CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1774.TAMBUIKORENMWEG18-VG01_Motivering.pdf

Gemeenteraad 10 februari 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied Korenmors-weg 18, Oude Broekweg 4’25.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 alinea's met “bopa”: 238

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren.

Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Voorliggend plan heeft betrekking op het slopen en nieuw realiseren van een schuur en het toestaan van een bedrijf aan huis onder de woonfunctie aan de Oude Broekweg 4. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. Er is sprake van een planologische functie wijziging waardoor op basis van jurisprudentie (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075) geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

35

Behoefte In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. De aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling zijn bepalend voor de reikwijdte van het onderzoek naar de behoefte, de beschrijving van en het overleg over de behoefte. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio. Bestaand stedelijk gebied Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied. Conclusie De vraag dient beantwoord te worden of er met het slopen en herplaatsen van één schuur sprake is van een “stedelijke ontwikkeling” zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl.

Lid 1 van artikel 5.129g Bkl geldt alleen voor ontwikkelingen die als voldoende substantieel is aangemerkt Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL: RVS: 2017:1724) geldt er in beginsel bij het toevoegen van een terrein met een (nieuw) ruimtebeslag van meer dan 500 vierkante meter Bruto vloeroppervlak in beginsel aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling mits voldoende substantieel van aard. Wanneer deze onder grens niet wordt gehaald wordt de ontwikkeling niet als voldoende substantieel aangemerkt. Met voorliggend plan word er in totaal 260 m2 aan schuur gesloopt aan de Korenmorsweg 18. Daarvoor wordt er aan de Oude Broekweg 4 een extra bijbehorend bouwwerk van maximaal 180 m2 gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande is onderhavig project derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet als substantieel aan te merken zoals bedoeld in artikel 5.129 Bkl.

5.2 m.e.r.-beoordeling Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projectende EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet).

In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in 36

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Toets Beoordelen of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Dit project heeft betrekking op het slopen en realiseren van een bijbehorend bouwwerk.

Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. In kolom 1 van bijlage V van het Ob, wordt het slopen en herbouwen van één schuur en het toevoegen van oppervlakte van één woning niet expliciet genoemd.

De meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt er in beginsel bij het toevoegen van een terrein met een (nieuw) ruimtebeslag van meer dan 500 vierkante meter Bruto vloeroppervlak in beginsel aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling mits voldoende substantieel van aard. Wanneer deze onder grens niet wordt gehaald wordt de ontwikkeling niet als voldoende substantieel aangemerkt. Met voorliggend plan word er in totaal 260 m2 aan bijbehorende bouwwerken gesloopt aan de Korenmorsweg 18. Daarvoor wordt er aan de Oude Broekweg 4 een extra bijbehorend bouwwerk van maximaal 180 m2 gerealiseerd. Het bijbehorende bouwwerk zal o.a. gebruikt worden als opslag voor het bedrijf van de initiatiefnemer (detachering van personeel in de agrarische sector). In totaal zal het bedrijf 175 m2 van de nieuwe schuur in beslag nemen. De overige m2 wordt in gebruik genomen als privé opslag. Om het bedrijf toe te staan wordt er een functiewijziging doorgevoerd. Gelet op het vorenstaande is onderhavig project derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet als substantieel aan te merken zoals bedoeld in artikel 5.129 Bkl.

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

37

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De twee erven worden ontsloten via de Korenmorsweg en Oude Broekweg. Beide wegen hebben een regime van 60 km/u. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen niet of in beperkte mate toe.

