CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.9923.ipAVAV-on01 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek24.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.5.4 Conclusie

Bij het opstellen van dit inpassingsplan is rekening gehouden met het waterschapsbeleid.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

23

2.6

Gemeentelijk beleid

In het gemeentelijk ruimtelijk beleid zijn met name structuurvisies, beheersverordeningen en bestemmingsplannen belangrijke instrumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van hun bestemmingsplannen en structuurvisies met de geldende wetgeving en beleid. Het Natura 2000-gebied “Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek " ligt binnen de gemeente Dinkelland. Daarom is in deze paragraaf met name het beleid van de gemeente Dinkelland kort toegelicht. Daarnaast is het ruimtelijke beleid ook via het bestemmingsplan vastgelegd. De geldende bestemmingsplannen komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.

2.6.1 Gebiedsvisie Noordoost-Twente

Deze Gebiedsvisie 2012-2020 is een document van de provinciale en gemeentelijke overheid en het waterschap en is een richtinggevend basisdocument voor het ruimtelijke-fysiek domein op strategisch niveau. De visie bevat bouwstenen die richtinggevend zijn voor toekomstige beleidskeuzes. Deze gebiedsvisie heeft weliswaar geen formeel juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening, maar geeft, zoals aangegeven, mede richting aan de invulling van de natuurdoelstellingen in het landelijke gebied. Het landschap in Noordoost-Twente is een unieke combinatie van de geologische basis en ”mensenwerk”. De overheid heeft volop in het gebied geïnvesteerd om deze unieke kwaliteiten te bewaren. Het gaat daarbij niet alleen om het bijzondere en kleinschalige landschap met beken en bronnen, maar ook om de belangrijke cultuurhistorische elementen, zoals boerenerven, watermolens en natuurwaarden. De bijzondere waarde van het gebied is ook Europees erkend door de aanwijzing als Natura 2000-gebied. In het verlengde hiervan ligt er voor dit gebied een bijzondere opgave namelijk: het duurzaam verbinden van economie, water, landschap en natuur (in brede zin). Dit is een van de hoofduitdagingen voor de gebiedsontwikkeling. In de afgelopen decennia is er echter spanning ontstaan tussen economische ontwikkeling en natuur en landschap. Vooral de stikstofproblematiek speelt hierbij een rol.

Het gebied kent een relatief groot aantal Natura 2000- gebieden die zeker voor wat betreft stikstofdepositie binnen elkaars beïnvloedingsgebied liggen. Dat maakt de problematiek in dit gebied extra complex. Het duurzaam verbinden van economie, bewoners, landschap en natuur (in brede zin) is een van de hoofduitdagingen voor Noordoost-Twente.

2.6.2 Casco-benadering in Noordoost-Twente

De beleidsnota C asco-benadering in Noordoost-Twente is in samenwerking tussen de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland, Losser en Oldenzaal opgesteld en bestaat uit een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de casco-benadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

24

2.6.3 Kapverordening Dinkelland 2021

In 2021 heeft de gemeente Dinkelland een nieuwe kapverordening vastgesteld. Volgens de verordening is het, zonder omgevingsvergunning van de gemeente, verboden om bepaalde bomen binnen én buiten de bebouwde kom te vellen. Buiten de bebouwde kom is ook een vergunning nodig voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een landschapselement. De verordening bevat ook beoordelingscriteria voor het beoordelen van een aanvraag om een kapvergunning. Aan de vergunning kunnen voorwaarden, zoals compensatie of herplantplicht worden verbonden. Bepaalde activiteiten zijn uitgesloten van de vergunningplicht, zoals het periodiek afzetten van hakhout en het kappen bij wijze van dunning. Ook het vellen of doen vellen van houtopstanden binnen de vastgestelde Natura2000 en/of Natuur Netwerk Nederland begrenzing, indien het vellen van deze houtopstanden benodigd is voor realisatie van provinciaal, landelijk of Europees vastgestelde natuurdoelstellingen, is uitgezonderd. Met name dit laatste is van belang voor het plangebied.

2.6.4 Omgevingsvisie gemeente Dinkelland

De Omgevingsvisie gemeente Dinkelland is op 30 maart 2021 vastgesteld. Medio 2022 wordt de nieuwe Omgevingswet ingevoerd. De Omgevingswet betreft 1 wet voor de fysieke leefomgeving. Ter voorbereiding daarop heeft de gemeente Dinkelland 'MijnOmgevingsvisie' vastgesteld. MijnOmgevingsvisie is ontwikkeld in samenspraak met de betrokkenen zoals inwoners, ondernemers, organisaties en ketenpartners. In MijnOmgevingsvisie is uitgewerkt wat 'wij als samenleving' en gemeente belangrijk vinden en waar zij gezamenlijk naartoe willen in de komende jaren. Het gaat hierbij dus over de koers voor de lange termijn met de fysieke leefomgeving. Deze koers is onmisbaar bij het verder uitwerken van een meer integrale benadering en het samenlevingsgericht werken in de gemeente. In MijnOmgevingsvisie staan 4 kernprincipes centraal: we doen het samen; we geven het goede voorbeeld; we wentelen niet af op volgende generaties; we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Ten aanzien van onderhavig plangebied wordt gesteld dat het grotendeels gaat om waardevolle landschappen die door te tijd heen in stand zijn gebleven en waar gestuurd wordt op het behouden en versterken van die waarden in combinatie met Natura 2000 gebieden. Bij een combinatie met een lage dynamiek is het landschap nog zeer herkenbaar ten opzichte van 100 jaar geleden. De doelstellingen waar in deze gebieden op ingespeeld moeten worden, zijn: de oorspronkelijke schaal van het landschap; het versterken van natuurwaarden; behoud van cultuurhistorie en erfkarakteristieken; het vasthouden van water; het verbeteren van biodiversiteit; natuurinclusieve bouwwijze; inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op natuur en cultuurhistorie.

