NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01_Toelichting (1).pdf
Tekst van het document
Daarnaast maakt het beleid mogelijk dat cultuurgronden omgevormd kunnen worden tot natuurgebieden. Het beleid voor water is gericht op het voorkomen en beperken van wateroverlast.
2.6.3 Structuurvisie gemeente Dinkelland
De Structuurvisie gemeente Dinkelland is op 10 september 2013 vastgesteld. Het document is een beleids- en ontwikkelingskader voor de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie heeft vooral een intern structurerende functie en is geen toetsingskader. Wel geeft de structuurvisie aan hoe men verwacht het beleid uit te gaan voeren. Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” valt deels binnen de grenzen van deze structuurvisie. In dit deelgebied ligt het accent op natuur en landschap. De visie op hoofdlijnen ten aanzien van natuur en water luidt als volgt: Ontwikkeling van aaneengesloten natuurgebieden in de brongebieden op de stuwwallen van Oldenzaal en Ootmarsum met een afwisseling van bossen, half natuurlijke graslanden, heide en half natuurlijke beekdalen; Vergroting en hydrologisch herstel van natte heidegebieden;
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 28
Herstel en versterking van het natuurlijke karakter van de beken. In het huidige landschap is veel van de herkenbaarheid van het beeksysteem verloren gegaan. Het gehele landschap is drastisch ontwaterd en het watersysteem is onderdanig geworden aan de landbouwontwikkelingen. Het beleid van de gemeente is gericht op versterken en aanzetten van deze beekdalen in combinatie met het behoud van de agrarische bedrijvigheid in het gebied. De gemeente werkt hierin samen met het waterschap. Ingrepen in het kader van natuur- en landschapsontwikkeling aan en langs beken en watergangen van de legger dienen altijd afgestemd te worden met het waterschap.
2.6.4 Casco-benadering in Noordoost-Twente
De beleidsnota C asco-benadering in Noordoost-Twente is in samenwerking tussen de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland, Losser en Oldenzaal opgesteld en bestaat uit een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in NoordoostTwente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de casco-benadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.
2.6.5 Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018
De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen werken op het gebied van recreatie en toerisme samen hebben hiervoor in 2014 voor het eerst gezamenlijk beleid opgesteld. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. De vier Noordoost Twentse gemeenten hebben samen met de sector (Koninklijke Horeca Nederland en de Recron) een verdiepingsslag gemaakt met het onderzoek 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente. Onderzoek naar de vitaliteit van de sector' (juni 2015). De uitkomsten van deze verdiepingsslag zijn verwerkt in een nieuwe nota 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018', waarmee de vier NOT-gemeenten weer over een actueel beleidskader beschikken, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. De visie van de gemeenten is gericht op het versterken van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. In de nota zijn per verblijfsvorm definities en uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen geformuleerd.
Een exacte doorvertaling van de richtlijnen per vorm van verblijf vindt plaats in bestemmingsplannen. In dit inpassingsplan is het beleid, voor zo ver van toepassing in het plangebied, vertaald.
2.6.6 Conclusie
Het inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" past binnen het gemeentelijk beleid.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
29
Hoofdstuk 3 Gebied en planbeschrijving
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het Natura 2000-gebied (in deelgebieden) beschreven. de inhoud van het plan beschreven waarvoor dit inpassingsplan is opgesteld. In eerste instantie wordt ingegaan op het ontstaan en de huidige (planologische) situatie van het plangebied. Vervolgens is op basis van geldende wetgeving en beleid de opgave voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” bepaald. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe deze opgave verder is uitgewerkt en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied te behalen.
3.1.1 Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek"
Korte omschrijving van het gebied Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” ligt in de gemeenten Dinkelland en Tubbergen op de stuwwal van Ootmarsum en deels in de Slenk van Reutum (regio Noordoost Twente). Het grootste deel van het gebied ligt in de gemeente Tubbergen (circa 1.191 ha) en een klein deel ligt in de gemeente Dinkelland. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de rijksgrens met Duitsland. Het gebied bevat een grote verscheidenheid in landschapstypen en dankt dit voor een groot deel aan het aanwezige reliëf met opgestuwde heuvelruggen, waarin een aantal erosiedalen is uitgeschuurd. Het Natura 2000-gebied bestaat uit een oud en een jong landschap en bestaat uit de volgende deelgebieden: A. Springendal, inclusief de Paardenslenkte en de Bronnen; B. Dal van de Mosbeek, inclusief de Manderheide; C . Hazelbeek; D. Braamberg, Tutenberg; E. Zuidelijke Vasserheide en Vassergrafveld, inclusief de Roezebeek. Oud landschap Het oude cultuurlandschap, bestaande uit het essenlandschap, het oude hoevenlandschap en het maten- en flierenlandschap, werd in dit gebied voor 1900, maar grotendeels al in de middeleeuwen in cultuur gebracht. Het oude cultuurlandschap kenmerkt zich door de kleinschaligheid, onregelmatige kavelvormen, bochtige wegen, houtopstanden (bosjes, houtsingels en bomenrijen) en reliëf.