Gezien geen toename of in beperkte mate toename van verkeersgeneratie wordt verwacht kan geconcludeerd worden dat het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Aan de Oude Broekweg 4 wordt er een nieuwe schuur ter behoeve aan een bedrijf aan huis toegestaan. De schuur heeft een oppervlakte van 180 m2, waarvan 175 m2 ten behoeve van het bedrijf worden ingezet. Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland moet er voor een loods 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO gerealiseerd worden. Voor de volgende ontwikkeling zouden er 1,8 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op het erf is voldoende ruimte om deze parkeervraag op te vangen, zoals ook te zien is in Bijlage 4. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor het voorliggend plan. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1

Gebeidsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

38

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

Situatie plangebied Korenmorsweg 18 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' en ligt op een afstand van circa 1,56 km van de planlocatie aan de Korenmorsweg 18. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.1. Voorliggend project voorziet in het slopen en realiseren van één bijbehorend bouwwerk. Aan de Korenmorsweg 18 wordt er een bijbehorend bouwwerk gesloopt van 260 m2. Bij de sloop van een stal van 20 x 40 meter komt nauwelijks stikstof vrij. Gelet op de grootte van het project en de afstand tot het Natura 2000-gebied kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden voor het gebied 'Bergvennen & Brecklenkampse veld'.

Figuur 5.1 Uitsnede Natura 2000-kaart, plangebied onder de blauwe icoon (Bron: Atlas Leefomgeving) Oude Broekweg 4 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek' en ligt op een afstand van circa 200 m van de planlocatie aan de Oude Broekweg 4. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.2. Voorliggend project voorziet in het vervangen van de woning en de realisatie van een nieuw bijbehorend bouwwerk. De nieuwe situatie verbeterd ten opzichte van de huidige situatie door gasloze bebouwing. Gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieronder staan de belangrijkste conlusies: Voor de ontwikkel fase onstaat er een uitstoot van 0,01 kg/j Nh3 en 1,9 kg/j NOx. Voor de gebruiksfase ontstaat er een uitstoot van 0,0 kg/j Nh3 en <0,1 kg/j NOx. Er wordt geen significante toename aan stikstof uitstoot gemeten. De gehele berekening is te lezen in Bijlage 8 en Bijlage 9. Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden voor het gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek'.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

39

Figuur 5.2 Uitsnede Natura 2000-kaart, plangebied onder de blauwe icoon (Bron: Atlas leefomgeving) Conclusie Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie plangebied De plangebieden behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeven voorgenomen initiatieven niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Conclusie De plangebieden liggen op minimaal 20 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN.

De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.2

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild 40

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied In het kader van de ontwikkeling is natuuronderzoek uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, de bijbehorende rapportages zijn bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 6 Quickscan natuurwaarden. Onderstaand zijn de conclusies opgenomen van de quickscan. Korenmorsweg 18 Aan de in Korenmorsweg 18 in Lattrop zijn geen beschermde flora- of fauna aangetroffen. Oude Broekweg 4 De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde dieren hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied en wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogelsoorten benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk huismussen in de woning en bijbehorende bouwwerken op het terrein.

Aangezien nesten van huismussen jaarrond beschermd zijn met er nader onderzoek uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of deze nesten aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van de woning en de bijbehorende bouwwerken. Daarnaast nestelen er mogelijk vogels in de beplanting rondom de schuur. Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.

Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Aanvullend onderzoek huismus Om te bepalen of er huismussen aanwezig zijn in de te slopen schuur is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd door de Natuurbank Overijssel (projectnummer: 7095).

De belangrijkste conclusies zijn hieronder te lezen, het gehele rapport is in Bijlage 7 te lezen. In mei en juni 2025 is bebouwing aan de Oude Broekweg 4 in Rossum onderzocht op nestplaatsen van huismussen. Er zijn geen bezette nesten van de huismus vastgesteld binnen het plangebied. Door het slopen van de schuur zal geen overtreding van een verbodsbepaling plaatsvinden. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit Algemeen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

41

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.6 Geluid 5.6.1

Algemeen

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.

De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, 42

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan.

