CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19

Gemeenteraad 22 september 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19”27.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. In de Omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend plan zijn met name de thema's 'leefbare kernen', 'aantrekkelijk wonen' en 'leefomgeving van de toekomst' van belang. Leefbare kernen De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar ook vooral kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. Van oudsher zijn inwoners van de kernen van Dinkelland gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente voorzetten aan de hand van de speerpunten: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen en leefbare openbare ruimte. Aantrekkelijk wonen De gemeente wil zorgen dat het aantal en soort woningen past bij de vraag. De gemeente wil graag binnen de bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 23 grenzen van de kern bouwen. Wanneer daar geen plek beschikbaar is, dan wordt er gekeken naar de randen van de kern. De huidige knelpunten zijn betaalbare woningen voor starters en ouderen.

In de Woonvisie (zie paragraaf 4.1.4) van de gemeente wordt nader vooruit gekeken naar de vraag naar woningen. De gemeente houdt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. Dit doet de gemeente door een meerjaren woningbouwprogramma op te stellen met inbreng van de kernen. Zo worden nieuwe woongebieden gezamenlijk ingericht. Leefomgeving van de toekomst De gemeente wil een leefomgeving die gezond, veilig en duurzaam is. De bodem, het water en de lucht, de natuur, gebouwen en wegen en paden zijn allemaal onderdeel van de leefomgeving. Duurzaam beheer van de leefomgeving betekent ook dat de omgeving groen is met een goede kwaliteit van water, bodem en lucht. Omgevingsveiligheid gaat over de vraag hoe onze inwoners en bezoekers zo veilig mogelijk in hun fysieke leefomgeving kunnen wonen, werken, ontspannen, reizen, sporten en bewegen. Bij het toedelen van functies, dus wat mag op welke plek in de gemeente, wordt gekeken naar welke risico’s levert een initiatief op Veilige en gezonde leefomgeving betekent dat de inwoners en de kinderen leven in een omgeving met een gezonde bodem, gezonde lucht en gezond water. En dat betekent dat er ruimte is om te bewegen en te ontmoeten. De ruimte moet ook veilig zijn, zodat er gespeeld kan worden en dat je kan wandelen, fietsen of autorijden zonder ongelukken.

Daarnaast zijn de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid in de openbare ruimte en maatregelen tegen droogte en hitte als gevolg van klimaatadaptatie belangrijke speerpunten. Wat betreft duurzaamheid wil de gemeente ook anders omgaan met energie en grondstoffen. We gebruiken teveel en we gebruiken vooral grondstoffen die op raken. Dat moet anders. De speerpunten voor veilig, gezond en duurzaam zijn: energieneutraal in 2050; duurzaam beheer; gezonde leefomgeving; veilige leefomgeving. Waardenkaart In figuur 4.6 is een uitsnede van de waardenkaart van de omgevingsvisie weergegeven. Voor het plangebied (aangeduid met marker) geldt dat het onderdeel uitmaakt van de 'landelijke kernen'. Figuur 4.6: Uitsnede Waardenkaart (bron: gemeente Dinkelland/Regels op de kaart). Hoewel niet op deze kaart zichtbaar grenst het plangebied aan een op de Waardenkaart aangemerkte 'ontwikkellocatie'. De ontwikkellocatie betreft woningbouwplan 'Saasveld de Lenne' welke reeds tot uitvoering is gebracht. Voor de 'Landelijke kernen' gelden onder andere de volgende waarden: 24 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 kernen met kleinschalige bebouwing verbonden met het buitengebied; een groene omgeving; rafelige en wisselende dorpsranden.