2.6.5 Erfgoedverordening

In mei 2008 heeft de gemeenteraad de nota Archeologiebeleid gemeente Dinkelland vastgesteld. Dit beleid bestaat onder meer uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan die waarden zijn vervolgens weer beleidsadviezen gekoppeld. De kaart is gebaseerd op de opbouw van het landschap en bevat de landschappelijke eenheden met een archeologische betekenis. De archeologische verwachtings- en advieskaart is vervolgens opgenomen in de gemeentelijke erfgoedverordening die op 24 februari 2012 in werking is gereden. Op grond van deze verordening

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

25

is het, onder meer en in zijn algemeenheid verboden, zonder vergunning van het college in een gebied met archeologische waarde en in een archeologisch verwachtingsgebied, als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren (artikel 17 Erfgoedverordening). Er zijn ook uitzonderingen op deze hoofdregel geformuleerd.

2.6.6 Conclusie

Met het opstellen van dit inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied “Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" wordt invulling gegeven aan onder meer het gemeentelijke natuuren landschapsbeleid. De te treffen maatregelen zoals concreet weergegeven in het Inrichtingsplan zijn in overeenstemming met de erfgoedverordening.

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

26

Hoofdstuk 3 Gebied en planbeschrijving

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt in eerste instantie ingegaan op het ontstaan en de huidige (planologische) situatie van het plangebied. Vervolgens wordt op basis van geldende wetgeving en beleid de opgave voor het plangebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" bepaald. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe deze opgave verder is uitgewerkt en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied te behalen.

3.2

Ontstaan en huidige situatie van het plangebied

Korte omschrijving van het plangebied Het PIP omvat twee deelgebieden van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek: 1. 2.

Het Agelerbroek; het Voltherbroek.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

27

Figuur 3-1 Plangebied Het Ageler- en Voltherbroek ligt tussen de buurtschappen Agelo en Volthe, nabij Ootmarsum en Rossum en ten oosten van de N736 (Rossummerstraat). Het kanaal Almelo-Nordhorn vormt de scheiding tussen het Voltherbroek in het zuiden en het Agelerbroek in het noorden. Samen met het meer westelijk langs het kanaal gelegen gebied Achter de Voort vormen ze één Natura 2000-gebied, dat het grootste Natura 2000-gebied binnen de grenzen van de gemeente Dinkelland is. Het gebied is weergeven op onderstaande afbeelding. De oppervlakte van het gehele Natura 2000-gebied bedraagt in totaal 324 ha. In het beheerplan zijn ook maatregelen opgenomen die buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied genomen moeten worden of een zodanige externe werking hebben dat zij van invloed zijn op het gebruik van gronden buiten de begrenzing. Maatregelen in de bestaande natuur binnen deze begrenzing zijn de interne maatregelen. Het plangebied omvat ook gronden binnen en buiten het Natura 2000-gebied, die nog geen natuur zijn en waar maatregelen zijn voorzien of waar als gevolg van maatregelen effecten worden verwacht. Dit zijn de externe maatregelen. Het bijbehorende gebied wordt het 'uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000' genoemd en beslaat globaal een oppervlakte van 109,6 ha.

Landschappelijke kenmerken Algemeen Het plangebied (AV)AV bestaat voor een groot deel uit loofbos: 1. broekbos met daarin enkele graslandjes, moerassen en een voormalige eendenkooi in Het Agelerbroek; en 2. uitgestrekte elzenbroekbossen, vochtige bossen en enkele natte schraallanden en graslandpercelen en poelen in deelgebied 3 Het Voltherbroek. In en rond de diverse poelen komen Kamsalamanders en boomkikkers voor. Onderdeel van het Agelerbroek zijn de Broekmaten, dat bestaat uit graslandpercelen en de Hunenborg, waar een restant van een middeleeuwse burcht aanwezig, te zien aan een kleine verhoging met een ringgracht. Rond deze burcht komen elzenbroekbossen voor, die deels

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

28

kwalificeren als habitattype (H91E0C ). Door de hoge grondwaterstand, de plaatselijke aanwezigheid van kalkrijke leem in de ondergrond en door kwel van basenrijk grondwater en overgangen naar basenarme dekzandkoppen is het gebied vanouds een qua flora en fauna zeer soortenrijk gebied. Het Agelerbroek en het Voltherbroek liggen in een lage kom tussen de stuwwallen van Oldenzaal en Ootmarsum. De beken die vanaf de Oldenzaalse stuwwal stroomden, hebben in de dekzanden op de flanken van de stuwwal dalvormige laagten uitgesleten. Het hoogteverschil tussen de stuwwal van Oldenzaal en de laagste delen van het Natura 2000-gebied bedraagt plaatselijk meer dan 60 meter. Door de combinatie van afstromend oppervlaktewater en toestromend grondwater vanaf de stuwwal en de van nature gebrekkige afvoer bleef het water hier op maaiveld staan en in de laagtes ontstond hierdoor veen. De Dinkel overstroomde in het verleden regelmatig tot in het plangebied en zette klei af, vooral in het Voltherbroek. Kanalisatie van de beken en de aanleg van het omleidingskanaal bij de Dinkel maakten in de tweede helft van de 20ste eeuw een einde aan het regelmatig overstromen van het gebied. Tot de aanleg van het kanaal Almelo-Nordhorn in de tweede helft van de 19e eeuw was het Ageleren Voltherbroek één gebied dat door de gemeenschappen van Volthe en Agelo als broekgronden werd gebruikt.