De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘Rustig’ (38 dB) en de bovengrens ‘zeer onrustig’ (53 dB). 5.6.2

Situatie plangebied

Aan beide locaties wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegestaan. Echter wordt aan de Oude Broekweg 4 de woning op het perceel verplaatst. Daarbij wordt het bestaande bedrijf uitgebreid en toegestaan. Een uitzendbureau en het verhuren van een koeienbad heeft geen expliciet SBI nummer. Hierdoor wordt er aansluiting gezocht bij Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren, SBI-nummer 941, 942). Deze hebben een milieucategorie van 1. Gelet op de richtafstanden voor een bedrijf in de categorie 1 vormt het bedrijf geen belemmering voor de te verplaatsen woning. Het perceel aan de Oude Broekweg 4 ligt in de geluidscontour van de Ootmarsumsestraat. De geluidsbelasting op de gevel is 47 dB volgens de wegverkeerkaart op atlas leefomgeving, zie figuur 5.3. Hiermee wordt de standaardwaarde van 50 dB zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Bkl niet overschreden. Aan de Korenmorsweg 18 word een schuur gesloopt en verplaatst. Op deze locatie wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegestaan of verplaatst. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Figuur 5.3 Uitsnede wegverkeer, locatie Oude Broekweg 4 onder blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving) TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

43

Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat.

5.7 Geur Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Voor Dinkelland is er lokaal beleid ten aanzien van geur afkomstig van veehouderijen opgesteld in de Geurgebiedsvisie en de Geurverordening. Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering. Bij deze toets kan de Geurverordening van Dinkelland van belang zijn. Toets Met voorliggend plan wordt geen nieuwe geur gevoelige functie toegestaan of gerealiseerd. Aan de Oude Broekweg wordt met voorliggend plan een bijbehorend bouwwerk geplaatst en een woning verplaatst. Deze woning ligt op een afstand van circa 280 meter van het dichtsbijzijnde agrarische perceel, aan de Weustmorsweg 2. Dit perceel heeft momenteel echter geen bedrijfsmatige agrarische functie meer. Daarbijt geldt dat voor zowel de huidige situatie als ook in de nieuwe situatie de afstand niet kleiner wordt. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstanden die gesteld zijn in artikel 5.110 tot artikel 5.112 van het Bkl. Verdere toetsing aan het aspect 'Geur' wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geur geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.8 Omgevingsveiligheid Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van 44

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Situatie plangebied Risicokaart Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 5.4 Uitsnede risicokaart, planlocatie Korenmorsweg 18 in rood omcirkeld (Bron: Atlas Leefomgeving) Op basis van de risicokaart Nederland (figuur 5.4) zijn er in de directe omgeving van de Korenmorsweg 18 geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 715 meter en betreft een mestvergisting.

Figuur 5.5 Uitsnede risicokaart, planlocatie Oude Broekweg 4 onder blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving) TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

45

Op basis van de risicokaart Nederland (figuur 5.5) zijn er in de directe omgeving van de Oude Broekweg 4 geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 666 meter en betreft een brandaandachtsgebied van een buisleiding. Gezien de onderlinge afstanden en het feit dat de projectgebieden buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobronnen, vormt deze risicobronnen geen belemmering voor dit initiatief. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen verwacht voor het voorliggende plan.

5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets Met voorliggend project wordt een schuur gesloopt aan de Korenmorsweg 18 en wordt een bijbehorend bouwwerk gebouwd en de woning verplaatst aan de Oude Broekweg 4. Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op. 1.

Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom de projectgebieden zijn hoofdzakelijk agrarische gronden of woningen gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen behoort tot één van de uitzonderingen. 2. Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. In de bestaande situatie is er reeds sprake van een trillingevoelig functie er wordt dus geen nieuw trillinggevoelig gebouw toegelaten. Conclusie Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.

5.10

Archeologie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en 46

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Archeologie Korenmorsweg 18 Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat er een lage en hoge archeologische verwachting op het projectgebied aan de Korenmorsweg 18 ligt. Zoals te zien is in figuur 5.6.