Bij ontwikkelingen moet ingespeeld worden op: het kleinschalige bebouwingsbeeld; de verbondenheid met het buitengebied; de afwisselende dorpsrand; de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omringende landschap met waardevolle cultuurhistorische elementen. Toets Omgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van zeven nieuwe woningen voor de lokale behoefte (zie paragraaf 4.1.4). Het plangebied maakt onderdeel uit van de landelijke kernen en voldoet daarmee aan de principes van 'inbreiding voor uitbreiding' zoals in de omgevingsvisie is verwoord. Tevens is bij de toets aan de Omgevingsverordening Overijssel aangetoond dat het voldoet aan de principes van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' van de provincie Overijssel. Het plan voorziet in een concrete behoefte aan levensloopbestendige en betaalbare koopwoningen. De vrijstaande woning die gerealiseerd wordt door het bestaande bijgebouw Drosteweg 19a te verbouwen kan een bijdrage leveren aan doorstroming op de woningmarkt. Het toevoegen van aantrekkelijke woningen voor doorstromers aan de bestaande voorraad, kan verhuisketens op gang brengen. Als (jonge) gezinnen uit een starterswoning gaan verhuizen, komen er ook meer bestaande (betaalbare) woningen op de markt die geschikt zijn voor starters en startende gezinnen.

Het stedenbouwkundige ontwerp houdt rekening met de kenmerken van de bestaande bebouwing in de omgeving. Qua bouwmogelijkheden wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de bebouwingskenmerken in de omgeving (zoals goot- en bouwhoogte, bouwmassa etc.). De nieuwe woningen moeten voldoen aan de geldende BENG-normen wat betekent dat de woningen bijna energieneutraal moeten worden uitgevoerd. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en de bestaande infrastructuur kan de toename van het aantal verkeersbewegingen veilig afwikkelen. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in grasklinkers waardoor het als waterdoorlatende verharding wordt uitgevoerd. Aan de achterzijde van dit plan is ruimte gereserveerd voor waterberging in de vorm van een wadi. In de regels van dit omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting (specifieke functieregel) voor het aanleggen en nadien instandhouden van de waterbergingsvoorzieningen opgenomen. Daarmee is geborgd dat er voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd. Daarmee wordt met het plan tevens een bijdrage geleverd aan de speerpunten van de leefomgeving van de toekomst. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.1.4 Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 Algemeen De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld.

De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In deze paragraaf is de toets aan dit programma opgenomen. Onbalans tussen woningvraag en - aanbod De woningmarkt vormt een complexe uitdaging voor de gemeente Dinkelland. Uit de beschrijving van de huidige woningvoorraad gemeente Dinkelland en de ontwikkeling van de woningbehoefte blijkt duidelijk dat er een onbalans bestaat tussen de (kwalitatieve) vraag en het aanbod van woningen. Deze onbalans wordt veroorzaakt door uiteenlopende factoren zoals de huishoudensgroei, bevolkingssamenstelling, specifieke woonbehoeften van verschillende groepen, en het huidige woningaanbod dat onvoldoende aansluit op de huidige en toekomstige vraag. Het is noodzakelijk om deze onbalans aan te pakken, zowel binnen de bestaande woningmarkt als door nieuwbouwontwikkelingen. De onbalans in de woningmarkt van Dinkelland is zichtbaar op verschillende aspecten: sociaal huuraanbod; Dinkelland kent een relatief laag aandeel sociale huurwoningen in vergelijking met andere gemeenten, terwijl er een groeiende vraag is naar betaalbare woningen, met name voor starters, statushouders en urgentie- en andere aandachtsgroepen.

Woninggrootte; bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 25 Het huidige woningaanbod bestaat voor een groot deel uit relatief grote eengezinswoningen, terwijl de vraag naar kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens, zoals appartementen, beneden-bovenwoningen en zorggeschikte woningen, toeneemt. Deze onbalans in grootte en type van woningen belemmert een efficiënte woningtoewijzing en zorgt voor mismatches op de woningmarkt. Kwetsbare doelgroepen en zorgbehoefte; De toenemende behoefte aan woningen voor ouderen, zorgbehoevenden, aandachts- en urgentiegroepen en jongeren wordt momenteel niet volledig gedekt door het beschikbare aanbod. Betaalbaarheid Met name starters, jongeren en lage- tot middeninkomens (één tot anderhalf maal modale inkomens) hebben moeite om passende woonruimte te vinden binnen hun financiële mogelijkheden. Het tekort aan betaalbare koop- en huurwoningen leidt tot een toename van woningzoekenden die tussen wal en schip vallen. De onbalans tussen woningvraag en woningaanbod in de gemeente Dinkelland vraagt om een brede en integrale aanpak. Om de onbalans te corrigeren, is een eerste stap om de bestaande woningvoorraad beter te benutten en te verduurzamen. Naast het optimaal benutten van de bestaande woningvoorraad, is het noodzakelijk om door middel van nieuwbouw in te spelen op de woningbehoefte van de komende jaren.