De dalvormige laagten in het Voltherbroek waren in gebruik als wei- en hooilanden die bevloeid werden en omzoomd waren door houtwallen en houtsingels. Deze zogenaamde maten en meden zijn later grotendeels dichtgegroeid met broekbos. Vanaf het begin van de 19e eeuw was men vanuit Volthe begonnen met het verbinden van losse waterloopjes en ontstond er een afwateringssysteem, eerst naar het westen en later richting de Roelinksbeek. Door de komst van het kanaal is er een duidelijke scheiding tussen het Agelerbroek en het Voltherbroek gekomen. Het kanaal ligt beduidend hoger dan beide gebieden. De fysieke scheiding zorgt er ook voor dat de hydrologische relatie tussen het Voltherbroek en Agelerbroek is veranderd. Waar het water vroeger vrij van het Voltherbroek naar het Agelerbroek kon stromen stagneert dit water nu tegen het kanaaltalud en wordt uiteindelijk via onderduikering van het kanaal door de Voltherbeek en Roelinksbeek afgevoerd. Ook treedt er (zeer lokaal en beperkt) kanaalkwel op in het Agelerbroek: water uit het kanaal sijpelt via de kanaaldijk het zuidwestelijk deel van het Agelerbroek in. Vanaf 1955 zijn ingrijpende maatregelen uitgevoerd in het kader van de ruilverkaveling met als doel de wateroverlast op te lossen en de landbouwfunctie te verbeteren.

3.3

Planologische situatie

3.3.1 Vigerend bestemmingsplan Buitengebied

Het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek", ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 vastgesteld.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

29

Figuur 3-3 Fragment verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' gemeente Dinkelland (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Voor het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen van belang: Agrarisch - 1 (enkelbestemming) Gronden met de bestemming Agrarisch - 1 hebben de hoofdfunctie agrarisch en het gebruik is gericht op het bieden van mogelijkheden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. Onderdeel van de bestemmingsbeschrijving is ook het behoud, herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden, Voor een aantal werken en werkzaamheden is een vergunningstelsel opgenomen om bepaalde ingrepen in het landschap, die in beginsel binnen de bestemming passen, nader af te kunnen wegen. Agrarisch - 2 (enkelbestemming) Gronden met deze bestemming hebben nagenoeg dezelfde doeleinden als die van Agrarisch - 1, met dien verstande dat aan deze bestemmingsbeschrijving ook 'doeleinden van agrarisch natuurbeheer' is toegevoegd. Bos en natuur (enkelbestemming) Gronden met de bestemming ‘Bos en natuur’ zijn aangewezen voor natuur, bosbouw en houtproductie en het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden. Binnen deze bestemming ligt het grootste deel van het aangewezen Natura 2000-gebied. Dit is ook nader gespecificeerd door de functie-aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natura 2000'.

Waarde Ecologie (dubbelbestemming) Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming Waarde - Ecologie, waarmee is aangegeven dat de gronden mede bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (nu: NatuurNetwerk Nederland). Waarde Essen (dubbelbestemming) Deze dubbelbestemming komt in het plangebied voor en ziet op het behoud en de bescherming van de archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle essen en steilranden met bijbehorende beplanting.

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

30

3.4

Gebiedsopgave

3.4.1 Kernopgaven

Voor het gebied gelden de volgende kernopgaven: 1. Herstel kwaliteit en vergroting areaal *H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) en behoud leefgebied H1016 Zeggekorfslak; 2. Herstel kwaliteit, vergroting areaal en behoud vegetatiestructuur H9160A Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden).

3.4.2 Instandhoudingsdoelstellingen

Op basis van vegetatiekarteringen zijn de te beschermen habitattypen binnen het gebied bepaald. Onderstaande tabel en figuur geven aan waar welke habitattypen en welke habitatsoorten binnen het gehele Natura 2000-gebied AVAV zijn aangewezen. Hierin zijn ook de habitattypen opgenomen uit het ontwerp wijzigingsbesluit (veegbesluit, ontwerp 2018). Dit zijn droge en vochtige heiden (H4030 en H4010), pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150) en beuken-eikenbossen met hulst (H9120). Het (ontwerp-)veegbesluit is ook al verwerkt op de habitattypekaart uit het beheerplan, maar nog niet omgezet naar een definitieve wijziging. De maatregelen in het plangebied richten zich op de doelstellingen van het aanwijzingsbesluit uit 2013. Dit zijn de bovenste vier habitattypen in de tabel en de habitatsoorten. De vochtige alluviale bossen (H91E0C ) en blauwgraslanden (H6140) zijn het meest kritisch in de herstel- en ontwikkelopgave en maatregelen voor deze twee habitattypen zijn leidend. Habitattypen

Doelstelling oppervlak

Doelstelling kwaliteit

H91E0C

Vochtig alluviaal bos

>

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

=

=

H9160A

Eiken-haagbeukenbos

=

=

H6410

Blauwgraslanden

>

>

H4030

Droge heiden

=

=

H4010

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

=

=

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

=

=

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

=

=

H1016

Zeggekorfslak

=

>

H1166

Kamsalamander

>

>

Veegbesluit:

HABITATSOORTEN

=

behoudsdoelstelling

>

uitbreiding- of verbeterdoelstelling

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

31

Figuur 3-4 Habitattypenkaart Voor de genoemde habitattypen geldt een instandhoudingsdoelstelling. Voor vochtig alluviaal bos (H91E0C ) en blauwgrasland (H6410) is er ook een uitbreidingdoelstelling, zowel in kwaliteit als oppervlakte. Een uitbreidingsdoelstelling geldt ook voor de kamsalamander (H1166). Voor de zeggekorfslak (H1016) moet het habitat verbeteren, maar dit hang samen met de kwaliteitsverbetering van vochtig alluviaal bos, aangezien dit het leefgebied vormt van deze soort. Ondanks het nog niet-definitieve karakter van het veegbesluit, moet in het gebiedsbeheer ook zo goed mogelijk rekening worden gehouden met de daarin genoemde habitattypen, waaronder in ieder geval zorg voor behoud van omvang en kwaliteit. Hiermee is bij het bepalen van de interne maatregelen rekening gehouden (bijv. kleinschalig maaien, chopperen in vochtige en droge heiden).