Het silhouet van de kappen vormt één van de beeldbepalende elementen, de boerderijen zijn 'ingebed' in het glooiende landschap. Dit vormt een karakteristiek patroon van verspreid liggende boerderijen met oude bouwlanden(essen), graslanden en houtopstanden. Dit landschapstype bevindt zich over het algemeen in de directe omgeving van de verschillende kernen. Een kenmerk van de erven in de oude cultuurlandschappen is de ogenschijnlijk willekeurige verstrooiing van bebouwing rondom het erf. Beeldbepalend zijn de grote kappen op de boerderijen en hun schuren. Door de lage gootlijn en het aanwezige reliëf liggen de boerderijcomplexen als het ware 'opgenomen' in het landschap. De boerderijen liggen op enige afstand van de weg af en liggen verspreid of in clusters in het landschap. De afzonderlijke gebouwen op het erf vormen veelal een samenhangend ensemble. De boerderij manifesteert zich van oudsher duidelijk als hoofdgebouw doordat de bijgebouwen teruggelegen zijn. In het oude cultuurlandschap zijn veel historische boerderijen aanwezig. Op sommige plaatsen zijn de oude karakteristieke toegangslanen naar het erf nog aanwezig, die zeker in relatie met de historische bebouwing op het erf
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 30
beeldbepalend zijn. De erfbeplanting draagt bij aan de inpassing van de boerderij in het landschap. Vanuit het landschap gezien zijn de oude boerderijen en de daarbij behorende beplantingen fraai gesitueerd. Bij veel boerderijen staat de achtergevel naar de weg gekeerd waardoor de voorgevel gedeeltelijk op de weg maar met name op het omliggende landschap is georiënteerd. De beplanting op het erf bestaat veelal uit groepen en enkele solitaire eiken. Hier en daar komt een beuk, linde of kastanje voor. Voor of naast de boerderij is meestal een groente en/of siertuin aangelegd waarin naast enkele vruchtbomen ook enkele sierheesters en hagen zijn aangeplant. Jong landschap Het jonge landschap bestaat uit de voormalige woeste gronden. Het jonge heide- en broekontginningenlandschap en het hoogveenontginningenlandschap werden vanaf ca 1900 na de opkomst van de kunstmest ontgonnen tot bos en bouwlanden. Kenmerkend voor het landschap is het relatief grootschalige karakter, het rechtlijnige patroon van wegen, sloten en de lange rechte perceelsvormen. Kleinschalig reliëf in de vorm van essen ontbreekt. Door de aanleg van naald- en loofbossen en het inplanten of uitsparen van eikenhakhoutwallen en elzensingels heeft ook het jonge ontginningslandschap plaatselijk een betrekkelijk kleinschalig karakter gekregen.
De bebouwing bestaat meestal uit typische ontginningsboerderijen langs rechte wegen. Het bodemgebruik bestaat overwegend uit grasland. Per gebied zijn verschillen te onderkennen, met name samenhangend met de schaal van het landschap. Het ontginningslandschap komt verspreid over de gemeentes voor, maar het zwaartepunt van dit landschapstype ligt duidelijk aan de noordwestzijde van het gebied. De situering en de opzet van het erf in het jonge landschap verschillen wezenlijk van de oude hoeven. De boerderijen liggen op ruime afstand van elkaar langs rechte wegen. De huizen staan dicht aan de weg. De inrichting van het erf is rechtlijnig en gelijkmatig van opzet. De boerderijen liggen open in het landschap. Het materiaal- en kleurgebruik bij boerderijen is veelal identiek aan de historische boerderijen, maar de detaillering van de gevel is in veel gevallen soberder. Springendal Het Springendal ligt aan de oostzijde van de stuwwal van Ootmarsum.
Afbeelding 3-1: deelgebied Springendal (bron: beheerplan d.d. 23 april 2019) De Springendalsebeek heeft twee bovenlopen, de noordelijke en de zuidelijke bovenloop. In deze bovenlopen komt de beekprik voor. De beek wordt gevoed door een aantal bronkoppen. Na ongeveer 600 meter voegen de bovenlopen zich samen tot een middenloop. In de midden- en benedenloop wordt de beek nog gevoed door enkele bronvijvers en bronnen waarna de beek uiteindelijk uitmondt in de Hollander Graven. De beek wordt omgeven door heide (de twee bovenlopen), bossen en schaalgraslanden. Met name langs de zuidgrens van het gebied liggen agrarische gronden in het intrekgebied van de beek. Een deel van de zuidelijke bovenloop ligt in
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
31
agrarisch gebied en is hier tot een sloot vergraven. Deze watert via een betonnen bak af op het retentiebekken dat onder aan “de strengen” ligt. Aan de noordzijde van de Hooidijk (een verharde weg midden door het gebied) ligt de Paardenslenkte, een groot heideterrein bovenop de stuwwal. Ten oosten van de Paardenslenkte ontspringt de Brunninkhuizerbeek. Dal van de Mosbeek Het Dal van de Mosbeek ligt op de westflank van de stuwwal en in de Slenk van Reutum.
Afbeelding 3-2: deelgebied Dal van de Mosbeek (bron: beheerplan d.d. 23 april 2019) Het brongebied van het dal van de Mosbeek is bekend om zijn door bronnetjes gevoede en zeer goed ontwikkelde schraallandjes. De midden- en benedenloop van de Mosbeek stroomt hoofdzakelijk door agrarische gronden. De Mandermaten staan bekend om haar kleinschalige landschap met houtwallen waarin het vliegend hert voorkomt. In het noordelijk deel van dit deelgebied liggen de Mandermaten, bekend om haar kleinschalige landschap met houtwallen waarin het vliegend hert voorkomt. In het noordwesten van het dal liggen de Mandercirkels (vroeger graanvelden, tegenwoordig heischraalland) en de Manderheide (droge heide). Zoals in paragraaf 1.2 al is aangegeven, is dit deelgebied geen onderdeel van het PIP). Hazelbekke Het natuurgebied Hazelbekke ligt op de westflank van de stuwwal en in de Slenk van Reutum.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 32
Afbeelding 3-3: deelgebied Hazelbekke De grootste kwaliteiten van dit gebied liggen in de kern van de Hazelbeek; het samenstromingsgebied van de bovenlopen. Hier is schoon kwelwater aanwezig. In de beekbegeleidende bossen zijn tapijten met goudveil aanwezig. Ook het trilveen is kwalitatief goed ontwikkeld. Recent is een bosje in de kern gerooid waardoor het habitattype trilveen zich verder kan ontwikkelen. Ook maaibeheer op een aansluitend voormalige landbouwperceel draagt daartoe bij. Het reservaat bevat enkele bovenlopen. De bovenlopen komen samen in de Onderbeek, welke vervolgens overgaat in de Hazelbeek. De beekloop is in grote delen nog vrij ongestoord. De beek wordt omgeven door bronbos, natte schaalgraslanden en beekdalmoeras. In het intrekgebied van de beek (Bovenesch en Hezingeresch) liggen agrarische gronden. Braamberg Ten zuiden van het Dal van de Mosbeek en meteen ten oosten van Vasse ligt de Braamberg. Dit gebied ligt op de westzijde van de stuwwal en vertoont een sterk aflopend maaiveld.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
33
Afbeelding 3-4: deelgebied Braamberg (bron: beheerplan d.d. 23 april 2019) Het gebied bestaat voornamelijk uit bos op de hogere delen met daarin enkele (schraal)graslandjes met bronnen en op de lagere delen enkele akkers. Zoals in paragraaf 1.2 is aangegeven, maakt dit gebied geen onderdeel uit van het PIP, omdat de maatregelen geen bestemmingswijziging vereisen. Uitzondering hierop vormen drie percelen met een agrarische bestemming, die de bestemming Natuur krijgen, omdat ze (met subsidie) als natuurpercelen zijn ingericht. Vasserheide en Vassergrafveld Dit gebied ligt in de Slenk van Reutum. Het is een vrij droog bos- en heidegebied en bestaat ondermeer uit de Zuidelijke Vasser heide en het Vasser grafveld.