Hoewel de bovengenoemde maatregelen een belangrijke stap zijn in het herstellen van de balans tussen vraag en aanbod, kunnen aanvullende inspanningen noodzakelijk zijn om de onbalans te verminderen. Een van de grootste uitdagingen is om versnelling aan te brengen in het oplossen van deze onbalans, aangezien de vraag naar woningen snel toeneemt. Dit vraagt om een versnelde uitvoering van nieuwbouwprojecten, kortere doorlooptijden voor vergunningprocedures en het beter coördineren van vraaggestuurde woningbouw. Tegelijkertijd is het van belang om oog te houden voor duurzaamheid en kwaliteit in de bouw. De complexe uitdagingen vragen om continue monitoring en bijsturing zodat de onbalans in de woningmarkt binnen de gemeente Dinkelland de komende jaren geleidelijk wordt hersteld. Beleid om huidige woningvoorraad beter te benutten Om de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte te realiseren, richt de gemeente Dinkelland zich zowel op het beter benutten van de bestaande voorraad als het toevoegen van nieuwbouwwoningen. De gemeente Dinkelland richt zich op het bevorderen van de doorstroming binnen de woningmarkt. Het doel is om de woningmarkt toegankelijker en efficiënter te maken, zodat woningen beter aansluiten op de veranderende woonbehoeften van onze inwoners. Het doorstromingsbeleid richt zich op drie speerpunten.

Relevant voor de voorgenomen ontwikkeling is het toevoegen van levensloopbestendige woningen aan nieuwbouwprojecten. De gemeente Dinkelland streeft ernaar om in nieuwbouwprojecten levensloopbestendige woningen toe te voegen, specifiek gericht op 1- en 2-persoonshuishoudens. Dit draagt bij aan een woningaanbod dat beter aansluit op de behoeften van kleine huishoudens en senioren, waardoor de doorstroming op de woningmarkt wordt bevorderd. De gemeente definieert drie verschillende woonvormen onder levensloopbestendige woningen. De voor dit plan relevante woonvorm betreft: nultredenwoningen In dit type woning is de woonkamer, keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer gelijkvloers. De woning is zonder traplopen bereikbaar. Deze gelijkvloerse woningen/appartementen liggen waar mogelijk in de buurt van voorzieningen. Deze is goed toegankelijk voor mensen met een rollator. Daarnaast wil de gemeente de komende jaren meer betaalbare koopwoningen toevoegen aan de woningvoorraad. Dit is nodig om meer mogelijkheden te creëren voor starters die een te hoog inkomen hebben voor de sociale huur, maar te weinig om een woning uit de huidige voorraad te kunnen betalen. Dinkelland zet primair in op het bouwen van meer betaalbare woningen voor starters met beperktere mogelijkheden, maar binnen het totale woningbouwprogramma maken we ook de bouw van dure koopwoningen mogelijk.

Onder betaalbare koop worden woningen tussen een V.O.N. prijs verstaan van €275.000 en €390.000 (sinds 2025 geldt dat een betaalbare koopwoning een V.O.N. prijs heeft van € 405.000). In 2026 is de grens voor een betaalbare woning vastgelegd op € 420.000,-. Toets Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van zeven nieuwe woningen op een locatie aan de rand van Saasveld, welke grenst aan het meest recente nieuwbouwplan Saasveld, De Lenne. Op grond van de Beleidsnota inbreidingslocaties 2020 (zie paragraaf 4.1.5) wordt het plangebied aangemerkt als logische uitbreidingslocatie. In de kern Saasveld is nauwelijks tot geen ruimte beschikbaar of beschikbaar te maken door herstructurering en transformatie voor nieuwbouw van woningen. Ook is het op grond van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik niet de bedoeling dat al het bestaand stedelijk groen en sport- en spelvoorzieningen komen te verdwijnen. Ook zijn de (potentiële) inbreidingslocaties reeds ontwikkeld of in voorbereiding. Aangezien er in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is of geschikt te maken is binnen bestaand stedelijk gebied mag een claim gelegd worden op het plangebied die is voorzien van de enkelfunctie 'Agrarisch' 26 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 om in de woningbouwbehoefte van de kern Saasveld te voorzien.