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

32

3.4.3 Beheerplan

Het beheerplan voor het gebied is vastgesteld in mei 2016. Op 21 september 2021 hebben Gedeputeerde Staten een deels gewijzigd beheerplan vastgesteld. In het beheerplan staan de maatregelen die genomen dienen te worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te behalen. In het beheerplan is ook een effectbeoordeling van de instandhoudingsmaatregelen opgenomen. De conclusie van deze beoordeling is dat negatieve effecten voor de meeste maatregelen uitgesloten zijn. Alleen voor het aanleggen van enkele poelen voor de kamsalamander is de voorwaarde opgenomen dat deze poelen niet binnen bestaande habitattypen worden aangelegd. Van een aantal maatregelen is ook de uitvoeringsfase beoordeeld. Het betreft hier de maatregelen die een aanpassing inhouden van het bestaande, cyclische reguliere natuurbeheer. Waar nodig zijn aanvullende voorwaarden gesteld aan de uitvoering van deze maatregelen. Op deze manier zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van deze maatregelen uitgesloten.

Figuur 3-5 maatregelenkaart beheerplan.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

33

3.5

Omschrijving Inrichtingsplan

De maatregelen in (of maatregelen daarbuiten met invloed op) het Natura 2000-deelgebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" zijn verwerkt in een Inrichtingsplan. Doel van het inrichtingsplan is om alle wettelijke opgaven voor het gebied, voortvloeiend uit Natura 2000 uit te werken tot maatregelen en een definitief ontwerp. Het Inrichtingsplan is de basis voor: het ruimtelijk plan en de invulling en onderbouwing van het ruimtelijk ordeningsproces; overleg met de grondeigenaren over afspraken over grondverwerving of over beperkende voorwaarden op landbouwpercelen; verdere detaillering naar een technisch ontwerp om te komen tot uitvoering en realisatie van de maatregelen; het beheer- en onderhoudsplan; het monitoringsplan; de vergunningencheck; de aanbesteding.

3.5.1 Inrichtingsplan

De maatregelen uit het inpassingsplan zijn onderverdeeld in drie soorten, hydrologische maatregelen (aanpassingen aan het hoofdwatersysteem), interne maatregelen en externe maatregelen. Aanpassingen aan het hoofdwatersysteem: De belangrijkste aanpassingen van het oppervlaktewatersysteem ten opzichte van de huidige situatie zijn: Ten zuiden van het Voltherbroek wordt de waterloop die aansluit op de Roelinksbeek gestuwd tot NAP+20,7 meter; De Roelinksbeek wordt verondiept en verbreed; De aansluiting van de Roelinksbeek op de Tilligterbeek gaat 'over' het kanaal heen door een deel van het kanaal te dempen. De huidige stuw in de Roelinksbeek wordt vervangen door een vistrap. De Tilligterbeek wordt verondiept en verbreed; Via een vistrapconstructie en een noodoverlaat wordt het peilverschil tussen de Tilligterbeek en de Voltherbeek overbrugd. De vispassage komt parallel aan de Tilligterbeek te liggen. De vispassage heeft de volgende eigenschappen: 1. een hellingpassage met een verval van 5 cm per 13 meter en een totaal verval van 1,2 meter. De passage heeft een lengte van circa 330 meter. 2. De nu bestaande vistrap die de Voltherbeek met de Tilligterbeek verbindt is verwijderd en vervangen door een enkele stuw. De bodem stroomafwaarts van deze stuw is gelijkgetrokken met die van de Tilligterbeek. 3.

De afwateringsrichting van de landbouwsloot die de nieuwe vistrap halverwege kruist is veranderd naar het westen. De Peijinksbeek wordt omgelegd, zodat deze niet meer via een duiker zuidelijk van het kanaal afwatert op de Roelinksbeek, maar westelijk en noordelijk van het Agelerbroek afwatert op de Tilligterbeek. Er komt een duiker onder het kanaal door. Stroomafwaarts van het kanaal wordt de waterloop die 200 meter ten westen van het Agelerbroek loopt opnieuw gedimensioneerd om het extra water af te kunnen voeren (nieuwe Peijinksbeek). De duiker bij de Roelinksbeek wordt verwijderd of afgedicht. De stromingsrichting van de watergang parallel aan de kanaaldijk wordt omgedraaid van oostelijk naar westelijk. Ten westen van het Agelerbroek wordt de westelijke landbouwsloot gedempt. De afvoerende functie van deze sloot wordt overgenomen door de nieuwe Peijinksbeek ten westen van het Agelerbroek. Interne maatregelen: De greppels in het natuurgebied worden gedempt, verondiept of afgedamd in combinatie met het laten verlanden; Op een aantal locaties wordt kleinschalig bos gekapt. Op deze locaties is het landgebruik aangepast van “loofbos” naar “natte natuur”. De stuw waar water het Agelerbroek verlaat wordt vervangen en er worden nog drie extra