Afbeelding 3-5: Deelgebied Vasserheide en Vassergrafveld (bron: beheerplan d.d. 23 april 2019) Globaal door het midden van het gebied loopt de Roezebeek. Het intrekgebied van deze beek ligt
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 34
buiten het Natura 2000-gebied. Het gebied bestaat overwegend uit naaldbos, oude eikenbossen en heideterreinen. Verder komen enkele akkers voor en langs de beek een smalle zone broekbos en lokaal natte heide.
3.2
Huidige planologische situatie
3.2.1 Bestemmingsplannen Buitengebied 2010 en Buitengebied 2016
Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek ligt binnen de grenzen van de volgende bestemmingsplannen (zie figuur 3.6): Buitengebied 2010. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 door de raad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. Buitengebied 2016. Dit bestemmingsplan is op 23 mei 2016 door de raad van de gemeente Tubbergen vastgesteld; Het facet bestemmingsplan parkeren van Tubbergen (28 februari 2018); De bestemmingsplannen zijn opgesteld als een conserverend bestemmingsplan. Nieuwe ontwikkelingen zijn daardoor in beginsel uitgesloten. De uitgangspunten voor het bestemmingsplan buitengebied zijn onder andere het zoveel mogelijk behouden, beschermen en/of herstellen van karakteristieke waarden van bebouwing, waardevolle landschapselementen landschap en cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen. Binnen de gemeente Tubbergen wordt verder gewerkt aan een bestemmingsplan Buitengebied 2019 Veegplan; het ontwerp hiervan is op 243 april 2019 ter inzage gelegd.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
35
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 36
Afbeeldingen 3-6 Uitsnede verbeelding bestemmingsplannen 'Buitengebied' gemeenten Tubbergen en Dinkelland, met Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl ) Voor de maatregelen ten behoeve van het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” zijn met name de volgende bestemmingen van belang: Dinkelland, bestemmingsplan Buitengebied 2010 Agrarisch - 1 en Agrarisch – 2 De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' zijn bedoeld voor de uitoefening van de agrarische functie, met een grote hoeveelheid aan ondergeschikte functies, maar ook voor de bescherming, het herstel en de ontwikkeling van o.a. landschappelijke waarden. Binnen de bestemming Agrarisch - 2 is de agrarische functie veel minder verweven met ondergeschikte functies. Het verschil is verder dat ook de bescherming van natuurwaarden is opgenomen. Binnen deze bestemmingen is een vergunningstelsel opgenomen om structurele veranderingen op het landschap te voorkomen, dan wel structurele ingrepen in het landschap af te kunnen wegen. Bos en natuur De bestemming 'Bos en natuur' betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, namelijk de bestaande natuurgebieden (zoals aangegeven in de provinciale omgevingsvisie) en de gebieden die reeds in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties en aangewezen als nieuwe natuur.
Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staan voorop.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
37
Binnen de bestemming ligt het grootste deel van de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze zijn aangeduid met een functieaanduiding 'specifieke vorm van natuur – natura 2000'. Hier zijn echter geen regels aan verbonden. Waarde - Archeologie (dubbelbestemmingen verschillende vormen) Deze bestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische resten in de bodem. Waarde – Ecologie (dubbelbestemming) In de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' staat de begrenzing van het NNN (voorheen: EHS) opgenomen voor de bestaande natuurgebieden en de nieuwe natuurgebieden die inmiddels zijn gerealiseerd. Waarde - Landschap (dubbelbestemming) Door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' worden de waardevolle landschapselementen beschermd. De houtwallen, houtsingels en bosjes ouder dan 60 jaar, staan op de verbeelding aangegeven. Uit het landschapsontwikkelingsplan is gebleken dat deze elementen zodanig waardevol zijn dat ze een specifieke bescherming krijgen. Het verwijderen van deze landschapselementen wordt niet mogelijk gemaakt, uitgezonderd vanuit het beheer van deze landschapselementen. Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland Op 29 mei 2018 is het facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland vastgesteld. Dit bestemmingsplan regelt dat bij toekomstige ruimtelijke plannen in voldoende mate in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
Tubbergen, bestemmingsplan Buitengebied 2016 Agrarisch – 1 en agrarisch - 2 De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie. Hier worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch - 2' bestaan uit een combinatie aan functies. Deze gronden zijn in gebruik voor het uitoefenen van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. Bos - Natuur Bestaande bossen en natuurgebieden zijn bestemd als 'Bos - Natuur'. De bestemming 'Bos Natuur' betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, namelijk de bestaande natuurgebieden en de gebieden die reeds in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties en aangewezen als nieuwe natuur. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staan voorop. De gronden zijn naast natuur en bosbouw ook bedoeld voor houtproductie. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden is tevens opgenomen in de bestemmingsomschrijving. Extensief agrarisch medegebruik, en educatief medegebruik alsmede wegen en paden behoren ook tot de bestemmingsomschrijving.
