg van de rijplaten: De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd.
Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). Na verwijdering van de platen dient de bodem en de vegetatie hersteld te worden. Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken.
4.4.3 Conclusie
De herstelmaatregelen hebben effect op beschermde soorten, maar zijn nodig om aan de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen voldoen. Voor zover maatregelen voortkomen uit het beheerplan is een aantal verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Verder wordt waar nodig en mogelijk gewerkt volgens werkprotocollen en worden aanvullend eventuele mitigerende maatregelen getroffen
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 58
4.5
Archeologie
4.5.1 Wettelijk kader
In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. C oncreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen en/of inpassingsplannen) meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in het ruimtelijke plan een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk: Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESC O-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden.
In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (=archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veiliggesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd.
4.5.2 Beleidskader
Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel staat de ambitie op het gebied van archeologie verwoord: “Behouden van intrinsieke bodemeigenschappen en aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk beschermen.” De hoofdlijn van het beleid bestaat uit: het beschermen van de kenmerken, kwaliteiten en waarden van de ondergrond; waar mogelijk kwaliteiten verbinden om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van gebieden te versterken; het behouden en beleven van aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. Bij planvorming moeten aardkundige en archeologische waarden onderdeel zijn van integrale gebiedsontwikkeling. Overijssel kent grote regionale variatie aan karakteristieke aardkundige waarden. Door dit te behouden en te benutten in de ruimtelijke planvorming wordt de verscheidenheid en het contrast tussen de verschillende delen van Overijssel versterkt. Archeologisch erfgoed wordt zoveel mogelijk ter plekke bewaard (in situ). Als het niet mogelijk is om vondsten ter plaatse te behouden, moet het materiaal van een archeologische vindplaats door opgraving veilig gesteld worden. Gemeentelijk beleid, gemeente Dinkelland In mei 2008 heeft de gemeenteraad de nota Archeologiebeleid gemeente Dinkelland vastgesteld.
Dit beleid bestaat onder meer uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan die waarden zijn vervolgens weer beleidsadviezen gekoppeld. De kaart is gebaseerd op de opbouw van het landschap en bevat de landschappelijke eenheden met een archeologische betekenis. In zijn vergadering van 14 februari 2012 heeft de raad van de gemeente Dinkelland de Erfgoedverordening Dinkelland 2012 vastgesteld. In deze verordening is onder meer bepaald dat het verboden is om:
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
59
a.
in een archeologisch monument als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem te verstoren; b. zonder vergunning van het college in een gebied met archeologische waarde en in een archeologisch verwachtingsgebied, als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m 2 te verstoren; c. zonder vergunning van het college in een historische kern, zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m 2 te verstoren, uitgezonderd de delen van een historische kern die op de archeologisch verwachtings- en advieskaart als verstoord zijn aangegeven. Een vergunning als bedoeld onder b is niet nodig Als: a. het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde, of; 2. in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 5.000 m 2, of; 3. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m 2.
Afbeelding 4-7a Archeologische verwachtingskaart gemeente Dinkelland (bron: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl )
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 60
Afbeelding 4-7b. legenda en beleidsadvies Archeologische verwachtings- en advieskaart gemeente Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Gemeentelijk beleid, gemeente Tubbergen Ter ondersteuning van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de archeologische monumentenzorg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de gemeente Tubbergen in 2007 een archeologische verwachtings- en advieskaart vervaardigd. Het betreft een kleinschalige kaart die voor het grondgebied van de gemeente inzichtelijk maakt waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. Aan de archeologische waarden zijn beleidsadviezen gekoppeld. Op 14 juni 2010 heeft de raad van de gemeente Tubbergen de archeologische verwachtings- en advieskaart vastgesteld. De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Tubbergen is voor het overgrote deel gebaseerd op de opbouw van het landschap en de landschappelijke ligging van bekende archeologische vindplaatsen. Binnen het grondgebied van de gemeente kan op basis van geomorfologie en bodemgesteldheid onderscheid gemaakt worden in twee grootschalige, landschappelijke zones met een eigen karakter: het (glooiende) dekzandlandschap en het (reliëfrijke) stuwwallandschap.