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

34

uitstroompunten aangelegd; Het stuwpeil van de gracht bij de Huneborg wordt verhoogd tot vlak onder de laagste maaiveldhoogte ter plaatse van het Vochtige alluviale bos tussen de gracht van de Hunenborg en het kanaal Almelo-Nordhorn. In perioden waarin er afvoer over de stuw plaatsvindt (winter en voorjaar) wordt daardoor de waterstand in de gracht verhoogd, en daarmee de grondwaterstand in aangrenzende gebieden; De Broekmaten wordt ingericht tot natuur (Staatbosbeheer), de aanwezige greppels worden gedempt. Externe maatregelen: Naast de aanpassingen aan het hoofdwatersysteem (paragraaf ) zijn andere maatregelen buiten het Natura 2000 gebied voorzien om de grondwaterstanden binnen het natuurgebied te verhogen: Het dempen en verondiepen van sloten zoals aangeduid op de maatregelenkaart; In een aantal percelen direct grenzend aan het Natura2000-gebied wordt de aanwezige buisdrainage verwijderd; Het perceel ten noorden van het Agelerbroek is hydrologisch ingericht door de aanleg van kades zodat winterinundatie kan ontstaan; Bij de percelen langs de Broekmatenweg wordt de waterafvoer omgeleid in noordelijke richting. Hiervoor wordt een nieuwe greppel aangelegd; De watergangen bij het NAM-terrein en stroomafwaarts daarvan (ten zuidwesten van het Voltherbroek) worden verondiept en de watergangen in het Natura2000 gebied worden gedempt. Geen extra ontwatering toestaan.

Figuur 3-6 kaartbeeld inrichtingsplan (versie 29 november 2021)

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

35

Figuur 3-7 legenda bij kaartbeeld Inrichtingsplan

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

36

Hoofdstuk 4 Overige beleid- en onderzoeksaspecten

4.1

Inleiding

Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie en landschap en explosieven. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk getoetst aan deze aspecten. Ten behoeve van de inrichtingsmaatregelen zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlagen bij dit inpassingsplan gevoegd. Bij dat alles past de volgende aantekening. Zoals eerder in deze toelichting omschreven, heeft het voorliggende inpassingsplan betrekking op het vertalen van de maatregelen uit het inrichtingsplan. Deze maatregelen hebben alle betrekking op het realiseren van specifieke natuurdoelstellingen. Daarmee worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd, hetgeen betekent dat milieuaspecten slechts in beperkte mate aan de orde zijn.

4.2

Milieu

4.2.1 MER

Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten significante negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Wettelijk kader In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderstaande afbeelding geeft dit weer.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

37

Figuur 4-1 Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bron: www.infomil.nl) Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 7.6 Wm kunnen in een provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen worden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn. Dit is niet gebeurd in de provinciale milieuverordening (onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening). Om deze reden wordt hier niet verder op ingegaan in deze paragraaf. M.e.r.

en de Ontwikkelopgave Natura 2000 In sommige gebieden van de Ontwikkelopgave Natura 2000 worden, naast Natura 2000-maatregelen ook meekoppelkansen meegenomen, die verwerkt worden in de provinciale inpassingsplannen. Als dit het geval is, moet een passende beoordeling worden opgesteld en op grond van artikel 7.2a Wm ook een planMER worden opgesteld. Deze toetsing vindt per gebied plaats. In de bijlagen C en D van de Wm staat een aantal activiteiten genoemd die onderdeel kunnen zijn van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: (C 16.1) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage met een oppervlakte van meer dan 25 ha; (D9) Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, waarbij het een functiewijziging betreft met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; (D16) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2 met een oppervlakte van meer dan 12,5 ha; (D27) De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding

daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond op gronden met de agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 ha of meer, of op gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 ha of meer. Als de activiteiten voldoen aan de genoemde drempelwaarde waarden geldt een m.e.r.(beoordelings)plicht. Als de drempelwaarden niet worden overschreden, is volgens het Besluit m.e.r. nog wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. M.e.r en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek': toetsing Artikel 7.2a Wet milieubeheer en artikel 2.7 Wet natuurbescherming De maatregelen die in dit PIP mogelijk worden gemaakt, houden alleen verband met of zijn nodig voor het beheer van het Natura 2000-gebied. Hiervoor is geen passende beoordeling nodig. Er worden geen meekoppelkansen, die geen verband houden met natuurbeheer, in het plan meegenomen.

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

38

Besluit milieueffectrapportage: ontgrondingen en functiewijziging gronden Een aantal van de maatregelen vereisen een ontgronding in de zin van de Ontgrondingenwet. Het gaat daarbij om maatregelen als het graven en verondiepen van watergangen, het aanleggen van een vistrap enz. De oppervlakte van de ontgronding bedraagt ca. 6,6 ha en overschrijdt niet de drempelwaarde van 12,5 ha van categorie D16 uit het Besluit m.e.r.. Ditzelfde geldt voor de functiewijziging van gronden. Enkele percelen veranderen van functie, van agrarisch naar natuur, maar ook deze oppervlakte overschrijdt niet de drempelwaarde van 125 ha van categorie D9 uit het Besluit m.e.r.. Verder worden er bomen gekapt, maar ook hier wordt geen drempelwaarde overscshreden. Voor het PIP, dat deze maatregelen mogelijk maakt, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. In dat kader is een document opgesteld en toegevoegd in bijlage 6. Uit de beoordeling volgt dat de maatregelen in het PIP niet leiden tot zodanige nadelige milieugevolgen dat het doorlopen van een volledige milieueffectrapportage aan de orde is. De Provincie Overijssel, bevoegd gezag voor het vaststellen van het PIP en het besluit over de m.e.r.-beoordeling, heeft hiertoe besloten. Conclusie Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen of zeer beperkte milieugevolgen zijn. Mogelijke negatieve effecten worden voorkomen.