Waarde - Archeologie 3 De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren. De omgevingsvergunningen worden alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud. Waarde - Archeologie 4 De gebieden met een lage en middelmatige archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. Ingrepen in de bodem zijn in deze gebieden in principe niet toegestaan. Alleen als aangetoond is
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 38
dat er geen archeologische waarden meer zijn, deze niet onevenredig worden geschaad of er maatregelen worden getroffen om de waarden te beschermen, is het mogelijk hier bodemroerende werkzaamheden uit te voeren. De omgevingsvergunningen worden alleen verleend wanneer er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de voorkomende archeologische en cultuurhistorische waarden. De omgevingsvergunning is niet nodig voor werkzaamheden die gerekend worden tot het normale onderhoud. Waarde - Ecologie In de dubbelbestemming Waarde - Ecologie staat de begrenzing van de EHS opgenomen voor de bestaande natuurgebieden en de nieuwe natuurgebieden die inmiddels zijn gerealiseerd. Beheersgebieden vallen niet onder deze bestemming, deze vormen wel onderdeel van de EHS, maar door het agrarisch gebruik kan geen sprake zijn van bescherming van natuurwaarden. Voor de gebieden die vallen onder de dubbelbestemming gelden de spelregels van de EHS. Deze dubbelbestemming ligt over diverse bestemmingen heen. Waarde - Essen Door middel van de dubbelbestemming Waarde - Essen worden de essen op de verbeelding aangegeven. Deze gebieden hebben een specifieke landschappelijke betekenis voor Noord - Oost Twente. De escomplexen zijn specifiek bestemd ten behoeve van het behoud van het karakter van deze gronden: openheid, bolle ligging, houtwallen aan de rand, microreliëf en steilranden.
Daarnaast zijn de gebieden extra beschermd door middel van een aanlegvergunning. Het gebruik van gronden voor boom- en sierteelt is niet toegestaan. Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied Binnen de aanduiding reconstructiewetzone - extensiveringsgebied geldt dat het belang van natuur, landschap en wonen bovengeschikt is aan andere belangen. Overige functies (onder andere landbouw niet zijnde intensieve veehouderij en recreatie en toerisme) kunnen zich in deze gebieden ontwikkelen, maar mogen geen onevenredige afbreuk doen aan de ontwikkeling van natuur, landschap en wonen. Deze dubbelbestemming wordt niet meer opgenomen, omdat hij gebaseerd is op de vervallen Reconstructiewet. De doelstellingen van deze wet zijn nu opgenomen in de Wet natuurbescherming.
3.3
Gebiedsopgave
3.3.1 Beheerplan
In het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” gelden de volgende (voor het voorliggende inpassingsplan relevante) natuurherstelopgaven: op gebiedsniveau: 1. herstel hydrologie (M1, M2, M4, M6a t/m M6d, M7a en M8); op habitatniveau: 1. effecten van stikstofdepositie verlichten (begrazen (M12), maaien (M13), kleinschalig plaggen (M14), opslag verwijderen (M15), schonen van verzuurde vennen (M16) en periodieke drukbegrazing waarbij locaties met kiemplanten van jeneverbes worden uitgerasterd (M18); 2. verstuiving stimuleren (M19). Areaal vergroting is hiervoor noodzakelijk (deel van de naaldbossen (voornamelijk Grove den) kappen, zodat daar de oorspronkelijke situatie zich weer kan herstellen (M11); 3. Het creëren van een hydrologische bufferzone rond de hoogveenkern (M7a); In het beheerplan iwordt voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” ecologisch onderbouwd welke gebiedsspecifieke herstelmaatregelen, uitgaande van het aanwijzingsbesluit, noodzakelijk zijn om de gestelde doelen voor stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten te realiseren.
Hierbij zijn de maatregelen gericht op: herstel van de waterhuishouding binnen de Natura 2000 grens waarbij maatregelen zowel binnen als buiten het Natura 2000 gebied plaatsvinden; zowel buiten als grenzend aan het Natura 2000 gebied op de korte termijn uitgevoerd; daling van de nutriëntengehalten in grondwater en beekwater naar het natuurlijke achtergrondniveau; door op een flink aantal locaties op de korte termijn de bemesting te stoppen en percelen in te richten wordt in een belangrijk deel van het lokale intrekgebied de
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
39
uitspoeling en afspoeling van meststoffen verminderd; de afspoeling van meststoffen vermindert snel, waardoor de beekwaterkwaliteit sterk verbetert. De vermesting van het grondwater in de bovenstroomse delen vermindert op afzienbare termijn (door de beperkte verblijftijd van het grondwater) wat nodig is voor het herstelperspectief in de volgende beheerplanperioden; het op korte termijn stoppen van insnijding van beken door piekafvoeren en door de terugschrijdende erosie (het steeds verder stroomopwaarts uitsluiten van de beekbodem) vanuit benedenstroomse beektrajecten; maatregelen tegen drainage en mestuit- en afspoeling op landbouwpercelen binnen het NNN en binnen de hydrologische beïnvloedingszone op minder uitspoelingsgevoelige gronden. Voor soortgelijke gronden maar dan buiten het NNN wordt met onderzoek nader bepaald hoe groot de invloed van deze gronden is op vermesting en verdroging.
Maatregelen in de waterhuishouding bestaan uit: het opheffen/verminderen van ontwatering in infiltratie- en brongebieden; ophogen van beekbodems tot 10-20 cm onder maaiveld; retentie van piekafvoeren van stroomgebied waar de ontwatering voorlopig nog niet wordt aangepakt; insnijding van beken tegengaan door tegengaan van piekafvoeren met bovengenoemde maatregelen en gelijktijdig actieve beekbodemophoging; het tegengaan van terugschrijdende erosie; (in de Springendalse beek kan bij deze maatregel zodanige inrichting worden gekozen, dat ook de passeerbaarheid voor de Beekprik wordt gerealiseerd; herstel oorspronkelijke, meanderende lengteprofiel in beektrajecten die genormaliseerd zijn en waar bochtafsnijdingen hebben plaatsgevonden; daar waar nog terugschrijdende erosie dreigt doordat delen niet tijdig aangepakt kunnen worden tijdelijk vaste drempel inbrengen (is al gedaan bij Mosbeek, Roerink). Maatregelen tegen uitspoeling en afspoeling van meststoffen naar grond- en beekwater bestaan uit: Stoppen/ verminderen van bemesting in intrekgebied met uitspoelingsgevoelige bodems; Als sterk vervuilend aanpak van af- en uitspoeling van nutriënten bij landbouwbedrijf Erve Hazelbekke. Dit kan door de aanleg van een agrowadi. Daar zijn goed ervaringen mee opgedaan en o.a.