Daarbij sluit de ontwikkeling aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuur en infrastructuur. Er wordt één nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd door het verbouwen van het bestaande bijgebouw Drosteweg 19a en er worden zes aaneengebouwde woningen gerealiseerd. De aaneengebouwde woningen worden als nultredenwoning (levensloopbestendig) uitgevoerd waarbij de woonkamer, keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer op de begane grond gesitueerd zijn. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee in de realisatie van levensloopbestendige en betaalbare woningen. In het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Dinkelland is aangegeven dat voor betaalbare koop wordt aangesloten bij de ministeriële regeling. Voor 2024 bedroeg de koopprijs voor een betaalbare koopwoning € 390.000,-. In 2025 bedraagt de koopprijs voor een betaalbare woning maximaal € 405.000,-. In 2026 is de grens voor een betaalbare woning vastgelegd op € 420.000,- Daarnaast kunnen de vrijstaande woningen een bijdrage leveren aan doorstroming op de woningmarkt. Het toevoegen van aantrekkelijke woningen voor doorstromers aan de bestaande voorraad, kan verhuisketens op gang brengen. Als (jonge) gezinnen uit een starterswoning gaan verhuizen, komen er ook meer bestaande (betaalbare) woningen op de markt die geschikt zijn voor starters en startende gezinnen.

De gemeente Dinkelland heeft een totale woningbouwbehoefte van 871 woningen (100%). De gemeente programmeert 130% van de woningbouwbehoefte (1.133 woningen) vanwege vertragingen in het ontwikkelproces of het uiteindelijk niet doorgaan van plannen. Totaal kent de gemeente 934 woningbouwplannen (82% van de totale plancapaciteit). Er is dus nog ruimte voor 199 nieuwe woningbouwinitiatieven (18% van de totale plancapaciteit). Voor de kern Saasveld bedraagt het aantal harde woningbouwplannen 15 woningen. Het aantal zachte woningen in Saasveld bedraagt 29 woningen, waarvan 5 woningen zijn toegewezen aan de locatie Drosteweg 19 in Saasveld. Aangezien het plan voorziet in 7 nieuwe woningen, kan geconcludeerd worden dat er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. Het plan levert een bijdrage aan het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029. 4.1.5 Beleidsnota inbreidingslocaties 2020 De gemeente Dinkelland heeft de 'Beleidsnota inbreidingslocaties 2020' vastgesteld. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. De beleidsnota bevat voorwaarden voor de ontwikkeling van inbreidingslocaties.

Naast het voldoen aan het rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid moet voldaan worden aan de gestelde voorwaarden uit hoofdstuk 3 van de beleidsnota. In paragraaf 3.4 van de beleidsnota zijn de locaties aangemerkt die in aanmerking komen voor inbreiding. Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken wordt verstaan: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 27 Onder een 'lege plek' wordt verstaan: een fysiek onbebouwde ruimte, gelegen in bestaand bebouwd gebied. Ten aanzien van de stedenbouwkundige voorwaarden geldt dat een aanvraag tenminste moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; b. kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; c. samenhang met de omgeving; d. woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast. Ten aanzien van de procedurele aspecten is van belang dat het kwaliteitsteam (Q-team) een positieve beoordeling geeft.