De vier verschillende beleidsregimes die worden onderscheiden zijn: Beschermd archeologisch monument (vergunning noodzakelijk bij elke bodemingreep); AMK-terreinen (omgevingsvergunning en onderzoek aan de orde bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 100 m 2); Hoge archeologische verwachtingswaarde (omgevingsvergunning en onderzoek aan de orde bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 2.500 m 2); Lage en middelmatige archeologische verwachtingswaarde (omgevingsvergunning en onderzoek aan de orde bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 5.000 m 2
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
61
Afbeelding 4.8a Archeologische verwachtings- en advieskaart gemeente Tubbergen (bron: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl )
Figuur 4.8b legenda en beleidsadvies Archeologische verwachtings- en advieskaart gemeente Tubbergen (bron: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl )
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 62
4.5.3 Archeologie en het plangebied
De maatregelen binnen het PIP vinden plaats binnen zones waaraan op de Archeologische Verwachtings- en advieskaarten een middelhoge en hoge archeologische verwachting is toekend. Ingerepen met een oppervlakte van 5.000 m 2 respectievelijk 2.500 m 2 en dieper dan 0,4 m –mv dienen vooraf te worden gegaan door een archeologisch vooronderzoek. Voor ingrepen kleiner dan 5.000 m 2 en 2.500 m 2 geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. In de uitwerking van het gebiedsproces Springendal – Dal van de Mosbeek worden een beperkt aantal fysieke maatregelen uitgevoerd. De fysieke ingrepen hebben allen een kleinere oppervlakte dan 2.500 m 2. Een aantal maatregelen heeft een afwijkende diepte. Hieronder volgt een overzicht van deze maatregelen en een toelichting op de invloed van deze maatregelen op de archeologische waarden in het gebied: Uitkassen van watergangen, graven van watergangen, dempen van watergangen, aanleggen en/of vervangen duikers Er worden verschillende maatregelen getroffen met betrekking tot de watergangen. Voor wat betreft het uitkassen en dempen van watergangen en het vervangen van duikers geldt dat deze maatregelen uitgevoerd worden in geroerde grond. Hier is al sprake van een geroerd bodemprofiel en is de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische resten zeer klein.
Derhalve hoeft voor deze werkzaamheden geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Gezien de beperkte diepte en oppervlakte (kleiner dan 2.500 m 2) van de maatregelen ten aanzien van het graven van watergangen en het aanleggen van nieuwe duikers, hoeft er conform gemeentelijk beleid voor deze werkzaamheden geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Verwijderen buisdrainage Voor het verwijderen van buisdrainage wordt de bovenlaag van het bouwland verwijderd, waardoor de buisdrainage bloot komt te liggen. Na het verwijderen van de drainage wordt de grond weer teruggeplaatst. De buisdrainage in het gebied ligt op een diepte tussen de 50 en 80 cm –mv. Aangezien bij het plaatsen van de buisdrainage de bodem reeds verstoord is geraakt wordt archeologisch onderzoek voor deze werkzaamheden niet zinvol geacht. Afplaggen/ vergraven van grond om oorspronkelijk reliëf te herstellen Op sommige stukken wordt het maaiveld (0-40 cm -mv) aangepast tot het oorspronkelijk reliëf. Aanpassingen vinden alleen plaats in de bovenlaag waardoor er conform gemeentelijk beleid geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Binnen de bestemming Natuur komen gronden voor, waarvan de bovenlaag nooit eerder verstoord is geweest, waardoor ook op een diepte van minder dan 40 cm archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Als op die gronden graafwerkzaamheden enz.
plaatsvinden tot 40 cm, moet vóór de uitvoering de provinciaal archeoloog worden gehoord. Conclusie Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het PIP. Op basis van bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de archeologische verwachtingswaarden in het gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" door de uitvoering van demaatregelen niet onevenredig zullen worden geschaad. (Verkennend) Archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Bij niet eerder verstoorde gronden moet de provinciaal archeoloog worden gehoord, vóór de uitvoering van werken en werkzaamheden tot 40 cm diepte. Als bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedweg (juli 2016) een melding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, C ultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het C ultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARC HIS). Dit kan ook worden gedaan bij de regio-archeoloog.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
63
4.6
Cultuurhistorie en landschap
4.6.1 Wettelijk kader
Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een beschrijving hoort van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. C ultuurhistorische waarden zijn alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het landschap is een belangrijke drager van de cultuurhistorie. Aan veel landschapselementen (essen, reliëf, houtwallen, bosjes) en de verkaveling en de wegen- en waterlopenstructuur is de ontstaans- en ontginningsgeschiedenis nog af lezen.