ook toegepast bij een ander erf ten noorden van Hazelbekke; Retentie van piekafvoeren van stroomgebied waar de ontwatering voorlopig nog niet wordt aangepakt; in de retentiebekkens of andere inrichtingen die afvoer van oppervlaktewater afremmen kan het nutriëntenrijk slib dan bezinken. Maatregelen in en rond oorsprong- en brongebieden: Landbouwgronden in oorsprongen en brongebied van beekdalen verwerven en inrichten als natuur. Lokaal wordt de fosfaatrijke toplaag verwijderen. Van belang is dat daarbij niet de berging van regenwater in de lokale infiltratiegebieden wordt verminderd. Deze berging is van belang voor de voeding van grondwater uit de lokale systemen. Het uitgevoerde herstelproject in De Strengen is een goed uitgewerkt voorbeeld. Voor elke herstellocatie wordt een herstelplan uitgewerkt op basis van een lokaal vooronderzoek. Maatregelen binnen verworven natuurgebied: Omvorming naar heide vanuit bos en landbouwpercelen; Potentiële grondwaterafhankelijke habitattypen zijn deels weergegeven in bestaande natuur en gerealiseerde nieuwe natuur. Voor meerdere bestaande/nieuwe natuur delen zijn de herstelmaatregelen nog niet optimaal uitgevoerd, veelal vanwege het optreden van nadelige watereffecten op naburig landbouwpercelen die als NNN nog niet zijn verworven. In deze delen is na verwerving van de naburige NNN-percelen verdere inrichting nodig (M57).
Het betreft vooral delen in de dalen van Mosbeek, Hazelbekke en Springendal. Voor de habitatsoorten Beekprik (H1096), Kamsalamander (1166) en Drijvende waterweegbree (H1831) zijn in de 1e beheerplanperiode geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Voor de Beekprik geldt dat tijdens de 1e beheerplanperiode een verspreidingskaart van dit leefgebied opgesteld dient te worden. Als uit deze kaart mocht blijken dat er wel sprake is van achteruitgang in areaal en/of kwaliteit én dat daardoor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van de Beekprik die van dit leefgebied afhankelijk is in gevaar komt, dan worden in de 2e beheerplanperiode alsnog aanvullende herstelmaatregelen voor dit leefgebied uitgevoerd.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 40
3.4
Omschrijving inrichtingsplan
3.4.1 Algemeen
Voor de ontwikkeling van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" (exclusief het deel Manderheide, waarvoor een apart inrichtingsplan is gemaakt) is een inrichtingsplan opgesteld, met daarin inrichtingsmaatregelen. Het document vormt daarmee een gebiedsgerichte uitwerking van het beheerplan. Het doel van de maatregelen in dit inrichtingsplan voor de eerste planperiode (2015-2021) is de duurzame instandhouding van de aanwezige habitattypen in het gebied. Voor het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" geldt dat de maatregelen leiden tot het behoud van de habitattypen en dat verslechtering kan worden voorkomen (categorie 1b). Voor de tweede en derde periode (na 2021) wordt voor een aantal habitattypen ingezet op kwaliteitsverbetering en/of uitbreiding van de oppervlakte. Het inrichtingsplan en de maatregelenkaart(en) zijn als bijlagen bij de regels gevoegd. Het inrichtingsplan biedt de mogelijkheid tot het vergoeden van schade door beperkingen op het grondgebruik (bijvoorbeeld natschade en scheurverbod op grasland), tot het ruilen van grond, of voor nieuwe vormen van grondgebruik.
Het inrichtingsplan vormt de basis voor het Provinciaal InpassingsPlan (PIP), het Beheer- en onderhoudsplan, voor het afsluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten met grondeigenaren, voor het monitoringsplan, de vergunningencheck en voor de realisatie van de inrichtingsmaatregelen. Het inrichtingsplan bestaat uit een rapport en een maatregelenkaart. Zoals in paragraaf 1.2 al is aangegeven is het inrichtingsplan ruimer dan het plangebied van het PIP. Het inrichtingsplan heeft betrekking op: Mosbeek; Hazelbekke; Braamberg; Roezebeek; Brunnikhuizerbeek; Springendalse beek. Voor de Braamberg zijn geen bestemmingswijzigingen nodig, met uitzondering van drie percelen waarop al natuurmaatregelen zijn uitgevoerd. Hiervoor wordt de agrarische bestemming omgezet naar een natuurbestemming.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
41
Afbeelding 3-7: beeksystemen "Springendal en Dal van de Mosbeek" (bron: Inrichtingsplan)
3.4.2 Knelpunten
Uit de nadere analyse in het Inrichtingsplan blijkt dat er op sommige locaties meer of minder maatregelen nodig zijn dan in het beheerplan is aangegeven en dat ook de voormalige landbouwgronden (nu natuur) en natuurterreinen bijdragen aan de verliezen van nutriënten, waarvoor aanvullende maatregelen nodig zijn. In het Inrichtingsplan zijn de volgende knelpunten beschreven. Verdroging door: te lage waterstanden in zomer en voorjaar en geen/te weinig kwel door ontwatering, insnijding van beken, verleggen beekloop, grondwaterwinning; vergraving van beken tot sloten in landbouwgebied; Eutrofiëring door: vermesting grond- en beekwater en bodem door agrarisch gebruik intrekgebied. Ook treedt verzuring en veenafbraak (afgeleide van verdroging en vermesting) op. Tussen de knelpunten bestaan verbanden: oppervlakkige afspoeling van regenwater over maaiveld zorg voor de aanvoer van nutriënten en uitslijting van de beek. Verdroging van een habitat leidt tot mineralisatie en als gevolg daarvan tot eutrofiëring.