Verder wordt de aannemer verplicht tijdens de uitvoering (aanlegfase) te werken volgens een ecologisch werkprotocol. Het doorlopen van een milieueffectrapportage is niet nodig (besluit van GS).

4.2.2 Bodemkwaliteit

Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. Beleidskader Binnen de Regio Twente hebben de gemeente Dinkelland, Tubbergen en Losser gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam “Twents beleid veur oale groond 2.0”. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. De deelnemende gemeenten gebruiken op elkaar afgestemde lokale maximale waarden. Deze lokale maximale waarden geven de kwaliteit van de bodem in een gebied van de gemeente aan. Ze zijn onderverdeeld in de klassen ‘AW2000’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Grond uit de gebieden met klasse ‘AW2000’ is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de overige twee klassen geldt dat de kwaliteit van de bodem van deze klassen minder is dan die van de klasse ‘AW2000’ maar dat enkele licht verhoogde of matige verhoogde gehalten te verwachten en toegestaan zijn.

De gemeenten hebben het beleid voor grondverzet en de toepassing van grond aangepast. Bodemkwaliteit en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' Bij de voorbereiding van het Inrichtingsplan is een onderzoek (zie bijlage 8) uitgevoerd naar bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwgebied en een historische bodemonderzoek. Hieruit blijkt dat er geen risico's op bodemverontreiniging worden verwacht. Geadviseerd wordt om bij toekomstig grondverzet zoveel mogelijk te werken met een gesloten grondbalans. Op basis van de bodemkwaliteitskaart mag vrijkomende grond uit het gebied in principe binnen ditzelfde gebied vrij worden toegepast. Hierbij gelden twee kanttekeningen: Er moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop; Er moet inzicht bestaan in de eventuele aanwezigheid van de stoffengroep PFAS. Op dit moment maakt PFAS nog geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Zolang de bodemkwaliteitskaart niet is aangepast, kan vrijkomende grond worden opgebulkt en voorafgaand aan herschikking met een partijkeuring op minimaal de stoffengroep PFAS worden onderzocht. Op basis van de resultaten van dat onderzoek en/of op basis van de bodemkwaliteitskaart kan bepaald worden of en waar de grond herschikt kan worden en of ook de kwaliteit van de ontvangende bodem op deze stoffen moet worden onderzocht. ten aanzien van PFAS vast te stellen.

Wanneer grondverzet actueel wordt, wordt geadviseerd na te gaan of PFAS op dat moment onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Op basis hiervan kunnen eventuele hergebruiksmogelijkheden worden bepaald. Dit kan tot gevolg hebben dat geen onderzoek naar PFAS noodzakelijk is.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

39

bij werkzaamheden aan halfverharde wegen en/of inrictten wordt aangeraden extra attent te zijn op een eventuele verontreiniging met asbest. Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de maatregelen voor wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar zijn. In beginsel is op dit moment geen verder onderzoek nodig om het PIP te kunnen vaststellen.

4.2.3 Geluid

Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor. Geluid en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluidproducerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan.

4.2.4 Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De wetgeving over ‘externe veiligheid’ zorgt ervoor dat de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot wordt gesteld. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de C irculaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Binnen de zogenaamde PR 10-6-contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde.

Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de veiligheidsregio om advies worden

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

40

gevraagd. Externe veiligheid het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek'

Figuur 4-2 Risicokaart van het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' Bron: www.risicokaart.nl). De rode stippellijn van links naar rechts is het kanaal Almelo - Nordhorn Risicovolle inrichtingen Het voorliggende plan voorziet niet in de realisatie van kwetsbare objecten. Ook ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen waardoor geen beperkingen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan. Transport gevaarlijke stoffen Het Basisnet bestaat uit drie kaarten: vervoer over de weg, de binnenwateren en het spoor. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Buisleidingen In het plangebied liggen relevante buisleidingen van nationaal of regionaal belang. Aan de noordzijde van het kanaal ligt een aardgasleiding van de Gasunie. Dit is ook het geval ten westen van het gebied, vanaf het kanaal naar het noorden. Bij de fysieke uitvoering werkzaamheden wordt rekening gehouden met de aanwezige leidingen. Hoogspanningsleidingen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een kaart gemaakt van de in Nederland voorkomende hoogspanningsleidingen. Hoogspanningsleidingen liggen op grote afstand westelijk (ter hoogte van Tubbergen) en zuidelijk (ter hoogte van Oldenzaal)van het plangebied.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

41

Figuur 4-3 uitsnede netkaart van RIVM Binnen het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door hoogspanningsleidingen. Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid.

4.2.5 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) belang. Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m²; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 ìg/m³. Luchtkwaliteit en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen zijn perceelsgebonden en zullen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toevoegen, dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie, kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane maatregelen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden.

Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

42

van toepassing. Ook kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, en voor zo ver relevant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. Er hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd.

4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij

Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wav en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' Onderstaande afbeelding geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom het Natura 2000-gebied “Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". De kwetsbare gebieden zijn op onderstaande afbeelding in groen weergegeven.

Figuur 4-4 Wav gebieden, in groen, in en in de omgeving van het plangebied van het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' (Bron: www.atlasvanoverijssel.nl) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen.

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

43

4.2.7 Overige aspecten

In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. Militaire laagvliegroutes Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen. Militaire laagvliegroutes en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' Het Natura 2000-gebied ligt op zeer ruime afstand ten oosten van de militaire laagvliegroute 10. Route 10 komt in de buurt van Eibergen Nederland binnen en gaat noordelijk via Almelo richting Slagharen, om daarna af te buigen naar rechts, richting Musselkanaal. Vanaf daar loopt de route naar Duitsland. Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" richten zich op het behoud en het versterken van natuurdoelstellingen. Het gebied is, mede gelet op de afstand tot de laagvliegroute, niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute.