4.6.2 Beleidskader
Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie is beleid opgenomen voor cultuurhistorie en landschap onder het aspect 'Ruimtelijke Kwaliteit'. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald op basis van vier lagen: de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, een stedelijke laag en een 'lust- en leisure' laag. Voor ruimtelijke kwaliteit zet de provincie in op het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, maar ook tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten, e.d.. De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project, elke ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Als basis hiervan worden de huidige gebiedskenmerken gebruikt (zoals opgenomen in de Omgevingsvisie). Door deze benadering: wordt bij nieuwe initiatieven een weloverwogen locatiekeuze bevorderd, vormgegeven en ingericht; worden ontwikkelingen en projecten in een tijdsperspectief geplaatst en beoogd dat deze ook in de verdere toekomst nog een functie kunnen vervullen; wordt de bestaande en hoog gewaardeerde verscheidenheid in Overijssel versterkt en zo de belevingswaarde vergroot. Deze sturing wordt via een verordening op ruimtelijke kwaliteit gestuurd.
Onder andere via de Kwaliteitsimpuls Groene omgeving en bij herstructurering van woningbouw en bedrijfslocaties mee investeert de provincie mee ten behoeve van ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast zet de provincie stimulerende en faciliterende instrumenten in zoals het AtelierOverijssel en de subsidieprogramma's Industrieel en Agrarisch Erfgoed en C ultuur en Ruimte versterkt voort. Gemeentelijk beleid De vele cultuurhistorische waarden geven in het buitengebied van Dinkelland de identiteit en het karakter van het gebied aan. De waarden zijn vertaald in het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” van de gemeente Dinkelland en in het bestemmingsplan ”Buitengebied 2016” van de gemeente Tubbergen.
4.6.3 Cultuurhistorie en het plangebied
In hoofdstuk 3 is het ontstaan en de huidige (cultuurhistorische) situatie van het plangebied beschreven. Ten behoeve van het betrekken van de cultuurhistorie in de planvorming, is de 'Gebiedsscan Ruimtelijke kwaliteit, Randvoorwaarden en inspiratie voor de ontwikkelopgave EHS/Natura 2000 “Springendal en Dal van de Mosbeek” (december 2015)' opgesteld. Hierin zijn de huidige situatie en specifieke gebiedskenmerken en –waarden beschreven. Tevens zijn kansen, inspiratie en ontwerpaanleidingen voor het gebied opgenomen. Alle deelgebieden hebben hun eigen ontginningsgeschiedenis en daarmee gebied specifieke
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 64
cultuurhistorische elementen. Van hooiwegen in de hooilanden en karrensporen op de heidevelden tot houtwallen en schaapskooien in de buurtschappen. Ook kent het gebied een aantal grafheuvels. Omdat de regio van Mander, Vasse en Hezingen prehistorisch gezien in de ondergrond bijzonder gaaf bewaard is gebleven, heeft dit Natura 2000-gebied een unieke archeologische waarde. Naast grafheuvels zijn op de Vasserheide, raatakkers (celtic fields) ontdekt. Raatakkers zijn prehistorische akkers die bestaan uit veldjes van ongeveer 40 bij 40 meter, omgeven door wallen.
afbeelding 4-9 overzicht ruimtelijke beleidsaspecten (bron: gebiedsscan)
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
65
Landschap Het plangebied omvat een kleinschalig cultuurlandschap, dat vraagt om kleinschalige maatregelen. Het landschap bestaat uit lagen, waarvan geologie, geomorfologie, hydrologie en bodem de natuurlijke basis vormen, en de menselijke invloed in verschillende perioden de toegevoegde dimensie is. De kenmerkende kleinschaligheid vraagt om inrichtingsmaatregelen die passen bij die kleine schaal. Het streefbeeld van de beken is stromende waterlopen met een zo continue mogelijk natuurlijk beeld. Waar de beken nu soms in slootprofielen zijn gedwongen krijgen zij een natuurlijker verloop. Maatregelen die verdroging, vernatting of overbemesting moeten voorkomen worden zoveel mogelijk kleinschalig, passend bij de situatie vormgegeven. Historische gebouwen In het gebied zijn tal van historische agrarische gebouwen te vinden en langs de beeklopen zelf spreken vooral de watermolens tot de verbeelding. De Molen van Frans en de Molen van Bels langs de Mosbeek en Molen de Mast langs de Hazelbeek, zijn unieke bakens in de tijd. De maatregelen laten deze bakens in tact. Recreatie Het kleinschalige heuvelachtige landschap van Springendal en Dal van de Mosbeek is een bijzonder aantrekkelijk recreatielandschap. De aanwezige verblijfsaccommodaties zijn net als het landschap kleinschalig en soms experimenteel van opzet.