3.4.3 Maatregelen
In het Inrichtingsplan zijn, op basis van de gesignaleerde knelpunten, per beeksysteem, maatregelen benoemd. De maatregelen zijn in het inrichtingsplan vervolgens tot op perceelsniveau uitgewerkt. Het voert te ver om de maatregelen ook op deze manier in deze toelichting te beschrijven. In dat kader wordt volstaan met een algemene beschrijving van de maatregelen in het plangebied. Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar het inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij de regels is gevoegd.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 42
Maatregelen die verdroging tegengaan 1. Het verwijderen of verondiepen van ontwateringsmiddelen als drainage, greppels en sloten. Deze maatregel leidt tot vertraagde afvoer van grond- en oppervlaktewater én draagt bij aan de aanvulling van het grondwater; 2. Het verondiepen van diep ingesneden beken en/of het verhogen van de beekbodem. Door middel van suppletie en het aanbrengen van drempels in de beekbodem kan de beekbodem op het gewenste peil worden gebracht. Aandachtspunt is dat het in te brengen materiaal past bij de natuurlijke samenstelling van de beekbodem. Deze maatregel draagt bij aan de aanvulling van het grondwater en vergroting van de gewenste invloed van het grondwater in de wortelzone; 3. Het dempen van piekafvoeren door de aanleg van retentievoorzieningen. Deze maatregel vertraagt de snelle afvoer van water uit hellende landbouwpercelen naar de beek, waardoor verder inslijten van de beek wordt voorkomen en waarmee tevens de leefomstandigheden van de rivierdonderpad worden verbeterd. Maatregelen die eutrofiëring tegengaan Effectgerichte maatregelen 1. Het aanbrengen van een bemestingsvrije zone langs sloten en beken, al dan niet in combinatie met een randdam ter voorkoming van afspoeling van nutriëntenrijk oppervlaktewater over het maaiveld. Voor deze maatregel zijn verschillende varianten denkbaar, afhankelijk van ligging, helling en bodemtype.
Op deze bemestingsvrije zones is beweiding niet meer toegestaan; 2. Het dempen van sloten, waardoor de snelle afvoer van nutriënten via slootwater naar de beek wordt vertraagd; 3. Aangepast beheer van perceelsranden (in de bemestingsvrije bufferzones). Ruw terreinoppervlak vertraagt oppervlakkige afspoeling van stikstof en fosfaat naar sloten en greppels. Dit kan door verruiging van perceelsranden door een ander maairegime en door het inbrengen van andere soorten. Het stoppen met bemesten van de perceelsranden draagt hier ook aan bij; 4. Een verwacht gunstig neveneffect van de aanleg van retentievoorzieningen is dat nutriënten er bij inundatie, door afname van de stroomsnelheid, kunnen bezinken. Deze nutriënten kunnen vervolgens opgenomen worden door gewassen en zullen, door dit te maaien en af te voeren, uit het systeem worden verwijderd. Ter plaatse van de retentievoorzieningen is bemesting niet toegestaan vanwege het grote risico op afspoeling. Brongerichte maatregelen 5. Het uitmijnen van percelen met een hoog fosfaatgehalte door aangepaste bemesting, waardoor het fosfaatgehalte naar een aanvaardbaar niveau terug zal worden gebracht (een PAL-waarde <25); 6. Het stoppen van bemesting. Deze maatregel is van toepassing wanneer er sprake is van grote invloed van het landbouwperceel op het habitat, of wanneer het perceel is aangewezen als retentiegebied.
Op deze percelen is beweiding ook niet toegestaan; 7. Het beperken van bemesting. Door de eerste mestgift in het voorjaar uit te stellen tot een bepaalde temperatuursom is bereikt, wordt de periode tussen mestgift en mestopname door planten en bodemleven korter en daardoor het verlies door uit- en afspoeling kleiner. De onderbouwing en voorwaarden bij uitzonderingen zijn benoemd in de Handreiking bemesting (2018); 8. Het gebruik van een perceel als permanent grasland (met een scheurverbod). De maatregel beperkt de af- en uitspoeling en erosie van stikstof en fosfaat. De bemestingsbeperkende maatregelen op de percelen leiden tot een beperking van de gebruiksruimte op die percelen. Deze beperkingen dienen bij de RVO aangegeven te worden. Een bepaalde vorm van akkerbouw blijft hier en daar onder voorwaarden mogelijk. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat bijvoorbeeld vruchtwisseling gras en mais zonder bemesting of bepaald agrarisch gebruik met evenwichtsbemesting en/of bepaalde vormen van gewas (eiwitrijk) een goed alternatief kan zijn voor permament grasland, omdat de uitspoeling van nutriënten beperkt is. Dit levert minder beperkingen op voor de agrarische sector. In het beheerplan is een onderzoeksopgave geformuleerd, maatregel M15.
Het gaat om een onderzoek in de eerste beheerplanperiode naar percelen die door landbouwkundig gebruik van invloed kunnen zijn vanwege de grondwaterstroming richting de kwelafhankelijke habitats in de beekdalen. Voor een deel is deze opgave uitgewerkt binnen de plangebieden van de Hazelbekke en het Dal van de Mosbeek. Voor het overige deel is afgesproken dat door middel van monitoring
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
43
de restopgave in beeld zal worden gebracht en daar waar nodig aanvullende maatregelen nodig zijn om vermesting via af- en uitspoeling tegen te gaan. Duurzaamheid en klimaat De realisatie van de maatregelen, het monitoren van die maatregelen en het eventueel bijsturen, leiden tot een duurzaam systeem. Bij het ontwerpen van dat systeem is, in relatie tot de hydrologische aspecten, rekening gehouden met de verwachte klimaatwijzigingen; naar verwachting zal er vaker in korte perioden hevige neerslag optreden. Bij de dimensionering van beekprofielen en retentiegebieden is daarmee rekening gehouden. De realisatie van de maatregelen draagt daarmee in belangrijke mate bij aan het verbeteren van de klimaatbestendigheid van het gebied.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 44
Hoofdstuk 4 Overige beleids- en onderzoeksaspecten
4.1
Inleiding
Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie en archeologie. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk getoetst aan deze aspecten. Bij dat alles past de volgende aantekening. Zoals eerder in deze toelichting omschreven, heeft het voorliggende inpassingsplan betrekking op het vertalen van de maatregelen uit het inrichtingsplan. Deze maatregelen hebben alle betrekking op het realiseren van specifieke natuurdoelstellingen. Daarmee worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd, hetgeen betekent dat milieuaspecten slechts in beperkte mate aan de orde zijn.