Luchthavenbesluit Twente Airport In maart 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel een luchthavenbesluit voor de luchthaven Twente Airport vastgesteld. Het luchthavenbesluit is een onderdeel van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. In het besluit zijn verschillende beperkingengebieden aangewezen: voor externe veiligheid, geluidbelasting, veiligheid, vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik, laserstralen, hoogtebeperkingen, enz. Op kaarten bij het besluit is aangegeven welke beperkingen waar gelden, zoals bijvoorbeeld een maximale bouwhoogte voor obstakels.

Figuur 4-5 Kaart behorend bij Luchtvaartbesluit Twente Airport Het plangebied ligt binnen het 'gebied met hoogtebeperkingen, in verband met de vliegveiligheid' (zie bovenstaande figuur). Er gelden in dat gebied dus beperkingen aan de hoogte van bouwwerken. In het inpassingsplan wordt de bouw van bouwwwerken slechts beperkt (naar aard én omvang) toegelaten, vanwege de aard van het gebied. De beoogde ontwikkeling vormt daarom

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

44

geen belemmering in de zin van het Luchthavenbesluit. Conclusie Het voorliggende plan is niet in strijd met de regels van de beperkingengebieden, zoals vastgelegd in het Luchthavenbesluit Twente Airport. No-fly zones De regels die van toepassing zijn staan in de Wet luchtvaart (artikel 5.3) en Regeling modelvliegen. Enkele voorbeelden uit de regeling zijn: alleen bij daglicht en tot een maximale hoogte van 120 meter; niet boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, wegen, spoorlijnen, industrie- en havengebieden; drones verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonnen en luchtschepen; binnen laagvlieggebieden moet er iemand meekijken om u te waarschuwen voor luchtvaartuigen. In het algemeen geldt dat het verboden is op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar (kunnen) worden gebracht. Er kan altijd sprake zijn van tijdelijke verboden/beperkte gebieden in verband met bijvoorbeeld een evenement (zie "Temporary Airspace Restriction" op www.lvnl-ohd.nl). Voor ongecontroleerde luchthavens geldt dat vluchten binnen een afstand van 3 km zijn toegestaan, mits geen bezwaar bestaat bij de exploitant van de luchthaven.

Ook kan sprake zijn van gebieden die tijdelijk en uitzonderlijk worden gebruikt voor de start en landing van luchtvaartuigen; vliegen binnen een afstand van 3 km is toegestaan mits er geen bezwaar is bij de exploitant van dat terrein. In Natura 2000-gebieden kunnen beperkingen gelden voor het vliegen met drones. Deze beperkingen kunnen per gebied verschillend zijn en worden opgenomen in een beheerplan en/of toegangsbeperkend besluit dat doorgaans door de provincie waar het gebied in ligt wordt vastgesteld.

Figuur 4-6: No-fly zones In het plangebied zelf geldt geen directe beperking, omdat de zones niet over het plangebied liggen. In het provinciaal beleid is geregeld dat voor het landen en opstijgen in een Natura 2000-gebied (en de NNN) geen ontheffing wordt verleend. Overige infrastructuur

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

45

Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergronds (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen. Overige infrastructuur en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' Om de kabels en leidingen in de ondergrond in kaart te brengen, is een KLIC - melding gedaan binnen de grenzen van het interessegebied. Aan de hand van de verkregen data is er, specifiek in de gebieden waar inrichtingsmaatregelen worden getroffen, geïnventariseerd of kabels en leidingen de percelen doorkruisen op de locatie van de inrichtingsmaatregelen. Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.

4.2.8 Conclusie

Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de diverse aspecten op het gebied van het milieu.

4.3

Water

4.3.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruit gaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan. Het relevante waterbeleid is beschreven in hoofdstuk 2 en wordt daarom hieronder niet herhaald.

4.3.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 3 van dit inpassingsplan. Dit inpassingsplan zal tijdens ter inzage legging ter beoordeling worden voorgelegd aan het waterschap. De reacties van het waterschap zullen in deze paragraaf worden verwerkt. Het waterschap is betrokken bij het opstellen van het Inrichtingsplan, dat de basis vormt voor het inpassingsplan. Volgens het Inrichtingsplan worden met de voorgestelde maatregelen doelen behaald voor N2000 als de KRW. Het waterschap heeft aangegeven dat de doelen en de bijbehorende maatregelen in hoofdlijnen beschreven moeten zijn in de waterparagraaf.

4.3.3 Water en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek'

In deze waterparagraaf zijn de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Binnen het inpassingsplan wordt geen nieuwe verharding gerealiseerd. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. Om de effecten van de maatregelen op de habitattypen in het Natura 2000-gebied en andere

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

46

functies in het gebied te bepalen, zijn hydrologische berekeningen uitgevoerd. Met behulp van een grondwatermodel, de input vanuit de systeemanalyse en gebiedskennis van experts, zijn verschillende maatregelenscenario’s in verschillende iteratieve stappen doorgerekend. Het doel van dit iteratieve proces was te komen tot een breed gedragen eindscenario dat voorziet in het stoppen van de achteruitgang van de kwaliteit van de habitattypen met zo min mogelijk negatieve effecten op andere functies dan natuur in het gebied (wonen, werken). Om de effectiviteit van de maatregelen op de habitattypen te kunnen beoordelen, is gekeken naar vier sturende factoren voor grondwaterkwaliteit en –kwantiteit. Van hoogste naar laagste prioriteit zijn dat kwel/wegzijging, duurlijnen (hoe lang per jaar een bepaalde waterstand voorkomt), gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Uit het proces blijkt dat de definitieve maatregelen een positief effect op de habitattypen hebben en een beperkt effect op de omgeving. De kwel, als belangrijkste criterium voor de habitattypen, neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe als tweede belangrijke criterium. Ook de GVG en GLG stijgen, met als gevolg dat het doelgat dat er eerder was voor de GLG, wordt gedicht.