Er is een fijnmazig netwerk van wegen en paden dat het gebied goed ontsluit. De inrichtingsmaatregelen dragen bij aan de recreatieve aantrekkelijkheid van het gebied. Als advies voor de inrichtingsmaatregelen geldt dat de maatregelen bijdragen aan de recreatieve aantrekkelijkheid van het gebied, bijvoorbeeld bij de vormgeving van routes langs of kruisend met een beek en door variatie aan te brengen in de verschillende routes, dus zowel comfortabele fietsroutes als struinpaden. Bij het markeren van routes, rustplaatsen moet gewerkt worden met een eenduidige helder vormgegeven bewegwijzering en informatievoorzieningen. De toekomstwaarde van het gebied vanuit natuurlijk perspectief werd beperkt. Verdroging, verzuring en vermesting leidden tot achteruitgang van habitattypen. Met de natuurherstelmaatregelen wordt de toekomstwaarde van het gebied, en daarmee ook de ruimtelijke kwaliteit, verhoogd. Maatregelen die verdroging, vernatting of overbemesting moeten voorkomen worden zoveel mogelijk kleinschalig, passend bij het kleinschalige cultuurlandschap vormgegeven.
4.6.4 Conclusie
Bij de inrichting van het gebied is rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit in de zin van landschap en cultuurhistorie. Er wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de bestaande landschappelijke kwaliteit wordt gehandhaafd en daar waar mogelijk versterkt. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect cultuurhistorie en landschap.
4.7
Explosieven
4.7.1 Beleidskader
Op meerdere plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond (niet gesprongen explosieven, verder: NGE). Blindgangers en achtergebleven explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen weersomstandigheden en grondwater van invloed zijn op de toestand waarin de explosieven zich bevinden. In geval van grondverzet of vergelijkbare ontwikkelingen kan dat risico's voor werknemers of omwonenden met zich meebrengen. Daarnaast vormen deze vondsten een zware belasting voor het milieu. Als een gebied verdacht is voor niet-gesprongen explosieven, zal het nader onderzocht moeten worden.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 66
4.7.2 Explosieven en het plangebied
Er is sprake van een NGE-risicogebied. Binnen dit gebied kunnen NGE van afdwerpmunitie zijn achtergebleven. Het plan voorziet in maatregelen waarbij de bodem wordt geroerd. Ten tijde van het verkrijgen van de vergunningen voor de realisatie van dit plan, zal een explosievenonderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek zullen eventueel vereiste maatregelen worden genomen zodat de maatregelen kunnen worden uitgevoerd .
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
67
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Plansystematiek inpassingsplan algemeen
In de inpassingsplannen wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de vigerende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Om de maatregelen planologisch mogelijk te maken of te borgen, kan het nodig zijn een afwijkende bestemming (Natuur, Agrarisch met Waarden - Grasland) op te nemen. Overige (nog relevante) vigerende dubbelbestemmingen en aanduidingen uit de gemeentelijke plannen worden, als zij de (bescherming van de) maatregelen niet belemmeren, ongewijzigd overgenomen. Op deze manier is voor een perceel slechts een ruimtelijk plan vigerend, wat de gebruiksvriendelijkheid bevordert. In alle bestemmingsbeschrijvingen in het inpassingsplan is bepaald dat de bestemmingen mede dienen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Daarom is in iedere regel een koppeling gelegd met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" en met het inrichtingsplan. Op deze manier wordt gewaarborgd dat alle ontwikkelingen die zich binnen het plangebied voordoen, geen belemmeringen met zich mee brengen voor de natuurdoelstellingen.
5.2
Standaarden en opbouw
Het inpassingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Aan alle gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen worden regels gekoppeld omtrent het gebruivan de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (enkel)bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. De eventuele (dubbel)bestemmingen en de aanduidingen staan ook op de verbeelding. SVBP 2012 Het inpassingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan en voldoet aan de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). In deze standaard staan normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding. Het Besluit ruimtelijke ordening stelt de SVBP verplicht als standaard systematiek. Op deze manier is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen gewaarborgd. De SVBP heeft geen betrekking op de toelichting van het plan en ook niet op de inhoud. Naast een digitale versie kan er ook een papieren versie van het inpassingsplan worden gebruikt.