Figuur 5.6 Uitsnede archeologische waardenkaart, planlocatie in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied bevindt zich in twee verschillende zones. De eerste zone is de 'beekdalen en overige laagten'. Voor deze zone geldt een lage kans op archeologische resten uit alle perioden. Er geldt een uitzondering voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en geldt een uitzondering hiervoor binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones. De tweede zone is de 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Deze laag is afgedekt door een plaggendek groter dan 50 cm. Hierdoor zijn deze locaties minder gevoelig voor bodemingrepen, maar zijn archeologische resten goed geconserveerd. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en bij een plangebied groter dan 2500 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Oude Broekweg 4 Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat er een middelmatige en hoge archeologische verwachting op het projectgebied aan de Oude Broekweg 4 ligt. Zoals te zien is in figuur 5.7.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

47

Figuur 5.7 Uitsnede archeologische waardenkaart, planlocatie in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied bevindt zich in twee verschillende zones. De eerste zone is de 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Voor deze zone geldt een middelmatige kans op archeologische resten uit alle perioden. Er geldt een verplichting tot onderzoek bij plangebieden groter dan 5000 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. De tweede zone is de 'dekzandhoogten en -ruggen'. Voor deze zone geldt een hoge kans op archeologische resten uit alle perioden. Ze verwachten archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor zijn deze gebieden kwetsbaar voor bodemingrepen. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen bij plangebieden groter dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm er een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Voor zowel de locatie aan de Korenmorsweg en de Oude Broekweg geldt dat het plangebied kleiner is dan 2500 m2. Hiermee is een archeologisch onderzoek uitgesloten. Daarnaast vinden de werkzaamheden op reeds verstoorde grond plaats van eerdere bebouwing. Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan. Cultuurhistorie Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect 'cultuurhistorie'.

Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

5.11

Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 48

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie plangebied In opdracht van initiatiefnemer heeft Dumea verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd aan de Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 10 en Bijlage 11. Met voorliggend plan word een schuur gesloopt, verplaatst en één bijbehorend bouwwerk nieuw gebouwd. Daarnaast word één woning nieuwgebouwd. De resultaten van de verkennende bodemonderzoeken zijn als volgt: Korenmorsweg 16 Op een locatie gelegen aan de Korenmorsweg 16 te Lattrop, kadastraal bekend gemeente: Denekamp, Sectie: N, nummer(s): 1421 op 7 november 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf.

Initiatiefnemer is voornemens twee schuren te slopen en één van deze te verplaatsen. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en barium aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In het mengmonster is analytisch geen asbest aangetoond. Druppelzone Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster DZ1 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Doordat in de SEM-analyse meer dan 10 mg/kg ds asbest in aangetoond dient de verontreiniging met spoed (binnen 4 jaar) gesaneerd te worden.

Mogelijk dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de omvang van de verontreiniging vast te stellen. Dit zal in overleg met bevoegd gezag bepaald moeten worden. Oude Broekweg 4 Op een locatie gelegen aan de Oude Broekweg 4 te Rossum, kadastraal bekend gemeente:Weerselo, Sectie: U, nummer(s): 320, 292 is op 7 november 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft een landelijk erf met bestemming “wonen” en “agrarisch” in het buitengebied van Rossum. Op de locatie staat een woning met meerdere schuren. Initiatiefnemer is voornemens een schuur en woning te slopen en een woning en schuur terug te bouwen. Tevens wordt een gedeelte met bestemming agrarisch gewijzigd naar wonen. De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

49

Gehele locatie In het bovengrondmengmonster en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn geen verhogingen aangetroffen. Conclusie De locatie aan de Korenmorsweg 18 wordt, na sanering van de druppelzone, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. De locatie aan de Oude Broekweg 4 wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.

5.12

Waterbelang

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van 50

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ao Buitengebied, Korenmorsweg 18 en Oude Broekweg 4

Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering.

Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Weging van het waterbelang in voorliggend plan Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'.

Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: grondwater; oppervlaktewater; regenwater en; afvalwater. Toets Op 19 februari 2025 is er een digitale watertoets gedaan. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure toepassing is. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen voorliggen plan. Voor de digitale watertoets wordt verwezen naar Bijlage 6 Digitale watertoets. Waterhuishouding Het voornemen loopt geen verhoogd risico op mogelijke wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom de plandelen geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1032/documents/24808