Voor de planologische procedure geldt dat de volgende aspecten een belangrijke rol spelen: milieuaspecten: zoals bodem, geluid, geur, luchtkwaliteit en externe veiligheid; water; verkeer en parkeren; flora en fauna (en stikstof); archeologie/cultuurhistorie. Voorts worden in een anterieure overeenkomst afspraken gemaakt over de inrichting van het plangebied en te verhalen kosten. Toets aan beleidsnota inbreidingslocaties 2020 Het plangebied kan niet aangemerkt worden als een structuurversterkende plek aangezien de locatie niet aan drie zijden is omsloten door bestaande bebouwing. In paragraaf 3.4.1 van de beleidsnota zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen. In artikel 3.4.1, sub b is de opgenomen dat de gemeente in uitzonderlijke gevallen kan afwijken van bouwen op structuurversterkende plekken, mits daardoor de ruimtelijke kwaliteit niet verminderd indien: er sprake is van een bestaand open gebied dat bijv. is voorzien van een agrarische bestemming en welke direct grenst aan of gelegen is binnen de bebouwde kom. Eventuele woningbouw op dergelijke locaties is alleen mogelijk als er een aantoonbare kwalitatieve en kwantitatieve behoefte is voor de betreffende kern (volgend uit de woonvisie, uitvoeringsnota woningbouw en de programmeringsnotitie kwalitatieve woningbouw), zodat kan worden besloten om voor dat geval af te wijken van het principe van structuurversterking.

Opmerking: te allen tijde geldt op grond van trede 2 van de ladder van duurzame verstedelijking en de provinciale verordening een aanvullende motiveringseis dat als buiten het bestaand stedelijk gebied een stedelijke ontwikkeling gaat plaatsvinden tot uiting moet komen waarom binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor de beoogde stedelijke ontwikkeling. In de kern Saasveld is nauwelijks tot geen ruimte beschikbaar of beschikbaar te maken door herstructurering en transformatie voor nieuwbouw van woningen. Op grond van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is het niet de bedoeling dat al het bestaand stedelijk groen en sport- en spelvoorzieningen komen te verdwijnen. De (potentiële) inbreidingslocaties in Saasveld zijn reeds ontwikkeld of in voorbereiding. Aangezien er in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is of geschikt te maken is binnen bestaand stedelijk gebied mag op grond van de provinciale omgevingsverordening een claim gelegd worden op het plangebied die is voorzien van de enkelfunctie 'Agrarisch' om in de woningbouwbehoefte van de kern Saasveld te voorzien. Daarbij wordt opgemerkt dat de planlocatie goed bereikbaar is voor al het verkeer aangezien deze is gelegen aan de doorgaande weg Drosteweg en de ontsluitingswegen van het woningbouwplan Saasveld de Lenne.

28 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Zoals is aangetoond in paragraaf 4.1.4 voorziet het plan in een actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan nieuwe woningen. Het plan sluit zoveel mogelijk aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur van de omgeving. Qua bouwmogelijkheden wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de bebouwingskenmerken (zoals goot- en bouwhoogte, bouwmassa etc.) van de omgeving. Tevens grenzen de kavels aan de openbare weg en worden omliggende woonmilieus niet onevenredig aangetast. Derhalve kan het plangebied aangemerkt worden als logische ontwikkellocatie. In hoofdstuk 5 van voorliggend TAM-omgevingsplan wordt ingegaan op alle voor de fysieke leefomgeving relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daaruit blijkt dat de milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin de afspraken en het verhaal van kosten vastgelegd zijn. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de 'Beleidsnota inbreidingslocaties 2020'. 4.1.6 N ota 'De casco benadering in N oordoost-Twente' De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld.

Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergeven, zie de navolgende tabel.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In afbeelding 4.7 is een fragment van de cascokaart behorende bij de cascobenadering weergegeven. Toets aan cascobenadering Zoals uit afbeelding 4.7 blijkt is er in de nabijheid van het plangebied een groenstructuur aanwezig, welke die onderdeel uitmaakt van de Casco-benadering. Het betreft een bestaande houtsingel langs de Drosteweg. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 29 Figuur 4.7: Uitsnede cascokaart (bron: Provincie Overijssel) Voorliggend plan wordt via de bestaande ontsluitingsweg van Saasveld de Lenne ontsloten. Als gevolg van het plan vinden geen nieuwe ingrepen plaats aan groenstructuren die onderdeel uitmaken van het Casco.