Als er verschillen zijn tussen de digitale en analoge versie, is de digitale versie leidend.
5.2.1 Opbouw regels
De regels kennen een vaste volgorde en indeling volgens de SVBP. Daarvan zijn voor dit inpassingsplan de volgende onderdelen in vaste volgorde opgenomen: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 68
Bestemmingen Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene aanduidingsregels Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel Vervolgens kennen de bestemmingsregels ook een vaste opbouw: Bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.
5.3
Toelichting op de artikelen
De regels uit het inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied " Springendal en Dal van de Mosbeek" worden hierna kort toegelicht. Artikelen 1 en 2 Begrippen en Wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Deze begrippen zijn aangevuld met voor het plan relevante begrippen. Artikel 3 Agrarisch - 2 Deze bestemming is opgenomen voor gronden waar een dubbelbestemming Waterstaat Waterberging op moet komen te rusten, maar waarvoor verder geen maatregelen nodig zijn. Ook is deze bestemmingsregeling opgenomen voor gronden waarop niet direct maatregelen nodig zijn, maar een bepaalde vorm van agrarisch gebruik is aangewezen: dit kan zijn in de vorm van een aangepaste - evenwichts - bemesting en/of het telen van bepaalde soorten eiwitrijke gewassen. De bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Tubbergen (met latere wijzigingen) is daarom zo veel mogelijk overgenomen. De twee percelen met deze bestemming liggen buiten en ook niet in de omgeving van een agrarisch bouwvlak. Daarom zijn de bouw- en gebruiksregels voor activiteiten binnen of aangrenzend van een bouwvlak niet in de planregels van het PIP overgenomen. Alleen de voor deze percelen relevante bepalingen zijn in dit artikel terecht gekomen.
Artikel 4 Agrarisch - 3 Deze bestemming is opgenomen voor gronden die, ondanks dat daar bepaalde maatregelen worden genomen, nog agrarisch kunnen worden gebruikt. Omdat de bestaande agrarische bestemmingen van Tubbergen en Dinkelland, te weten Agrarisch - 1 en Agrarisch - 2, te ruim zijn, of de maatregelen niet mogelijk maken, is voor een nieuwe agrarische bestemming gekozen. In aansluiting op de gemeentelijke systematiek is dit Agrarisch - 3 geworden. De maatregelen die op gronden met deze bestemming nodig zijn, zien voornamelijk toe op de waterhuishouding, zoals een verbod op het ontwateren van gronden, tenzij dat expliciet is toegestaan. Verder geldt een beperking in de bemesting: geen dierlijke bemesting, met uitzondering van beweiding met max 2 GVE/ha en een beperkte hoeveelheid kunstmest in de periode 1 maart tot en met 31 mei. Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen, waarop een uitzondering geldt voor de maatregelen die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. Op deze manier hoeven deze maatregelen niet nog eens te worden afgewogen in een besluit. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
69
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Grasland Deze bestemming is opgenomen voor gronden die, ondanks dat daar bepaalde maatregelen worden genomen, nog agrarisch kunnen worden gebruikt. Omdat de bestaande agrarische bestemmingen van Tubbergen, te weten Agrarisch - 1 en Agrarisch - 2, te ruim zijn, of de maatregelen niet mogelijk maken, is voor een nieuwe agrarische bestemming gekozen: Agrarisch met waarden - Grasland. De maatregelen die op gronden met deze bestemming nodig zijn, zien voornamelijk op de waterhuishouding, zoals een verbod op het ontwateren van gronden en een verbod op scheuren. Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen, waarop een uitzondering geldt voor de maatregelen die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. Op deze manier hoeven deze maatregelen niet nog eens te worden afgewogen in een besluit. In zijn algemeenheid mogen de gemeenteraden van Tubbergen en Dinkelland alleen onder voorwaarden nieuwe bestemmingsplannen maken voor het plangebied van dit inpassingsplan (zie artikel 22.1). In deze regels hebben burgemeester en wethouders van beide gemeenten echter de bevoegdheid gekregen om de bestemming Agrarisch met waarden - Grasland te wijzigen in de bestemming Natuur. Omdat dit per definitie in overeenstemming is met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied, bestaat hiertegen geen bezwaar.