4.2
Milieu
4.2.1 Milieueffectrapportage
Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten significante negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Wettelijk kader In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.beoordelingsplicht. De m.e.r.(-beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling, figuur 4.1 geeft dit weer.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
45
Afbeelding 4-1 - Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bron: www.infomil.nl) Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet er op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. De natuurherstelopgaven kunnen als beheermaatregelen worden gekwalificeerd. Op grond van artikel 7.6 Wm kunnen in een provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen worden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.(-beoordelings)plichtig zijn. Dit is niet gebeurt in de provinciale milieuverordening (onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening). Om deze reden wordt hier niet verder op ingegaan in deze paragraaf. M.e.r.
en de Ontwikkelopgave Natura 2000 In sommige gebieden van de Ontwikkelopgave Natura 2000 worden naast natuurherstelmaatregelen ook meekoppelkansen meegenomen, die verwerkt worden in de provinciale inpassingsplannen. Als dit het geval is, moet zo nodig een passende beoordeling worden opgesteld en op grond van artikel 7.2a Wm ook een planMER worden opgesteld. Deze toetsing vindt per gebied plaats. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat een aantal activiteiten genoemd die uitgevoerd kunnen gaan worden ten behoeve van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: (C 16.1) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage met een oppervlakte van meer dan 25 ha; (D9) Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, waarbij het een functiewijziging betreft met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; (D16) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2 met een oppervlakte van meer dan 12,5 ha; (D27) De eerste
bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond op gronden met de agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 ha of meer, of op gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 ha of meer. Als de omvang van een activiteit de genoemde grenswaarden overschrijdt, geldt een m.e.r.(-beoordelings)plicht. Als de grenswaarden niet worden overschreden, is op basis van artikel 7.16 Wm een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. M.e.r en het PIP "Springendal en Dal van de Mosbeek" Artikel 7.2a Wet milieubeheer en artikel 2.7 Wet natuurbescherming De maatregelen die in dit PIP mogelijk worden gemaakt, houden alleen verband met of zijn nodig voor het beheer van het Natura 2000-gebied. Hiervoor is geen passende beoordeling nodig. In het Inrichtingsplan worden geen meekoppelkansen beschreven. Besluit milieueffectrapportage: ontgrondingen en functiewijziging gronden In het inrichtingsplan Springendal en dal van de Mosbeek is per deelgebied aangegeven welke maatregelen zijn voorzien. De maatregelen bestaan grotendeels uit het verondiepen van beken en het dempen van sloten, herstellen van het meanderend profiel van beken en het stoppen van bemesting en uitmijnen van gronden. De benodigde ontgrondingen vinden plaats op een oppervlak van in totaal 5000m2 (5 ha).
Voor het totale gebied wordt later een ontgrondingvergunning aangevraagd of een melding gedaan bij de provincie Overijssel. De graafwerkzaamheden blijven ruim onder de drempelwaarde van 12,5 ha in categorie D16.1 van het Besluit miliieueffectrapportage. Voor dit onderdeel kan worden volstaan
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 46
met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De totale hoeveelheid aan gronden die wijzigen van functie is ca. 210 ha en deze overschrijdt de drempelwaarde voor deze activiteit van 125 ha. Voor dit deel is een formele m.e.r.-beoordeling nodig. Voor dit onderdeel vormt het PIP geen 'kader', zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, zodat geen milieueffectrapportage voor plannen nodig is, maar kan worden volstaan met een m.e.r.-beoordeling. Omdat een vormvrije en formele m.e.r.-beoordeling inhoudelijk niet verschillen zijn deze activiteiten in één aanmeldnotitie verwerkt en op milieueffecten beoordeeld. In de aanmeldnotitie 'm.e.r.-beoordeling Springendal - Dal van de Mosbeek' (bijlage 3 bij de toelichting) wordt nagegaan of de activiteiten leiden tot mogelijk belangrijk nadelige milieugevolgen. Conclusie Uit de effectbeoordeling van de milieuonderzoeken blijkt dat de activiteiten geen of zeer beperkte milieugevolgen veroorzaken. Mogelijke negatieve effecten worden voorkomen. Verder wordt de aannemer verplicht tijdens de uitvoering (aanlegfase) te werken volgens een ecologisch werkprotocol. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure ,waarbij een milieueffectrapport wordt opgesteld, is niet nodig. Gedeputeerde Staten hebben op xx besloten dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.
4.2.2 Bodemkwaliteit
Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. Beleidskader Binnen de Regio Twente heeft een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Dinkelland en Tubbergen, gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam “Twents beleid veur oale groond 2.0”. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. De deelnemende gemeenten gebruiken op elkaar afgestemde lokale maximale waarden. Deze lokale maximale waarden geven de kwaliteit van de bodem in een gebied van de gemeente aan. Ze zijn onderverdeeld in de klassen 'AW2000', 'Wonen' en 'Industrie'. Grond uit de gebieden met klasse 'AW2000' is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de overige twee klassen geldt dat de kwaliteit van de bodem van deze klassen minder is dan die van de klasse 'AW2000' maar dat enkele licht verhoogde of matige verhoogde gehalten te verwachten en toegestaan zijn.