Agrarische percelen die met vernatting te maken krijgen door de maatregelen hebben en niet meer agrarisch kunnen worden gebruikt, hebben een andere bestemming gekregen (Natuur). De agrariers die dit aangaat worden gecompenseerd. Om natschade aangebouwen te voorkomen zijn in enkele gevallen mitigerende maatregelen op de agrarische erven noodzakelijk. Als dit aan de orde is, is dit planologisch mogelijk op grond van de vigerende bestemmingen. Ten aanzien van de watertoets is het met name van belang dat de waterbelangen op een juiste manier meegenomen zijn in de besluitvorming. Uit de digitale watertoets blijkt dat het vooral van belang is hoe omgegaan wordt met een eventuele toename van het verharde oppervlak en of bestaande waterbelangen (oppervlaktewater, grondwater) niet worden geschaad. Dit inpassingsplan stelt geen toename van het verharde oppervlak voor en zorgt er door middel van maatregelen voor dat de hydrologische omstandigheden in het gebied worden verbeterd.

4.3.4 Conclusie

Ten aanzien van het aspect water wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen voor de realisatie van de natuurdoelstellingen én eventuele mitigerende maatregelen, zoals in dit plan beschreven, geen nadelige effecten ontstaan. Het Inrichtingsplan stelt maatregelen voor om het watersysteem beter te laten functioneren en bevat ook de noodzakelijke mitigerende maatregelen om nadelige gevolgen te voorkomen.

4.4

Ecologie

4.4.1 Wettelijk en beleidskader

Dit inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen in het kader van de ambities en verplichtingen in het natuurbeleid mogelijk te maken. Ecologie is daarmee een zeer zwaar meewegend omgevingsaspect en moet goed onderzocht worden. Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het aspect natuur wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan.

4.4.2 Ecologie en het PIP 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek'

Ten behoeve van de opgave voor dit Natura 2000-gebied is onderzoek uitgevoerd naar de maatregelen in relatie tot de Wet natuurbescherming. De rapportages zijn bijgevoegd in bijlage 1 en bijlage 2 bij de toelichting. In het rapport zijn de geplande maatregelen getoetst aan de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Er zijn concrete plannen voor herstel en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden van het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen zijn gericht op duurzaam behoud en/of versterking

NL.IMRO .9923.ipA V A V -on01

47

van Habitattypen en Habitatsoorten waarvoor een instandhoudingdoelstelling is vastgesteld. Er worden maatregelen voorgesteld die tot doel hebben negatieve effecten uit het verleden weg te nemen (verdroging, verzuring, vermesting), bepaalde Habitattypen in omvang toe te laten nemen (zoals rooien van bos) en om het gebied robuuster te maken (zoals maatregelen t.b.v. waterhuishouding en uitbreiding areaal natuur). Als gevolg van de uitvoering van de maatregelen worden waarschijnlijk beschermde dier- en plantensoorten negatief beïnvloed. Als beschermde dier- of plantensoorten, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen , zoals verwoord in de Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan. Als gevolg van de spoedwet Aanpak stikstof, hoeft geen 'Natura2000-vergunning' aangevraagd te worden voor voorgenomen activiteiten. Wel geldt de zorgplicht. Om invulling te geven aan de zorgplicht, moeten de voorgestelde maatregelen in detail beoordeeld worden op een mogelijk negatief effect op planten en dieren (ongeacht of ze beschermd zijn).

Er is geen vergunningplicht voor het uitvoeren van inrichting- en herstelmaatregelen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". Er zijn geen voorwaarden gesteld aan het gebruik van deze generieke vrijstelling. Ook is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist voor activiteiten die een negatief effect hebben op beschermde soorten. Verder geldt een vrijstelling voor de herplantplicht van bos dat verdwijnt en geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen voor beschermde dier- en plantensoorten omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan voor het Natura2000-gebied. Ondanks de vrijstelling in het kader van de spoedwet Aanpak Stikstof, geldt de zorgplicht. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld wanneer alle te nemen maatregelen tot in detail bekend zijn; hierin worden ook de mitigerende maatregelen uit de Gedragscodes Natuurbeheer en Bosbeheer opgenomen.

4.4.3 Conclusie

De maatregelen, uitgewerkt in het Inrichtingsplan, dragen in belangrijke mate bij aan het realiseren van de Natura 2000-opgaven ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen. Bovendien draagt het bij aan het behoud van standplaatsen en leefgebied van gebiedskarakteristieke beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook draagt het bij aan de bescherming van soorten van de Rode lijst, waarvoor de zorgplicht geldt. Het plan draagt bij aan het realiseren van de beleidsdoelen in het kader van Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin voor alle beschermde en/of rode lijst soorten en voor beschermde gebieden is aangegeven wat de juiste manier en beste periode van werken is om negatieve effecten te voorkomen.

4.5

Archeologie

4.5.1 Wettelijk kader

In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. C oncreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen en/of inpassingsplannen) meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in het ruimtelijke plan een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit;

P IP A chter de V oort, A gelerbroek en V oltherbroek

48

Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESC O-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden. In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (= archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veilig gesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/597/documents/18319