Verder is het voor bepaalde gronden (met de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone wijzigingsgebied') mogelijk de bestemming te wijzigen in de bestemming Agrarisch -3, in combinatie met een aanduiding dat alleen evenwichtsbemesting is toegestaan. Uit onderzoek is gebleken dat bepaalde vormen van akkerbouw, zonder of met aangepaste bemesting, mogelijk is zonder dat dit afbreuk doet aan de instandhoudingsdoelstellingen. Artikel 6 Natuur Deze bestemming is toegekend aan gronden, waarop natuurontwikkeling zal plaatsvinden en die dus aan het agrarisch gebruik worden onttrokken. Bemesting is toegestaan, maar alleen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen (behorend bij het natuurpakket voor een specifiek perceel). Verder is ontwatering verboden. In het plangebied zijn met name hydrologische maatregelen aan de orde. Artikel 7 Wonen Deze bestemming is opgenomen voor het oorspronkelijke erf met historische bebouwing aan de Vasserweg 32 in Nutter. De ingrepen nodig voor de ontwatering van dit laatste deel, en het feit dat het begrensd is als Ontwikkelingsgebied, zorgen er voor dat het agrarisch bedrijf wordt aangekocht en beëindigd. De rest van het erf heeft de bestemming 'Natuur' gekregen Artikel 8 Leiding - Gas Door de uitbreiding van het plangebied in het ontwerp-Inpassingsplan is ook de gasleiding binnen het plangebied komen te liggen.
De bestemmingsregeling hiervoor is overgenomen uit de vigerende bestemmingsplannen. Artikel 9 Leiding - Water In een deel van het plangebied van Tubbergen overlapt een klein deel van de bestemming Natuur met de dubbelbestemming van een bestaande waterleiding. De vigerende bestemmingsregeling is in het inpassingsplan overgenomen. Artikel 10, 11, 12 en 13 Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4 De vigerende dubbelbestemmingen voor archeologie van de beide gemeenten zijn onverkort overgenomen op de verbeelding en in de regels. Artikel 14 Waarde - Essen Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de bescherming van de specifieke essen in het gebied. Artikel 16 Waterstaat - Waterberging Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de retentiegebieden die door ontgraving worden gerealiseerd. Overal binnen de bestemming Natuur is waterretentie mogelijk gemaakt. De gebieden met deze dubbelbestemming zullen echter vaker en langer water bevatten.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 70
Artikel 17 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening staat een standaardbepaling die verplicht is voor alle inpassingsplannen. Het doel van de anti-dubbeltelbepaling is te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het inpassingsplan. Door het 'overhevelen' van gronden tussen percelen, via al dan niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van de percelen of op alle betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan die groter is dan het inpassingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel 18 Algemene bouwregels In dit artikel is een verbod op ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 19 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het inpassingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit plan moet worden aangemerkt.
Artikel 20 Algemene afwijkingsregels Vanwege de mogelijkheid dat maatregelen achteraf niet blijken te werken (bv door veranderde natuurlijke omstandigheden) of dat de natuurdoelstellingen ook met andere maatregelen kunnen worden bereikt, wordt een algemene afwijkingsregel opgenomen. Hierdoor wordt het mogelijk om na zorgvuldige afweging op basis van een deskundigenrapport de (achteraf gezien) overbodige beperkingen ongedaan te maken en ook alternatieve maatregelen mogelijk te maken. Voorwaarde is wel dat het verzoek tot toepassen van de afwijking vergezeld moet gaan met een aanmeldnotitie (art. 7.16 Wm) waaruit blijkt dat de gevraagde activiteit/maatregel geen nadelige milieueffecten heeft waardoor de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet meer van toepassing zou zijn. Artikel 21 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de milieuzones voor het grondwaterbeschermingsgebied en het intrekgebied, die over een deel van het plangebied liggen, opgenomen en voorzien van de nodige planregels. Artikel 22 Overige regels In de overige regels is op basis van het bepaalde in artikel 3.26 lid 5 van de Wro bepaald dat na de uitvoering van dit inpassingsplan de betreffende gemeenteraden weer zelf bevoegd zijn om voor het plangebied regels te stellen onder de voorwaarden dat de natuurwaarden geborgd blijven.
Hiermee wordt voorkomen dat actualisering van planregels gedurende 10 jaar niet meer mogelijk is. Artikel 23 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw inpassingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig bij recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke regels dienen om te waarborgen dat een bestaand bouwwerk of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerken of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd totdat in de loop van de planperiode de sloop respectievelijk beëindiging plaatsvindt. Bouwwerken en gebruiksvormen die al in strijd zijn met het vorige ruimtelijke plan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving voor sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft daardoor een optie. Uitgangspunt is dat overgangsrechtelijke situaties, zowel voor bouwen als voor gebruik, uitzonderingen zijn. Die situaties worden tijdelijk gedoogd. De regels van het overgangsrecht zijn voorgeschreven in het Beluit ruimtelijke ordening. Deze regels zijn zodoende overgenomen.