De casco-benadering vormt geen belemmering voor de uitvoering van de in dit TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.7 N ota Omgevingskwaliteit De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeenten bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: Basis omgeving Midden omgeving Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart benoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail).

Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Voor onderhavig plan bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor de voorgenomen ontwikkeling, waarbij met name de beoogde erfopzet en architectuur beeldkwaliteitseisen moeten worden vastgelegd. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria. Toets Voor het plangebied geldt op grond van de Nota Omgevingskwaliteit het kenmerk 'buitengebied - midden'.

Aangezien het plan stedenbouwkundig aansluit bij de bebouwing van woningbouwplan Saasveld De Lenne wordt 30 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 het beeldkwaliteitsplan 'de Lenne Saasveld' op dit plan van toepassing verklaard. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal aan dat beeldkwaliteitsplan getoetst worden. Dit is in de planregels van dit omgevingsplan geborgd. 4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college op 17 juni 2024 een principe-uitspraak heeft gedaan voor het woningbouwplan aan de Drosteweg 19 in Saasveld. Het inrichtingsplan is besproken met het kwaliteitsteam en in beginsel akkoord bevonden. 4.2.1 Provinciaal vooroverleg De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.

In de voornoemde lijst is opgenomen dat er vrijstelling geldt van het vooroverleg (voorkantsamenwerking) voor woningbouwplannen tot en met elf woningen inclusief bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de regionale Woonagenda Twente in kernen met een inwoneraantal van meer dan 1.000 inwoners. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Op 28 november 2025 is het plan via www.hetwateradvies.nl kenbaar gemaakt bij het waterschap. Op 4 december 2025 heeft een overleg met het waterschap plaatsvinden. Daarin heeft het waterschap advies uitgebracht voor het plan (zie paragraaf 5.12). Het waterschap adviseert naast het voldoen aan de bergingseisen om de parkeerplaatsen ietwat verlaagd aan te leggen ten opzichte van de woningen, zodat de parkeerplaatsen bij extreme regenval benut kunnen worden als bufferzone voor water. 4.2.3 Participatie en omgeving Door initiatiefnemers is ten aanzien van het eerste beoogde plan (5 levensloopbestendige woningen, één vrijstaande woning achter de rijwoningen en verbouw van bijgebouw naar vrijstaande woning) geparticipeerd met de omgeving. Hiervan is verslaglegging opgesteld. In Bijlage 1 is het participatieverslag bijgevoegd. Het plan is naderhand gewijzigd waarbij het voorliggende plan voorziet in 6 aaneengebouwde levensloopbestendige woningen en het verbouwen van het bijgebouw Drosteweg 19a naar één vrijstaande woning.

Daarmee worden zeven nieuwe woningen gerealiseerd. Op 8 december 2025 heeft een informatiebijeenkomst (inloopavond) plaatsgevonden in het clubgebouw van Jong Nederland Saasveld. Tijdens deze inloopavond zijn de plannen gepresenteerd en konden belangstellenden vragen stellen over het plan. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 31 32 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een wijziging van het Omgevingsplan alleen wordt vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de wijziging zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid.

Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579). 5.1.2 Situatie plangebied De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid van artikel 5.129g vvan het Besluit kwaliteit leefomgeving is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren.

Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het plan voorziet in de realisatie van zeven nieuwe woningen, waarvan zes aaneengebouwde woningen en één vrijstaande woning door middel van de verbouw van een bestaand bijgebouw. De bestaande woning Drosteweg 19 maakt onderdeel uit van het plangebied maar betreft een bestaande woning. Op basis van de overzichtsuitspraak met jurisprudentie met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) is bepaald dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er sprake is van een woningbouwplan die voorziet in meer dan 11 woningen. Aangezien dit plan voorziet in zeven nieuwe woningen geldt dat de ontwikkeling niet aangemerkt kan worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 33 Echter, de zes aaneengebouwde woningen worden gerealiseerd op gronden die zijn voorzien van de functie 'Agrarisch', waardoor deze buiten bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd.