De gemeenten hebben het beleid voor grondverzet en de toepassing van grond recent aangepast (15 april 2019 Tubbergen en 16 april 2019 Dinkelland). Bodemkwaliteit en het plangebied In de gebiedsanalyse van 31 oktober 2017 is in het kader van de instandhoudingsdoelstelling stilgestaan bij de bodemsamenstelling van dit Natura 2000-gebied. De maatregelen die voor het Natura 2000 gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” nodig zijn, hebben geen nadelige gevolgen voor de samenstelling van de bodem. Binnen deze maatregelen worden evenmin gevoelige functies mogelijk gemaakt. Conclusie Voor de te nemen maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen zoals in dit plan bedoeld, is geen bodemonderzoek noodzakelijk.
4.2.3 Geluid
Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
47
geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchtvaarthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor. Geluid en het plangebied In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluidproducerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan.
4.2.4 Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De wetgeving over 'externe veiligheid' zorgt ervoor dat de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot wordt gesteld. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de C irculaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Binnen de zogenaamde PR 10-6-contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde.
Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de veiligheidsregio om advies worden gevraagd. Externe veiligheid en het plangebied Voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” is inzicht verkregen in aanwezige risicobronnen en risico-ontvangers op basis van de risicokaart (www.risicokaart.nl ), voor zowel in als buiten het plangebied. Figuur 4.4 geeft een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied weer.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 48
Afbeelding 4.2. Risicokaart met Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” (Bron: www.risicokaart.nl ) Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat de er twee inrichtingen in of nabij het plangebied zijn. Dit zijn de gaswinlocaties van de NAM in Hezingen (gemeente Tubbergen) aan de Hooidijk 68 en Bouwmansweg 1. Het voorliggende plan voorziet niet in de realisatie van kwetsbare objecten. Tevens ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van overige inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen waardoor geen beperkingen aanwezig zijn ten aanzien van de realisatie van het plan. Transport gevaarlijke stoffen Het Rijk heeft het Basisnet Weg, Water en Spoor opgesteld. Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen bestaat uit drie kaarten: vervoer over de weg, de binnenwateren en het spoor. Voor het plangebied is alleen het vervoer over de weg van belang. Op de kaarten is per gebied aangegeven welke beperkingen er zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gezien het type wegen in het plangebied en de hoeveelheid vervoer wordt er vanuit gegaan dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risico.
Op basis van het type wegen, de hoeveelheid vervoer en de dichtheid van de bebouwing in het buitengebied wordt er vanuit gegaan dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. In het plangebied zijn geen spoorlijnen of binnenwateren aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het transporteren van gevaarlijke stoffen levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan. Buisleidingen Op de risicokaart staan de planologisch relevante buisleidingen weergegeven. In de uitsnede van het plangebied is een buisleiding ten zuiden van Ootmarsum aanwezig. De afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 2 km waardoor de buisleiding geen invloed heeft op de voorgenomen ontwikkeling. Hoogspanningsleidingen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een kaart gemaakt van de in Nederland voorkomende hoogspanningsleidingen. Binnen het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door hoogspanningsleidingen. Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid.
4.2.5 Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) belang. NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
49
Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m²; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m³. Luchtkwaliteit en het plangebied De in het inpassingsplan voorgestane maatregelen zijn perceelsgebonden en zullen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toevoegen, dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie, kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane maatregelen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden. Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende van toepassing. Tevens kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. Er hoeft tevens geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij
Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wav en het plangebied Afbeelding 3-4 geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek”. De kwetsbare gebieden zijn in groen weergegeven.
P IP P rovinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 50
Afbeelding 4-3 Wav gebieden, in groen, in- en nabij het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek”, in geel (Bron: www.atlasvanoverijssel.nl) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen.
4.2.7 Overige aspecten
In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. Militaire laagvliegroutes en het plangebied Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen. Het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” ligt op geruime afstand van de militaire laagvliegroute 10. Route 10 komt in de buurt van Eibergen Nederland binnen en gaat noordelijk via Almelo richting Slagharen, om daarna af te buigen naar rechts, richting Musselkanaal. Vanaf daar loopt de route naar Duitsland. De afstand tot het onderhavige Natura 2000-gebied bedraagt circa 12 km. Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “Springendal en Dal van de Mosbeek” richten zich op het behoud en het versterken van natuurdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn, mede gelet op de afstand tot de laagvliegroute, niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute.
Luchthavenbesluit Twente Airpor t In maart 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel een luchthavenbesluit voor de luchthaven Twente Airport vastgesteld. Het luchthavenbesluit is een onderdeel van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. In het besluit zijn verschillende beperkingengebieden aangewezen: voor externe veiligheid, geluidbelasting, veiligheid, vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik, laserstralen, hoogtebeperkingen, enz. Op kaarten bij het besluit is aangegeven welke beperkingen waar gelden, zoals bijvoorbeeld een maximale bouwhoogte voor obstakels.
NL.IMRO .9923.ipSdalDvdM-on01
51
Afbeelding 4-4 kaart bij Luchthavenbesluit Twente Airport Het plangebied ligt binnen het 'gebied met hoogtebeperkingen, in verband met de vliegveiligheid' (zie bovenstaande figuur). Hier gelden beperkingen aan de hoogte van bouwwerken. Het voorliggende inpassingsplan maakt beperkt nieuwe bouwwerken mogelijk, maar voorziet voornamelijk in de realisatie van maatregelen voor het behoud en versterking van de natuur. De hoogte van de nieuwe bouwwerken, zoals kunstwerken en ondergeschikte recreatieve voorzieningen, is beperkt en vormt geen belemmering in de zin van het Luchthavenbesluit. Conclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmering voor de aanwezigheid en werking van de beperkingengebieden, zoals vastgelegd in het Luchthavenbesluit Twente Airport. No-fly zones De regels die van toepassing zijn staan in de Wet luchtvaart (artikel 5.3) en Regeling modelvliegen. Enkele voorbeelden uit de regeling zijn: alleen bij daglicht en tot een maximale hoogte van 120 meter; niet boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, wegen, spoorlijnen, industrie- en havengebieden; drones verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonnen en luchtschepen; binnen laagvlieggebieden moet er iemand meekijken om u te waarschuwen voor luchtvaartuigen.