Voor dit inpassingsplan is ook de volgende regeling van belang: Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
71
beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een inpassingsplan bestaand gebruik. Dit betekent dat de standaardbepalingen voor het overgangsrecht niet onverkort kunnen worden toegepast, als uit de Wet natuurbescherming gebruiksbeperkingen voortvloeien. In dat geval gaat de 'hogere regelgeving' boven het overgangsrecht. Om de gebruikers van de gronden de tijd te geven hun bedrijfsvoering of ander gebruik aan te passen aan de nieuwe situatie is in de overgangsbepalingen voor het gebruik opgenomen dat de beperking in het overgangsrecht pas intreedt vanaf 2 jaar na inwerkingtreding van het inpassingsplan. Artikel 24 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 72
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Juridische uitvoerbaarheid
6.1.1 Provinciale coördinatieverordening
Voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 moeten per gebied diverse besluiten worden genomen door verschillende bevoegde gezagen (Gemeente, Waterschap, Provincie). Ten behoeve van het vergunningentraject heeft de provincie Overijssel een coördinatieverordening vastgesteld d.d. 9 november 2016. Alle benodigde besluiten voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 zullen per gebied zoveel mogelijk gelijktijdig of geclusterd voorbereid worden. De gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde voorbereidingsprocedure en liggen tegelijk ter inzage bij één loket. Desgewenst kan met één zienswijze gereageerd worden op diverse ontwerpbesluiten. Hierdoor hoeft niet voor elk besluit een aparte procedure en rechtsgang doorlopen te worden. Dit zorgt voor meer overzichtelijkheid van de procedures.
6.1.2 Aanpassen beheerplan
De maatregelen voor het behalen van de Natura 2000-doelen staan beschreven in de Natura 2000-beheerplannen. Tijdens het gebiedsproces van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" zijn deze maatregelen onderzocht op nut en noodzaak en verder geconcretiseerd. Met in achtneming van de gebiedsanalyse en de noodzakelijke maatregelen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen die van toepassing zijn op het betreffende Natura 2000-gebied wordt niet verder gegaan dan datgene wat minimaal nodig is. Op basis van de uitkomsten van het gebiedsproces zoals deze vertaald zijn in het Inrichtingsplan (bijlage 1 en 2bij de regels) zal het beheerplan te zijner tijd al dan niet aangepast worden.
6.1.3 Wijziging begrenzing provinciale Omgevingsverordening en -visie
Wanneer bepaalde percelen niet ingezet hoeven te worden voor het bereiken van de Natura 2000-doelen, dan wordt de begrenzing van het uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 in het voorkomende geval aangepast conform Hoofdstuk 10.3 van de Omgevingsvisie. Percelen waar geen maatregelen getroffen worden of waar na uitvoering van de maatregelen de functie landbouw gehandhaafd kan blijven, worden uit het NNN gehaald. Op grond van artikel 2.7.2. lid 3 en lid 5 van de omgevingsverordening is GS bevoegd om de begrenzing van het NNN aan te passen op basis van aanpassing van het Natuurbeheerplan en andere provinciale besluiten.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
73
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Provinciale sturingsfilosofie
De provincie Overijssel past voor haar rol in het ruimtelijk domein een bestuursfilosofie toe die er naar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. De sturingsfilosofie van de provincie Overijssel is kort samen te vatten als 'resultaat door partnerschap'. De provincie vormt vitale coalities met de partners en netwerken waarin verschillende partners gezamenlijk in actie komen om maatschappelijk resultaat te boeken. Hoofdlijnen van deze sturingsfilosofie zijn: C omplexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aanpakken; Ruimte voor bestuurlijke partners om op het meest geëigende schaalniveau op eigen gezag te handelen; Eenvoudige en heldere regels. Gebiedsprocessen In het kader van deze sturingsfilosofie is Samen Werkt Beter in het leven geroepen. In hoofdstuk 1 is ingegaan op Samen Werkt Beter en van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek". Keuze ruimtelijk instrument In de provinciale sturingsfilosofie is ook beschreven op welke momenten de provincie Overijssel (selectief) gebruik maakt van het ruimtelijke instrument 'inpassingsplan'.