Zoals in paragraaf 4.1.2 en 4.1.5 beschreven geldt op grond van trede 2 van de Ladder van duurzame verstedelijking en de provinciale omgevingsverordening dat als buiten bestaand stedelijk gebied een stedelijke ontwikkeling gaat plaatsvinden, tot uiting moet komen waarom binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor de beoogde ontwikkeling. Zoals ook in pargrafen 4.1.2 en 4.1.5 beschreven is in de kern Saasveld nauwelijks tot geen ruimte beschikbaar of beschikbaar te maken door herstructurering en transformatie voor nieuwbouw van woningen. Ook is het op grond van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik niet de bedoeling dat al het bestaand stedelijk groen en sport- en spelvoorzieningen komen te verdwijnen. Ook zijn de (potentiële) inbreidingslocaties reeds ontwikkeld of in voorbereiding. Aangezien er in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is of geschikt te maken is binnen bestaand stedelijk gebied mag een claim gelegd worden op het plangebied die is voorzien van de enkelfunctie 'Agrarisch' om in de woningbouwbehoefte van de kern Saasveld te voorzien. Daarbij wordt opgemerkt dat de planlocatie goed bereikbaar is voor al het verkeer aangezien deze is gelegen aan de doorgaande weg Drosteweg en de ontsluitingswegen van het woningbouwplan Saasveld de Lenne. Het plan sluit zoveel mogelijk aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur van de omgeving.

Zoals is aangetoond in paragraaf 4.1.4 voorziet het plan in een actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan nieuwe woningen. Daarmee wordt enerzijds geconcludeerd dat voorzien wordt in een actuele behoefte aan nieuwe woningen. Anderzijds is gemotiveerd waarom binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor de beoogde stedelijke ontwikkeling. 5.1.3 Conclusie Het plan kan niet worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking. 5.2 Mer-beoordeling 5.2.1 Algemeen Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor.

Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer- (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1.

Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 34 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

5.2.2 Situatie plangebied De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. De voorgenomen plannen zijn niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwplannen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). Het plan voor de realisatie van zeven nieuwe woningen inclusief bijbehorende infrastructuur, water en groen valt onder 'stedelijk ontwikkelingsproject'.

Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaalniveau. Hiervoor is een plan-mer beoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als Bijlage 2 bij deze motivering toegevoegd. 5.2.3 Conclusie Op basis van de plan-mer-beoordeling beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat aanzienlijke milieueffecten heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 35 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' (agustus 2024). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.

Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2 Situatie plangebied Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (augustus 2024). De publicatie staat bekend als CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' en vervangt CROW-publicatie 381 Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom. In de voornoemde publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per functie. In onderstaande tabel is de toename van het aantal verkeersbewegingen van de nieuwe woningen weergegeven. Als gevolg van het plan is er sprake van een toename van afgerond 53 (52,6) verkeersbewegingen. Deze toename is berekend over de toename van het aantal nieuw te bouwen woningen.

De ontsluiting van het plan vindt plaats via de bestaande Drosteweg en de nieuwe ontsluitingsweg die het woningbouwplan Saasveld de Lenne ontsluit op de Drosteweg. De Drosteweg betreft een belangrijke doorgaande ontsluitingsweg van de kern Saasveld en is in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019 aangemerkt als 'erftoegangsweg zonder fietsvoorziening'. De maximale verkeersintensiteit die dergelijke wegen aankunnen bedraagt circa 4.000 tot 6.000 verkeersbewegingen per dag. De Drosteweg is voorzien van meerdere snelheidsremmende maatregelen zoals verkeersdrempels en er zijn enkele kruisingen in de nabijheid van het plangebied aanwezig (kruising Drosteweg - Zoekerdijk) en de nieuwe kruising bij woningbouwplan Saasveld de Lenne en De Hagen. Ter hoogte van het perceel Drosteweg 19 en de kruising met woningbouwplan de Lenne heeft de Drosteweg een rijbaanbreedte van circa 6 meter. Naast de rijbaan is een voetpad (stoep) aanwezig. Ten aanzien van de verkeersontsluiting en verkeersroute van de inwoners van de kern Saasveld is de verwachting dat de inwoners van de noordelijke helft van de kern Saasveld (ten noorden van Saasvelderbeek die de kern Saasveld doorsnijd) via de Zoekerdijk en de Drosteweg wordt ontsloten op de Bornsestraat. De zuidelijke helft van de Saasvelderweg zal vooral via de Koninksweg ontsloten worden op de Bornsestraat.