Dit instrument kan de provincie Overijssel in de volgende situaties inzetten: Als er sprake is van provinciaal belang, en; Als er uit overleg blijkt dat de gemeente niet bereid is om een bestemmingsplan vast te stellen of hiertoe niet (tijdig) overgaat, of; Als de gemeente aan de provincie vraagt om een inpassingsplan vast te stellen. De te nemen maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 passen in veel gevallen niet binnen de nu geldende bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal ruimtelijke procedures noodzakelijk is om deze maatregelen mogelijk te maken. Vanwege de benodigde proceduretijd ligt de ruimtelijke planvorming op het kritieke tijdpad van de planning van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het is daarom van groot belang om de ruimtelijke planvorming zo efficiënt mogelijk in te richten. Essentieel onderdeel hierbij is de vraag of een bestemmingsplan of een inpassingsplan opgesteld gaat worden om de benodigde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Eén van de grote voordelen van een provinciaal inpassingsplan is dat de beroepstermijn aanzienlijk (circa 1 jaar) korter is dan bij een bestemmingsplan. Een provinciaal inpassingsplan valt namelijk onder de C risis- en herstelwet waardoor de Raad van State binnen een half jaar een uitspraak moet doen op ingestelde beroepen.
Deze verplichting geldt niet bij beroep tegen een bestemmingsplan. Daardoor is de doorlooptijd van een bestemmingsplan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State circa een jaar langer. Om bovenstaande redenen heeft de provincie Overijssel de betrokken gemeenten door middel van een brief (maart 2016) gevraagd om een voorkeur uit te spreken over de inzet van het ruimtelijk instrument: een bestemmingsplan of een inpassingsplan. De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben de provincie bij brief van respectievelijk 16 juni 2016 (kenmerk U16.011510 en 21 juli 2016 (kenmerk U16.015798) gevraagd een provinciaal inpassingsplan op te stellen voor de noodzakelijke Natura 2000-maatregelen. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben daarom op 27 september 2016 besloten om voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" een inpassingsplan te gaan voorbereiden.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 74
6.2.2 Procedure inpassingsplan
Procedure algemeen Het voorliggende inpassingsplan doorloopt de procedure zoals die in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening geregeld is. Het voorontwerp-inpassingsplan zal gedurende zes weken ter visie liggen en in die periode kan een ieder (o.a. belanghebbenden, inwoners, burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten en de wettelijke overlegpartners) een inspraakreactie geven. Op alle ingekomen reacties wordt een standpunt bepaald. De resultaten hiervan worden verwerkt in een inspraaknota en het ontwerp-inpassingsplan. Het ontwerp-inpassingsplan zal, inclusief de inspraaknota, gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Ook zal de gemeenteraad van de betreffende gemeenten worden gehoord over het inpassingsplan. De ontvangen zienswijzen en de reactie van de gemeenteraad worden beantwoord in een zienswijzennota en verwerkt in een definitief inpassingsplan. Dit definitieve inpassingsplan zal ter vaststelling worden aangeboden aan de Provinciale Staten. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan de mogelijkheid om te reageren op de beantwoording van hun zienswijze. Na vaststelling van het definitieve inpassingsplan zal het plan voor zes weken ter inzage liggen.
In deze periode kunnen belanghebbenden (uitgezonderd gemeenten) beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State . De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening.
6.2.3 Voorontwerpfase
Tijdens de periode van 4 juni 2019 tot en met 15 juli 2019 is het voorontwerp-inpassingsplan ter visie gelegd en kon een ieder (o.a. belanghebbenden, inwoners, burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten en de wettelijke overlegpartners) een inspraakreactie geven. Daarnaast zijn inloopbijeenkomsten georganiseerd. De ingediende inspraakreacties en vooroverlegreacties zijn verwerkt in een Reactienota (zie bijlage 4) en voor zover nodig in het ontwerp-inpassingsplan verwerkt. Verder zijn de nodige ambtshalve wijzigingen aangebracht in het ontwerp. In de toelichting en regels zijn dit vooral redactionele wijzigingen, aanvullingen van beleidsteksten, aanvullingen van bijlagen, aanpassingan naar aanleiding van gewijzigde regelgeving, enz. Het plangebied is uitgebreid met het deelgebied Brunniksbeek. Verder zijn op de verbeelding enkele onvolkomendheden aangepast. Zie ook de beschreven wijzigingen in paragraaf 1.3 van deze toelichting.