Derhalve wordt geacht dat de bestaande infrastructuur rond het plangebied de toename van het aantal verkeersbewegingen veilig kan afwikkelen en de maximale capaciteit van 6.000 voertuigbewegingen per etmaal niet wordt overschreden. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. 36 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Voor de parkeerbehoefte worden eveneens de volgende uitgangspunten gehanteerd: verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; stedelijke zone: rest bebouwde kom. Hieronder is de parkeerbehoefte van het plan weergegeven. Als gevolg van het plan bedraagt de totale parkeerbehoefte afgerond 17 parkeerplaatsen inclusief de bestaande vrijstaande woning Drosteweg 19. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt danwel bij bij het bouwplan behorende en daartoe bestemd gronden. De bestaande vrijstaande woning aan de Drosteweg 19 en de nieuwe vrijstaande woning aan de Drosteweg 19a voorzien in de parkeergelegenheid op eigen terrein. Om in de parkeerbehoefte van de aaneengebouwde woningen te voldoen worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd in de openbare ruimte.

Tevens wordt ter hoogte van kavel 6 één parkeerplaats langs de weg gerealiseerd ten behoeve van die woning. Daarmee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor het parkeren op eigen terrein (binnen het plangebied) kan worden opgevangen. In figuur 5.1 zijn de parkeerplaatsen weergegeven. Er wordt voldaan aan de geldende parkeernormen. De realisatie van de parkeerplaatsen wordt als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Figuur 5.1: Situatietekening waarop parkeerplaatsen zijn weergegeven (bron: HuisopKavel Architectuur) 5.3.3 Conclusie Het plan voldoet aan het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland en de toename van het aantal verkeersbewegingen kan via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 37 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.4.1 G ebiedsbescherming 5.4.1.1 N atura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plangebied ligt op minimaal 4,32 kilometer afstand van gronden die tot het Natura 2000-gebied behoren. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Lemselermaten.

In figuur 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied weergegeven. 38 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Figuur 5.2: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: calculator.aerius.nl) Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof Om te onderzoeken of het voorgenomen plan kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, heeft Natuurbank Overijssel een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in een stikstofrapportage (projectnummer 7579A, versie 1.0, d.d. 18 mei 2026). Het stikstofonderzoek is als Bijlage 3 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Resultaten ontwikkelfase jaar 2026 De activiteit in de ontwikkelfase, in het jaar 2026, leidt tot een NOx-emissie van 38,6 kg/jaar en een NH3-emissie van 1,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase in het jaar 2026, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie.

De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Resultaten gebruiksfase De activiteit in de gebruiksfase, in het jaar 2027, leidt tot een NOx-emissie van 1,9 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase in het jaar 2027, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangevraagd te worden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 39 5.4.1.2 N atuurnetwerk N ederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland.

Gronden die tot NNN behoren, liggen op minimaal 437 meter afstand van het plangebied. In figuur 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Figuur 5.3: Ligging plangebied t.o.v. NNN (bron: Atlas Leefomgeving) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft het plan niet getoetst te worden aan het provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Het plan heeft vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland geen negatief effect op het Natuurnetwerk Nederland. De invloedsfeer van het voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Conclusie Het aspect 'gebiedsbescherming' staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg. 5.4.2 Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig 40 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied Om te onderzoeken of de activiteiten kunnen leiden tot wettelijke consequenties in het kader van de soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (projectnummer 7579, versie 1.0, d.d. 3 december 2025). In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 29 april 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden.

De resultaten zijn in de quickscan natuurwaarden opgenomen, welke als Bijlage 4 bij de motivering van dit omgevingsplan is bijgevoegd. Hieronder worden de resultaten weergegeven. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantings- en/of rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1052/documents/25590